Deel 3 – Hoofdstuk 19: Een Italiaanse kerst - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Ik sta op mijn balkon met mijn jas en wanten aan en een muts op terwijl de plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders een kerstkrans leggen bij het standbeeld van de hertogin op de Piazza Alberica. Het is de week voor Kerstmis en zo koud dat ik mijn adem in de lucht kan zien als de zon ondergaat. De Toscanen zijn druk bezig met hun versie van de kerstdrukte, die meer lijkt op slenteren en kuieren. Een paar stadsbewoners blijven staan om naar de sindaco te kijken die de krans zegent, maar de meesten knikken hun burgemeester alleen maar toe in het voorbijgaan.
De kerstversiering in Carrara is elegant. De loggia wordt verlicht door een snoer met fonkelende bolletjes wit licht die op kristallen kroonluchters lijken. De inwoners decoreren hun deur met kransen gemaakt van dennentakken. Er zijn geen opblaaspoppen, met knipperende lampjes of animatronica op een muzikaal ritme, en hoewel ik ze mis, horen ze hier niet in Italia Vecchia. Een historische piazza heeft maar weinig opsmuk nodig als om elke hoek het verstrijken van de tijd fluistert. En bovendien nodigt de strenge gezichtsuitdrukking van Maria Beatrice niet uit tot lametta en lampjes. Zij zou het afkeuren en de inwoners zouden niet durven.
In Amerika zijn de feestversieringen een show, een carnevale spettacolare. Als je in december ergens in New Jersey lang genoeg stilstaat, word je door iemand in een snoer knipperende lampjes gewikkeld. De glitter is geboren in New Jersey. Vanaf Sint Lucia op 13 december, tot aan Driekoningen op 6 januari baadde ons huis in de gekleurde lichtjes.
De dag na Thanksgiving maakt papa een grote plastic kerstman met slee op het dak vast door uit ons slaapkamerraam te gaan hangen met zijn voeten achter de vensterbank gehaakt. Connie en ik staan erbij om zijn voeten te pakken, doodsbang dat hij van het dak af zal glijden en zijn nek zal breken. Hij zet de kerstman nu al zo veel jaar op het dak dat hij dat klusje onder de knie heeft als een trapezestunt. Ter ere van mijn vader heb ik een ster op mijn balkon in Carrara gezet. Ik doe hem aan en ga aan het cafétafeltje zitten. Ik heb net mijn telefoon gepakt om mijn zus te bellen als er wordt aangeklopt.
Signora Strazza leunt tegen het deurkozijn om op adem te komen van de klim. ‘Zou je het leuk vinden om met kerst naar Milaan te gaan? Angelo heeft ons uitgenodigd.’
Ik denk even na voordat ik antwoord geef. Angelo is al een maand weg en ik heb niets van hem gehoord, dus zeg ik: ‘Ik heb grote plannen. Ik wilde een boek gaan lezen en chocola eten.’
‘Je moet Milaan met Kerstmis zien,’ dringt signora Strazza aan. ‘Dan gaan we met de trein.’
Ik hoef er niet over na te denken. Ik wil niet alleen zijn met Kerstmis en de gedachte aan een treinrit is heerlijk. Voel ik me niet altijd fijner na een treinrit, waar dan ook heen? Ik zet mijn ambivalentie over mijn gevoelens voor Angelo opzij. Nu Angelo naar Milaan is verhuisd, is mijn relatie met hem afgekoeld. Wil ik echt alleen in Carrara blijven? Zou ik de steden in het noorden in deze tijd van het jaar niet graag zien? Dus doe ik iets wat ik nooit zou hebben gedaan voordat ik naar Italië verhuisde. Ik ben spontaan. Ik kijk mijn hospita glimlachend aan. ‘Wanneer vertrekken we, signora?’
De trein tuft vanuit Bologna noordwaarts naar Milaan. Het Italiaanse platteland van eind december loopt in antracieten en witte vlakken van de rails naar beneden, als krantenpapier. Het geratel van de wielen en het schommelen van de wagon zijn kalmerend, zozeer zelfs dat signora Strazza tegenover me in slaap gevallen is. Ze doet me aan mijn moeder denken: onzelfzuchtig, maar graag klagend over al haar taken. En net als mijn moeder put signora Strazza zich uit tot ze zo afgemat is dat ze overal zou kunnen slapen.
Ik heb Smokey achtergelaten bij signorina LeDonne voor de vakantie en ik mis mijn kitten nu al. Ik voel me enorm schuldig dat ik met kerst samen met Angelo’s moeder ben en niet met die van mij. Elke Kerstmis van mijn leven heb ik doorgebracht met Philly en Joe Baratta, een traditie die ik zelfs tijdens mijn huwelijk volhield. Bobby vond het goed om de nachtmis op kerstavond door te brengen met de Bilancia’s en eerste kerstdag met de Baratta’s.
In deze tijd van het jaar heeft mijn familie een werkpaard nodig. Ik vraag me af of Connie of Joe de uitdaging is aangegaan. Toen ik thuis was, kocht ik de kerstboom, ik zaagde de stam af, zette hem in de standaard en versierde hem. Ik maak me er zorgen om dat mijn moeder die enge keldertrap op en af gaat voor de kerstlichtjes terwijl ze een nieuwe knie heeft. Ik wil niet dat mijn vader met zijn slechte schouder op die gammele ladder naar zolder klimt om de dozen met versieringen te pakken. Eerlijk gezegd wil ik niet eens dat ze naar de winkel lopen om cadeautjes te kopen. Ik liet ze altijd een lijstje maken, dan kocht ik de cadeaus, pakte ze in en legde ze onder de boom. Ik vraag me af of Connie er de tijd voor heeft. En hoe zit het met de koekjes?
Toen ik opgroeide, was het bakken van kerstkoekjes een hele productie. We leerden het van onze grootmoeders door te kijken hoe onze moeder samen met hen bakte. Connie en ik konden heel goed kokosballetjes rollen, S-vormige koekjes maken en de uitgestoken figuurtjes glazuren lang voordat we cursief konden schrijven. We legden koekjes op dienbladen, verpakten ze in cellofaan met een strik eromheen en brachten ze de straten rond. Wie gaat zonder mij het bakken en rondbrengen doen? Zullen ze er überhaupt de moeite voor nemen? Als de traditie van het dienblad met kerstkoekjes verdwijnt, gaat de beschaving mee.
Ik dacht erover mijn ouders een kerstkaart te sturen om het ijs te breken, maar ik was bang dat als ik dat deed, het laagje vernis zou barsten en ik door het oppervlak zou vallen, waarna ik in een poel van mijn eigen onopgeloste problemen zou verdrinken. Door de therapie heb ik opblaasvleugeltjes gekregen om tegen het tij in te zwemmen, maar op de lange termijn zijn die niet voldoende. Ik wil echt veranderen, en dat kost moeite. Verschillende therapeuten hebben me gezegd dat ik mijn ouders moet vergeven om verder te kunnen. Dat kan ik nog niet, dus tot ik weet wat ik moet zeggen, zeg ik helemaal niets.
In therapie heb ik geleerd na te denken over mijn communicatie. Mijn vastberadenheid maakt het niet makkelijker om met Kerstmis niet thuis te zijn; eigenlijk breekt het mijn hart, met één herinnering per keer. De gelukkige feestdagen samen met mijn familie zijn heerlijke herinneringen, tot ik erdoor overweldigd word en ze begraven worden onder een orkaan van schuldgevoel, als zilveren glitter in een schudbol. Ik verlang naar huis, maar niet zoveel dat ik op een vliegtuig stap. En trouwens, als ik naar huis zou gaan, zou oom Louie me niet komen ophalen van het vliegveld. Het is beter als ik niet doe alsof ik deze kerst überhaupt gelukkig kan zijn.
Ik scrol door mijn telefoon.
CONOR: Googs heeft twee jaar gekregen.
JESS: Gevangenisstraf? OMG.
CONOR: Vanwege fraude en deelname aan een criminele organisatie.
JESS: Dan zouden hij en oom Louie in een stapelbed beland zijn.
CONOR: LOL.
* * *
Door oom Louie ben ik waar ik vandaag ben, en er is niets smakelozer dan grapjes maken ten koste van de reputatie van mijn oom. Ter verdediging: op momenten ben ik ook met recht kwaad op oom Louie. Hij heeft me in deze positie gebracht en is overleden voordat hij het kon oplossen. Desondanks gaat er geen dag voorbij dat ik mezelf niet de vraag stel: wat zou Louie Cap doen? Ik mis hem en het werk dat we samen deden, maar ik kan pas verder met mijn leven als de situatie met de belastingdienst (die hij heeft veroorzaakt!) rechtgezet is. Het bedrijf Cap Marmer en Steen is stilgelegd, en hangt als een marmeren plaat halverwege de boot en de kade van Perth Amboy. Ik ben blij dat ik in Carrara mijn geld kan verdienen met ontwerpen, maar ik mis het direct werken met het marmer, de klanten en het installeren. Toen ik samenwerkte met oom Louie, twijfelde ik misschien soms aan mijn carrière, maar dat doe ik nu niet meer. Ik hield van mijn baan en ik mis hem. Een paar weken geleden nam de FBI contact met me op; ze hadden wat vragen over de stortingen die ze op de harde schijf van oom Louie hadden aangetroffen. Ik had toen geen antwoorden voor ze en ik heb ze nog steeds niet. Ik zucht diep, maar signora Strazza slaapt erdoorheen.
Als we de Toscaanse heuvels achter ons laten en de tinkleurige velden aan de voet van de Alpen in rijden, verandert het landschap. Ik breng mezelf in herinnering waarom ik naar Italië ben gekomen. Ik ben hierheen gekomen om aan mijn situatie te ontsnappen, hopend op een beter leven: eigenlijk het tegenovergestelde van wat mijn voorouders deden toen ze naar Amerika emigreerden. Hoe eenzaam ik me ook voel, zoals elke expat tijdens de feestdagen weet, is er genoeg afleiding om mijn gedachten af te leiden van mijn problemen. Ik ben in het hart van mijn plek van herkomst en mijn leven is niet zo gelopen als ik had gepland, maar ik blijf hoop houden. Óf ik accepteer het risico dat verbonden is aan verandering omdat daar de lessen zitten, óf ik ga terug naar de kelder waar ik vandaan kom.
‘Heb ik wat gemist?’ vraagt signora Strazza als ze wakker wordt.
‘Ik ben alle wereldproblemen aan het oplossen,’ zeg ik grappend.
‘O, dan ga ik weer slapen.’ Ze grinnikt.
‘Mag ik iets vragen? Weet u zeker dat ik welkom ben bij Angelo? Ik wil niet het vreemde extra meisje zijn tijdens jullie kerstdagen. Ik kan ook naar een hotel gaan.’
‘Nonsens! Angelo wil juist dat ik je meenam.’
Er stroomt een warm kerstgevoel door me heen. Misschien wordt dit toch niet de ergste kerst van mijn leven.
‘Vind je mijn zoon leuk?’
‘Hij is heel aardig,’ antwoord ik op mijn hoede.
Signora Strazza knikt veelbetekenend.
Weer een bemoeizuchtige moeder met een plan? Ik kom er niet vanaf.
‘Zijn Dalia en haar dochter er ook?’ vraag ik.
‘Wie weet. Die twee. Net een knipperlicht.’
‘Het is niet makkelijk als het licht op rood staat en je niet verder kunt. Zo is het om gescheiden te zijn.’
‘Je had ongetwijfeld je redenen om te scheiden,’ zegt ze.
‘Ik kon niet ademen. Telt dat?’
Signora Strazza knikt. ‘Geluk is zo afhankelijk van de omstandigheden, en dat is een kwestie van het lot. Fortuna.’
‘Of is ons hele leven al uitgestippeld voordat we bij het eindstation zijn?’ vraag ik me hardop af.
‘Ik ben een Italiaanse moeder,’ maakt signora Strazza bekend aan het overige publiek. ‘Het lot en ik zijn niet bevriend. Ik heb zoveel moeten doen om mijn zoon te krijgen. Ik heb hem Angelo genoemd omdat ik heel hard heb gebeden toen ik ontdekte dat ik in verwachting van hem was. Vóór hem had ik twee miskramen en ik was bijna helemaal gestopt met proberen. En toen, miracolo. Jij bent jong. Jij begrijpt dit nog niet.’
‘Ik begrijp het wel, signora.’ En toen bleef iets waarvan ik had gezworen het de rest van mijn leven voor me te houden niet begraven. Ik boog me naar haar toe en zei: ‘Ik ben ook een kindje verloren.’
Signora Strazza kijkt me aan met een blik vol begrip. ‘Wat akelig voor je.’
We rijden zwijgend verder tot ik erop doorga. ‘Het was nog heel vroeg. Ik ga ermee om, ik ben ermee aan het dealen, en misschien klinkt dit dramatisch, maar ik ging eraan kapot. De diepte van mijn verdriet verbaasde me. Mijn eigen moeder weet het niet. Ik kon het mijn zus niet vertellen; zij was blij met haar drie gezonde dochters en ik wilde haar niet van streek maken. Mijn broer en ik hebben nog nooit over dit soort pijn gepraat. Dus ging ik naar mijn tante Lil, die geen kinderen kon krijgen, omdat ik wist dat ze mijn verdriet zou begrijpen. Ik weet nog steeds niet hoe ik van een ziel kon houden die ik nog nooit had ontmoet. Maar dat kun je. Dat doe je. Tante Lil begreep het. Zij heeft ook geprobeerd een kind te krijgen, maar dat liep mis door een buitenbaarmoederlijke zwangerschap, en toen kon ze nooit meer een kind krijgen. Op een dag ontdekte ik dat ik zwanger was, en het leek wel alsof ik het de volgende dag al verloor. Het gebeurde zo snel dat ik het mijn man nog niet eens had verteld toen ik een miskraam kreeg. Ik had de kans nog niet gehad om het goede nieuws te vertellen toen ik het slechte nieuws al moest vertellen. Die blik op zijn gezicht. Ik kon het niet verdragen.’
‘Heb je het niet opnieuw geprobeerd?’
‘Niet met volle overtuiging. En nu, signora, wil ik er niet meer over praten.’
Bobby was begripvol, zoals met alles, maar mijn hart en mijn kijk op hem veranderden toen de zwangerschap misliep. Ik had het gevoel dat hij heel snel verderging met het leven. Bobby snapte niet waarom ik me bezighield met het verlies terwijl we het opnieuw konden proberen. Je zou kunnen vermoeden dat Bobby een positief mens was en dat het een liefdevolle suggestie was om me aan te moedigen het verdriet los te laten, omdat hij zag hoezeer ik erdoor verteerd werd. Maar daar was ik nog niet aan toe. Ik wilde dat hij begreep hoe ondraaglijk het voor me was. Ik wilde dat hij me zou helpen erdoorheen te komen, maar hij wist niet hoe.
‘Het spijt me dat ik zo onaardig tegen je was,’ zegt signora Strazza.
‘Zó onaardig was u nou ook weer niet. Ik kom uit New Jersey, we kunnen wel wat hebben. Maar ik hoop dat u hierdoor een beetje begrijpt waarom ik de kitten nodig heb. Ik heb behoefte aan continuïteit. Het is natuurlijk geen baby, of echtgenoot, of mens, maar ze troost me.’
Signora Strazza pakt mijn hand. ‘Dit is iets wat we delen. Ik zou willen van niet. Ik vind het heel naar.’
Ik weet dat ze het meent. Ik ook. Ik heb geleerd mijn problemen voor mezelf te houden, omdat de pijn anders alleen maar erger zou worden, zo zag ik het althans. Ik pak een boek uit mijn rugzak en leun lekker achterover. Ik probeer me te concentreren op de woorden op de bladzijden, maar het lukt me niet.
Ik sla het boek dicht en excuseer me. Signora Strazza knikt en sluit haar ogen. Zij is in minder dan geen tijd weer onder zeil. Ze rouwt om haar man, het is haar eerste Kerstmis zonder hem, dus ze slaapt slecht, net als alle mensen met een gebroken hart, die wakker worden en zich afvragen of ze hun pijn alleen maar gedroomd hebben en dan vol afgrijzen beseffen van niet. Ik heb die dromen nog steeds, met het verstrijken van de tijd wel minder, maar ze zijn nooit helemaal weg.
Ik sta op en terwijl ik me aan het bagagerek vasthoud loop ik door de wagon. Ik loop langs de toilet en doe de deur tussen de wagons open. Een koude wind snijdt door me heen. Ik heb lucht nodig, zoveel als ik kan inademen. Ik adem in en uit tot mijn ademhaling hetzelfde ritme heeft als de cadans van de treinwielen, metaal op metaal.
Ik houd me vast aan de deurklinken, sta tussen de wagons in en huil. Ik rouw om alles wat ik heb verloren, mijn oude leven, mijn oma’s, mijn huwelijk, oom Louie en de zwangerschap. Ik vraag de maagd Maria om me te helpen mijn verdriet achter te laten op het spoor dat in de mist verdwijnt, alsof het er nooit is geweest. De tijd wordt een dikke mist; er valt niet doorheen terug te kijken. Verlos me van mijn pijn, smeek ik. Ik kan mijn verdriet niet voor de rest van mijn leven ontlopen, maar ik wil het ook niet meedragen.
Als ik terugkom bij mijn plek, slaapt signora Strazza nog. Ik ga zitten en open mijn telefoon. Het is bijna kerstavond terwijl ik me het Feest van de Zeven Vissen herinner. Ik veeg mijn ogen af en schrijf.
* * *
Ik was acht jaar oud en stond in de erker van het huis van mijn ouders te kijken hoe de buurt op kerstavond werd overvallen door de grootste sneeuwbui van mijn leven. De sneeuwval was zo dicht dat ik het meer niet kon zien. Ik had alle angsten die een kind zou kunnen hebben over de Kerstman, die door de storm zou moeten komen en door de schoorsteen naar beneden. Ik was bang dat de feestdagen verpest zouden zijn. Aan de Baratta-kant, in onze Zuid-Italiaanse traditie, was kerstavond een avond vol vis, familie en geloof met als hoogtepunt de nachtmis in de Saint Catharine-kerk. De Cap-kant deed mee met deze traditie omdat ze een goed feestje nooit aan zich voorbij lieten gaan. En trouwens, een sneeuwstorm zou het Feest van de Zeven Vissen niet verpesten. We beten gewoon door. Mama zette onze laarzen bij de deur en legde sjaals, wanten en mutsen voor ons klaar om de tocht van het ene naar het andere huis te kunnen volbrengen. Papa legde kettingen om de banden van onze stationwagen zodat we onderweg naar Spring Lake voor de nachtmis niet in de sloot zouden belanden. Ondanks mijn angst voelde ik me veilig, alsof ons niets kon overkomen.
Het feest was al weken gepland. Op zwarte vrijdag, de dag na Thanksgiving, kwamen de vrouwen van de families bij elkaar in de keuken van oma B en trokken briefjes met daarop geschreven de vis die ze moesten bereiden uit een hoed. Niemand wilde de spiering trekken, want de geur van die gebakken sardines zou tot Pasen in de gordijnen blijven hangen.
Connie tekende zelfs een kaart zodat de families in de straat in de goede volgorde van huis tot huis zouden gaan, van voorafje tot dessert. Zeven huizen, waaronder dat van ons, zouden één visgerecht serveren, met de achtste stop, de garage van tante Lil en oom Louie, voor il finale, de Venetiaanse toetjestafel.
Ze toverden hun smetteloze garage om in een feestruimte, met lampjes, een boom en een toetjesbuffet, waaronder een chocoladefontein, waaraan je je eigen sundae kon maken met handgedraaid gelato, en een tafel waar je je eigen cannoli kon vullen. Je kon alles nemen wat je hartje begeerde, maar wat we niet wisten was dat we al de hele tijd la dolce vita hadden. We waren bij elkaar, beide kanten van de familie, met de schoonfamilie erbij, onder wie Sicilianen, Napolitanen en een verdwaalde Ier, die allemaal samen feestvierden. Onze Zuid-Italiaanse kant vierde kerstavond, maar de Toscanen deden gewoon mee, in plaats van te vasten zoals hun traditie was. Het feest was al een traditie lang voordat mama Louie naar het Eiland stuurde, en toch waren de prachtige herinneringen aan kerstvieringen in het verleden niet genoeg om het te redden. Het Feest van de Zeven Vissen werd abrupt afgelast wanneer mijn moeder weer eens ruzie had met haar broer. En, zoals dat soort dingen gaat, het werd weer opgepakt als mama besloot het goed te maken met hem. Er werd nooit gepraat over de verloren vieringen. We werden geacht de geschiedenis te herschrijven en verder te gaan alsof de pijn überhaupt nooit was toegebracht.
‘Buon appetito!’ Oom Louie hief in de garage een glas advocaat om te proosten. ‘Op la famiglia!’ Hij nam net als alle volwassenen een slokje. ‘Dat smaakt naar Carrara.’
‘Carrara. Carrara. Louie praat erover alsof het de hemel is. Ik zou het niet weten. Ik ben er nooit geweest.’ Tante Lil nam een slokje advocaat. ‘En je hoeft het niet te vragen, Lou. Ik ga niet de hele wereld over sjouwen. Ik hou van New Jersey.’
‘Je bent Siciliaanse, Lil. Totaal andere tradities. Eilandmensen.’
‘Ik kan prima met die van jou overweg, toch?’ zei tante Lil vriendelijk.
Ik ging op mijn tenen staan en doopte een lepel in de chocoladefontein terwijl oom Louie een verhaal vertelde over zijn tijd in Italië. De familie kwam op klapstoelen om hem heen zitten en iedereen boog zich naar hem toe om te luisteren.
‘Daar was ik, in dezelfde groeve als Michelangelo. Verblindend wit gloeiend licht zo ver je kon zien. Dat is geen grapje, van die plek haalde Michelangelo zijn marmer voor het standbeeld van David. Ik ben een knul uit New Jersey op gewijde grond. Ik doe wat ze me zeggen en al snel zien ze dat ik het meen, en dan leren ze me hoe ik moet steenhouwen. Ik ben op de berg, bungelend voor de wand met marmer – niet alleen ik, we waren misschien met twaalf. We hingen in een leren harnas in de lucht. Ze vertelden me hoe ik mijn gereedschap moest vasthouden; als je wat laat vallen, ben je de pineut. Dan moet je wachten tot iemand anders naar je toe kan zwaaien, wat uren kan duren omdat we hierboven zijn om steen op te meten en te houwen. De zon brandt op ons hoofd, we bakken in de hitte. Maar het marmer is altijd koel, dat wordt niet warm, dus in bepaald opzicht leer je van het marmer te houden omdat het je troost biedt. Mijn Italiaans was niet geweldig toen ik aankwam, maar ik leerde het snel. Op die berg heerste broederschap. Jullie weten dat ik van mijn zus hou, maar geaccepteerd worden door die mannen die geen reden hadden om me in hun midden op te nemen, leerde me de betekenis van familie. En misschien wat over moed.’
‘Wat heb je toch een mazzel dat je als man bent geboren,’ kwam mijn moeder tussenbeide. ‘Jij mocht naar Italië, een avontuur beleven. De zomer waarin je weg was, waste ik auto’s, ik maakte het huis van mijn moeder schoon en maakte frambozenjam.’
‘Zo was het toen voor meisjes, Phil. Daar moet je mij de schuld niet van geven, ik heb het systeem niet gemaakt,’ zei oom Louie.
‘Vrouwen verbrandden hun beha’s. De emancipatie stond om de hoek. Timing is alles,’ klaagde mama.
‘Ik weet niets van al dat feministische gedoe,’ zei tante Lil. ‘Maar mijn man zou liever aan die berg hangen en steenhouwen dan marmeren badkuipen installeren in die kasten van huizen in Ridgewood. Geloof me maar.’
‘Geef mij al het gevaar ter wereld maar, als ik Italië maar had.’ Oom Louie knipoogde naar me.
Ik was acht jaar oud en begreep het volwassen gesprek niet, of waarom hun grappen grappig waren, of niet, maar die kerstavond gebeurde er iets wat wortel schoot in mijn onderbewustzijn. Ik was ervan overtuigd dat een plek die Italië heette en een man die Louie heette zouden samenspannen om me mijn droom te bezorgen, ook al wist ik niet precies wat die was of hoe ik die droom zou moeten laten uitkomen. Ik had geen visioen, geen bewijs, alleen een Capodimonte-voorgevoel, dat ik zou blijven houden tijdens alles wat er daarna allemaal zou gebeuren.
MILAAN
* * *
Milaan is als een standbeeld, een creatie van Gustav Klimt; lang, rank, gehuld in beige en buiten in de regen laten liggen. Spitsen en bollen, marmeren klokkentorens en gebeeldhouwde gargouilles kenmerken Milaan vanaf de grond. Het operagebouw La Scala, bekleed met marmeren platen, is een en al boogdeuren, ramen en timpanen zo barok als een rijke beschermvrouwe die elk kostbaar sieraad dat ze heeft draagt om op te vallen op de Via Emmanuel als ze naar de opera gaat. Zware grijze wolken hangen laag en maken de stoep wisteriablauw. Milaan is uit haar humeur en heeft zichzelf in allerlei tinten paars geschilderd.
Angelo staat op het station op ons te wachten. Hij valt op in de menigte, zijn intense blik snijdt door de mist terwijl al het andere in de nevel verdwijnt. Hij baant zich een weg door de menigte naar ons toe. Zijn moeder slaakt een zucht van verrukking en wijst naar hem. Dit is niet de Angelo Strazza uit Carrara die in een atelier met een schort om werkt. Hij is nu Milanees, zijn nieuwe baan draait om commercieel ontwerpen en klantrelaties. Angelo heeft sprezzatura gekregen, moeiteloze elegantie. De kunstenaar is zelf een kunstwerk geworden. Hij draagt een kasjmier overjas over een bruine wollen blazer en een donkerblauwe pantalon, hij heeft zijn bruin-blauw gestreepte stropdas losgemaakt. Hij omhelst zijn moeder. Ze raakt de knoop van zijn stropdas aan, waarna hij zich naar me toe draait en me op beide wangen kust.
Ik heb Angelo sinds zijn vertrek niet meer gezien. Hij heeft me onlangs een paar berichtjes gestuurd, maar die gingen meer over zijn moeder dan over onze vriendschap.
Angelo pakt mijn rugzak op en hangt hem over zijn schouder. Hij pakt de arm van zijn moeder en pakt met zijn andere hand haar bagage. Ik trek mijn eigen koffer mee en loop achter hen aan.
‘Mama, ik heb kaartjes voor La Scala voor je. Zia Bette gaat erheen met je.’
‘En jij dan?’
‘Ik ga met Giuseppina de berg op.’
‘Bergamo?’
Hij knikt. ‘Valle di Scalve.’
‘Je neemt haar toch niet mee naar die gestoorde vriend van je vader?’
‘Jawel.’
‘Beppe Novelli is gek.’ Ze wendt zich tot mij. ‘Blijf in Milaan als je leven je lief is.’
‘Ik heb Conor beloofd dat ik je het verguldingsatelier zou laten zien.’ Angelo knipoogt naar me. ‘Het zijn zaken, mama.’
‘Een andere keer,’ smeekt signora Strazza. ‘Zo verpest je Kerstmis.’
‘Niets kan Kerstmis verpesten, signora,’ stel ik haar gerust.
‘Beppe zal Kerstmis verpesten. Jij weet er niets van. Die paljas maakt van alles een grap. En pas op voor zijn handen. Dat is mijn laatste waarschuwing. Niemand luistert naar me, maar je zult het wel zien.’
Speelt elke Italiaanse moeder zo in op je schuldgevoel of zet ze het in als ze haar kinderen een bepaalde kant op wil sturen? ‘Signora, wat nieuwe vrienden betreft: hoe gekker, hoe beter,’ zeg ik tegen haar.
‘Ik zal zorgen dat Giuseppina niets overkomt,’ stelt Angelo haar gerust.
‘Jullie zijn precies hetzelfde,’ zegt signora Strazza. ‘Pazzo.’
We zijn niet gek. Het is veel eenvoudiger. Ik weet het, en uiteindelijk zal Angelo het ook begrijpen. We zijn opgevoed door dezelfde moeder.
BEPPE
* * *
Grotto D’Oro is een atelier van vergulders op de berg in Città Alta, een stadje in elizabethaanse stijl boven Bergamo. De piazza is Italiaans, maar de details zijn ouderwets Engels: smeedijzer, hekken met tierelantijntjes en gedetailleerde architectonische versieringen op de gebouwen. Geen toffeekleuren hier, alleen neutrale kleuren, wit en beige met een roze zweem door het licht. Zelfs de wintervogels spelen mee: ze cirkelen boven ons hoofd, inktzwarte strepen in de lucht die zich op de piazza laten vallen, hun vleugels intrekken en over de tegels rennen op zoek naar kruimels.
‘Als de Città Alto van Bergamo een vrouw was, zou ze Jane Eyre zijn,’ zeg ik tegen Angelo. ‘Het is een vesting. Het doet me denken aan Thornfield Hall. Het ligt op een berg, het is afgelegen en het voelt alsof het geheimen herbergt.’
‘Is alles wat je in de wereld ziet afkomstig uit een verhaal in een boek?’ vraagt Angelo.
Beppes atelier ligt in een zijstraat van de piazza, in een gebouw van één verdieping, half in de berg, met afgeronde hoeken, wat misschien de reden is waarom het een grot wordt genoemd. We gaan naar binnen door een stel houten schuurdeuren met koperen ringen als deurknop. Het atelier is één grote ruimte met een lange boerentafel, die leeggemaakt is om aan te werken. Er staan stapels marmeren blokken, stenen, houten planken en granieten platen als spiegels tegen de muren geleund. De krukken zijn zo oud dat het hout op de zittingen is afgesleten en afgeschuind waar Beppe zit, voorovergebogen om zijn werk te doen.
Beppe Novelli, meestervergulder, kijkt met een glimlach op. Hij staat op, slaat zijn armen om Angelo heen en blijft naar mij kijken. Angelo stelt ons aan elkaar voor. Hoe zou deze krachtige, gedrongen man van rond de een meter vijfenzestig problemen kunnen veroorzaken? Wat haalde signora Strazza zich in haar hoofd? Beppe, die in de zestig is, heeft een jeugdige energie. Hij kust mijn beide handen en steekt dan zijn handen in de borstzak van zijn overall, onder het schort. Hij doet een stap achteruit en neemt me op.
‘Deze heeft een goede vorm,’ besluit Beppe. ‘Niet zoals die andere.’
‘Over wie heb je het?’ vraagt Angelo.
‘Die bezemsteel.’
‘Dalia?’
‘Ik wilde Diana zeggen, maar ze lijkt in de verste verte niet op de Griekse jageres. Ik weet niet hoe ik haar zou noemen, afgezien van stuzzicadenti.’
‘Waarom begint u niet met “aardige vrouw”,’ snauw ik. ‘In plaats van haar te vergelijken met een tandenstoker?’ Vreemd genoeg voel ik me gedwongen Angelo’s vriendin te verdedigen.
‘Vrouwen komen voor elkaar op,’ roept Beppe uit. ‘Goed zo. Je moet altijd weten aan welke kant je staat.’
‘Dat pakt voor u niet zo best uit,’ antwoord ik.
Angelo klopt op denkbeeldig deeg met zijn handen. Oom Louie zweeft blijkbaar rond in de grot.
‘Vergeef me, Giuseppina.’ Beppe lijkt niet erg berouwvol.
‘Dalia en ik zijn uit elkaar,’ legt Angelo uit. ‘Mijn vriend Beppe is bezorgd om me. Meer niet.’
‘Ze paste niet bij je!’ zegt Beppe.
Ik weet niet wat ik moet zeggen; Angelo is single. Toen hij naar Milaan verhuisde en ik werd uitgenodigd voor kerst, dacht ik dat ik een extra gast zou zijn, zoals Carmel of Marina aan ons kerstdiner. Ik heb zelfs twee paar nieuwe wanten ingepakt, voor als Dalia en haar dochter op het laatste moment zouden komen opdagen. Dan wilde ik niet degene zonder cadeautje zijn.
‘Hoe gaat het met Laura?’ vraagt Beppe aan Angelo terwijl hij op zijn voeten staat te wiebelen.
‘Mama doet je de groeten.’
‘Onmogelijk! Ze heeft een hekel aan me.’
Angelo lacht. ‘Het is Kerstmis, Beppe. Mama is barmhartig.’
‘Wat is er tussen jullie gebeurd?’ vraag ik Beppe. ‘Waarom trekt signora Strazza een gezicht als uw naam valt?’
Beppe kijkt naar Angelo, die naar mij kijkt.
‘Ik ben nieuwsgierig,’ zeg ik tegen hem. ‘Ik zal het voor me houden.’
Beppe begint. ‘Ik zal je het verhaal vertellen. Jaren geleden had ik iets met Laura’s zus. Bette was mijn innamorata.’ Hij fluit. ‘We waren nog jong.’
‘Zia Bette,’ legt Angelo uit.
‘En op een dag, poef! Ik verdween. We pasten niet bij elkaar. Bette was te veel voor me. En ik wist niet hoe ik het moest aanpakken. Ik wist dat de romanza foetsie was, maar ik wilde het haar niet vertellen, dus verdween ik op een dag gewoon. Toen Bette naar de winkel kwam om te vragen waarom ik was weggegaan, deed ik alsof ik gek was geworden, zodat haar verliefdheid zou verdwijnen. Het werkte. Bette geloofde dat ik gek was geworden, want ze zou nooit hebben begrepen waarom een man haar zou verlaten. Ze vond zichzelf nogal wat.’ Hij fluit en tekent met zijn handen de omtrek van een contrabas. ‘Misschien had ze wel gelijk.’
‘Zia Bette is beeldschoon,’ vindt Angelo ook.
‘Dat was ik ook.’ Beppe knipoogt naar me. ‘Iedereen dacht dat ik pazzo was, behalve Angelo’s moeder. Laura wist dat ik…’ Hij fluit weer. ‘Een scungilli. Dus stuurde ze haar man naar Bergamo om me de oren te wassen.’
‘Mijn vader moest de familie-eer herstellen,’ legt Angelo uit.
‘Je moeder wilde dat je vader me in elkaar sloeg.’
‘Toen mijn vader hiernaartoe kwam om zia Bettes eer te verdedigen, had je al een andere vrouw in de achterkamer. Scungilli klopt wel.’
‘Is dat zo? Ik weet het niet meer. Hoe dan ook, ik zei tegen je vader dat hij naar huis moest gaan en tegen zijn vrouw moest zeggen dat hij me met een stok had geslagen en dat ik mijn lesje had geleerd. Dat deed je vader en je moeder geloofde hem.’
‘Waarom vertelde je niet gewoon de waarheid?’ vraag ik. ‘Je was bij de verkeerde persoon. Dat is geen misdrijf.’
‘In de liefde heeft de waarheid geen plaats.’
‘Non è vero,’ zeg ik tegen Beppe.
‘È vero. De waarheid is de waarheid.’ Beppe kijkt naar me. ‘Ik ben geen goede echtgenoot. Vriendje. Allebei niet. Ik ben verliefd op goud. Zij is mijn geliefde. Dat had ik je vader uitgelegd, en hij was het er niet mee eens. Dus gingen we uit eten, we dronken wijn en raakten bevriend. Nu heb ik twee problemen. Ik ben bevriend met je vader en een vijand van zijn vrouw. En toen ging je vader naar de hemel en nu heb ik nog maar één probleem. Je moeder. Nu weet je alles van me. Ik wil dingen van jou weten, Giuseppina bella.’ Beppe knijpt me in mijn wang.
‘Ik ben hierheen gekomen om te zien wat u doet.’ Ik ga op een krukje zitten en kijk hem aan. ‘Niet om geknepen te worden.’
Beppe zucht. ‘Werk. Werk. Werk. Wat ik doe is eenvoudig. Maar alleen als je het al achtenveertig jaar doet.’
Beppe opent een verpakking met velletjes goud. Hij pakt een mes en met dezelfde beweging waarmee je een heel dun plakje kaas zou snijden, haalt hij het goud van het velletje en brengt het aan op het reliëf, de steel van een roos. Hij tikt erop met het mes en legt het terug op tafel. Dan pakt hij een penseel en strijkt ermee over het goud en marmer.
‘Waarom haalde u het penseel niet langs uw wang?’ vraag ik. ‘Net als Angelo. Dat hebt u hem toch geleerd?’
‘Ik ben een slechte leraar!’ Beppe gooit zijn handen in de lucht. ‘Het is een oude techniek. Soms gebruik ik hem, soms niet.’
‘In Amerika vergulden we steen met een apparaat.’
Beppe trekt een gezicht. ‘In Amerika eten jullie uit bakjes van piepschuim. Dat zou ik ook niet doen. In de loop der tijd heb ik mijn techniek veranderd. Misschien kiest een andere kunstenaar een andere manier. We leren altijd bij.’ Hij haalt zijn schouders op.
‘Maar ik zou hopen dat we vasthouden aan de traditie,’ zeg ik.
Beppe beweegt zijn wijsvinger heen en weer. ‘Traditie kan alleen bestaan in een toestand van verandering.’
Zou dat kunnen kloppen? Ik dacht dat traditie en verandering niets met elkaar te maken hadden. Heb ik niet geleerd dat hoe steviger de greep op mijn leven, hoe minder controle ik heb? Blijkbaar vindt de oude meester zelf dat verandering de sleutel is om verder te komen, niet vasthouden aan wat me ooit hielp.
We kunnen Beppe niet overhalen om met ons naar de nachtmis te gaan; hij zei dat hij spontaan zou ontbranden en in as zou veranderen als hij een kerk binnenging. Maar hij wenste ons een buon Natale, waarna hij de piazza overstak om kerstavond door te brengen met zijn nieuwe vriendin. Lucrezia is tweeënveertig en een bombolona. Zijn woord.
Zodra Angelo en ik buiten het atelier zijn, op weg naar zijn auto, pakt hij mijn hand.
Toen ik deze berg opkwam met Angelo, dacht ik dat hij een serieuze relatie had, en nu weet ik dat hij die niet heeft. Ik houd mezelf voor dat hierdoor niets verandert. Ik woon in Carrara. Angelo woont in Milaan. We zijn kilometers van elkaar gescheiden.