Hoofdstuk 3 - De handlezer
By Chris Polanen
Iemand slaat veel te hard met de klink van de poort. Onverwachts bezoek. Het geluid bonkt door de stilte van de vroege middag. Er is geen geluid dat ik meer haat.
Met tegenzin loop ik naar het balkon en ik kijk naar beneden.
‘Goedemiddag!’
Een jongeman van begin dertig. Uit Nederland, dat hoor je en je ziet het aan het bloemetjeshemd en de felgekleurde korte broek. Alleen Nederlanders gaan op dit tijdstip onverwachts bij iemand langs.
Hij kijkt omhoog, houding en blik zoeken naar houvast.
Zijn gezicht komt me heel bekend voor. Ik moet hem ooit ontmoet hebben, maar ik heb geen idee waar.
‘Oom Henri! Ik ben het! Rowan! Uw neef!’
Jezus Christus. Daarom komt hij me zo bekend voor. Hij lijkt op zijn vader. Mijn broer.
‘Jongen! Jou had ik niet verwacht.’ Wat doe je hier? Wat moet ik in godsnaam met jou? ‘Kom maar naar boven. Er zijn geen honden.’
Behalve mijn vrienden Ralph en Glenn is er al jaren niemand meer op bezoek geweest. Gastheer is een rol die ik nooit goed heb kunnen spelen, gast zijn past veel beter bij mij. Ik eet en drink met mate, kan over alles meepraten, maak geen schuine grappen en let op signalen van de gastheer of -vrouw die erop wijzen dat het tijd wordt om te gaan.
Hij glimlacht en opent de poort.
Terwijl ik naar de trap loop, voel ik de oude onrust opflikkeren. Nou ja, deze jongen kan er ook niets aan doen.
Hij is al boven. Langer dan ik. Breedgeschouderd, knap.
Een stevige handdruk. ‘Oom Henri! Wat goed om u eindelijk te ontmoeten.’
Ik zie mijn broer in de manier waarop hij beweegt en glimlacht, maar Humphrey heeft een hoekig hoofd, grote neus en mond. Bij deze jongen is alles afgerond, kleiner, zachter. Zijn moeder…
Ik probeer opgewektheid en gastvrijheid te veinzen. ‘Ik had nooit gedacht… Jezus… Rowan! Kom verder.’
Ik ga hem voor naar het balkon.
Hij pakt de balustrade vast en kijkt uit over de straat. ‘Wat bijzonder om hier te zijn. Het ouderlijk huis van mijn vader…’
Ik knik.
Na jaren procederen besliste de rechter dat ik in het huis mocht blijven wonen als ik Humphrey uitkocht. Nog voor de Brazilianen, nog voor de nieuwe Chinezen, nog voor de drukte en het lawaai, wilden alle Surinamers hier wonen. Elke oudste zoon die het recht op zo’n huis meende te hebben, zou vloeken en met dure advocaten proberen om zijn jongere broer eruit te krijgen.
De rechterlijke uitspraak zou Humphrey uiteindelijk als een vuistslag in het gezicht treffen. Lang voor de rechtszaak was ons broederschap al een pijnlijke dood gestorven, het vonnis was slechts de officiële bezegeling van onze haat.
‘Wat een prachtig uitzicht heb je vanaf het balkon. Jammer van al die rommel en die auto’s.’
Nederlanders hechten veel waarde aan het uitzicht, willen uitkijken over een landschap, gaan zitten aan het water. Surinamers ploffen overal neer waar eten, drinken en gezelligheid is, onder tl-licht, desnoods met uitzicht op een vuilnisbelt.
We gaan zitten en het voelt alsof ik tegenover Humphrey zit, die in een andere vorm mijn leven en ons ouderlijk huis binnengedrongen is. Ik ben op mijn hoede, maar ook nieuwsgierig. Wanneer ben ik voor het laatst nieuwsgierig geweest?
‘Wanneer ben je gekomen?’
‘Eergisteren.’
‘Ah… En waar logeer je?’
‘Bij een kennis. Het is tijdelijk. Ik ben op zoek naar een plek waar ik langer kan blijven.’
‘Er zijn veel guesthouses.’
Hij knikt, schuift ongemakkelijk in zijn stoel en kijkt naar de straat.
‘Boi, Rowan, eindelijk zie ik je dan.’ Ik zeg het alsof dat altijd een wens van me geweest is. ‘En? Hoe is het om in Suriname te zijn?’
‘Ik ben blij om er even helemaal uit te zijn. Ik had geen werk… zat niet lekker in mijn vel.’
Behalve vakantiegangers zijn er twee soorten Nederlandse Surinamers die naar Suriname komen: de succesvolle en de probleemgevallen. De succesvollen zoeken erkenning en nieuwe mogelijkheden, rijden in dure huurauto’s, logeren in luxehotels en genieten van alle aandacht. De probleemgevallen willen troost en heling om een dieptepunt in hun leven te overwinnen. Ze staren naar de rivier of naar de wolken en voeren lange gesprekken, vooral met lotgenoten, want Surinamers hebben wel wat anders aan hun hoofd en geen tijd om hun luxeproblemen aan te horen. Wil je jezelf vinden, erachter komen waar je thuishoort, prima, maar hier zijn we bezig met overleven, zonder uitkeringen of ziektekostenverzekeringen die alternatieve geneeswijzen vergoeden.
Ik wil deze jongen niet het gevoel geven dat hij zijn problemen aan een onbekende oom moet uitleggen. Ik zal hem toch niet kunnen helpen. Ander onderwerp. ‘En hoe gaat het met je moeder?’
‘Heel goed. Ze is nog fit en jong van geest. Nou ja, u weet hoe ze is.’ Hij glimlacht.
Hoeveel heeft ze hem verteld? In mijn hoofd verschijnt ze altijd zoals ze op de foto staat die ik zevenendertig jaar geleden van haar heb gemaakt. Haar lachje zegt: oké, we hebben gezoend en ik vind je wel leuk, maar ik weet nog niet hoe leuk, ik weet niet of ik verder met je wil, ik weet niet of dit serieus kan worden, en vergeet vooral niet dat ik veel keus heb. Zo is ze bevroren in mijn geheugen. Nee, ik weet niet hoe ze is. Ik wist waarschijnlijk niet eens hoe ze was.
‘Ze heeft altijd met veel genegenheid over u gesproken.’
Dat zal wel. ‘En Humphrey?’ vraag ik. ‘Heb je nog contact met hem?’
Hij kijkt me aan zoals mensen naar een ernstig zieke kijken, de ogen samengeknepen in een bezorgd medelijden. Verdomme, hij weet het. Moeders zouden hun kinderen niet met hun relatieproblemen moeten lastigvallen, zeker niet als die dateren van voor hun geboorte.
‘U weet waarschijnlijk dat mijn ouders uit elkaar gingen toen ik nog klein was. Ik heb nooit veel contact met Humphrey gehad. Ik heb hem laatst na dertig jaar weer gezien.’
Ik knik. Het verbaast me niets. Hij was nergens geschikt voor, zeker niet voor het vaderschap. Het kind, deze man met trekken van beide personen die ik gehaat heb, zoals je alleen mensen kunt haten van wie je ooit gehouden hebt, was ik geheel vergeten.
Hij lijkt de wolkenlucht te bestuderen. Als hij alles weet, moet hij beseffen dat zijn komst ongemakkelijk voor mij kan zijn.
‘Is er nog meer familie die ik op zou kunnen zoeken?’
‘Van mijn kant niet veel. Er zijn nog een paar neven, maar daar heb ik geen contact meer mee.’
‘Hebt u zelf geen kinderen?’
‘Nee. Dat is er nooit van gekomen.’ Dat is een simpele samenvatting, maar de details zijn pijnlijk. Een vriendin wilde wel, maar kon ze niet krijgen, bij een andere wilde ik het niet, omdat ik mijn vrijheid wilde houden en bij de laatste vriendinnen bleef ik twijfelen. Uiteindelijk vond ik mezelf te oud om nog vader te worden. Kinderen die niet mochten of konden komen, bleken vaak een goede reden om uit elkaar te gaan.
‘En jij?’
‘Nee…’
‘Je bent nog jong. Je hebt alle tijd.’
‘Ik weet niet of ik het wil. Met z’n tweeën is het al ingewikkeld. Laat staan…’
Lachend sla ik hem op zijn schouder. Stevige spieren. ‘Dat is waar!’
Hij lacht.
Er valt een stilte en hij kijkt weer naar de lucht. De Surinaamse lucht is voor Nederlanders altijd bijzonder en sommige kijken een groot deel van de tijd naar boven.
Hij zucht en ik merk aan zijn onrustige bewegingen dat hij iets wil zeggen wat hem zwaar valt.
‘Oom Henri, ik vind het lastig om te vragen, maar… ik heb niet veel geld en ik heb een plek nodig waar ik kan logeren. Zou het misschien mogelijk zijn dat ik… hier…? Bij u?’
Een logé is de ergste gast die er is. Hij eet, gaat naar de wc, luistert naar muziek, telefoneert, kijkt tv, praat, vraagt, vertelt, komt en gaat, doucht en blijft slapen. Je kunt hem niet ontwijken.
Hij kijkt me aan met een gespannen verwachting in zijn blik.
De ogen zijn van zijn moeder.
Dan slaat hij zijn ogen neer en glimlacht alsof hij zich realiseert dat het te veel gevraagd is.
Na een paar seconden waarin alle bezwaren verdwijnen die ik altijd als onoverkomelijk zag, zeg ik: ‘Dat is goed. Beneden is een kamer met bad, toilet en een kleine keuken. Hoelang wil je blijven?’
‘Ik weet het niet precies. Tot ik weer wat beter in mijn vel zit.’
Vroeger zou ik gezegd hebben: ‘Dat kan jaren duren,’ maar ik herken te veel in hem. Het is alsof mijn broer en de grootste liefde van mijn leven terug zijn, samengesmolten in een ongevaarlijke vorm. ‘Je mag zo lang blijven als je wilt.’
Zijn gezicht klaart op. ‘Dat is geweldig. Dank u wel!’ Hij pakt mijn hand met beide handen.
Het zijn Humphreys handen, groot en klam, maar Humphreys trekken wijken nu voor die van zijn moeder en ik voel een warmte die ik heel lang niet gevoeld hebt. ‘Noem me gewoon Henri. Anders voel ik me zo oud.’