Hoofdstuk 30 - De handlezer
By Chris Polanen
Om tien uur zitten we op de stoep van het erfhuisje. De nacht is stil, geurloos en zelfs zonder muskieten. We hebben deze keer geen alcohol meegenomen. Het lijkt vanzelfsprekend dat we vannacht nuchter blijven.
Kom je vanavond, ouwe? Wanneer heb ik je voor het laatst vader genoemd? Als kind noemde ik je papa, tot ik erachter kwam dat er ook vaders waren die heel anders tegen hun kinderen praatten en ze niet om kleinigheden klappen gaven.
Je schold Humphrey ook uit en hij kreeg net zo vaak slaag, maar je keek anders naar hem en je zei ook weleens wat vriendelijks tegen hem. Waarschijnlijk is er altijd een gevaar dat een vader het kind waarin hij zichzelf herkent, meer genegenheid toont.
Maar wie had jou daar op kunnen wijzen, ouwe? Je eigen vader verdween al voor je geboorte en je moeder heeft je jongere halfbroers daarna waarschijnlijk meer liefde gegeven dan jou. Waarom zou je ze anders de verschrikkelijkste dingen toewensen? En je vrienden zeiden er ook niets van. Die waren niet eens geïnteresseerd in hun eigen zonen, alleen in alcohol, vrouwen en sterke verhalen.
De basale regels van het ouderschap leert niemand ons, dus krijgen we kinderen en verpesten we hun levens, zonder het te beseffen.
Ma, ik ben jou niet vergeten, hoor, maar hoeveel invloed kon jij op die ouwe uitoefenen? Ik weet zeker dat je het geprobeerd hebt, net zoals ik zeker weet dat hij ons anders nog vaker en harder had geslagen. Hoe vaak pakte je zijn arm niet vast, terwijl die klauw al onderweg was naar het koppie van een van ons. Telkens verbaasde het mij dat je hem tegen kon houden.
Maar wat had je eigenlijk aan hem? Ik heb mij altijd afgevraagd waarom je hem niet verlaten hebt, maar later begreep ik dat jouw generatie vrouwen alles accepteerde. Alles waar nooit over gepraat werd, alles wat nooit verwerkt werd en er in scheldwoorden of klappen uitkwam. Hadden jullie een keus?
Jij verzekerde mij dat ik er ook mocht zijn, zachter en minder stoer dan Humphrey. Maar wat heeft een zoon aan de bevestiging van zijn moeder als hij verlangt naar die van zijn vader? Ik heb het nooit willen toegeven, maar zelfs na al die jaren dronkenschap en ongevoeligheid, bleef ik erop hopen. In dat opzicht was je dood een verlossing, ouwe man, het einde van die levenslange onvervulde hoop.
‘Waarom staat het huisje er eigenlijk nog?’ vraagt Humphrey. ‘Het is toch niet meer bewoonbaar?’
‘Ik ben er nooit aan toegekomen om het af te breken.’ Sinds ik me kan herinneren hebben we het huisje gebruikt om van alles op te slaan. Reiskoffers, meubels, boeken, fotoalbums, allerlei spullen die al snel werden vergeten. De laatste jaren kocht ik geen overbodige dingen meer en had ik geen behoefte meer om zaken uit het verleden te bekijken. Ik probeer me voor te stellen hoe het huisje er nu vanbinnen uitziet, overgenomen door slingerplanten, houtluis, muizen, ratten, vleermuizen, awari’s, bijen en een enkele slang.
‘Ik ben blij dat het er nog staat,’ zegt Humphrey. ‘Het erf zou niet hetzelfde zijn.’
‘Ik had het jaren geleden moeten afbreken. Nu is het te laat.’
Humphrey knikt.
Ik vraag me af hoe hij zo ontspannen kan ogen na een dag als deze. Hij heeft zijn revolver naast zich neergelegd met de loop op de poort gericht. Het kleine glimmende wapen ziet er nep uit en het is moeilijk voor te stellen dat er kogels uit komen die schade aan kunnen richten.
De enige manier om het erf op te komen is vanaf de straat onder het huis door of langs de rechterkant van het huis. Wij zitten in het donker, maar de verlichting onder en langs het huis is aan. Als er iemand door de poort komt of over het hek klimt, zien we hem direct, maar hij zal ons niet zien.
‘Hoe was het om Mirna weer te zien?’ vraagt Humphrey.
Is dit nodig, broer? We weten niet hoeveel tijd we nog hebben. Moeten we die verpesten?
‘We moeten er toch over praten?’ zeg je.
Heb je ook therapie gehad in Holland? ‘Moet dat?’
‘Ik denk het wel. Dit is misschien onze laatste kans.’
Ik zucht. ‘In het begin was het heel moeilijk. Later niet meer.’
‘Jullie houden nog steeds van elkaar. Dat kon ik zien.’
‘Ik wil daar niet met jou over praten.’
‘Sorry. Ik begrijp het.’
Nu knipper je een paar keer heel snel achter elkaar. Je houdt je tranen tegen, want je weet dat het niet gepast is om te huilen. Als je huilt is dat uit zelfmedelijden, uit spijt of uit onmacht. Egoïstische redenen. Ik ben de enige die mag huilen, maar ik ga het niet doen. Ik pak nog liever dat pistool en timmer die grote kop van je ermee in elkaar. Dan zou je een goede reden hebben om te huilen.
Je slikt. ‘Sommige dingen kun je een broer niet vergeven,’ zeg je. ‘Ik zal die schuld mee mijn graf in nemen.’
‘Daar heb ik niks aan. Je hebt mijn leven vernietigd.’
Je knikt. ‘Dat weet ik. Ik haat mijzelf daarvoor.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Erover praten is zinloos… het verandert niets.’
‘Ik zou mijn leven voor je geven, Henri. Echt waar.’
‘Jouw leven is geen cent waard…’ De haat die ik zo lang heb opgeslagen, voelt mat.
Je kijkt me aan en ik begrijp niet dat je dat nog durft. ‘Je hebt gelijk…’ zeg je en ik begrijp niet dat je dat je strot uit krijgt.
Ik wend mijn hoofd af.
We zwijgen. Woorden zijn zinloos.
Een geluid bij de poort.
Een slanke, soepel bewegende gestalte.
Het is een jonge man. Kale schedel, donkere kleding.
Ik hou mijn adem in.
Humphrey pakt het pistool met een langzame, maar vloeiende beweging.
De gestalte loopt met voorzichtige stappen onder het huis. Volkomen geluidloos. Hij is fel verlicht, maar ziet niets in het donker om hem heen. Zijn rechterarm hangt slap langs zijn lichaam en de lange loop van zijn pistool is goed te zien.
Ik ben volkomen verstijfd. Nog een paar stappen en hij is zo dichtbij dat hij ons kan zien.
Humphrey strekt zijn arm. Met zijn linkerhand ondersteunt hij de rechter en hij tuurt voor zich uit.
Hoelang wacht hij nog? Mijn hart klopt zo snel dat ik bang ben dat ik een hartaanval krijg. Schiet dan. Schiet.
Humphrey vuurt drie keer snel achter elkaar. Zijn hand veert na elk schot iets omhoog.
De gestalte zakt langzaam en geruisloos in elkaar. Hij blijft op zijn rug op het steen liggen en beweegt niet.
We kijken elkaar aan.
Waar hebben de kogels hem geraakt? Is hij dood?
‘Ik heb op zijn borst gemikt.’ Humphrey fluistert, alsof hij bang is dat de man op de grond hem nog kan horen.
Het kan me niet schelen op welk lichaamsdeel je gemikt hebt, broer. Je bent geen scherpschutter, maar een doodsbange, voortvluchtige idioot. Misschien heb je drie keer in zijn been geschoten. Misschien heb je hem maar één keer geraakt met een schampschot. Misschien heb je hem compleet gemist en liet hij zich vallen. Dan wacht hij nu tot we verschijnen, zodat hij ons van dichtbij kan afmaken. Grijnzend, zoals je in films ziet, wanneer zo’n list slaagt. Zijn pistool heeft vier keer de omvang van de jouwe en de loop is gigantisch. Een kogel die daar uit komt, scheurt je borstkas uit elkaar.
Humphrey haalt diep adem en staat langzaam op.
Ik wil ook opstaan, maar mijn benen weigeren.
Geen van de buren is op de schoten af gekomen. Drie knallen vallen niet op tussen al het vuurwerk dat ’s nachts afgestoken wordt.
Humphrey beweegt zo traag dat het lijkt alsof hij in slow motion naar het lichaam loopt dat met de armen en benen gespreid op de vloer ligt. Het hoofd kan ik niet zien. Humphrey houdt zijn pistool strak op de man gericht. Eindelijk bij hem aangekomen, knielt hij bij hem neer en wenkt mij.
Het lukt me om op te staan, maar ik moet me concentreren op elke stap. Mijn zweet koelt af in de koude lucht. Wanneer ik dichterbij kom, zie ik dat het lichaam in het bloed ligt. Het haalt schokkend adem.
De ogen zijn groot, grijsblauw met lange wimpers. Veel vrouwen zouden jaloers zijn op je ogen, jongen, mannen trouwens ook. Je hebt een bruine huid en Europese trekken. Ik denk dat je een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader hebt. Je bent naar het land van je vader gekomen, niet om je familie te ontmoeten of om je roots te ontdekken, maar om iemand te vermoorden. Niets persoonlijks, gewoon een klus, zoals je zo vaak in films ziet. Moorden als werk.
En nu kijk je naar Humphrey, met een mengeling van pijn en verbazing. Natuurlijk, je dacht dat het makkelijk zou zijn. Met een geluiddemper zou niemand het horen en je zou op je gemak weer weg kunnen wandelen. Had je niet bedacht dat je zelf ook risico liep of denken jongens als jij daar nooit aan? Zo’n groot pistool kan natuurlijk heel wat angsten bedwingen, maar ik zie aan je blik dat je nooit had gedacht dat een sukkel als Humphrey je te snel af zou zijn.
Je drukt een hand op je borst. Lange slanke vingers, waarop het bloed al begint te stollen. Je T-shirt is doorweekt en plakt aan je lichaam. Je andere hand ligt met de palm omhoog op de stenen. Het pistool een meter buiten je bereik. Je kreunt.
‘Aaai boi,’ zegt Humphrey. ‘Aaai boi.’ Het klinkt alsof hij spijt heeft dat hij deze jongen, in de kracht van zijn leven, veranderd heeft in bloedend vlees dat naar adem hapt.
De jongen kijkt hem aan en schudt zijn hoofd. ‘Ik wil niet dood. Ik wil niet dood.’ Het accent van een Amsterdamse Surinamer. Hij kijkt me aan. ‘Alstublieft, bel… een ambulance voor mij.’
Ik kijk naar Humphrey die mij aankijkt met een blik die leger is dan ik ooit gezien heb.
De jongen begint te huilen. ‘Alstublieft… Ik ga dood.’
Ik denk ook dat je doodgaat, jongen. Ik heb nog nooit zoveel bloed uit een mens zien komen en rond je lichaam breidt de plas zich nog steeds uit. Ik ruik het ijzer in je bloed. Ik voel medelijden zoals ik dat voor elk levend wezen in jouw situatie zou voelen, maar jouw dood zal behalve verdriet, ook opluchting brengen. Je hebt mij al een keer bijna vermoord, misschien zonder dat te willen, maar het is duidelijk dat mijn leven voor jou van geen enkele waarde is. Waarom zou het jouwe dat voor mij wel zijn? Waarom zouden we proberen om je in leven te houden als het voor ons beter is dat je hier doodbloedt?
‘Bel,’ zegt Humphrey. Hij legt zijn handen over de hand van de jongen en drukt ze op zijn borstkas.
‘Waarom? Zodat hij weer terug kan komen als hij zich beter voelt?’
‘Bel,’ herhaalt hij, zonder mij aan te kijken.
‘Waarom? Zodat hij een andere moordenaar de weg hiernaartoe kan wijzen?’
Humphrey kijkt me aan, zijn handen nog steeds op de borst van de jongen gedrukt. Zwijgend, maar zijn blik zegt alles. Hij legt het leven van de jongen in mijn handen. Ik mag beslissen en er is maar één beslissing mogelijk. Godverdomme.
Ik pak mijn telefoon en bel. Het nummer heb ik opgeslagen toen mijn moeder tijdens haar laatste maanden telkens naar het ziekenhuis moest. Haar laatste rit reed ik met haar mee in de ambulance. ‘Het spijt mij dat ik u ’s avonds lastigval,’ had ze tegen het ambulancepersoneel gezegd. Tijdens de rit hield ik haar hand vast en voelde het leven langzaam maar gestaag uit haar vloeien. Kort nadat ze in het ziekenhuisbed lag, overleed ze. Een vermoeide, maar tevreden glimlach om haar lippen. Ik hield haar hand vast tot die ijskoud was.
‘We komen zo snel mogelijk, meneer,’ zegt de telefoniste.
Het standaardantwoord, maar ik weet dat het lang kan duren voor een ambulance in Paramaribo op de plaats van bestemming arriveert.
‘Hebt u de politie al gebeld?’ vraagt ze.
‘Nee,’ antwoord ik.
‘Dan doe ik dat nu,’ zegt ze.
‘We moeten een drukverband aanleggen,’ zegt Humphrey. ‘Heb je verband? En compressen? Of theedoeken?’
Ik probeer na te denken. De ouwe had een voorraad elastisch verband, waarmee hij zijn knie inpakte. ‘Ja. Ik ga het halen.’ Mijn benen zijn stijf en loodzwaar, maar ik loop zo snel ik kan naar de trap en hijs mezelf aan de trapleuningen naar boven. In de kast van de ouwe vind ik het verband. Ik pak een stapel schone theedoeken uit de keuken en ren zo snel ik kan weer naar beneden.
Humphrey zit nog steeds over de jongen gebogen met zijn handen op zijn borst gedrukt. ‘Je gaat niet dood,’ zegt hij. ‘Je gaat niet dood.’
Ik kniel bij ze neer en Humphrey haalt zijn handen van de jongen. In het bloederige T-shirt zit een gat, precies in het midden van de borst. De andere kogels hebben hun doel gemist.
Ik leg twee dubbelgevouwen theedoeken over zijn shirt en begin het verband uit te rollen. Om het om zijn borst te spannen moet Humphrey hem telkens op zijn zij keren.
‘Trek het zo strak mogelijk aan,’ zegt Humphrey. ‘Alleen dan zal het bloeden stoppen.’
Ik trek het met al mijn kracht aan. De jongen kreunt. Na de eerste rol doe ik er nog een.
‘Er komt geen bloed doorheen, maar dat zegt niets,’ zegt Humphrey. ‘Hij kan nog steeds inwendig doodbloeden.’
Ik schuif de andere theedoeken onder zijn hoofd. Hij is jong en sterk, maar er is een grens aan hoeveel bloed een lichaam kan verliezen. Misschien is het al te laat.
De jongen heeft zijn ogen gesloten en mompelt.
Humphrey legt een hand op zijn voorhoofd.
Wat doe je nou, broer? Dit is niet je zoon. Deze jongen zou je neermaaien en je voor dood achterlaten.
De jongen opent zijn ogen. ‘Ik heb dorst.’
Ik loop naar het rommelhok, pak een glas en vul het bij de kraan naast het huis. Ik ben uitgeput. Wankelend op mijn benen loop ik terug.
Ik kniel bij de jongen neer en schuif mijn linkerhand onder zijn hoofd. Hij voelt koud aan. Ik til zijn hoofd een beetje omhoog en breng het glas aan zijn lippen. Hij drinkt het in één teug leeg.
‘Dank u wel,’ zegt hij.
‘We wachten op de ambulance,’ zeg ik tegen hem.
Hij knikt, sluit zijn ogen weer. ‘Ik kan mijn ogen niet openhouden,’ zegt hij. Zijn stem is zwak. ‘Ik ben zo moe…’
‘Hoelang denk je dat het nog duurt voordat ze er zijn?’ vraagt Humphrey.
‘Nog een halfuur… als we geluk hebben.’
‘We kunnen alleen maar bidden,’ zegt Humphrey.
‘Bidden?’
De jongen lijkt ons niet te horen.
Als er maar genoeg bloed vloeit, als er niets meer te doen valt en het ziekenhuis nog ver weg is, worden de meeste mensen weer gelovig. Ook als ze dachten genoeg te hebben aan de evolutietheorie, boeddhisme en vorige levens, klampen ze zich uiteindelijk vast aan een god die ze kunnen smeken om genade, die van ze zal houden en ze zal beschermen.
Sorry, maar voor deze ga ik niet bidden, broer. Dat kleine beetje goodwill dat ik daarboven misschien nog heb, ga ik niet verspillen. God of duivel, wie wil mag hem meenemen.
‘Hij mag niet doodgaan,’ zegt Humphrey. ‘Hij heeft nog een heel leven voor zich.’ Hij kijkt peinzend naar de jongen. ‘Hij is zelf geen gevaar meer voor ons. Maar hij weet waar je woont. Zelfs al gaat hij van het ziekenhuis regelrecht de cel in, kan hij dit adres doorgeven.’ Hij geeft een paar zachte tikjes tegen de wang van de jongen. ‘Hoe heet je?’
‘T.J.,’ zegt hij zonder zijn ogen te openen.
‘T.J.? Wat is je naam?’ vraag ik.
De jongen reageert niet.
‘Laat maar,’ zegt Humphrey. ‘Waar kom je vandaan?’
‘Amsterdam,’ zegt de jongen nauwelijks hoorbaar.
‘Heeft Henk je betaald? Hiervoor?’
De jongen knikt.
‘Je mag niet tegen Henk zeggen dat je hier geweest bent,’ zegt Humphrey. ‘Niemand mag weten dat mijn broer hier woont.’
De jongen knikt weer. Zijn lippen bewegen, maar er komt geen geluid uit zijn mond.
Dan horen we de sirene van de ambulance.
Ik loop naar de poort om ze binnen te laten. Twee grote nors kijkende kerels met een brancard stappen uit. Een is kaal, de ander heeft dreadlocks die tot op zijn schouders komen.
‘Is de politie al geweest?’ vraagt de kale.
‘Nog niet,’ antwoord ik. ‘Ze zullen het wel druk hebben.’
Bij de jongen en Humphrey aangekomen kijken ze elkaar aan. De kale zucht, de rasta fronst zijn wenkbrauwen en ik begrijp het. Dit lichaam had overal kunnen liggen, maar het moest natuurlijk tijdens hun dienst in Paramaribo-Noord opduiken. Zij moeten dit eindproduct van generaties armoede en ongeluk proberen op te lappen zodat het zijn weg van destructie kan vervolgen. Een ondankbaardere taak kan ik zo gauw niet bedenken.
De kale trekt de oogleden van de jongen omhoog en schijnt er met een lampje in. Hij betast het drukverband en plaatst er een stethoscoop vlak boven. Het is nog steeds droog. ‘Dit heeft zijn leven gered. Tot nu toe. Maar hij heeft veel bloed verloren. Hij kan nog steeds doodgaan.’
Zijn partner maakt razendsnel een infuus klaar dat ze in de arm van de jongen aanbrengen, maar die reageert nog steeds nergens op. ‘Zet hem helemaal open,’ zegt de kale tegen de rasta, die de infuuszak omhooghoudt.
Ik zie de infuusvloeistof de slang in druppelen, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat dit zakje een leven kan redden.
Daarna tillen ze de jongen op een brancard, gespen hem vast en dragen hem weg.
We kijken toe hoe ze hem in de ambulance schuiven. ‘Weten jullie hoe hij heet?’
We schudden ons hoofd.
‘Heeft hij nog wat gezegd?’
‘Nee,’ zegt Humphrey. ‘Niets zinnigs.’
De rasta springt achterin, de kale voorin en de ambulance raast weg. De sirene snijdt door de nacht.
Ik moet verschrikkelijk nodig plassen, zo nodig dat er geen tijd meer is om naar boven te lopen. ‘Sorry, ik moet plassen. Ik hou het niet meer,’ zeg ik tegen Humphrey en loop naar de schutting.
Tussen de straaltjes en het gedruppel door vraag ik hem: ‘Heb jij nog geen last van je prostaat?’
‘Nee.’
‘Laat je testen.’
‘Als ik nog de kans krijg…’
Wanneer ik mij weer omdraai, loopt Humphrey naar het huisje en verdwijnt in het donker. ‘Pa, ben je daar?’ vraagt hij.
Ik hoor een geluid dat ik niet kan thuisbrengen.
‘Pa!’ roept Humphrey. In dat ene woord hoor ik zowel blijdschap als verdriet, maar dan blijft het stil.
Ik hoop dat je vindt wat je zoekt, broer. Zo moe dat ik nauwelijks meer op mijn benen kan staan, ga ik zitten op de stoel waarin Ma altijd zat. Ik leun achterover en sluit mijn ogen.
‘Henri!’
Humphreys stem.
Ik open mijn ogen. Het ochtendlicht gloort.
Ik moet uren geslapen hebben.
Humphrey en de ouwe zitten naast elkaar op de stoep voor het huisje. Het is nog te donker om hun gezichten te kunnen zien.
‘Henri, Pa gaat nu. Hij komt niet meer terug.’
Ik ben te moe om iets te zeggen.
Stilte.
‘Het is goed,’ zegt Humphrey. ‘Alles is goed.’
Humphrey ondersteunt me naar boven, naar mijn slaapkamer, en laat me voorzichtig op mijn bed zakken. Ik val in slaap en droom dat de ouwe naast me zit. Hij kijkt me aan met een rust die ik nog nooit gezien heb.