Hoofdstuk 4 - De handlezer
By Chris Polanen
Rowan heeft zich vanmiddag beneden geïnstalleerd. Af en toe hoor ik hem neuriën of fluiten.
Ik heb misschien te snel besloten dat hij kon blijven. Sinds ik alleen woon, heeft er nog nooit iemand hier gelogeerd. Ik hoop dat ik het kan verdragen.
Gisteren heb ik de kamer schoongemaakt. Natuurlijk trof ik muizenkeutels, spinnenwebben, wat mieren en pissebedden, maar geen groter leven.
Ik maakte het bed op en dacht aan de vriendinnen die ik hier ontving, nadat Humphrey en Mirna naar Nederland waren vertrokken. Ik wist dat mijn ouders het niet leuk vonden, maar ik wist ook dat ze medelijden met me hadden en mij alle beetjes geluk gunden die ik bij elkaar kon scharrelen.
’s Avonds komt Ralph langs. Nadat Glenn is overleden, is hij nog de enige die mij bezoekt.
Ik hoor hoe hij Rowan begroet.
Verbazing. Herkenning. Enthousiasme.
‘Aaai, je lijkt op je vader!’ zegt Ralph en hij lacht.
Ralph was Humphreys beste vriend, maar toen Humphrey naar Nederland vertrok, werd hij de mijne. Ralph verving de ene broer door de andere, ongeacht onze onderlinge strijd.
Er was een tijd dat ik het vermoorden van Humphrey als een serieuze optie zag en ik wist zeker dat ik geen spijt zou hebben van mijn daad. Als hij er niet meer was zou Mirna uiteindelijk voor mij kiezen.
En over de daad zelf maakte ik me geen zorgen. Ik zou tegen hem zeggen dat alleen een hond zou doen wat hij gedaan had en zonder zijn verdediging af te wachten zou ik een mes diep in zijn buik steken, telkens weer, tot hij neerstortte. Daarna zou ik toekijken hoe hij doodbloedde.
Ik maakte me wel zorgen over het wissen van alle bloedsporen en hoe ik het lijk ongezien moest dumpen. Misschien zou ik het gewikkeld in een dik zeil ’s nachts in de Surinamerivier kunnen laten glijden. De stroming zou het meenemen richting zee. Het sterke lichaam zou opgevreten worden door de vissen, de botten verdwijnen in de oceaanbodem.
Er waren genoeg verhalen van jonge mannen die plotseling verdwenen. Ik zou een afscheidsbrief schrijven waarin hij vertelde dat hij op een vrachtschip vertrokken was. Genoeg van het benauwde Paramaribo, genoeg van het wachten op de zwembeurs die maar niet kwam en dan nog onze strijd om Mirna die hem gek maakte. De brief zou eindigen met de belofte dat hij terug zou keren als hij het gemaakt had.
Nadat Humphrey met Mirna naar Nederland vertrok, hield Ralph contact met hem. Ik had Ralph gezegd dat ik niets over Humphrey wilde horen, alleen het bericht van zijn dood, zodat ik die beerput in mijn ziel kon dichtgooien. Maar natuurlijk ging hij niet dood.
Als Humphrey in Suriname was, was het Ralph die hem rondreed en mij zorgvuldig op de hoogte hield van zijn bewegingen, zodat we elkaar niet onverwachts tegen het lijf zouden lopen. Misschien dat Humphrey daar zelf ook om vroeg. Als hij bij mijn ouders langskwam, zorgde ik dat ik er niet was.
Naarmate de jaren verstreken accepteerde ik mijn haat voor hem als een deel van mijzelf.
Ze komen de trap op.
Ralph steunt bij elke trede op de leuning. Zijn linkerknie is versleten. ‘Rowan komt een borrel met ons drinken,’ zegt hij.
Vanaf het balkon kijken we naar de voorbijgangers die op weg zijn naar de bars, de discotheken, de muziek, de drank, de drugs en de gekte.
‘Vroeger waren het Brazilianen en Surinamers, nu zijn er ook Venezolanen, Cubanen, en nog veel meer,’ zegt Ralph. Hij haalt zijn hand door het weinige haar dat hij nog heeft.
Ralph is een van die Surinamers die zoveel soorten bloed in zich heeft dat je hem onmogelijk in een etnisch hokje kunt plaatsen. Zijn vader, een Guyanees, vertrok al voor Ralphs geboorte met onbekende bestemming. Heeft hij eronder geleden dat die helft van hem een raadsel is dat nooit opgelost zal worden? Hij praat er in ieder geval nooit over. Suriname is vol zonen zonder vaders en velen zijn veel slechter af dan Ralph.
‘Hebben ze het hier dan beter dan in hun eigen land?’ vraagt Rowan.
‘Sommigen lukt het om een leven op te bouwen,’ zeg ik. ‘Anderen trekken weer verder.’
‘Wat voor werk doe jij, Rowan?’ vraagt Ralph.
Rowan glimlacht en kijkt ons aan alsof hij zich afvraagt of wij zullen begrijpen wat hij gaat vertellen. ‘Ik coach mensen. Help ze om hun leven op orde te krijgen. Zichzelf te vinden.’
Ralph grijnst en neemt een flinke slok rum. ‘Aaai boooi,’ zegt hij.
Gelukkig weet deze bruine Nederlander niet dat dat betekent: hier moet je zelf je leven op orde krijgen, anders word je gek, ga je de gevangenis in of ga je dood. Maar het is mooi dat je daar in Nederland je geld mee kunt verdienen.
‘Wat voor opleiding heb je daarvoor gevolgd?’ vraag ik.
‘Meerdere opleidingen. Jungiaanse psychoanalyse, enneagramtherapie en mijn specialiteit: handleeskunde.’
‘Bedoel je dat je handen kunt lezen?’ vraag ik. De eerste twee bezigheden kan ik niet eens herhalen.
Rowan knikt. ‘Het duurde vijf jaar voor ik het kon.’
‘Waar heb je dat geleerd dan? Bij de zigeuners?’ Ralph neemt een hijs van zijn sigaret.
‘Nee. Van een dame in Gouda. Magda van Dijk. Een van de beste ter wereld.’
Ralph en ik kijken elkaar aan. Ik zie dat hij een lach binnenhoudt die, eenmaal vrijgelaten, elk serieus gesprek onmogelijk zal maken.
‘Dus als ik je mijn handen laat zien, kan je mijn toekomst voorspellen?’ vraagt Ralph.
‘Nee. Dat kan niemand. Ik kan je karakter zien. Je sterke en je zwakke punten.’ Hij staart naar Ralphs handen alsof hij al begonnen is.
‘Fantastisch!’ zegt Ralph. ‘Toch, Henri?’
Ik zie de spot in zijn ogen. Waarom is deze man eigenlijk mijn vriend? ‘Ik ken je sterke en zwakke punten al, broer,’ zeg ik.
‘Ik zou hier wel een handleesschool willen opzetten,’ zegt Rowan. ‘Ik denk dat er veel interesse zou zijn…’
‘Zeker, zeker,’ zegt Ralph.
Ik knik. Surinamers zijn geïnteresseerd in alles wat enigszins spiritueel of bovennatuurlijk is. Een interesse die leidt tot belachelijke toestanden, oplichterij en soms levensgevaarlijke situaties. Daarmee vergeleken is handlezen niet eens zo gek.
Ralph wordt afgeleid door een groepje jonge vrouwen dat druk pratend passeert. Opgemaakt en aangekleed voor de strijd. Lange rokken strak over de heupen en billen, hoge hakken die op het asfalt tikken. Het zangerige Portugees vult de avondlucht. Stemmen die aldoor de hoogte in schieten, woorden die tot het uiterste gerekt worden. Elke zin lijkt vol emotie. De meisjes kijken omhoog, op hun hoede, wetend dat Surinaamse mannen altijd op hun aanwezigheid reageren. Een van hen vertraagt haar pas, kijkt mij aan en glimlacht. Terwijl ze voorbijloopt blijft ze me aankijken.
Ik weet zeker dat ik haar nog nooit gezien heb en weet niet wat ik moet doen.
Oudere mannen en jonge vrouwen wantrouwen elkaar met grote vanzelfsprekendheid. Te vaak gebruiken we elkaar voor geld of seks. Maar plotseling begrijp ik het. Deze Braziliaanse ziet dat ik niet gevaarlijk meer ben. Gewoon een vriendelijke oude man.
Ik glimlach en steek mijn hand naar haar op.
Ze zwaait terug en hervat het gesprek met haar vriendinnen.
Er valt een last van me af, waarvan ik niet wist dat ik die meedroeg. Ik doe niet meer mee aan het spel dat zoveel vergiftigt.
Ralph kijkt ze na en zucht.
Rowan lijkt niet in de meisjes geïnteresseerd, maar kijkt mij aan alsof hij mijn gedachten probeert te lezen. Het zou niet eens zo vreemd zijn als hij dat kon.
‘Ken je haar?’ vraagt Ralph.
Ik schud mijn hoofd.
‘Oké, brada,’ zegt Ralph. ‘Je hoeft me niet alles te vertellen.’
‘Ik ken haar echt niet,’ zeg ik.
Ralph maakt een tyuri.
Ik haal mijn schouders op. Ralph is getrouwd, heeft kinderen en kleinkinderen, is stabiel en tevreden. Hij zal nooit vreemdgaan of zelfs maar in de verleiding komen, want zijn fantasie slaat niet op hol bij een aantrekkelijk gezicht, een lach of een lichaam. Maar hij wil wel alles weten: al het gerommel, de verleiding, de seks, de buitenvrouwen. Alles. Tot in de kleinste details. Het is alsof hij het verorbert om zijn eigen brave leven te stabiliseren.
Soms benijd ik hem.
‘Voorlopig kijk ik niet naar vrouwen,’ zegt Rowan. ‘Even rust…’
‘Hoor je dat, Henri?’ vraag Ralph.
‘Ja. Is dat zo vreemd?’ antwoord ik.
‘Mannen zeggen dat alleen als er een crisis is geweest,’ zegt Ralph. Hij kijkt naar de straat, veinst dat het onderwerp hem maar matig interesseert.
Rowan staat op, tuurt de meisjes na, alsof de afstand nu groot genoeg is om veilig te kijken. ‘Crisis zou ik het niet noemen,’ zegt hij. ‘Een reset.’
‘Heb je geen vriendin?’ vraagt Ralph, zijn hoofd nog steeds afgewend. De vraag klinkt terloops.
‘Dat is een moeilijke vraag,’ zegt Rowan. Hij fronst zijn wenkbrauwen. ‘Ik weet het niet.’
Ralph knikt langzaam alsof hij dat antwoord al vaker heeft gehoord en draait zich naar Rowan toe, zijn ogen iets samengeknepen. ‘Wel gehad, toch?’
‘Zeker. Misschien nog steeds…’ Hij haalt diep adem, staat op en kijkt naar het gebouw waar de meisjes naar binnen gaan. ‘Waar gaan ze naartoe?’
‘O Clube, de Club,’ antwoord ik.
Rowan kijkt me vragend aan.
‘Het is een plek met klasse. Voor jonge mensen met geld. Eerst kwamen er vooral Brazilianen. Kinderen van succesvolle goudzoekers. Hier opgegroeid. Studenten en jonge ondernemers. Zoals die dames die net passeerden. Tegenwoordig komen er ook Surinamers. Aan het andere eind van de straat heb je andere tenten. Daar komen de arme goudzoekers, de hosselaars en de hoertjes. Daar gaat het vaak mis. Laatst is er een man doodgegaan. Gewurgd in een gevecht.’
Rowan draait zich om en zegt: ‘Ik ga al die plekken bezoeken. De goede en de slechte.’