Hoofdstuk 7 - De handlezer
By Chris Polanen
We eten samen. Rowan is vegetariër en eet zelfs geen vis of garnalen. Ik kook groenten met vlees of vis voor mijzelf en tofu of bonen voor hem. Hij weet niet dat ik voor het eerst in mijn leven dagelijks voor iemand kook. Het geeft me een voldoening die ik niet verwacht had.
Ik kan goed koken. Geleerd van jou, Pa, je was een uitzonderlijk goede kok. Misschien was dat wel het enige wat je echt goed kon. Je hebt mij als jongen alle geheimen geleerd. Hoe olie, kruiden en vuur van de meest simpele ingrediënten iets bijzonders kunnen maken. Je lessen maakten echter geen kok van mij, maar een eter die nooit tevreden was. Ik heb al mijn vriendinnen meedogenloos afgerekend op hun kookkunsten en ze kooklessen gegeven, waarbij ik ze toesprak als kleine kinderen. Ze werden betere koks, ja, maar alle ontspanning was verdwenen. Die blikken vol hoop en angst als ik de eerste hap in mijn mond stak.
Waarom heb je mij wel leren koken, maar niet geleerd om mijn grote mond te houden, Pa? Wist je niet dat liefde belangrijker is dan eten? Een leven is te kort om alles zelf uit te moeten vinden. En nu is mijn tijd op.
Ik heb nooit nagedacht over vegetarisch koken, maar moeilijk is het niet. Rowan is altijd heel enthousiast over de geïmproviseerde gerechten die ik hem voorschotel. Hij zegt dat ik in zo’n fancy vegetarisch restaurant in Amsterdam zou kunnen koken. Vijfentwintig euro voor een bord dat ik nu zonder na te denken produceer. Vijfentwintig euro, daar kan hier een heel gezin van eten.
Tijdens het eten praten we over Nederland, over Suriname en vragen we ons af waarom mannen en vrouwen elkaar het leven zo moeilijk maken.
‘De meeste mensen weten niet wat een gezonde relatie is,’ zegt hij.
‘En jij wel?’ vraag ik, iets feller dan ik wilde.
Hij knikt. ‘Elkaar vrijlaten. Om te groeien.’
‘Allemaal theorie. Met al die vrijheid ga je het buiten de deur zoeken.’
‘Misschien… daar kun je afspraken over maken.’
‘Afspraken? Boooi… Doen jullie dat in Nederland dan?’
‘Sommige mensen wel.’
‘En wat als je dan met iemand anders verder wil?’
‘Dan moet je elkaar ook vrijlaten om ieder je eigen weg te gaan.’
Er zijn altijd momenten waarop een Nederlander met een uitgestreken gezicht iets beweert dat zo ver van de werkelijkheid af staat dat je niet eens weet hoe je moet reageren. Meestal lach je dan maar en schud je je hoofd.
‘Ik zeg niet dat het makkelijk is,’ zegt hij.
‘Heb je al… een vrouw vrijgelaten, terwijl je wilde dat ze bij je bleef?’
Hij kijkt me aan. Volgens mij weet hij dat ik aan zijn moeder denk.
‘Ja.’
‘En hoe was dat?’
Zijn glimlach is treurig. ‘Het doet nog steeds pijn.’
Ik knik.
Hij kijkt naar de lucht, waarin de donkere wolken een steeds groter deel van de hemel bedekken en waaruit een bui over de stad zal storten die mensen zal dwingen hun schoenen uit te doen, broek of rok omhoog te trekken en door het water te waden. Auto’s zullen stapvoets rijden en wegzakken in de kuilen die onder de plassen verborgen zitten.
We zitten ’s avonds tot laat op het balkon, kijken naar de mensen die passeren en denken hardop na over wie ze zijn en wat ze doen. Wanneer ik naar bed ga, gaat hij naar zijn kamer beneden. Hij is een nachtmens. Terwijl ik om elf uur naar bed ga en om zes uur opsta, blijft hij tot een uur of twee op en wordt pas tegen acht uur wakker, soms zelfs om negen uur. Zonder dat we daarover afspraken hebben gemaakt, komt hij elke dag boven ontbijten.
’s Ochtends heeft hij een kom sojamelk voor zich, aangevuld met havermout en de inhoud van grijze papieren zakken die hij heeft meegenomen uit Nederland. Granen, noten, gedroogd fruit en God mag weten wat nog meer. Het kraakt zo tussen zijn tanden, dat ik me afvraag of die er niet van slijten, maar zijn gebit ziet er perfect uit.
‘Ik hoorde vannacht geluiden bij het huis achter op het erf,’ zegt hij tussen twee happen door.
‘Wat voor geluiden?’
‘Gestommel en een stem…’
O god. ‘Weet je zeker dat het geen dier was?’
‘Nee, het was een mannenstem.’ Hij neemt nog een hap.
‘Jezus…’
‘Ik ben gaan kijken.’
‘Je bent gaan kijken!’ Ik moet me inhouden om het niet uit te schreeuwen. Alleen een Nederlander doet zoiets. Alleen een Nederlander. Jezus Christus. Geen enkele Surinamer zou het in zijn hoofd halen om ongewapend ’s nachts op een stem op het erf af te gaan. We weten allemaal dat er maar drie mogelijkheden zijn. Junkie. Rover. Geest. Elk op zijn eigen manier gevaarlijk.
‘Ik was nieuwsgierig.’
‘Nieuwsgierig!’ Mijn hart bonkt alsof ik zelf moet kiezen tussen de drie opties. ‘Heb je iets gezien?’
‘Nee. De stem leek vanachter het huis te komen. Het was de stem van een oude man.’
‘Wat zei hij dan?’
‘Veel scheldwoorden. Veel geklaag. In het Sranantongo. Ik kon niet alles verstaan.’
‘Waarover klaagde hij dan?’
‘Over de Brazilianen. Over het lawaai. Over de rommel op straat. Maar plotseling was het stil.’ Rowan neemt nog een hap van zijn sojamelkbrouwsel. Kauwt, knarst, slikt. ‘Wat denk jij?’
‘Een junkie.’
‘Komen er vaker junkies op het erf?’
‘Nee…’
‘Dit klonk als een man van zeventig, tachtig misschien wel.’
‘Junkies worden niet zo oud…’
‘Het was niet onsamenhangend. Het klonk als iemand die betere tijden had meegemaakt en verdrietig was over de verloedering.’
‘Dat geldt voor alle ouderen hier in de straat. Ook voor mij.’
Hij kijkt verbaasd. ‘Ik nam aan dat het hier altijd min of meer zo was.’
‘Nee. Het was beter. Eenvoudig en beschaafd. Iedereen kende elkaar.’
’s Avonds zit ik alleen op het balkon.
De Braziliaanse die laatst naar mij zwaaide, komt aanlopen. Ze is alleen. Spanning in haar pas, een schoudertas onder haar arm geklemd. Zo’n vrouw moet op haar hoede zijn op dit tijdstip, zelfs in een gemoedelijke straat als de mijne.
Voor mijn balkon staat ze stil. Ze is minder zwaar opgemaakt dan de vorige keer. Geen strakke jurk en hoge hakken, maar een wijde blouse, een sjaal, jeans en pata’s. Ze oogt als een plaatje uit de jaren zestig.
‘Hoe gaat het met u, meneer?’
Perfect Nederlands, maar als je goed luistert hoor je het ritme van Brazilië dat pas een generatie verder geheel zal vervlakken.
‘Goed, hoor. En met jou? Ben je alleen op stap vanavond?’
‘Ik heb een afspraak.’
Ik glimlach beleefd. Vragen stellen zou ongepast zijn.
Ze haalt haar schouders met een schokje op, alsof ze er niet veel van verwacht. ‘Ach…’
Ze zet een stap, lijkt verder te willen lopen, maar staat dan weer stil. ‘Woont u hier eigenlijk alleen?’
‘Ja. Nou ja, mijn neef uit Nederland logeert beneden.’
‘Ik heb hem laatst gezien. Hij lijkt op u.’ Ze kijkt alsof ze meer zou willen weten, maar niet onbeleefd wil zijn. ‘Het is altijd fijn om familie op bezoek te hebben, toch?’
Het leek mij altijd een van de grootste verschrikkingen van het leven, maar ik moet toegeven dat het een stom vooroordeel was. Ik ben een domme oude man. ‘Het is gezellig, ja.’
‘Een mens is niet gemaakt om alleen te zijn, toch?’
‘Nou ja, het is maar hoe je het bekijkt.’
Ze glimlacht als een vrouw met een heel leven achter zich. ‘Dat is waar, meneer.’ Ze veegt een lok haar uit haar gezicht en drukt haar schoudertas tegen zich aan. ‘Ik ga weer verder.’
‘Ik wens je een mooie avond.’
‘Dank u.’
Ik woon al zo lang alleen dat ik me niet meer kan voorstellen hoe het zou zijn om een vrouw in huis te hebben, laat staan in bed.
Mijn laatste vriendin verdween twee jaar geleden. ‘Mijn vriendin’ heb ik haar nooit genoemd. Ik was eigenlijk altijd verbaasd als ze ’s avonds geen afscheid nam, maar haar kleren uittrok en in bed stapte.
Oké, er is natuurlijk altijd nog de betaalde liefde. Geen taboe voor veel van mijn alleenstaande leeftijdgenoten. Ik kan het betalen, maar voor iemand als ik, die altijd aandacht van vrouwen had, is betalen voor seks een zoveelste aanslag op het ego. Het besef dat je zo afstotelijk bent dat een vrouw je alleen zo dichtbij laat komen als je je portemonnee trekt. De professionals weten dat wij er veel langer over doen dan die jonge gasten, dus vragen ze meer. De afkeer is altijd in hun blik te zien, hoe goed ze het ook proberen te verbergen. Altijd smeult er tussen die wimpers haat tegen mannen, omdat ze weten dat lust ons wreed en onverschillig maakt.
Natuurlijk heb ik het weleens gedaan, maar de veel te zware parfum, het lichaam dat overdreven bewoog, het gekreun en de banale aanmoedigingen, alles vernietigde de lust die met het vorderen van de daad veranderde in een verbeten angst om het eindpunt niet te bereiken.
En de amateurs dan? Ik zie ze met oudere mannen. Ze zijn jong genoeg om hun dochter te zijn. Hun lachjes, hun omhelzingen, gelakte nagels en gouden ringen op de oude mannenhuid. Ik ken de verhalen. Onverwachts staan ze voor de poort met een auto die gerepareerd moet worden, de nooit eindigende verhalen over kinderen die schoolgeld, kleding en God weet wat nodig hebben. Vol zelfvertrouwen trekken ze de poort open, betreden je erf en je huis met hun zoekende ogen en hun lichaam waarvan ze weten dat je het niet kunt weerstaan.
Nee, alsjeblieft niet.
De laatste jaren voelde ik dat verlangen nog weleens opflikkeren, maar ik maakte er direct korte metten mee. Ik had een eigen huis, een behoorlijk pensioen en ik wist dat een beetje seks een enorme hoeveelheid gedoe opleverde.
En nu eist de prostaat zijn tol. De natuur heeft een straf ingebouwd voor de man. Ach, de meesten van ons verdienen dat. Ik ook.
Behalve die ene verschrikkelijke nacht, merk ik gelukkig nog niet veel van de kanker die zich volgens de arts al tot in mijn botten heeft verspreid.
Helaas leren we niet hoe we met een beetje gratie het laatste stuk af kunnen leggen en het einde kunnen accepteren zoals dieren die neerzijgen, hun kop op de aarde leggen en zich overgeven. Nee, we klagen over pijnen en ongemak, vragen de artsen om sterkere pijnstillers, vragen onze kinderen om aandacht die ze allang niet meer voor ons hebben en klampen ons vast aan de ongelukkigen die ons omhoog moeten hijsen en verschonen.
Ik laat Rowan alles rond het huis zien, van het onbewoonde vervallen houten huis achter op het erf tot en met de groep rondcirkelende gieren hoog boven het balkon.
Zoals veel jongeren die in Nederland zijn opgegroeid, weet hij weinig van Suriname. Hij verstaat wel Sranantongo, maar kan het niet spreken. Wanneer we samen boodschappen doen, verraden zijn houding en Amsterdamse accent direct zijn herkomst.
Zijn stem is identiek aan die van Humphrey en toen hij er pas was, had ik er last van, maar nu niet meer. Het is juist de gelijkenis met zijn ouders die mij het gevoel geeft dat we elkaar al lang kennen.
Hij is niet opgegroeid in een samenleving waarin een man denkt dat hij altijd stoer moet zijn. Ook weet hij zoveel over psychologie dat hij mensen en relaties heel anders bekijkt. Daar moest ik aan wennen, maar ik merk tot mijn verbazing dat ik vrijer met hem praat dan ik ooit met vrienden heb gedaan.