Hoofdstuk 15: Ravioli-revelatie - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
La Camelia Ristorante van Carrara wordt gerund door twee zussen die plaatselijke lekkernijen uit hun tuin bereiden en op la tavola zetten. Ze maken hun eigen wijn, rollen pasta met de hand en serveren kaas gemaakt van de melk van hun eigen geit. Hun restaurant ruikt naar meelbloem en vanille, net als de keuken van oma Cap, waar we strengen verse pasta aan houten wasrekken hingen. De zussen/koks hebben een feestmaal bereid van heerlijke tortellini in een lichte roomsaus. Ze hebben pompoenbloemen gevuld met paprika en eendenvlees.
Professoressa Adeel schenkt twee glazen wijn in. Ze bekijkt de fles. ‘Jeetje, deze wijn is twintig jaar jonger dan ik! Ik ben drieënvijftig. Een antieke bouwval.’
‘Mijn moeder zegt dat je nooit je leeftijd moet vertellen omdat mensen dan vinden dat je er ook echt zo oud uitziet. Dat is een ding in mijn familie. In plaats van vrouwen tegen elkaar op te zetten, leren we om onszelf tegen onszelf op te zetten. Maar dan weten we wél wie we de schuld moeten geven van onze ellende.’
‘Dat gebeurt in mijn cultuur ook. Ik ben moslima.’
Ik steek mijn hand op. ‘Katholiek.’
We lachen.
‘Krijgen moslims de deken van schuld en schaamte ook op een presenteerblaadje? Die krijgen wij bij ons diploma van de katholieke school.’
‘O ja, die heb ik ook.’ Farah lacht. ‘Ik ben namelijk opgeleid in een klooster. Op mijn school in Pakistan had ik de Maryknoll Zusters. Wij hadden ons geloof, zij het hunne, en ze leerden ons al het andere.’
‘De nonnen dreven me tot perfectie. Die kun je nooit bereiken, maar ze stonden erop dat ik het probeerde. Als ik bezig ben met een ontwerp, is het eerste wat ik ’s ochtends doe als ik opsta het bij zonsopkomst verbeteren. Iets aan dat vroege ochtendlicht helpt me de tekortkomingen te zien,’ zeg ik tegen haar.
‘Zo is het ook op de berg,’ zegt Farah. ‘Er is een reden waarom de groeven zo dicht bij de zon zijn. Zo kon God zien wat hij deed.’
‘Wil je me de groeven laten zien? Conor zegt dat je er vrij vaak heen gaat, en ik vroeg me af of ik een keer met je mee mocht.’
‘Natuurlijk. Het is het enige familiebedrijf ter wereld dat al eeuwen bestaat. De familie Massa was tot ongeveer tien jaar geleden de eigenaar van de meeste groeven. Het Vaticaan kocht het merendeel van het marmer van die berg. Je kent de verhalen vast van de beroemde beeldhouwers die naar de berg gingen om hun marmer uit te zoeken. Er wordt tegenwoordig net zoveel geproduceerd als tijdens de renaissance, maar nu bouwen we geen kathedralen meer, maar moskeeën. Sommige groeven zijn aan mijn volk in het Midden-Oosten verkocht,’ licht Farah toe. ‘Vertel eens over jouw werk.’
‘Ik zit in het familiebedrijf. Er zijn allerlei ontwikkelingen gaande.’
‘Ik vroeg me al af waarom je naar Italië bent gekomen.’
‘Eerlijk gezegd kon ik nergens anders naartoe. In New Jersey had ik geen opties meer.’
‘Wat hoop je hier te vinden?’
‘Alles.’
Farah glimlacht. ‘Je zei dat je iets huurde?’
‘Een appartement van signora Strazza aan de piazza. Angelo’s moeder.’
‘Had je zo van mijn lezing gehoord? Was je uitgenodigd door Angelo?’
‘Nee, Conor kende je reputatie.’
‘Hij is een goeie vent. Daar zijn er niet veel van,’ zegt Farah.
‘Mannen zijn soms zo vreemd.’
‘Vind je?’ Farah strijkt het servet op haar schoot glad.
‘Jij niet?’
‘Ik was er een.’
Ik leg mijn vork neer. ‘Ik begrijp het niet.’
‘Elf jaar geleden werd ik een vrouw. Hoewel ik je kan verzekeren dat ik vanaf het begin een meisje was; ik mocht er alleen geen zijn.’
Het zou me niet moeten verbazen, professoressa Adeel heeft iets heel kalms en stabiels wat alleen van een innerlijk weten kan komen, een onweerlegbaar besef over haar plek in de wereld. Ze weet wie ze is en die zelfkennis lijkt uit haar ziel te komen. ‘Sorry. Ik zou het nooit hebben geraden.’
‘Dat komt doordat het mijn ware aard is. Je kunt niet bestrijden wat je bent, wat in je zit. Mensen proberen het wel, en God zegene hen, maar ik kon het niet. Het meisje won.’
‘Hoe heb je ooit de moed bij elkaar geraapt?’
‘Eerst was het vreselijk. Ik had zulke hoge verwachtingen. Ik dacht dat ik door die verandering onmiddellijk gelukkig zou worden.’
‘En dat gebeurde niet?’
‘Helemaal niet. Ik was niet de vrouw die ik me had voorgesteld, in het begin althans niet. Maar ik gaf niet op. Ik maakte het proces bewust door. En met de dag begon de persoon die ik aan de buitenkant zag meer te lijken op de persoon die ik vanbinnen was. Ik begon te lijken op de geheime droom die ik al sinds mijn jeugd had. Ik moest mijn ziel een plekje laten vinden omdat ik wist dat die de wijsheid had om me erdoorheen te begeleiden. Op een dag, een paar jaar na mijn transitie, werd ik wakker en was mijn gender niet het eerste waaraan ik dacht. Ik voelde me op mijn gemak. Ik paste in mijn eigen leven. Net op tijd om een vrouw van middelbare leeftijd te worden en als onzichtbaar te worden verbannen, trouwens. Ironisch, nietwaar?’
Ik ben onder de indruk van Farahs volharding om haar leven op haar eigen voorwaarden te leiden. ‘Je kon niet weten dat het goed zou komen,’ zeg ik tegen haar.
‘Dat klopt. Maar ik moest veranderen, anders zou ik geen zinvol leven leiden. Het was een hele klus om door het leven te gaan met mijn oude identiteit. Daardoor kon ik mijn echte doel in het leven niet bereiken, namelijk lesgeven. Al die moeite om iemand te zijn die ik niet ben. Nu maakt het me niet meer uit wat mensen denken,’ zegt Farah.
Na het eten lopen we terwijl de zon ondergaat naar de duomo. Die is in de elfde eeuw gebouwd en heeft veranderingen in architecturale stijlen het hoofd geboden, van primitief tot romaans tot de gotiek. Het interieur van de kerk, die helemaal van marmer is, is net zo koel als het steen zelf; alleen de glanzend gewreven houten kerkbanken, rode godslampen en votiefkaarsen, aangestoken door boetelingen, geven warmte af.
Op de wanden van het altaar zitten ton-sur-ton gekleurde blokken van Carrara-marmer. De beelden van putti dansen boven ons hoofd, eronder kondigen grote engelen de Heilige Geest aan. Een duif die in het midden van een marmeren monstrans is uitgesneden doemt op boven de gezegende maagd Maria met het kindeke Jezus in haar armen. Heiligen in hun alkoven bieden tegenwicht aan het altaar onder de zwevende beelden, allemaal van Calacatta-marmer van de berg. Het kaarslicht werpt schaduwen op het altaar terwijl het maanlicht door de koepel stroomt en een perzikachtige gloed werpt op de gouden en emaillen tegels.
‘Ik ga een kaarsje aansteken,’ fluister ik tegen Farah.
‘Steek er ook een voor mij aan, alsjeblieft.’ Farah gaat op de achterste kerkbank zitten.
Ik kniel bij het beeld van de gezegende maagd Maria en steek een lange lucifer aan. Ik steek een kaarsje aan voor mijn familie en een voor die van Farah. Ik sluit mijn ogen om te bidden. De zoete geur van bijenwas en de dunne spiraal van rook van de lucifer doen me denken aan de zondagse mis in Spring Lake. Een golf verdriet overspoelt me. Ik glip in de kerkbank naast Farah.
‘Ik heb een kaarsje aangestoken voor je familie,’ zeg ik tegen Farah.
‘Dank je wel. Maar daar is misschien iets meer voor nodig dan een kaarsje. Ik ben ze kwijt. Ik denk elke ochtend als ik wakker word aan mijn moeder, en ze is mijn laatste gedachte voordat ik ga slapen. Zij geloofde namelijk in me toen niemand anders dat deed. Ze begreep waarom ik naar school wilde. Ze wist dat ik mijn dorpje was ontgroeid voordat ik dat zelf besefte. Ze zag het aankomen. Ze vertelde me dat ik moest vliegen. Ze stond erop dat ik vertrok. Thuis was voor mij niet de omgeving voor een gelukkig leven. En dus luisterde ik naar haar. Ik ging in Londen naar school en woon daar nog steeds. Behalve wanneer ik hier ben.’
‘Je hebt een fantastisch leven opgebouwd.’
Ze knikt. ‘Ik heb alles wat ik ooit heb gewild. Fijne vrienden. Ik reis. Ik ben in Italië in een kerk die er al sinds de elfde eeuw staat, door ambachtsmannen gebouwd met marmer van de berg. Ik had erover gelezen, en hier zitten we dan. Voor mij is dit een wonder.’ Ze kijkt op naar de kruislingse balken boven het schip van de kerk. ‘Ik voel me het meest thuis in de geschiedenis, want die is groter dan ik. Groter dan mijn dromen en groter dan mijn problemen.’
‘En het blijkt dat je geen toestemming van je familie hoefde te hebben.’
‘Maar die wilde ik wel. De ironie van mijn leven is dat ik niet uit huis had kunnen gaan en geen opleiding had kunnen volgen als ik een meisje was geweest. In mijn familie leiden we dochters niet op, alleen zoons. Soms denk ik aan de oude ik en dan houd ik me voor dat ik zonder hem geen bouwkundige zou zijn. Hij werd bouwkundige, dus werd ik er een.’
‘Als ik vragen mag: hoe heette je toen je een jongen was?’
‘Mohammed.’
Farah en ik lachen, maar houden ons in, want we zijn in een kerk en lachen hoort niet tussen de godvruchtigen.
‘Mijn moeder gaf haar eerstgeboren zoon de heiligste naam om waar te maken en toen ik dat niet deed, was ik ongetwijfeld een teleurstelling.’
‘Dat weet je niet. Waarom stap je niet op een vliegtuig om je moeder te bezoeken?’
‘Daar denk ik weleens over na,’ geeft Farah toe.
‘Je zou het moeten doen.’
‘Je kent mijn dorpje niet.’
‘Ik begrijp het wanneer je geboortestad zich tegen je keert. Dat je van de mensen die je je hele leven al kennen niemand kunt vinden die gelooft dat je de juiste keus hebt gemaakt. Het is verschrikkelijk eenzaam,’ zeg ik tegen haar.
‘Wat doe jij aan de eenzaamheid?’
‘Ik heb een kat genomen.’
‘Ah, de kat.’ Farah glimlacht. ‘Het doet pijn om vervreemd te zijn van mijn familie. Maar er is ergere pijn.’
‘Wat dan?’
‘Doen alsof.’
Farah legt de vinger op de zere plek. De ergste leugens zijn de leugens die we onszelf vertellen. Door die leugens blijven we werk doen waaraan we een hekel hebben, we blijven getrouwd terwijl het huwelijk ons verstikt en we blijven op plekken waar we niet kunnen gedijen. Het vereist moed om te veranderen. Als Italië de grote lerares is, en als ze die van mij wordt, moet ik accepteren dat toeval niet bestaat. Professoressa Farah Adeel is om een reden in mijn leven gekomen: naast haar kennis van techniek en steenhouwen, zit ze ook in de spiegelbranche. Reflecterend glas.
Als Farah naar buiten gaat om een telefoontje van de universiteit aan te nemen, open ik mijn notitie-app en schrijf.
Oom Louie en tante Lil kwamen op bezoek, voor het eerst in maanden volgens mijn moeder (maar voor de rest van ons, die mama’s vetes echt bijhielden, waren het járen). Niets was zo belangrijk voor mij als het oplossen van de onenigheid in de familie. Het was 2009 en het was tijd om oom Louie van het Eiland af te halen.
In het weekend, als ik niet op school zat, werkte ik voor oom Louie. Het was ongemakkelijk als we mama tegenkwamen wanneer hij me ’s ochtends ophaalde. Ik was negentien, woonde thuis en was die herfst aan mijn eerste jaar aan Montclair State begonnen. Ik had gehoopt om over te stappen naar Rutgers en op de campus te kunnen gaan wonen, maar ik besloot dat mijn rooster aan Montclair goed uitkwam met mijn werk bij Cap Marmer en Steen, en ik wilde beide doen.
Mijn moeder wist niet dat als oom Louie weer eens op het Eiland zat, ik stiekem naar mijn oom en tante ging. Ik ging op bezoek om te kletsen terwijl tante een latte en een punt kwarktaart serveerde. Soms bleef ik lang genoeg om samen met tante Lil General Hospital te kijken of met oom Louie te kaarten. Daarna glipte ik door hun keukendeur naar buiten, liep door het Parthenon in de achtertuin, ging door het steegje naar het huis van oma Cap, ging naar binnen, controleerde hoe het met haar ging terwijl ze naar Jeopardy! keek, ging weer naar buiten en kwam op tijd voor het avondeten thuis. Ik vertelde mijn moeder altijd zorgvuldig dat ik bij haar moeder op bezoek was geweest, omdat dat deel van mijn verhaal waar was.
Mama had al het eten gemaakt voor het verzoeningsdiner omdat ik tot over mijn oren in de deadlines voor school zat. Ik zou alles opdienen en na afloop afwassen.
‘Heb je de rechaud aangezet?’ vroeg mama.
‘Ja.’ Ik ging terug naar de keuken, haalde de schotel gevulde artisjokken uit de oven en bracht hem naar de eetkamer.
‘Connie, schenk jij het water even in?’
‘Ja.’ Connie zat in haar laatste studiejaar aan Saint Elizabeth, de Alma Mater van onze moeder. Ze was een kakker geworden; ze droeg kleding in fruitcocktailkleuren zoals felroze en limegroen bij elkaar en ging het huis niet uit als er nog één krul in haar haar zat.
‘Giuseppina, roep je broer alsjeblieft aan tafel.’
Ik ging de woonkamer in, waar mijn broer aan het studeren was. Normaal gesproken mocht niemand in de totaal witte kamer komen, maar voor Joe maakte mama een uitzondering, omdat hij midden in zijn tweede jaar rechten zat en een rustige plek nodig had om te studeren. Blijkbaar lag de toekomst van de familie Baratta, net als onze reputatie, in Joes handen. Mijn ouders waren trots op hem, maar er leek meer van mijn broer af te hangen dan alleen de familie-eer. Connie en ik waren ook trots op hem, we begrepen alleen niet waarom een rechtenstudie zoveel van hem vergde en waarom hij in zo’n slecht humeur was sinds hij was begonnen. Was het niet zijn doel om advocaat te worden? Moest je niet blij, licht en vrolijk worden als je je droom najoeg? Joe zat over een boek gebogen en was aantekeningen aan het maken toen ik zijn gedachten onderbrak. ‘Joe, ik moest van mama zeggen dat het eten klaar is.’
Hij hoorde me niet. Ik zei het nog een keer, hard.
‘Dank je, Jess.’ Joe keek met een wazige blik in zijn ogen op. Hij liep mee naar de eetkamer en ging naast oom Louie zitten.
‘Waar heb je die artisjokken vandaan?’ vroeg oom Louie.
‘Van Billy aan de Kust,’ zei mama.
Hun plagerijen waren veel te vrolijk voor twee mensen die tot gisteren niet met elkaar in een ruimte konden zijn. Lag het aan mij of waren mijn moeder en oom aan het overcompenseren voor hun vervreemding? Zelfs oma Cap was een beetje lacherig door de hereniging van haar kinderen.
‘Laten we het glas heffen op mijn neefje, Joe, die de loop van onze familiegeschiedenis aan het veranderen is. De Caps werkten altijd met steen, nu werken we met boeken.’ Oom Louie vervolgde: ‘En op Connie, met haar stage bij Lane Bryant aan Fifth Avenue. Gefeliciteerd, meid.’
‘Bedankt, oom Louie.’ Connie bloosde. ‘Het stelt niet veel voor.’
‘Het stelt heel veel voor, met name voor de wat vollere dames die daar hun kleding kopen.’ Oom Louie klopte op de tafel.
‘Op papa!’ Ik hief mijn glas. ‘Hij heeft een nieuwe baan bij Nationwide Insurance.’
‘Voor de duidelijkheid: ik stond de hele tijd aan jouw kant.’ Papa proostte en nam een slok.
‘Ik ben trots op onze familie,’ zei oom Louie. ‘Alleen maar goed nieuws. Jess combineert haar studie met een baan bij mij. Ze is de toekomst van Cap Marmer en Steen.’
‘Tuurlijk, oom Louie.’ Het was moeilijk om een compliment in ontvangst te nemen terwijl mama erbij was, omdat zij het niet had gered bij het bedrijf. Ik had gehoopt dat mijn parttimebaan niet genoemd zou worden, omdat je nooit wist waardoor mijn moeder oom Louie terug zou sturen naar het Eiland. Eén uitglijder of slechte grap en deze zondagse maaltijd kon onze goede bedoelingen tenietdoen. ‘Dank je wel, maar ik ben maar een radertje in de organisatie.’
‘Je bent veel meer. Je hebt echt artistiek talent,’ hield oom Louie vol. ‘Hebben jullie haar ontwerpen gezien?’
‘Ik vind het geweldig,’ zei oma Cap. ‘Een familiebedrijf hoort in de familie te blijven.’
‘We gaan voor nog een eeuw, ma,’ zei oom Louie geruststellend.
Oma Cap vouwde haar handen. ‘Dat zou fantastisch zijn. Continuïteit! Ik herinner me mijn jeugd in Carrara nog. Toen de mannen de berg opgingen om in de groeven te werken, deed mijn moeder het huishouden en melkte de geiten. De familie Montini leverde melk en kaas aan het dorp. Mama werkte net zo hard als wie dan ook. We waren heel arm, maar we waren trots op ons werk. Ik keek vaak omhoog naar die berg en wist dat mijn vader en zijn broers het marmer wonnen waarmee kerken werden gebouwd.’ Mijn oma heft haar glas. ‘Ik zou graag een toost uitbrengen op mijn dochter, Philomena, en mijn zoon, Louie. Ik ben er trots op dat jullie in het belang van onze familie jullie onenigheid opzij konden zetten.’
‘Op vrede en voorspoed!’ zei oom Louie.
‘Op jullie allemaal, met alle liefde!’ Papa hief zijn glas.
‘Je hoort wel dat hij aangetrouwd is,’ zei mijn moeder grappend. ‘Cent’anni.’
‘Op de koude kant!’ Tante Lil proostte op de familie en knipoogde naar me.
Ik was als een geheim agent te werk gegaan binnen mijn familie, waarbij ik informatie tussen de strijdende partijen heen en weer bracht in de hoop het pad naar vrede te effenen. Nu was het hun beurt om die te behouden. Ik was er helemaal klaar mee. Het was tijd om volwassen te worden – niet alleen voor mij, maar ook voor mijn moeder en oom Louie.