Hoofdstuk 20 - De handlezer
By Chris Polanen
Na het eten vertelt Mirna over haar leven in Nederland. Zittend op het balkon beschrijft ze de eerste Nederlandse winters waarin een grijs wolkendek het zonlicht wekenlang tegenhield en het niemand kon schelen of je leefde of stierf op je kamertje dat maar niet warm wilde worden.
Natuurlijk heb ik deze verhalen in alle varianten gehoord, maar de koude oren, vingers, voeten, op de fiets, bij de bushalte en in bed, hebben nooit medelijden bij mij opgewekt. Integendeel, ik genoot van de prijs die betaald moest worden voor het verlaten van Suriname.
Wie ons hier achterlaat, met onze politici, met onze armoede, met onze schulden, die verdient het om te verkleumen, gediscrimineerd te worden en te branden in de hel van heimwee.
Maar Mirna’s stem voert mij mee de kou in, door de straten van beton en steen. Ze laat de ijzige wind langs mijn wangen blazen, de ogen van de Nederlanders door me heen kijken zonder mij te zien en me het gemis voelen van de explosies en kruitdampen die op oudejaarsavond bezit nemen van de straten van Paramaribo.
Als ze over Humphrey en Rowan vertelt, observeert ze mij nauwlettend. Ze kent me nog goed genoeg om de kleinste tekenen van ongemak te registreren en haar woorden daarop aan te passen. Vroeger kon ze al binnen een gesprek razendsnel schakelen van confronterend naar tactvol.
Nadat zij en Humphrey uit elkaar gingen, zag ze hem nog maar een paar keer. Al snel was er geen contact meer, maar hij maakte wel geld over en deed dat tot haar verbazing tot Rowan zijn studie had afgemaakt. Zelfs het collegegeld was geen probleem. Pas recent was ze erachter gekomen waar dat geld vandaan kwam.
Na hun aankomst in Nederland was al snel gebleken dat Humphrey nooit een professionele zwemmer zou kunnen worden, het niveauverschil was te groot. Zonder diploma’s, met zijn onvermogen om zich aan te passen aan Nederland en zijn afkeer van hard werken voor weinig geld, was het niet vreemd dat hij in de criminaliteit belandde. Vrienden introduceerden hem in de drugshandel en al snel vond hij er zijn weg. Geleidelijk bouwde hij een cocaïne-imperium op. Vanuit Colombia vervoerde hij het via Suriname naar Europa: zowel de bolletjes in de darmen van arme, wanhopige sloebers, als de ladingen verborgen in het ruim van schepen. Een imperium dat decennia stand zou houden, maar zoals elk drugsimperium uiteindelijk ten onder ging aan hebzucht, verraad en psychopaten op cruciale posities.
Ze leunt met haar kin op haar hand en kijkt me aan.
Jezus… Oké, hij had de mulo niet afgemaakt, kon niet rekenen en ook niets met zijn handen. Ik denk dat ik altijd al geweten heb dat hij een puinhoop van zijn leven zou maken, maar niet dat hij het zo groots aan zou pakken. ‘Niemand heeft mij hier iets over verteld. Zelfs Ralph niet. En hij is een van Humphreys beste vrienden.’
‘Maar heel weinig mensen wisten wat Humphrey deed. Als Ralph het wist, mocht hij het niet vertellen. Humphrey was voor de buitenwereld een succesvol zakenman. Hij had een restaurant en een paar snackbars. Iedereen dacht dat zijn geld daar vandaan kwam.’
‘Hoe weet jij dit allemaal?’
‘We hebben elkaar twee maanden geleden ontmoet. Na dertig jaar.’
‘Waarom nu…? Na al die tijd?’
‘Hij heeft getuigd tegen gevaarlijke mensen. Ze wrijft over haar hals. ‘Hij zei dat ze hem gingen opruimen. Liquideren. Hij zei het alsof hij zich erbij neergelegd had.’
‘Jezus.’
Ze knikt en kijkt naar de lucht. ‘Ik ben dertig jaar boos op hem geweest. Omdat hij geen vader voor Rowan geweest is. Maar het is moeilijk om boos te zijn op iemand in die situatie.’
‘Heeft hij Rowan ontmoet?’
‘Ja, na ons gesprek hebben ze elkaar ontmoet. Na zoveel jaar.’
‘Hoe was dat?’
‘We huilden alle drie. Rowan herpakte zich het snelst en probeerde ons te troosten. Toen we uitgehuild waren, maakte hij foto’s. Selfies. Vierendertig jaar en dan voor het eerst met je ouders op de foto.’
‘En misschien voor het laatst.’
‘Ja.’
Ik probeer te voelen, maar ik voel niets. Humphrey verdient niet beter.
We zwijgen en staren voor ons uit.
‘Hoe was het om hem weer te zien?’
Ze staart me aan, sluit haar ogen een paar seconden en opent ze weer. ‘Dertig jaar verandert de buitenkant van een man, maar de dood verandert de binnenkant. Bij Humphrey en bij jou.’
‘Hoe dan?’
Ze knikt, voorbereid op de vraag. ‘Jij bent zachter. Eerlijker. Open.’
‘Echt? En Humphrey?’
‘Hij is angstig. Nerveus. Alles wat hij vroeger verborg. Toen ik jou op Zanderij zag, wilde ik je aanraken, zoenen, zo dicht mogelijk bij je zijn. Toen ik hem zag, kon ik maar niet begrijpen wat ik in hem gezien had.’
Ik lach. Het voelt alsof ik na vijfendertig jaar verlies te horen krijg dat ik toch gewonnen heb. Ik sla een arm om haar schouder en druk een zoen op haar wang.
Ze kijkt me aan, bezorgd. ‘Er is nog iets.’
‘Jezus…’
‘Hij komt ook. Ik zocht naar het juiste moment om het je te vertellen.’
Ik zoek naar woorden, maar ik heb alleen een hartslag, verder niets. ‘Waarom in godsnaam?’
‘Hij wil jou nog zien. Voor hij doodgaat.’
‘Ik wil hem niet zien.’
‘Wilde je mij wel zien?’
‘Dat was anders.’
‘Niet zoveel toch?’
‘Ik was bang voor wat je zou zeggen. Ik was bang voor wat ik zou voelen.’
‘En je wilde mij toch zien?’
‘Ja.’
‘Had je verwacht dat het zo zou gaan?’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Ik ook niet. Als Humphrey komt, ben ik al weg. Hoop ik…’
De gedachte dat ze weer weggaat doet meer pijn dan de komst van die schoft. Ik zoen haar en proef de smaak van moksi alesi in haar mond.
‘Je bent ook vuriger dan vroeger…’ zegt ze.
‘Op mijn oude dag… Ga je het eigenlijk aan Rowan vertellen? Hij heeft het recht het te weten, toch?’
Ze slikt. ‘Ik dacht eerst dat ik het zou vertellen als hij oud genoeg was. Maar wanneer is een kind oud genoeg voor zoiets? Hij leek altijd te jong. Te kwetsbaar. Er was altijd een reden om het niet te doen. En ik werd steeds banger voor wat er met onze band zou gebeuren.’ Ze sluit haar ogen, zoekt in zichzelf naar een antwoord en vindt het. ‘Dit is het juiste moment. Hier. In Suriname. Bij jou.’
‘Ik wil er graag bij zijn als je het hem vertelt.’