Deel 2 – Hoofdstuk 11: Sweet Home Carrara - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Conor Kerrigan en ik zingen luidkeels ‘Flowers’, met de ramen open terwijl we door de Toscaanse heuvels rijden. Tot onze vreugde zingt Miley Cyrus op onze toonhoogte (of zij op die van ons). Een veelbelovend welkom op mijn reis! Ik heb de bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar achteren geschoven om even ver te zitten als Conor Kerrigan, in zijn compacte babyblauwe Fiat. Conor is ruim een meter tachtig, dus hij kan alle beenruimte gebruiken die hij kan krijgen.
Conor is een robuuste Amerikaan van Ierse afkomst, met dik donkerblond haar (dat wel een knipbeurt kan gebruiken), alerte groenbruine ogen en een warme glimlach. Hij heeft een rechte neus, die in verhouding is met zijn sterke kaaklijn, het Italiaans-Amerikaanse ideaal. (Dit is het model neus waar mijn nichten Spedini om vragen als ze naar dokter Salgado gaan om hun neus te laten ‘doen’.) Via FaceTime kwam deze man, zijn persoonlijkheid, niet goed over. Conor lijkt in dat opzicht wel wat op Italië: je moet hem persoonlijk ontmoeten om je volledig bewust te zijn van de grootsheid.
Op het startpunt verandert alles. De lucht, het licht en mijn stemming zijn nieuw voor me, terwijl de weg naar Carrara door Toscaanse bossen vol kastanjes met volle kruinen en dikke stammen kronkelt. De rijen bomen staan langs de voet van de berg als groene tafzijden ruches op een baljurk. Het ruikt hier naar koele ceder en zoete citroen, prikkelende aarde en mogelijkheden.
‘Je bent verliefd aan het worden, Jess.’
‘Echt?’
‘Maar goed dat ik een werkvisum voor twee jaar voor je heb aangevraagd. Ik denk dat je een blijvertje bent.’
‘Stop de auto!’ schreeuw ik.
Conor rijdt de berm in, stopt, draait zich om en kijkt me aan. ‘Je hoeft geen twee jaar te blijven, het kán.’
‘Dit gaat niet om het visum, hoewel ik je eeuwig dankbaar ben. Er liggen overal kastanjes!’ zeg ik terwijl ik een afsluitbare plastic zak uit mijn tas haal. ‘Wacht heel even.’ Mijn moeder had gelijk. Neem altijd lege plastic zakken mee, want je weet maar nooit.
‘Je meent het.’
Ik stap uit de auto. ‘Zo terug.’ Ik loop over een paadje het bos in.
‘Je gaat niet in je eentje het bos in.’ Conor stapt ook uit. ‘Ik mag je niet op de eerste dag kwijtraken.’
De bodem in het donkere bos ligt vol rijpe kastanjes; hun glanzend zwarte omhulsels glinsteren in het zonlicht dat tussen de takken door valt. Ik loop voorzichtig op mijn tenen tussen alle takjes en blaadjes door om de oogst niet te pletten.
Ik kniel en bekijk de grote kastanjes afzonderlijk, waarbij ik ze even schud om zeker te weten of de vlezige kern erin zit voordat ik ze in de zak stop. Ik kijk op naar Conor. ‘Fantastisch!’
‘Ik dacht dat je een grapje maakte.’ Conor slaat zijn armen over elkaar, neemt afstand en kijkt toe.
‘Laat een kastanje als het kan nooit op de grond liggen,’ vertel ik hem. ‘Om te overleven. De wet van oma Cap.’
Als de zak vol is, loop ik achter Conor aan naar zijn auto.
‘Ik denk dat je het in Italië prima gaat redden,’ zegt hij als we de weg weer op rijden en het half donkere bos achter ons laten. De eerste verbinding in Italië met het leven dat ik heb achtergelaten is de nederige kastanje. Oma Cap zou ze roosteren of koken, om ze daarna in een deeg voor gnocchi te verwerken. Ik wil graag denken dat de kastanjes een teken zijn dat mijn oma’s bij me in Italië zijn.
We rijden een open plek op, nadat we een smal pad hebben gevolgd, dat werd verlicht door de laagstaande oranje zon. Het Toscaanse platteland spreidt zich in zachte, goudkleurige golven voor ons uit. We passeren een eeuwenoud wandelpad dat in de aarde is gebrand als door een stempel in marmer. Ik vraag me af waar het naartoe gaat, terwijl de aders hoog in het bos verdwijnen. Ik zie het als een uitdaging. De antwoorden zullen niet naar me toe komen, ik zal moeten klimmen.
Conor zwenkt een brede weg op, die zich ontrolt tot een rechte streep, het laatste stuk naar onze bestemming. Ik weet dat we dichtbij zijn omdat ik de witte top voor de eerste keer zie. ‘Is dat marmer?’
‘Dacht je dat het sneeuw was? Dat dacht ik wel, de eerste keer dat ik het zag.’ Conor gaat langzamer rijden en wijst naar de horizon. ‘Dat zijn groeven.’ De witte toppen glinsteren alsof ze met diamantstof zijn besprenkeld. Ik leun uit het raampje om de pauwblauwe heuvels die vanaf de bergtop naar de autostrada lopen in me op te nemen.
‘Hoe kan iemand hier ooit vertrekken?’
‘Heb je dat je grootouders ooit gevraagd?’
‘Ze hunkerden ergens naar,’ zeg ik tegen hem.
‘Hoe sneller je vindt wat je verzadigt, hoe beter. De dag waarop ik in Italië landde wist ik dat dit de plek was voor mij. Toen mijn vader overleed, kwam ik hierheen om het bedrijf tijdelijk te leiden. Ik dacht erover de zaak te verkopen, maar toen werd ik verliefd. Eerst op het land, en toen op mijn partner.’
‘En als zij niet weg wil, dan jij ook niet.’
‘Hij.’ Conor glimlacht.
‘Sei bello da impazzire.’
Conor lacht. ‘Het zal niet moeilijk worden om hier fantastische mannen te ontmoeten. Mensen zeggen dat dit het land van de Ferrari is, en dat klopt ook wel, maar de grootste uitvinding van de Italianen is niet de raceauto. Ben je op zoek?’
‘Ik weet het niet. Ik ben nooit op zoek geweest naar liefde. Ik trouwde met een man die ik op de kleuterschool had ontmoet. Hij was met mijn leven verweven, net als de familie waarin ik ben geboren, dus ik zette er nooit vraagtekens bij.’
‘Dan is dat je probleem: je moet overal vraagtekens bij zetten.’
‘Zo ben ik niet opgevoed. Ik moest gehoorzamen en gedienstig zijn. Ik dacht dat als ik andere mensen gelukkig maakte, ik gelukkig zou worden. Ik ben in therapie om alles te ontrafelen. Online.’
‘Werkt die therapie?’
‘Ik ben op het vliegtuig gestapt, nietwaar?’ zeg ik vrolijk.
‘Louie Cap geloofde in je. Hij verzekerde me dat je het bedrijf zonder hem zou kunnen leiden.’
‘Echt? Heeft oom Louie je ook verteld dat hij een tweede bedrijf had waarmee hij het marmer verkocht dat hij niet voor zijn opdrachten gebruikt, en de winst daarvan op de Kaaimaneilanden op de bank zette?’
‘Louie stond niet te springen om veel belasting te betalen,’ geeft Conor toe. ‘Maar ja, wie wel?’
‘Hij heeft wel betaald, hij betaalde alleen niet twee keer. Volgens de FBI althans. Ze denken dat zijn bedrijf, de Elegante Gangster, nog achterstallige belastingen moet betalen.’
‘Over hoeveel geld hebben we het dan?’ vraagt Conor.
‘Voldoende om een hele operatie op te zetten om dat te achterhalen.’
Ik heb genoeg om achter te laten, niet alleen mijn huwelijk, maar ook werkgerelateerde dingen. Normaal gesproken zou ik in paniek raken bij de gedachte aan al het gedoe met de FBI, maar ik merk dat ik niet in paniek ben. Tijdens de rit naar Carrara heb ik juist een vredig gevoel. Oom Louie vertelde me vaak over de serene sfeer in Italië, dat die hem kalmeerde en balsem was voor zijn ziel. Als ik een van die gevoelens tijdens mijn reis ervaar, ontdek ik misschien wel wat me gelukkig maakt.
Conor rijdt van de snelweg af. De stad Carrara is als een zeldzame saffier in de blauwgroene fluwelen plooien van de Apuaanse Alpen weggestopt. Het is precies zoals mijn oma het beschreef, maar zelfs haar verhalen kunnen niet op tegen de opwinding wanneer ik haar geboorteplaats voor het eerst zie.
Omdat Conor mijn bewondering voelt, gaat hij langzamer rijden en slaat hij een zijstraatje in, met glinsterende kinderkopjes die nog nat zijn van de regen. Ik spring uit de auto en ren naar de piazza. De zon gaat onder. De laatste stralen verlichten de amber-, mosterd- en koraalkleurige gestuukte gevels van de gebouwen. De levendige kleuren zijn als kunstwerken gevat in een glanzend zwarte rand.
‘Ik wil niet dat de zon ondergaat.’
‘Hij komt morgenochtend weer terug,’ belooft Conor.
De Piazza Alberica vervloeit in het blauw van de laatste ogenblikken daglicht. Ik blijf staan om de zoete lucht in te ademen. ‘Haal eens diep adem.’
Dat doet Conor. ‘Wat is dat?’
‘Ozon. De geur van regen op steen. Oom Louie keek graag toe als de steenhouwers het marmer bewerkten omdat ze het dan kletsnat maakten. Dat rook hetzelfde. Oom Louie sloot dan altijd zijn ogen en zei dat die geur hem aan Carrara deed denken.’ De regen is een teken, houd ik mezelf voor.
Wanneer we het serene stadsplein oversteken, tikken onze hielen op de marmeren tegels als stokken op een kleine trom. Ik kijk omhoog, verder dan het plein, waar een ring schuimige wolken zich als een halo om de bergtop heeft genesteld.
Een koninklijk standbeeld van de hertogin van Massa midden op het plein houdt toezicht op de stad.
‘Dit is de hertogin. Maria Beatrice d’Este,’ zegt Conor.
‘Wat is ze mooi.’
‘Het enige wat telde, was dat ze rijk was.’
Maria Beatrices ogen met overhangende oogleden kijken op naar de witte heuvels, waar het marmer waaruit ze is gebeeldhouwd gewonnen werd. De plooien van haar weelderige mantel van albast en de kroon die bevestigd is aan haar gladde krullen zijn bewijs van haar status en haar geërfde rijkdom van het lucratieve familiebedrijf. Aan de voet van de sokkel bewaakt een leeuw zijn meesteres. Boven de leeuw heeft de hertogin een perkamentrol in haar ene hand en een staf in de andere. Een dreigende vogel aan haar voeten beschermt haar, ook al lijkt ze dat niet nodig te hebben.
Conor neemt me mee over de piazza, langs het standbeeld, naar een uit witte bakstenen opgetrokken gebouw achter een zwart smeedijzeren hek.
‘Hierover had ik je een berichtje gestuurd,’ zegt hij. Ik loop achter Conor aan de voortuin in. ‘Als je het niet leuk vindt, zijn er nog andere opties,’ zegt hij terwijl hij op de deur van nummer 19 klopt, appartement 1.
Een jeugdig uitziende vrouw van in de vijftig, met haar bruine haar in een lage paardenstaart, doet open.
‘Conor! Kom binnen, kom binnen,’ zegt ze. Signora Laura Strazza draagt een kaki broek met een riem om haar middel, een half ingestopt wit overhemd, lichtblauwe loafers en gouden oorringen.
Ik loop achter hen aan, door het halletje naar de woonkamer. Signora Strazza heeft het huis ingericht in de hemelsblauwe kleuren als van een schilderij van Francesco Albani, maar dan niet zo eigenaardig. Dit is een opgeruimd, modern appartement, waar elk voorwerp dat te zien is een doel heeft.
We horen gelach. Een aantrekkelijke vrouw en een knappe man (allebei van rond mijn leeftijd) zijn aan het kletsen, terwijl zij zijn haar knipt achter de openslaande deuren naar de tuin. De vrouw is een schoonheid, met glanzend zwart haar tot haar middel, de man, met een volle bos bruin haar, heeft een strandhanddoek om zich heen. Een meisje van een jaar of zes, zeven zit in kleermakerszit op de groen-wit gestreepte canapé zonder aandacht aan haar ouders te schenken. Ze kleurt met potloden in een boek.
De vrouw tilt een plukje haar op en knipt een krul af, die op de grond in de tuin valt. Een gevoel van verlangen overspoelt me. Conor heeft gelijk: in het land van de Ferrari is deze man een Lamborghini. Hij is een onbekende voor me en toch voelt hij bekend. Ik voel me aangetrokken tot hem, totdat hij opkijkt en door me heen kijkt alsof ik de Onuitgenodigde ben.
Signora Strazza stelt ons aan elkaar voor. ‘Questo è mio figlio, Angelo. Dalia si sta tagliando i capelli, e quella è Alice.’
Angelo knikt. Dalia glimlacht en Alice kijkt op van haar boek en zwaait even.
Signora Strazza doet de openslaande deuren dicht. ‘Mijn tuin is niet altijd een kapperszaak.’
‘Dit is signorina Baratta uit New Jersey,’ stelt Conor me voor. ‘Signora Strazza heeft een appartement te huur.’
‘Ben ik geen signora als ik getrouwd geweest ben?’
‘Strikt genomen wel, ja,’ zegt Conor, die me een blik toewerpt. Blijkbaar is een scheiding in een traditionele Italiaanse stad net zo’n stigma als in mijn geboorteplaats in New Jersey.
‘Signorina is prima,’ zeg ik tegen hem.
‘Signorina Baratta. Een Amerikaanse.’ Ze zet haar handen op haar heupen.
‘Ja.’ Wat is dit, een gerechtelijk onderzoek?
‘Jullie komen uit Puglia. Het zuiden.’ Signora Strazza steekt haar neus in de lucht.
‘Ik ben ook Toscaanse.’
‘Van haar moeders kant,’ voegt Conor eraan toe.
‘Capodimonte?’ Ik bied mijn moeders naam aan alsof het een envelop vol contant geld is die huismeesters in New Jersey aangeboden krijgen in ruil voor het eerste recht op een mooi appartement. Signora Strazza is er niet van onder de indruk. Conor en ik lopen achter haar aan de trap op naar de tweede verdieping. Ze zoekt een sleutel aan de ring vol sleutels die ze als een bedelarmband om haar pols heeft. Ze doet de deur van appartement 7 open.
Het gemeubileerde studioappartement is een grote zolderkamer, ingericht naar de smaak van signora Strazza. De muren zijn heel lichtblauw geschilderd, bijna wit. Er staat een sober tweepersoonsbed in een alkoof, netjes opgemaakt met een witte sprei. Openslaande deuren, die openstaan, leiden naar een balkon met uitzicht op de piazza. De organza gordijnen fladderen als vleugels het appartement in. Ik duw ze opzij en loop het balkon op. Het uitzicht op de stad in het laatste daglicht rolt zich voor me uit als een kostbaar Aubusson-tapijt. Het plein is leeg, waardoor ik het kunstige patroon van het ingelegde metselwerk dat zich uitstrekt naar de rand van de piazza goed kan zien.
‘Lei piace?’ vraagt signora Strazza achter me. ‘Is het naar je zin?’
Ik knik. ‘Grazie mille, signora.’
Weer binnen laat signora Strazza me het keukentje zien, de alkoof en de badkamer; ze kletst over de voorzieningen, maar ik luister niet. Mijn blik is gericht op het balkon. Het licht. De lucht. De couleur locale van aan een piazza wonen. Door dit appartement zou ik de herinnering aan mijn kelderkamer voorgoed achter me kunnen laten! En de torenflat in Hoboken? Hou je rivier en skyline van Manhattan maar, ik heb de bergen, de zee en architectuur uit de renaissance.
‘Ho un appartamento più grande da offrire nella porta accanto,’ biedt signora Strazza aan.
‘Signora Strazza zegt dat er nog een appartement is, met een slaapkamer. Wil je dat zien?’ vraagt Conor.
‘Nee. Nee. Dit is geweldig. Ik neem hem! Ik wil hier wonen.’ Ik wend me tot signora Strazza. ‘Perfetto!’ verzeker ik haar.
Ze haalt haar schouders op. Ze laat de sleutel van appartement 7, mijn nieuwe thuis, op de eettafel liggen.
Voordat ze weggaat, bied ik haar de zak met kastanjes aan. ‘Castagne. Per lei.’
Ze neemt de zak aan met een glimlachje om haar lippen. ‘Grazie, signorina.’
‘Prego.’
Conor doet de deur achter haar dicht. ‘Wat een aardig gebaar, die kastanjes.’
‘Wie is dat gezin in de tuin?’
‘Dat is haar zoon.’ Conor haalt zijn schouders op. ‘Ik heb Dalia en Alice net ook voor het eerst ontmoet.’
‘Zijn ze getrouwd? Dat is jammer. Hij is cute,’ zeg ik tegen Conor. ‘Ik rammel van de honger.’
‘Ik ook. Ik weet wel een restaurantje. Zet je spullen maar neer. Ik moet een paar telefoontjes plegen. Ik zie je beneden.’
Het eerste wat ik doe is mijn paspoort in de keukenkast leggen. Ik sla de leren omslag open en kijk naar het rode cirkelvormige stempeltje dat ik heb gekregen toen ik Italië binnenkwam. Ik ben er.
Ik leg mijn koffer op het bed in de alkoof en rits hem open. Ik hang mijn goede jasje, jurk en overjas in de kast. Ik breng mijn toiletspullen naar de badkamer. Ik ben blij dat ik goede producten heb gekocht tijdens de grote herfstuitverkoop van Nordstrom. Een nieuwe start begint met goed voor jezelf zorgen. (Bedankt, dokter Rhoda.) De laatste keer dat ik zo veel toiletspullen heb gekocht was toen ik me voorbereidde om naar Rutgers te gaan. Ik zet de mooie potjes netjes op een rij op het glazen plankje boven de wastafel alsof ze in een chique boetiek tentoongesteld zijn. Ik laat het bad vollopen. Dampend heet water stroomt uit de kraan in de witte marmeren badkuip met vier poten.
Er ligt een stapel frisse witte handdoeken opgevouwen op een krukje naast het bad. Ik ga terug naar de kamer om de laatste spullen uit te pakken. Schoenen op het rek onder in de kast. Nieuw ondergoed en pyjama in de ladekast. Eenvoud zal de basis zijn van mijn nieuwe Italiaanse leven.
Ik zet de snacks in de keukenkast. Ik ga met mijn telefoon naar de badkamer en leg hem op het plankje. Ik heb een klok nodig. Instinctief wil ik mijn moeders nummer bellen, om haar te zeggen dat ik veilig ben geland. Dan herinner ik me dat ze op het Eiland zijn, dus stuur ik mijn broer en zus een berichtje.
Ik ben er. Carrara. Bellissima. Alles is goed.
Ik leg de telefoon weer op het plankje en kleed me uit. Ik laat me in het hete water zakken. Elke spier in mijn lichaam ontspant na de lange vlucht en de rit vanuit Milaan. Ik was mijn haar en spoel het uit. Ik haal mijn vingers door mijn schone haar. Halleluja. Het Italiaanse water doet mijn haar goed. Het zachte water kalmeert me. De badkuip is zo groot dat ik zo’n beetje tussen de bubbels drijf.
Ik wilde mijn hele leven al een marmeren bad zoals dit. Ik zal later in mijn dagboek schrijven, maar terwijl ik half onder water lig, denk ik terug aan toen Bobby Bilancia ons eerste appartement vond.
* * *
‘Je gaat het geweldig vinden.’ Op 9 januari 2020 tilde Bobby me op en droeg me appartement 3 binnen, waar hij me zachtjes op de vloer zetten.
‘Is dit “wij” of niet?’ Hij was opgewonden en draaide rond. Het Shore Drive-complex aan de rand van Lake Como was voor pasgetrouwde of bijna begraven mensen.
In het lege appartement rook het naar nieuwe verf. De voordeur kwam uit in de woonkamer, wat niet mijn keus zou zijn. De rechte keuken aan de rechterkant van de woonkamer was klein en leek pas later bedacht en toegevoegd. Bobby had een aanbetaling gedaan op dit huurappartement; blijkbaar had elke pasgetrouwde persoon aan de kust van Jersey dit appartement gezien en zou er een biedoorlog uitbreken.
‘Even in de badkamer kijken.’ Ik liep achter Bobby aan door de woonkamer naar de achterkant van het appartement.
‘De belangrijkste ruimte van het huis,’ plaagde hij en hij nam me in zijn armen.
‘Het is geen huis, het is een appartement.’ Ik klonk als mijn moeder, die denkt dat niets, hoe waardevol ook, goed genoeg is.
Bobby was niet uit het veld geslagen. ‘Dit is ons appartement voor starters. Op een dag kopen we een huis. We moeten gewoon nog wat meer geld sparen.’
‘Maar de hypotheekrente is nu laag. Ik heb op internet gekeken en in Belmar zijn wat betaalbare huizen.’
‘Ik wil dat onze kinderen naar de Saint Rose-school gaan, net als wij. Ik vind het fijn dat we een lage huur hebben en ons spaargeld kunnen oppotten,’ zei Bobby vastberaden. ‘Zo hebben mijn ouders dat gedaan, en zo kunnen wij het ook het beste doen.’
‘Maar met een eigen huis bouwen we kapitaal op.’
‘We hebben een kapitaalmarkt.’ Bobby zuchtte. ‘Dit is niet ver van de slagerij. Ik kan naar mijn werk fietsen. Dat bespaart benzine. En dan heb jij de auto.’
Ik beet op mijn lippen. Dat was waar. Ik zou zijn auto kunnen gebruiken.
‘Oké.’ Ik gaf het op, omdat het geen zin had om te ruziën. Bobby was hard op weg om eigenaar van de slagerij te worden terwijl ik oom Louies ontwerper en assistent bleef. Zijn salaris was veel hoger. Maar ik had het sterke vermoeden dat het niet alleen ging om de afstand tot zijn werk. Bobby wilde dicht bij zijn ouders blijven – aan de overkant van de straat.
Bobby deed de deur naar een en suite-badkamer open. Een reusachtige inloopdouche met glazen schuifdeuren en allerlei Zweedse gadgets aan de muren namen de helft van de ruimte in beslag. Er was een dubbele wastafel en het toilet stond achter een wandje van glazen blokken.
‘Wat vind je van die douche?’ zei Bobby trots.
‘Er is geen bad.’
‘In een bad liggen weken is tijdverspilling.’ Bobby zag dat ik teleurgesteld was. ‘Wil je een bad?’ vroeg hij, in de hoop dat het antwoord nee was.
‘Ik ben dol op in bad liggen weken.’
‘Sinds wanneer?’ Hij begon ongeduldig te klinken en ik voelde dat ik terugkrabbelde.
‘Weet ik niet. Het is maar een idee.’ Ik wilde dat hij gelukkig was, ook al kreeg ik daardoor geen bad. ‘Het is een mooie douche.’
‘De douche is hypermodern. Hij is meer dan mooi. Hij is gloednieuw. Je gaat hem geweldig vinden!’ Bobby liep de douche in en frunnikte aan de douchekop. ‘Er is vloerverwarming. Die zet je aan via dit paneel hier.’
‘Geweldig.’ Ik dwong mezelf tot een glimlach. De badkamer mocht dan de nieuwste ruimte zijn, maar hij had de minste uitstraling in een appartement dat al geen enkele uitstraling had.
‘Dus we nemen het?’ vroeg Bobby gretig. ‘De Bilancia’s komen er wonen?’
‘De Bilancia’s komen er wonen.’
Bobby kuste me. Dit appartement zou ons eerste thuis worden. Maakte het echt uit waar we woonden, zolang mijn man gelukkig was? Ik bedacht dat ik alles warm en gezellig kon maken, en als me dat niet lukte, konden we altijd nog op de vloer van de douche slapen.