Hoofdstuk 20: Nachtmis in Vilminore - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Terwijl Angelo over de Passo della Pressolana de berg op rijdt door de Italiaanse Alpen, piepen sterretjes door de winterwolken heen, die speldenknopjes zilverkleurig licht aan de zwartfluwelen hemel vormen.
Angelo gaat van de weg af en rijdt Vilminore di Scalve binnen, een dorpje met smalle straatjes met kinderkopjes die tussen rijen gestuukte huizen met twee verdiepingen door kronkelen. De luiken voor de ramen zijn karamel- en dropkleurig geschilderd, en ze zijn versierd met witte kerstlampjes die fonkelen in het donker.
Angelo parkeert voor de Parrocchia Santa Maria Assunta e Santo Pietro Apostolo, een barokke kathedraal. Het stucwerk is in een zachtgouden kleur geschilderd; in het donker doemt het als een fort op tegen de achtergrond van de zwarte bergen. De steile trap naar de ingang is verlicht door dikke kaarsen, waarvan de vlammen flakkeren in de winterse wind. Ik maak een foto van Angelo die de kerktrap op loopt terwijl zijn wollen sjaal achter hem aan wappert. Ik post hem snel met het bericht Buon Natale. Ik stop mijn telefoon in mijn jaszak voordat mijn moeder haar reactie kan posten.
In de kathedraal zijn gevlochten guirlandes van dennentakken over de kerkbanken gedrapeerd. De lucht is verzadigd door de geur van wierook, bijenwas en dennen. De ingelegde marmeren vloer is een pietra dura meesterwerk van kornalijnen, zwarte en turquoise steen. De zijaltaren langs de wanden van de zijbeuken zijn in de loop der eeuwen door families uit het dorp toegevoegd. In deze kunstige alkoven worden hun beschermheiligen geëerd. Ze staan vol standbeelden van Calacatta-marmer.
De fresco’s vormen een achtergrond voor het hoofdaltaar, waarop het leven van Jezus is afgebeeld. Ze worden verlicht door kristallen kroonluchters, die licht werpen op het gouden mozaïek.
Het hoofdaltaar glinstert door de vlammen van kaarsen die tussen dennentakken zijn neergezet. Maar vanavond is het de kribbe die, te midden van alle grandeur, voor een intieme sfeer zorgt. Aan de zijkant staat een primitieve, houten stal gevuld met stro, met Jozef, Maria en het kindeke Jezus. Een gezin verwelkomt een nieuwe baby. Een eenvoudig idee, dat kunstenaars eeuwenlang heeft geïnspireerd.
‘Het doet me aan thuis denken,’ fluister ik terwijl Angelo ons naar onze plekken brengt. We knielen. ‘Met één verschil: ik rammel van de honger.’ Ten noorden van Rome is er blijkbaar geen Feest van de Zeven Vissen.
Angelo glimlacht. ‘Vanavond vasten we. Morgen hebben we een banket.’
In New Jersey was het met kerst open huis. Neven en nichten kwamen langs, opa Cap zat aan het ene hoofdeinde van de eettafel in de eetkamer en opa B aan de andere kant, gelijkwaardig in aanzien en macht. De vrouwen waren in de keuken bezig, terwijl hun echtgenoten voor het vuur zorgden, sigaren rookten, aten en na afloop een dutje deden. De rollen werden soepel verdeeld en niemand trok ze in twijfel.
Mama bereidde een buffet voor met gebraden kalkoen, schalen salami, capicola en prosciutto (van Bilancia Vleesproducten natuurlijk), focaccia, warme broodjes en salades. Als dessert waren er koekjes en wat we niet uitdeelden in de straat, bewaarden we voor kerst. Mama zette koffie in een zilveren kan, die ze als huwelijksgeschenk had gekregen. Dit was de enige keer in het jaar dat ze hem gebruikte, omdat de koperen tuit kwetsbaar was en ze wilde dat de kan haar hele leven zou meegaan. Hoeveel fouten mijn ouders ook hebben, ze verankerden wel in ons hoe belangrijk het is om herinneringen te maken. Ik verlang naar onze tradities, maar ik hoop ook nieuwe te maken. Was het maar zo makkelijk als de gum die ik tijdens het tekenen gebruik. Ik haal weg wat niet werkt en teken wat volgens mij wel werkt. Fouten horen erbij, dus die herstellen we en we gaan verder, als we dat kunnen. Wat zou Kerstmis zijn zonder spijt?
De gregoriaanse gezangen, eeuwen geleden geschreven door monniken, vullen de hele kathedraal met rijke harmonieën. De stemmen van het koor troosten me, terwijl de kaarsen zacht licht op het marmeren altaar werpen. Ik laat mijn hoofd op Angelo’s schouder rusten en sluit mijn ogen. Hij pakt mijn hand. We luisteren.
Als Angelo en ik terug de berg af rijden naar Milaan, word ik eraan herinnerd dat de Passo della Presolana niet de New Jersey Turnpike is. Er zijn maar een paar reflectoren in de bochten neergezet om de wegen te verlichten die naar de dorpjes in de heuvels leiden. Als ik eerlijk ben, mis ik de brede rijstroken, de glinsterende afritten, neonborden en de belijning van de Amerikaanse snelwegen. Dit is de werkelijkheid in de Alpen; je moet in dit terrein opgroeien om er je weg te kunnen vinden. Angelo heeft zijn zomers samen met de Strazza’s doorgebracht in de bergen en dat blijkt.
De weg vereist Angelo’s volledige aandacht, dus ik probeer mijn mond te houden. Hij rijdt vol zelfvertrouwen over het stenen viaduct met aan weerszijden lage vangrails. De straal van zijn koplampen verlicht de weg voor ons, een zwart lakleren lint tegen de bergwand. Zodra we in Clusone zijn, een stadje op de heuvel met huizen met een A-frame en een brede hoofdstraat, hervat ik ons gesprek.
‘Ik heb net de mooiste kerstavond van mijn leven gehad,’ zeg ik tegen hem. ‘En ik heb nog nooit een slechte meegemaakt.’
‘Miste je je Amerikaanse kerstavond?’
‘Ik mis de mensen.’
‘Traditie,’ zegt Angelo. ‘Een geschenk en een valstrik.’
‘Voor het eerst stond ik niet boven een heet fornuis garnalen of kreeftenstaarten te koken om saus te maken. Ik hoefde alleen maar aandacht voor de mis te hebben en naar de muziek te luisteren. Misschien wordt mijn Italiaans beter. Ik weet het niet. Ik begin me thuis te voelen in Italië en voel me Italiaanser dan voordat ik hierheen kwam.’
‘Ik hou van je Amerikaanse manieren,’ zegt Angelo. ‘Je moet niet te veel veranderen.’
‘Toen ik opgroeide, vond ik alles wat de Italianen deden beter dan wat de Italiaanse Amerikanen deden. Misschien was dat de invloed van oom Louie, of van oma Cap, die me vertelde hoeveel lekkerder alles was op de boerderij van de Montini’s. Bosbessen waren lekkerder in Italië, ook al is New Jersey beroemd om zijn bosbessen. Dat enorme Italiaanse verlangen in me is daar door mijn voorouders geplant, die alles beter wisten.’
‘Is Italië jouw droom of die van hen?’
‘De mijne.’ Ik zeg het vol overtuiging omdat ik het geloof. ‘Absoluut.’
‘En je ex-man? Maakt hij deel uit van je toekomst?’
‘Ik weet het niet.’ Hoe leg ik Angelo uit wat Bobby Bilancia voor me betekent? Ooit waren we familie.
‘Je hebt gevoelens voor hem gehad, en die zou je opnieuw kunnen krijgen?’
‘Oom Louie zei altijd dat een relatie net een krab op het strand is; hij gaat naar voren of naar achteren, maar nooit opzij.’
‘Of hij staat stil.’
‘Bobby en ik gaan opzij.’
‘Ik heb het uitgemaakt met Dalia omdat ik iets voor je voel.’ Angelo wendt zijn blik niet af van de weg.
‘O, nee.’ Ik krijg een akelig gevoel in mijn maag.
‘Vind je me niet aardig?’ plaagt hij.
‘Ik ben hier toch.’
Hier denkt hij over na en dan vraagt hij: ‘Heeft je tijd in Italië je gelukkig gemaakt?’
‘In heel veel opzichten.’ Ik denk met liefde aan de momenten die me gemoedsrust hebben gebracht. Het geluid van de treinen. Met die trein door de Italiaanse heuvels rijden. De geur van brood dat ’s ochtends wordt gebakken, op de piazza. De plakken warme polenta die op een plank worden geserveerd. De witte marmeren bergwand in het maanlicht. Smokey als ze opgerold in haar mandje ligt te slapen. Ik wend me tot Angelo. ‘Toen ik het heel zwaar had, sliep ik door de zonsopgang heen, en dat was een vergissing. Ik kon geen vrede vinden in het donker. Toen verhuisde ik naar de piazza, om wakker te worden met het licht.’
Angelo schudt zijn hoofd. Hij blijft naar de weg kijken. ‘Ik verwachtte je niet,’ zegt hij zacht.
Het is een geschenk om onverwacht te zijn, in een leven waarin ik zo mijn best heb gedaan om aan elke verwachting van mij te voldoen. Ik buig opzij en geef Angelo een kus op zijn wang, waarbij ik de zoete geur van sinaasappel en dennen inadem. Angelo Strazza ruikt naar Kerstmis.
Nadat ik hem heb gekust, praten we niet meer. We lijken niets meer te zeggen te hebben.
In de vroege uurtjes van eerste kerstdag is het sereen in Milaan, afgezien van de knarsende banden op het ijs als Angelo de auto parkeert. In de Valle di Scalve, Vilminore en Città Alta sneeuwde het en was het koud, maar in Milaan is het dunne laagje sneeuw van vanochtend alweer weg. We hebben de magie van de feestdagen achtergelaten in de Italiaanse Alpen. Eigenlijk heeft Milaan elk jaar een witte kerst, omdat het gemaakt is van Carrara-marmer. Ik geef een kneepje in Angelo’s hand en bedank hem dat hij me heeft meegenomen naar de berg. Angelo stapt uit, loopt om en doet het portier open. Hij helpt me naar buiten. Ik veeg een paar waterdruppels, van gesmolten sneeuwvlokken, van de schouder van zijn jas.
Angelo pakt mijn hand als we de trap opgaan naar de ingang van zijn huis. Ik hou ervan om mijn hand in de zijne te voelen. Soms denk ik dat het intiemer is om de hand van een man vast te houden dan om hem te zoenen. Hij doet de deur open en we gaan naar binnen. We lopen op onze tenen zijn donkere appartement binnen. Zijn moeder ligt in zijn kamer te slapen; de deur staat op een kiertje en we zien haar in de schaduwen, ze ligt onder de sprei te slapen in het maanlicht dat door het raam valt. Ik druk mijn vinger tegen mijn lippen en loop op mijn tenen de logeerkamer in. Angelo gaat op de slaapbank in de woonkamer slapen. Voordat ik de deur dichtdoe, loop ik terug naar de woonkamer. Ik druk hem stevig tegen me aan. ‘Buon natale.’ Dan laat ik hem los.
‘Voor jou misschien,’ zegt hij.
OUDJAARSAVOND AAN HET COMOMEER
* * *
Ik neem de bus van Bergamo naar Cernobbio en arriveer in mijn eentje bij het Comomeer. Angelo en signora Strazza vroegen me of ik in Milaan wilde blijven, maar drie dagen als gast is lang genoeg. Ik vond het heerlijk om van alles over de stad te horen van twee vrouwen die hem goed kennen. Signora Strazza en ik struinden door de stad met haar beruchte zus, Bette, en daarna kwam Angelo voor het avondeten. Er werd veel gelachen aan tafel, maar Angelo’s gevoelens voor mij waren als laaghangende wolken, dikke mist zonder veel zicht. Eén keer gaf hij onder tafel een kneepje in mijn hand, maar dat was eerder vriendelijk dan romantisch. Ik mag niet klagen, want ík weerde hém af, maar mijn gevoelens zijn verwarrend. Ik wist gewoon dat ik weg moest uit Milaan. Dus reserveerde ik online een hotelkamer. Gelukkig waren er op het laatste moment nog annuleringen, dus ik boekte de kleinste kamer in het beste hotel, Villa d’Este, met uitzicht op het Comomeer. Ik ben blij dat ik alleen ben, hoewel ik overal waar ik ga gelukkige stelletjes en gezinnen zie, terwijl ik had gehoopt het nieuwe jaar te beginnen zonder herinneringen aan alles wat ik heb achtergelaten. Wat is oudjaarsavond zonder spijt? Arrangiarni.
Al sinds mijn studie wil ik Cernobbio bezoeken. Villa d’Este is een barok palazzo. Fantastische timpanen en sierlijsten omlijnen zonnebloemkleurige muren, binnen bieden statige bogen toegang tot marmeren gangen en trappen. Er zijn terrastuinen in de heuvel gemaakt en er zijn koninklijke beeldhouwwerken die uitkijken over het Comomeer, dat bekendstaat om zijn donkerblauwe water.
De meren in Toscane en Lombardije hebben de kleur van die blauwe Oost-Indische inkt. De Italiaanse luchten hebben elke kleur die ze maar willen; de ene keer zijn de wolken suikerspinroze, de andere keer lijken ze Arabescato-marmer met grijze aders of lichtblauwe zijden plooien. Vandaag is de lucht gerimpeld door wolken die net een streng witte wol lijken, vanaf het meer naar de bergen. Ik ben hier om, net als ooit Caroline van Brunswijk, de eenzaamheid op te zoeken aan de oever van het Comomeer tijdens een koud oud en nieuw-weekend, waar ik warmte zal vinden in de bladzijden van een goed boek. Ik heb Een kamer met uitzicht nog niet voor de tweede keer uit, en ik kan geen beter gezelschap bedenken voor een koude winterfeestdag in Italië.
Klassieke Italiaanse kunstwerken en renaissance-architectuur werden bijna altijd gecreëerd na een opdracht van de Katholieke Kerk. Villa d’Este verschilt daar in niets van; het werd vijf eeuwen geleden gebouwd als onderkomen voor de kardinaal van Como en werd daarna bewoond door een koninklijke familie, het is verkocht aan diverse privéfamilies en is nu een hotel voor mensen zoals ik, die zich graag willen onderdompelen in de geschiedenis waarvan de kamers zijn doortrokken en die met elkaar verbonden zijn door barokke marmeren trappen en brede, glinsterende vloeren. Op het buitenterrein zal ik door de winterkale tuinen wandelen, ontworpen om de tuinen van Tivoli en de Villa Hadriana naar de kroon te steken. Al voordat ik er een voet in heb gezet, weet ik dat ze mijn toevluchtsoord zullen worden. Ik word verliefd op het idee van deze solovakantie, een avontuur helemaal in mijn eentje, met alleen mezelf om de schuld te geven als ik geen vreugde vind. Hoe zou dat kunnen geburen? Sneeuwvlokken fladderen door de lucht als ik het hotel weer binnenloop, ze bestrooien de oever van het meer met glitter.
* * *
Ik sluit me aan bij een groep in de lobby om naar de kloof Orrido di Bellano te gaan. Sinds ik Stendhals reis door Italië had bestudeerd, wilde ik de schitterende watervallen zien die in het meer uitkomen.
Blijkbaar ben ik niet de enige. In het busje is iedereen enthousiast over de trip. Ik doe mijn best het Frans te begrijpen (wat ik na drie jaar middelbare school toch zou moeten kunnen spreken) en dan krijg ik een berichtje.
FARAH: Ik wil je een foto sturen.
JESS: Leuk! Hoe is het in Londen?
FARAH: Ik ben niet in Londen.
JESS: Dove? Waar dan?
FARAH: Ik heb je advies opgevolgd.
* * *
Er verschijnt een foto van Farah en een oudere vrouw, die allebei glimlachen en hun armen om elkaar hebben geslagen.
FARAH: Mama en ik.
JESS: Wat ziet ze er blij uit!
FARAH: Het is niet makkelijk voor haar.
JESS: Maar jullie komen eruit?
FARAH: Mama zei: ik hield van mijn zoon en nu hou ik van mijn dochter.
JESS: Bellissima!
* * *
Als Farahs traditionele moeder haar dochter kan accepteren, is er misschien nog hoop voor Philomena Baratta en mij. Ik kom in de verleiding om mijn moeder een berichtje te sturen, maar richt mijn aandacht dan op de gids, die uitlegt wat we gaan doen.
Het busje slaat af naar de weg die om het Comomeer heen loopt. De eilandjes in het midden van het vredige meer liggen als smaragden in het blauw. Ik stap samen met drie Duitsers, twee Franse dames en een Siciliaans koppel op huwelijksreis uit het busje. Het is zo koud dat we een muts opzetten en handschoenen aantrekken terwijl we achter de gids aan lopen. Ik ben blij dat er in mijn groepje zo veel talen worden gesproken dat ik niet hoef te praten. Vandaag wil ik zíén.
We lopen in een rijtje achter de gids aan het winterse bos in. Ik adem de pittige geur van de dennen en groene frisse ceder in. Uiteindelijk belanden we tussen twee hoog optorenende stenen bogen, die glad zijn geworden door het water en de tijd. Als we eronderdoor lopen horen we het oorverdovende gebrul van de waterval die zich over de stenen wand stort. Er stromen zilveren linten van water vanaf de top, die zo hoog boven ons is dat het begin verborgen wordt door de wolken.
Terwijl we omhooglopen naar de hangbrug, die zich tussen twee stenen formaties uitstrekt, wil ik omkeren. Ik denk niet dat ik de oude brug kan oversteken die slingerend boven de afgrond hangt. Ik heb hoogtevrees, maar heb mijn angst nooit op de proef gesteld. Ik geloofde gewoon dat die bij me hoorde. De gedachte is overweldigend, dus besluit ik om terug te gaan, maar achter me vormen de Duitsers een file zo dicht tegen elkaar aan als een rol muntjes. Ik zit vast. Omdat ik me te veel geneer om een scène te maken en ik te gedwee ben om te vragen of ze me willen doorlaten, verzamel ik al mijn moed. Voordat ik de eerste stap doe, kijk ik stom genoeg naar beneden. Het water onder de waterval is grijs en schuimend en blijkbaar zo diep dat wetenschappers nog steeds het mineralengehalte onderzoeken en voortdurend nieuwe elementen ontdekken.
Ik kijk recht vooruit en zet een stap, en nog een. Ik grijp de touwen zo stevig vast dat ik het leer zowat van mijn handschoenen schaaf, maar ik laat niet los. Het gewicht van de andere toeristen voor me op de brug beïnvloedt me, maar in plaats van tegenwicht te bieden aan het gezwaai, beweeg ik mee met de brug. Een. Twee. Drie. Een. Twee. Drie. In gedachten stof ik de schaatslessen uit mijn jeugd af en beweeg heen en weer om in evenwicht te blijven. Het helpt als ik me voorstel dat ik alles onder controle heb. Al snel bereik ik het platform aan de overkant. Ik ben trots op mijn prestatie als ik bij de groep ga staan. Zodra ik op vaste grond sta, steek ik mijn armen in de lucht. Ik draai een rondje, opgetogen dat ik het heb gehaald. Een Franse dame geeft me een klopje op mijn rug. Met mijn mouw veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Ik wil hier een olympische medaille voor, maar ik zal het moeten doen met een tevreden gevoel over mezelf. Zo voelen astronauten zich waarschijnlijk als ze op de maan wandelen en weer terug op aarde komen om over die ervaring te praten.
Ik neem op ooghoogte de grootsheid van de waterval op. Hij maakt zo veel lawaai dat elk gesprek wordt overstemd. We staan allemaal te glimlachen en te knikken, en weten dat we alleen dit moment en elkaar hebben om ons te herinneren wat we zien. De waterval is zowel krachtig als serena; deze twee waarheden bestaan naast elkaar in dezelfde natuurlijke toestand, en samen zijn ze groter dan mijn doodsangst en waren ze het risico van het oversteken van de oude brug waard.
De andere toeristen hebben hun telefoon in hun hand en maken talloze foto’s van deze pracht. Ik stuur tante Lil een foto van de waterval met dit bericht:
O, tante Lil, ik heb vrede op aarde gevonden.
* * *
Ze stuurt terug:
Je verdient het. Gelukkig nieuwjaar, liefje. Ik hoop je weer eens te zien. Ik hou van je.
* * *
Ik word overspoeld door een golf van schuldgevoel, dus stuur ik dezelfde foto naar mijn zus en broer en hun gezin. Mijn hart voelt zwaar. Zodra ik weer in het busje zit, post ik een foto van de waterval op Instagram en zet erbij: Het uitzicht vanaf het Comomeer. Ik deel hem in de hoop dat mijn familie, die aan de andere kant van de oceaan aan het Amerikaanse Comomeer oud en nieuw vieren, mijn uitzicht op dit meer zien. Dit is mijn denkbeeldige kanonschot confetti, nieuwjaarspret die ik over de Atlantische Oceaan stuur. Dit is een oprechte eerste stap naar heling, die misschien niet naar een tweede leidt, maar op de rand van het nieuwe jaar is mijn hart hoopvol.
Het reisgezelschap en ik stappen uit het busje en worden naar een steiger aan het Comomeer gebracht, waar we aan boord van een boot gaan. Ik ga bij de romp zitten en stop mijn telefoon in mijn zak. Ik ga geen foto’s nemen, ik ga aandachtig rondkijken en me elk detail herinneren. Ik hoef niets vast te leggen, te schetsen of te fotograferen. De kapitein van het bootje, een knappe man van rond de twintig, kijkt me aan en knipoogt. Ik ben oud genoeg om zijn tante te zijn, maar ik lach naar hem terug.
Ik vaar op het Comomeer op een boot die over de blauwe satijnen golven stuitert en bijna zonder rimpeling door het wateroppervlak snijdt. Het is koud, ik heb honger en toch voel ik me vredig. Er is niets anders dan slagroomwolken boven ons hoofd, het water onder ons en de winterse lucht, die zoet naar laurierbes en brandnetel geurt. Het ijskoude water benevelt mijn gezicht. Ik sluit mijn ogen. Dit is wat oom Louie bedoelde toen hij tegen me zei dat ik gelukkig moest zijn. Schenk aandacht aan de momenten waarin je leeft en zoek daarin je plek. Wees tevreden met wat je is toebedeeld. Ik ben een heel klein deeltje van iets prachtigs op dit Italiaanse meer en dat is genoeg.
Een jaar geleden kon ik me niet voorstellen om ver weg op vakantie te gaan en dit jaar ben ik gelukkiger dan ik ooit ben geweest. De boot vaart langs de oever van het Comomeer en de huizen lijken op rijen zoete macarons in pastelkleuren, botergeel, lichtgroen en roze. Het lijkt alsof de wereld zelf als cadeau is ingepakt, alleen voor mij. Ik hoef alleen maar te dromen.
DE ANDERE MICHELANGELO
* * *
De golven van het meer klotsen tegen de oever. Mijn voeten zijn ondergedompeld in het koude water. Ik huiver als ik voel dat een man zijn arm om me heen slaat; al snel word ik omgeven door warmte. Ik word uit het water getild. Ik draai me om en sla mijn armen om zijn nek. Zijn lippen zoeken de mijne. De rondingen van zijn schouders en armen zijn glad en gespierd. Ik leun tegen hem aan; zijn borstkas is breed en krachtig, alsof het hart dat erin zit niet kapot kan. Hij pakt mijn handen vast; de zijne zijn krachtig. Als we zoenen, wil ik hem alles vertellen wat ik voel, maar dit is geen moment om te praten. Hij heeft me hier gevonden en als hij niet was gekomen, was ik hier misschien voor altijd gebleven.
‘Giuseppina, waarom wacht je?’ vraagt hij voordat hij me weer zoent. Zijn lippen zijn zoet; hij kust mijn oor, dan mijn wang. Hij fluistert in mijn oor: ‘Ik hoor bij jou.’
Hij helpt me in een roeibootje met een goudlamé zeil dat opbolt in de nachtelijke wind. De maan verlicht onze baan op het wateroppervlak, de varende boot veroorzaakt nauwelijks een rimpeling in het meer. ‘Kom hier,’ zegt hij. Hij legt de roeispanen neer en trekt me van achteren dicht tegen zich aan, we kijken in het maanlicht uit over het meer. Ik steek mijn hand uit en hij kust mijn hals en slaat zijn armen om me heen. Ik streel zijn handen; het zijn handen van een man die er al zijn hele leven mee werkt. Ze zijn ruw, eeltig en doelgericht, en als hij ze gebruikt vertonen ze een schoonheid die alleen van kracht kan komen. Ik kus zijn handen en verstrengel mijn vingers met de zijne. De boot verdwijnt terwijl we over het water zweven, als een wolk of mist of een teer zijden lapje dat gegrepen wordt door de bries. Ik draai me om zodat ik hem kan zoenen. Zijn mond vindt de mijne.
Ik word opgerold als een croissant wakker op de rand van het bed. Even weet ik niet waar ik ben. De lakens zitten als verband om mijn benen gewikkeld. De kussens zijn op de grond gevallen. Het is ijskoud in de kamer. Ik wurm me onder de lakens en de deken vandaan. Ik ren naar het raam om het dicht te doen.
Een laaghangende maan boven het Comomeer werpt schaduwen over mijn uitzicht op de oever, waar boten in het donker langs de pier dobberen. Het meer achter de oever is een zwarte kuil die golft onder de maan. Waar is hij gebleven? vraag ik me af. Was hij het? De woeste krullen. De lippen. Was het Michelangelo? Was het David? Ik zag geen gezicht. Was het Angelo Strazza? Of was het Bobby Bilancia? Ik kruip terug onder de wol en vind de warmte onder de dekens.
* * *
Ik word wakker met het gekke gevoel dat de droom van vannacht echt was. Ik heb een bewijs nodig dat hij dat niet was, dus ik stap uit bed, doe de gordijnen van mijn hotelkamer open en kijk uit het raam om te zien of de storm die over het Comomeer raasde echt gebeurd is. Opgelucht zie ik de wolken zo donker als houtskool verspreid boven het meer en de natte, kale boomtakken die buiten mijn raam in zilverkleurig ijs gedoopt zijn. Het heeft inderdaad gestormd!
* * *
Ik kleed me aan voor het ontbijt. Ik doe een likje gezichtscrème op, maar merk dat ik vanochtend niet veel nodig heb. Mijn huid straalt van de tocht naar de waterval gisteren, en de spanning die ik in Milaan voelde is verdwenen. Ik doe roze lipgloss op en kijk tevreden in de spiegel. Ik ben klaar voor alles wat de wereld me voorlegt. Ik heb het gevoel dat ik ergens naar uitkijk, om geen andere reden dan dat het bijna nieuwjaar is en dat dat verbonden is aan hoop. Het ongeschrevene heeft alle macht. Dus ik ga geen koffie en broodje to go pakken, maar ben van plan om in mijn eentje in een mooi hoekje van de eetzaal onder de ramen te gaan zitten en van het uitzicht te genieten met mijn ontbijt en een boek. Eten en lezen, een perfect koppel. De ultieme romance! Het is heel erg Lucy Honeychurch uit Een kamer met uitzicht. Ik zal de heldin in mijn eigen boek zijn, in elk geval vanochtend.
Ik loop de imposante marmeren trap af en stel mezelf voor in een lange mantel van brokaat over een wijd uitstaande hoepelrok. Ik loop door de lobby naar het tuinpaviljoen, waar het ontbijt wordt geserveerd. Ik ben bijna bij de lessenaar waarachter de ober staat als ik een vleug frisse pepermuntgeur inadem en mijn naam hoor.
Bobby Bilancia komt voor me staan.
‘Bobby.’ Ik ben in de war. Bobby Bilancia bij het Comomeer? Hoe is hij hier gekomen? Waarom is hij hier? Mijn gedachten zijn nog beneveld van de droom van vannacht en ik heb nog geen koffie gehad, dus ik twijfel aan mijn oordeelsvermogen. Maar Bobby is hier echt. Ik ben blij om hem te zien, iemand van thuis die ik ken, van wie ik heb gehouden, en die mij kent. Mijn eerste ingeving is om mijn armen om hem heen te slaan, dus dat doe ik. Daar is het. Nog meer pepermunt.
‘Ik wilde je niet laten schrikken,’ zegt Bobby, die zijn armen ook om mij heen slaat.
‘Dat deed je ook niet. Het verbaast me dat je –’ Voordat ik mijn zin kan afmaken, onderbreekt hij me.
‘Ik moest je zien.’
‘Is er iets? Iets met je vader of moeder? De familie? Mijn familie?’ Bobby Bilancia is zo’n man die een tandenborstel inpakt voor een vergadering in Avon-by-the-Sea. Hij zou nooit een oceaan oversteken als hij geen belangrijk nieuws had.
‘Het gaat goed met iedereen. Niks aan de hand,’ zegt hij.
Bobby houdt de zwartleren tas vast, die ik hem na een middag twijfelen in een winkeltje in Greenwich Village als huwelijkscadeau heb gegeven. Bobby zorgt goed voor zijn spullen, dus ik vond het niet erg om me hieraan te buiten te gaan. Hij nam hem mee naar Las Vegas op onze huwelijksreis. De tas ziet eruit als nieuw, hij is nog net zo soepel en glanzend als de dag waarop ik hem kocht. Bobby draagt een spijkerbroek, een wit button-down overhemd en een donkerblauw wollen bomberjack dat hij al sinds de middelbare school heeft. Toen we getrouwd waren leende ik af en toe als het koud was zijn jack en liep er dan de hele dag mee rond, ruikend als een zuurstok. ‘Je ziet er goed uit, Bobby Bilancia.’
‘Jij ook.’
Ik wilde dat ik iets meer had opgedaan dan lipgloss, maar dan herinner ik me dat ik het niet nodig had. Het maakt trouwens niet uit, hij heeft me met minder gezien. ‘Zullen we gaan ontbijten?’
Bobby en ik waren het altijd eens over eten. Een van ons had altijd honger en dan at de ander mee om degene die uitgehongerd was gezelschap te houden. We gaan aan een tafeltje voor twee aan het raam van het hotel-restaurant zitten, met uitzicht over het meer. Ik leg het boek dat ik wilde lezen onder de stoel.
De serveerster zet een mandje cornetti op tafel, warme, luchtige croissants vers uit de oven. Ze brengt ons een kristallen kommetje met aardbeien marmellata met een piepklein gouden lepeltje, naast een zachte gele bal burro. De kelner, een goedverzorgde Italiaanse man met een snor, ongeveer even oud als mijn vader, brengt ons een pot koffie, twee kopjes en een kannetje verse melk. De suiker staat al op tafel.
‘Dus dit is het Italiaanse Comomeer,’ zegt Bobby, die uitkijkt over het meer. ‘Wat is het groot.’
‘Maf, hè? Ik dacht dat ons eigen Comomeer groot was, tot ik dit zag.’
‘Er is niks mis met ons meer thuis.’ Bobby glimlacht.
‘Helemaal niks.’ Ik vouw het servet open en leg het op mijn schoot. ‘Hoe heb je me gevonden?’
‘Je broer gaf me je adres in Carrara. Je moet niet boos op hem worden; ik zei tegen hem dat ik je een kerstcadeautje wilde sturen.’
‘En jij bent het cadeau.’
‘Zoiets.’ Bobby bloost. Hij schenkt een kop koffie voor mij en voor zichzelf in.
Wat zou het cadeau nog meer zijn? Bobby is niet iemand die verrassingen organiseert en ik merk dat hij liever uitgenodigd zou zijn door mij in plaats van gewoon op te duiken in Italië. Mijn hart smelt voor hem. Ik weet hoeveel moeite hij heeft gedaan om hiernaartoe te vliegen, want ik was degene in ons huwelijk die alle plannen maakte. Ik reageerde op de uitnodigingen en zette ze op de kalender. Ik kocht de cadeautjes en zorgde ervoor dat Bobby’s overhemden en broeken gestreken waren en zijn schoenen gepoetst. Ik kan me niet herinneren dat Bobby ooit zelfstandig plannen maakte zonder iemands input. Blijkbaar ben ik niet de enige die aan het veranderen is.
‘Laat het me uitleggen,’ zegt hij. ‘Eerst ging ik naar Carrara. Maar daar was je niet. Het appartementencomplex waar je woonde zat potdicht, ik kon niet eens door het hek komen om een briefje achter te laten. Dus begon ik rond te vragen en de mensen aan de piazza waren erg behulpzaam. Ik ging winkels in en stelde vragen. Ze houden van je. Ze zeiden dat je buiten zit te tekenen. Je bent zo’n beetje de stadskunstenaar.’
‘Zeiden ze dat?’
Bobby knikt. ‘Ik zei dat ontwerpen je werk is, maar blijkbaar dachten ze dat dat niet klopte. Ze denken dat je een soort Picasso bent of zo.’
‘Zeiden ze dat echt?’
‘Echt.’ Bobby doet heel veel melk in zijn koffie. ‘Een man in een winkel stuurde me naar het café. Signora LeDonne vertelde me dat je aan het Comomeer was. Ze zei dat ze op je kat paste?’
‘Ja, ik heb een kitten geadopteerd. Ze heet Smokey.’
‘Je weet toch dat ik allergisch ben?’
‘Ja. Maar je mist echt wat.’
‘Ik zou alleen de galbulten missen,’ zegt Bobby grappend, voordat hij bezorgd kijkt. ‘Huil je nou?’
Ik bet mijn ooghoeken. ‘Ik ben gewoon gelukkig. Ik hoor hier.’
‘Je hoort in Lake Como, New Jersey. Je bent een van ons, en iedereen mist je.’
‘Dat is grappig. Ik dacht dat niemand me zou missen.’
‘Ben je helemaal naar Italië gekomen om te zien of je je kon aanpassen aan nieuwe mensen?’
‘Deels. Misschien. Ik weet het niet. Bobby, waarom ben jij hier?’
‘Ik denk dat ik moet begrijpen wat er met ons gebeurd is. We zijn maanden verder en ik snap het nog steeds niet, en ik kan pas verder als ik het begrijp.’
‘We hadden een paar jaar om alles op een rijtje te zetten.’
‘Dat idee had ik niet. Als ik op die tijd terugkijk, zie ik dat ik alles deed wat jij van me wilde omdat je zo veel verdriet had. Het afgelopen jaar heb ik daarover nagedacht. En ik had in het vliegtuig tijd om na te denken.’
‘Heb je gehuild?’
‘Bijna. Ik snap het wel. Mensen flippen omdat ze vastzitten in een vliegend blik over de Atlantische Oceaan. Dat is genoeg om iedereen aan het huilen te maken,’ zegt Bobby.
We moeten lachen.
‘Jess, ik denk dat ik het niet hard genoeg heb geprobeerd. Weet je, ik ben een harde werker. Ik deins er niet voor terug. Maar van ons begreep ik geen snars. Ik had geen idee wat ik moest doen toen het ergste gebeurde, en ik wist niet hoe ik je moest troosten. Dat knaagde aan me. Die man wil ik niet zijn. Degene die de benen neemt als het lastig wordt.’
‘Ik liet je niet toe omdat ik niet wist hoe.’
‘Ik had vriendelijker tegen je moeten zijn,’ zegt Bobby. ‘Geduldiger.’
‘Je deed het goed. Je ging zo goed met de situatie om als je kon. Ik begrijp het.’ Ik had niet veel over Bobby’s gevoelens nagedacht in de afgelopen twee jaar, omdat ik bezig was die van mij te ontwarren. Zijn verdriet is net zo diep als dat van mij. ‘Ik hoop dat je aan het daten bent.’
‘Niet serieus.’ Bobby bloost. ‘En als ik een date had, was dat omdat ik probeerde jou te vergeten.’
Probeerde? Betekent dat dat het hem niet gelukt is? Eindelijk komen we ergens. Weg van Lake Como kunnen we eerlijk zijn tegen elkaar. Dit betekent het dus om afstand te nemen. De waarheid is onontbeerlijk voor vergeving. We kunnen elkaar pas vergeven als we het erover eens zijn waarom we überhaupt uit elkaar zijn gegaan.
Ik smeer een dikke laag verse boter op de warme cornetto als Angelo Strazza de eetzaal binnenkomt. Ik laat het mes vallen als hij me in de ogen kijkt. Angelo fronst als hij ziet dat ik samen met Bobby aan een tafeltje zit. Er trekt een verbaasde blik over zijn gezicht.
Wat gebeurt hier, denk ik als hij door de zaal heen naar ons toe beent. Aan Angelo’s gezichtsuitdrukking is te zien dat hij hetzelfde denkt.
‘Ciao, Giuseppina,’ zegt Angelo. ‘Wie is dit?’ Angelo knikt naar Bobby.
‘Wie ben jij?’ vraagt Bobby.
Angelo negeert hem. ‘Wat is dit?’ Angelo spreidt zijn handen als waaiers naar Bobby alsof hij een kaartspel deelt.
Bobby gaat rechtop zitten; hij blaast zijn borstkas op, als een baviaan op Animal Planet wanneer zijn nest wordt aangevallen. ‘Die toon staat me niet aan. Ken je deze vent?’ Bobby wijst met zijn duim naar Angelo.
‘Ja, dit is Angelo Strazza. Uit Carrara,’ leg ik uit.
‘Wat is hier aan de hand?’ vraagt Angelo, die iets harder gaat praten.
‘Schreeuw niet tegen haar,’ zegt Bobby.
‘Dit is Bobby Bilancia, mijn ex-man,’ zeg ik zacht tegen Angelo.
Angelo neemt hem op. Waar Bobby Bilancia ter wereld ook is, hij brengt mensen het hoofd op hol. Zijn vibe is prins op het witte paard, klaar om zijn innamorata van de grond te tillen en weg te rijden naar de bergen om op een bed rozen de liefde te bedrijven bij een kampvuur. Ik zie dat Bobby’s sterkte en persoonlijkheid net zo krachtig zijn buiten de stadsgrenzen van Lake Como als daarbinnen.
‘Dus dit was je de hele tijd al van plan. Kerstmis in Milaan met mij, oud en nieuw aan het Comomeer met je ex-man,’ zegt Angelo.
Bobby staat op. ‘Heb je Kerstmis met hem doorgebracht?’ Bobby maakt weer dat gebaar met zijn duim.
‘We zijn niet meer bij elkaar,’ breng ik hem in herinnering. ‘Ik kan kerst vieren waar ik wil.’
‘Wat voor vrouw ben jij?’ Angelo verheft zijn stem.
‘Blijkbaar verdeel ik mijn feestdagen graag.’ Het grapje slaat dood, het lijkt wel een rauwe gehaktbal die in een pan jus valt en alles bespat. ‘Kom op, jongens.’ Ik probeer ze wat te kalmeren.
Ik heb Bobby Bilancia nog nooit iemand zien slaan, maar ik heb het idee dat hij op het punt staat. ‘Bobby, ga alsjeblieft zitten. Je begrijpt het niet.’
‘Heb je iets met die vent?’ vraagt Bobby.
Ik geef geen antwoord, evenmin als Angelo, wat ik interessant zou vinden als ik me er geen zorgen om maakte dat Bobby hem elk moment een klap kan verkopen.
Bobby heft zijn handen. ‘Dit verandert alles. Hebben jullie iets met elkaar?’
‘Nee,’ benadruk ik.
‘Heb je iets met hem?’ Angelo wijst naar Bobby.
‘Nee.’
‘Ik geloof je niet. Blijkbaar was je nog niet aan een nieuwe relatie toe, je zit nog in een oude,’ zegt Angelo vlak. ‘Je hebt me niet de waarheid verteld.’
‘Zeg je nou dat ze heeft gelogen?’ Bobby gaat uit zijn plaat tegen Angelo. Ik zou het grappig vinden als Bobby niet zo kwaad was.
Ik wend me tot Angelo. ‘Meen je dat nou? Dalia en jij zijn net uit elkaar. Ik heb je altijd de waarheid verteld.’
‘Jess, dit moet je aan iemand uitleggen,’ zegt Bobby.
Conor en Gaetano komen de eetzaal binnen. Er verschijnt een brede glimlach op Conors gezicht als hij me ziet. De mannen komen bij ons aan het tafeltje staan.
Conor klapt in zijn handen. ‘Mooi. Jullie hebben elkaar gevonden.’ Zijn glimlach verdwijnt als hij tegen de muur van spanning op loopt. ‘Misschien niet zo mooi?’
‘Wie is hij?’ vraagt Bobby.
‘Conor Kerrigan. En dit is Gaetano,’ zegt Conor vriendelijk.
‘Ze hebben iets met elkaar,’ zeg ik tegen Bobby.
‘Dat vertel ik meestal niet meteen, maar gelukkig nieuwjaar,’ zegt Conor en hij geeft Bobby een hand.
De ober komt bij ons staan, hij ziet er nerveus uit. ‘Is alles in orde? Cornetti? Marmellata? Caffè?’ Hij ratelt de dingen op de menukaart op alsof hij wapens verkoopt.
‘Nee, dank u,’ zegt Angelo.
‘Graag,’ zegt Conor, die een stoel bijtrekt van een andere tafel. Hij knikt naar Gaetano dat hij hetzelfde moet doen. ‘Ga zitten, Angelo. Je zei dat je rammelde van de honger.’
‘Ik ga ervandoor,’ antwoordt Angelo.
‘Doe niet zo raar, blijf lekker ontbijten,’ opper ik.
‘Ik heb geen honger.’
‘Dan loop ik even met je mee.’ Ik sta op.
‘Ook zonder jou kan ik de deur wel vinden,’ zegt hij.
‘Of ik laat hem je zien,’ zegt Bobby kortaf.
‘Ik zou je heel graag buiten treffen,’ zegt Angelo zacht tegen Bobby.
‘Jongens, toe nou. We zijn een paar kilometer van de Zwitserse grens vandaan. Zullen we het neutraal houden? Ga zitten. Neem een croissant.’ Conor scheurt er een in tweeën en biedt de helft aan Gaetano aan. ‘Mangia!’
‘De meeste ruzies ontstaan als mensen honger hebben.’ Gaetano neemt een hapje van de cornetto. ‘Dat is iets Italiaans.’
Angelo Strazza stormt weg.
‘Sorry, Jess,’ zegt Conor, en hij controleert of Angelo echt weg is. ‘Hij is jaloers.’
‘Waarop?’ Ik sla mijn armen over elkaar.
‘Dat zal ik niet als belediging opvatten,’ zegt Bobby.
‘Zo bedoelde ik het niet. Hij en ik zijn bevriend.’ Een van de voordelen van vierendertig jaar oud zijn is dat je weet dat het een slecht idee is om met je ex-man te praten over daten met een nieuwe man.
‘O, jee.’ Conor doorzoekt zijn zakken. ‘Ik heb de autosleutels.’ Hij gaat Angelo zoeken.
‘Wat doen jullie hier?’ vraag ik Gaetano.
‘We zijn op weg om te gaan skiën in Cortina,’ zegt hij.
Conor komt terug naar het tafeltje. ‘Klaar. Hij rijdt terug naar Milaan. Ik vind het allemaal heel akelig. Ik had zijn temperament nog nooit gezien.’
‘Blijkbaar heeft hij bepaalde gevoelens.’ Gaetano haalt zijn schouders op.
‘Hoe komen jullie nou in Cortina?’
‘Met de trein,’ antwoordt Conor. ‘Het was Angelo’s idee om via Cernobbio te gaan. Hij was bang dat je alleen was met nieuwjaar.’
‘Nou, dat is ze niet,’ komt Bobby tussenbeide. Hij gebaart naar de serveerster dat ze meer koffie moet brengen. Conor kijkt me aan en mimet: wauw.
VILLA FORTUNA
* * *
Bobby en ik eten – wat anders? – macaroni als avondeten. Als Italianen uit New Jersey een probleem hebben, lossen ze het op bij een maaltijd vol koolhydraten. In Villa d’Este wordt een boterachtige pasta geserveerd, met een lichte roomsaus met geschaafde truffels. Hoe kan één bord pasta een samenvatting geven van mijn hele leven in Italië? Maar dat doet het wel. Ik vertel Bobby over de truffeljacht in Siena.
‘Daar zou ik van hebben genoten,’ zegt hij.
Ik ken mijn ex-man goed genoeg om te weten dat hij na elke maaltijd gaat wandelen. We lopen over het pad langs de oever van het meer. Het donkerblauwe oppervlak van het Comomeer is roerloos, afgezien van de ene speedboot die een spoor wit schuim achterlaat, dat een naad naar het midden van het meer vormt.
‘Wat ga je hier doen?’ vraag ik Bobby.
‘Dat weet ik niet.’
Hij neemt me in zijn armen en houdt me lange tijd vast. Dan zoent hij me; de vertrouwde manier waarop onze gezichten passen en onze lippen aanvoelen is troostend. Maar de vonk ontbreekt. De vonk waardoor ik überhaupt met Bobby getrouwd was.
‘Fijne trouwdag,’ fluistert hij. ‘Vijf jaar geleden waren we op huwelijksreis in Vegas. Weet je nog?’
Ik had er niet eens aan gedacht. Het is de hele dag nog niet in me opgekomen, ook niet in de dagen voorafgaand aan oud en nieuw. ‘Wat krijg je cadeau als je vier jaar getrouwd bent en twee jaar gescheiden?’ vraag ik terwijl hij me stevig vasthoudt.
‘Hout?’
‘Nee.’
‘Ovenwanten?’ zegt hij als grapje.
‘Nee. Verdriet.’ Ik geloof in elk geval dat het dat is voor Bobby Bilancia en mij. Een lang verleden betekent meer herinneringen dan een hart kan bevatten en de pijn als je ze moet loslaten.
‘Zouden we het weer moeten proberen?’ vraagt Bobby terwijl hij mijn hals kust.
Ik moet nadenken. Verdriet blijkt een knoopje te zijn in de gouden ketting die je niet met de dunste naald kunt ontwaren. Verdriet betekent dat we het hebben geprobeerd, dat het ons niet is gelukt en dat we de hoop verloren zijn. Maar alleen door vergeving kunnen we de pijn loslaten. Wat Bobby en mij betreft, betekent dit dat we elkaar moeten loslaten.
‘Een nieuw jaar? Een nieuwe ons?’ oppert Bobby zwakjes, alsof hij er niet van overtuigd is dat hij het meent.
Mijn hart doet pijn voor Bobby. Hij is helemaal hierheen gekomen, wat niet makkelijk voor hem was. Hij vindt het heerlijk om thuis te zijn in New Jersey. Hij gelooft dat hij hier is om me terug te winnen en hij heeft die hele afstand afgelegd om te kijken of het misschien zou lukken. Als ik Bobby gelukkig wilde maken, zou ik nu naar hem teruggaan, maar ik weet dat het niet zou werken, ook al zou ik dat doen.
‘Wil je me vergeven?’ Ik pak zijn hand.
‘Als jij mij vergeeft,’ zegt hij zacht. Bobby heeft me net op tijd vergeven om een nieuw jaar te beginnen.
‘We zullen altijd familie zijn,’ zegt Bobby, die zijn woorden weegt alsof het stukken vlees zijn.
Ik knik. ‘Onze liefde is groter dan getrouwd zijn.’
‘Ik dacht altijd dat een huwelijk de grootste liefde was,’ zegt Bobby, die me loslaat.
Bobby kent mijn verleden, helemaal, en ik ken dat van hem. ‘Bobby, dit is net zoiets als de kerstviering op school.’
‘Wat bedoel je?’
‘Jij speelde toen Jozef. Weet je nog? Je moeder was de staf voor je kostuum vergeten, dus wikkelde ze op het laatste moment de golfclub van je vader in een lap jute als vervanger voor een echte staf. Je moest hem ondersteboven vasthouden. Weet je nog?’
Er verschijnt een blik van herkenning op Bobby’s gezicht. ‘Dat was de lievelingsputter van papa.’
‘Die putter mag Jozefs staf dan hebben vervangen, maar uiteindelijk was het gewoon een putter. Het was helemaal geen staf. Snap je? Ons huwelijk was een putter. Het was een vervanging voor het echte.’
Bobby knikt nadenkend. Ik pak zijn handen vast.
‘We wilden dat het zou lukken omdat we ervan overtuigd waren dat we daarvoor konden zorgen. Maar het is niet gelukt. Je bent een goede man en je was een fantastische echtgenoot. Maar ik wil dat je gelukkig bent, meer dan ik wilde dat ons huwelijk goed zou uitpakken. In Italië heb ik iets geleerd. Dat heet de kunst van het mogelijke. Liefde wacht ons allebei.’
Bobby denkt na over wat de toekomst voor ons in petto heeft. Net zoals Bobby moet wandelen na een maaltijd, blijft hij niet lang op een plek als hij ook gelukkig kan zijn thuis. We lopen rond het Comomeer tot de maan door de wolken komt en ons pad terug naar het hotel verlicht. Bobby en ik hadden ons huwelijk nooit goed beëindigd, als dat überhaupt bestaat. Deze keer gingen we niet aan onze gevoelens voorbij; we accepteerden ze en in plaats van ze oppervlakkig te voelen, doorvoelden we het afscheid, net zoals we elkaar hadden omhelsd toen we verliefd werden. Elke stap om het Comomeer heen was een stap in de richting van onze toekomst. Afzonderlijk.
* * *
Ik neem samen met Bobby de trein terug naar Milaan voor zijn retourvlucht. Hoewel ik blij was om hem in Italië te zien, ben ik ook blij om hem te zien vertrekken. Ik wil alleen zijn om mijn doelen te plannen. Geen goede voornemens, alleen acceptatie van de harde lessen die de basis zullen vormen van mijn nieuwe leven, waardoor ik hopelijk mijn zicht op alles wat belangrijk is zal verbreden.
Met dezelfde trein rijd ik terug naar het hotel Villa d’Este aan het Comomeer, waar ik de imposante marmeren trap naar de eerste verdieping op loop en de deur van mijn kamer achter me dichtdoe. Ik trek de gordijnen open en maak ze vast. Ik doe de balkondeuren open. Ik hoor het meer waarvan de golven tegen de oever klotsen, maar in het donker zie ik alleen de fonkeling van lampen uit de huizen aan de verre oever. Binnenkort is Bobby weer thuis in Lake Como, waar we kanoden en de eendjes voerden, de plek waar we opgroeiden, verliefd op elkaar werden en uit elkaar gingen. Ik trek mijn pyjama aan en pak mijn boek. Ik ga onder het luchtige donsdekbed liggen en nestel me in de kussens. Ik lees mezelf in slaap.
Als ik de volgende ochtend wakker word, ligt Een kamer met uitzicht open naast mijn kussen. Ik heb niet gedroomd, dat herinner ik me althans niet. Geen drama, geen verwarring, alleen een vredig gevoel. Ik kleed me aan, pak mijn boek en stop de sleutel in mijn zak.
Als ik uit de lift stap, volg ik de geur van verse koffie naar de eetzaal. De ober ziet me en brengt me naar het tafeltje bij het raam. Hij zet een mandje warme cornetti, marmellata, koffie en melk op tafel. Voor één persoon. De suiker staat er al. In het nieuwe jaar staat geluk op de menukaart, dus ik pak mijn telefoon en stuur Angelo een berichtje.
Ik mis je.