Hoofdstuk 23: Surprise, surprise - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
De gasten zwijgen bij de eerste aanblik van de mannen. Mauro LaFortezzo loopt voorop, in een goed gesneden blazer, een stropdas en een pantalon. Angelo Strazza komt achter hem aan het huis binnen in een maatpak, zijn stropdas heeft hij losgemaakt. Als je een man uit zijn natuurlijke omgeving haalt en hem in een andere omgeving plaatst, gaat hij soms als een nachtkaars uit. Angelo niet. Er is zojuist een gouden Toscaanse munt binnengerold. Bij de aanblik van hem trekt er een steek van verlangen door de lendenen van elke vrouw in de kamer. Je hoort het elastiek van hun corrigerende ondergoed en bh petsen als ze de kledingstukken rechttrekken om op hun best te zijn voor die knappe onbekenden. In Bilancialand staan nieuwelingen bekend als vers vlees.
En ik? Ik heb het gevoel dat ik uit mijn lichaam treed, een combinatie van déjà vu en kalmte. Beide kanten van mijn familie en onze vrienden en buren trekken zich terug als eb op het strand van Lake Como, om ruimte te maken zodat ze naar de vreemdelingen kunnen lonken.
‘Is Giuseppina hier?’ vraagt Angelo, die uitkijkt over de menigte.
‘Ze staat bij de koffiekan,’ antwoordt mijn moeder met luide stem. ‘En wie mogen jullie zijn?’ vraagt ze achterdochtig.
‘Angelo Strazza.’ Hij steekt zijn hand naar haar uit. ‘En wie bent u, signora?’
‘Ik ben haar moeder.’ Mama schudt Angelo’s hand. ‘En dit is?’ Ze geeft een knikje naar Mauro.
Ik baan me een weg tussen de gasten door, maar ik ben niet snel genoeg bij mijn moeder.
‘Ik ben Mauro LaFortezzo. Ik ben uw neef.’
Een tweede stilte daalt neer over de menigte, alsof er een zeil over de mensen heen is gegooid en ze langzaam stikken onder het gewicht ervan. In mijn familie hebben we geen onbekende familieleden. We hoeven niet in een bekertje te spugen en dat naar een laboratorium in Texas te sturen om te weten aan wie we verwant zijn, we herkennen ons DNA op vijftien meter afstand als een zwaailicht van een politieauto midden in de nacht op de snelweg. We identificeren onze mensen aan de hand van hun voorkomen. We kijken naar schouderbreedte, een hoog middel, lage heupen, krachtige maar robuuste benen, mooie handen en een achterdochtige aard als bewijs van onze bloedband.
‘Joe?’ Mijn moeder roept haar man. ‘Er is hier een man voor je van de Baratta-kant. Hij zegt dat hij onze neef is.’
‘Waarom zou hij een Baratta zijn?’ Mijn vader heeft de uitwisseling gehoord.
‘Jullie horen bij die groep in Toronto,’ zegt mama tegen Mauro terwijl ze zich dwingt tot een glimlach en zich dan tot papa wendt. ‘Jouw mensen in het noorden.’ Ze knipt met haar vingers. ‘Je weet wel wie ik bedoel.’
‘De Roccafortes?’
‘O ja, de Roccafortes. Die opgeblazen neven en nichten van je. Fysiek zwaar bedoel ik, geen blaaskaken, hoewel een paar daar wel toe neigen.’ Mijn moeder praat tegen mijn vader alsof er niemand anders in de kamer is. Ze gaat verder. ‘Wie weet waar de Baratta’s allemaal nog familie hebben zitten? In jouw familie duikt er af en toe een loslopend familielid op. Zoals die neef in Philly. Pasquale?’
‘Patsy. Hij loopt niet los,’ werpt mijn vader tegen. ‘We hebben gewoon geen hechte band.’
‘Ik denk niet dat deze knul uit Pennsylvania komt.’ Mijn moeder trekt haar conclusie terwijl ze Mauro van top tot teen opneemt. ‘Hij heeft een Italiaans accent dat zo zwaar is als lood.’
‘Signora, u begrijpt het niet. Ik ben familie van u, aan de Capodimonte-kant,’ zegt Mauro.
‘Ik zou niet weten hoe,’ zegt mijn moeder dramatisch. ‘Mijn broer en zijn vrouw, mogen ze rusten in vrede, hadden geen kinderen. We hebben haar vanochtend begraven.’
Ik heb eindelijk mijn moeder bereikt nadat ik drie Sodaliteitsleden opzij heb geduwd; gelukkig zijn ze aangeschoten en buigen ze mee als pluimen in de wind. ‘Mam, we moeten even praten.’
‘Nu wil je praten? Na maanden in het buitenland ben je eraan toe om te praten? Nou, Giuseppina, raad eens? We zijn in de rouw. Ik heb geen zin om te praten.’
‘Mam.’
‘De blik op je gezicht voorspelt niet veel goeds. Joe?’ Ze kijkt naar mijn vader. ‘Giuseppina is lijkbleek. Ze ziet er wanhopig uit. Moet je haar zien.’
‘Heb je een zak nodig?’ vraagt pap.
‘Eet iets,’ zegt Connie nerveus. ‘Krabhapje?’ Ze schuift het dienblad onder mijn neus.
‘Heb je het haar niet verteld?’ Mauro kijkt me aan.
‘Ik heb er nog geen kans voor gehad.’
‘Ah.’ Mauro knikt langzaam.
Ik wend me tot Angelo.
Voordat ik hem kan begroeten, zegt Angelo: ‘Je was vertrokken zonder afscheid te nemen.’
‘Mijn tante was plotseling overleden.’
‘Geen briefje? Geen appje? Geen telefoontje?’ zegt hij zacht.
De vrouwen zuchten instemmend mee met Angelo. Ik negeer ze.
‘Ik heb Smokey bij je moeder gelaten.’
‘Je hebt haar ook niet verteld waar je naartoe ging.’
‘Wie is Smokey?’ Mijn moeder wuift zichzelf koelte toe met een stapeltje papieren servetjes. Ze draait me de rug toe en kijkt Angelo aan. ‘En waarvan ken jij mijn dochter?’
Ik houd mijn blik op Angelo gericht. ‘Ik heb een regel. Ik breng geen overlijdensbericht via de telefoon. Heeft Conor je niet gebeld?’
Dan komen Conor en Gaetano binnen.
‘Ik heb in Weehawken geparkeerd,’ moppert Conor. ‘Mensen, als er meer dan vijftig mensen op je feestje komen, moet je een parkeerhulp hebben. Dat is de regel in Jersey.’
‘Wie zijn dat allemaal?’ roept mijn moeder. ‘Ze vermenigvuldigen zich in mijn huis als konijnen. Deze lunch is alleen op uitnodiging. En er is genoeg parkeerplek aan de kant van het meer,’ zegt ze verdedigend tegen Conor.
‘Jemig, Phil. Er is eten zat. Er staan twee dozen krabhapjes in de keuken. Jullie zijn allemaal welkom,’ zegt papa tegen onze gasten.
‘Je moet je apps beantwoorden,’ zegt Angelo tegen me alsof niet heel Lake Como meeluistert. ‘Kom je terug naar Italië?’
‘Ze heeft nog geen beslissing genomen,’ zegt mijn moeder luid. ‘Zie je niet dat we hier in crisis zijn?’ Ze wendt zich tot haar vriendinnen van de Soladiteit en mimet: het lef!
De gasten gaan dichter bij de Italianen van de overkant staan en maken een formatie. Ze haken hun armen door elkaar alsof ze staan te wachten op de opmaat voor een Apuliaanse volksdans waarbij ze met droogdoeken de maat slaan.
‘Is dat waar?’ Angelo kijkt naar me. ‘Kom je niet terug?’
‘Wie ben je ook alweer?’ vraagt mijn moeder aan Angelo. ‘We kennen je helemaal niet.’
‘Dit is Angelo Strazza. Hij is kunstenaar.’
‘Die vent met die stomme uitspraak over traditie?’ sneert mijn moeder.
‘Nee. Hij is vergulder, uit Carrara.’
‘Maak je schilderijlijsten?’ Mijn moeder trekt een gezicht.
‘Ik maakte me zorgen om Giuseppina,’ zegt Angelo zachtjes.
Mijn moeder wendt zich tot mij. ‘Je hebt me helemaal niet verteld dat je schilderijlijsten maakte.’
‘Dat doe ik ook niet. En hij ook niet,’ zeg ik.
Angelo trekt me dicht tegen zich aan. De gasten koeren, als een troep duiven die op het Sint-Pietersplein op kruimels wacht.
‘O mijn god, je hebt iemand gevonden.’ Lisa beukt zich dronken een weg door de menigte. ‘Wat ben ik blij voor je! Hij is heel knap.’ Lisa neemt Angelo van top tot teen op, echt als een meisje uit Jersey. ‘Jess, ik heb al sinds Aswoensdag iets met Bobby. We hebben elkaar via een app ontmoet. Die heet Omhelzing. Ik wilde je schrijven of bellen, maar je moeder zei dat ik je met rust moet laten, dat je iedereen in Lake Como naar het Eiland had gestuurd. Mij ook.’ Lisa begint te huilen. ‘Ik wilde het je vertellen, maar ik respecteer het Eiland.’
‘Schuif dit niet op mij af, Lisa Natalizio,’ zegt mijn moeder. ‘Ik zei tegen je dat Giuseppina ons de plannen voor haar leven mettertijd zou vertellen. We gaven haar de ruimte. Natuurlijk koos ze de langste afstand tussen twee punten op de kaart, met een oceaan ertussen, maar wie ben ik om daar iets over te zeggen? Het is haar leven en zij leidt het. Wij staan erbij op instructies te wachten als de stunods die we zijn.’
Ik hoor iedereen in de kamer naar adem happen. Ik kijk om me heen. Ze wachten op mijn reactie. En waarom ook niet? Elke familiebijeenkomst in onze straat is een excuus voor een onvoorbereide barbecue of een knokpartij. Ik kies voor geen van beide en kijk naar Lisa.
‘Ik vind het fantastisch,’ zeg ik tegen haar.
‘Ik dacht dat je boos op me zou zijn. Op Bobby. Op ons allebei.’
‘Waarom zou ik ooit boos op jou zijn? Door jou heb ik het kapsel dat mijn leven heeft veranderd. Ik vind het alleen jammer dat oom Louie het niet heeft kunnen zien. Ik ben blij voor je.’ Ik geef Lisa een knuffel. ‘Betekent dit dat je je jurk terug wil?’
‘Hou maar,’ zegt Lisa, die me stevig omhelst.
‘Het is maar goed ook dat je de jurk houdt, in ruil daarvoor heeft zij je ex-man,’ zegt mama spottend terwijl alle Sodaliteitsleden instemmend knikken.
‘Ma. Waarom heb je me niets over Bobby en Lisa verteld?’
‘Daar had ik niet de kans voor,’ zegt ze. ‘Staan we nou gelijk?’
‘Niet boos worden op mama. Ik wist het ook,’ zegt Connie.
‘We wisten het allemaal!’ Patti Ciliberti, vicevoorzitter van de Sodaliteit, heft haar glas, proost op zichzelf en neemt een slok. ‘We willen dat onze slager gelukkig is. Hoe kunnen we een fatsoenlijke zondagse maaltijd bereiden zonder Bilancia Vleesproducten? Kom op, mensen. Sommigen van ons moeten in dit stadje wonen.’
Bobby Bilancia loopt de keuken uit en komt bij ons staan. ‘Het was echt per ongeluk. Ik meende alles wat ik in Italië zei. Op dat moment. Toen ik naar huis kwam, was ik niet op zoek. Lisa was niet op zoek.’
‘Behalve op internet.’ Patti proost weer op zichzelf en neemt een slok.
‘Patti heeft genoeg alcohol gehad,’ zegt mama. ‘Als ze dronken is, toetert ze alles rond wat ze weet.’
‘Ik ben niet drinken. Gedronken. Dronken,’ zegt Patti. ‘Zitten deze heren op Omhelzing?’
Mauro, Angelo, Conor en Gaetano gaan naar de bar.
Patti negeert dit en zegt, zwaaiend met haar cocktailglas alsof het een baton is: ‘Ik zou weleens willen weten hoe dit allemaal zo is gekomen.’
‘We zaten allemaal op dezelfde school,’ zegt Lisa langzaam terwijl ze probeert te ontnuchteren.
‘We hielden allemaal van Bobby Bilancia,’ geef ik toe. ‘Maar Lisa het meest.’
‘Is dat waar?’ vraagt mijn moeder.
‘Toen niet. Nu.’ Lisa vervolgt: ‘Ik heb hiermee geworsteld. Door het schuldgevoel was ik bijna weer gaan roken.’ Lisa veegt de tranen met haar mouw uit haar ogen. ‘Ik was zo bang om gelukkig te zijn. Ik was bang dat je kwaad zou worden. Ik wil niet dat je kwaad bent. Maar ik wil wel gelukkig zijn.’
‘Ik ben niet kwaad. Ik ben blij voor je. Voor jullie allebei.’ Ik knuffel hen. Ik denk terug aan toen we kinderen waren en als ik me mijn jeugd voor de geest haal, was Bobby er altijd, net als Lisa. Het is heel natuurlijk dat ze elkaar hebben gevonden. Zij zijn de laatste twee singles van halverwege de dertig die nog overeind staan in Lake Como. Hun relatie is net zo logisch als het jaarlijkse Festival, de toename van zomerse toeristen in juli en de onontkoombare erosie van het strand. Het was onvermijdelijk.
‘Ik zei toch dat Jess het zou begrijpen,’ stelt Bobby Lisa gerust.
Lisa kijkt naar hem op met haar prachtige groene ogen met de kleur van Martini-olijven.
‘Jess is een brave meid.’ Bobby glimlacht naar me.
Brave meid. Het meest gewaardeerde compliment in heel Lake Como. Een compliment dat ik hopelijk ben ontgroeid.
‘Je hoeft niet te gaan roken, Lisa,’ zeg ik tegen haar.
Lisa pakt mijn hand alsof we gaan Double Dutch-touwtjespringen, net zoals we op het schoolplein van de basisschool deden. ‘Ben je echt niet kwaad op ons?’
‘Ik wil dat iedereen zijn geluk vindt.’ Ik spreid mijn armen wijd, als het standbeeld van Jezus in de achtertuin van neef Carmine.
‘Dat hebben we gevonden,’ zegt Lisa zachtjes. ‘En jij?’
‘Ik wil zo zijn als dat schijfje citroen dat je in de sambuca deed. Ik wil dat er aan het eind van mijn leven alleen nog een schilletje van me over is, omdat ik alles wat ik ben in een leven heb geperst dat van belang was.’
‘O, god. Ga je het klooster in?’ gilt mijn moeder. ‘Joe, ze denkt erover om religieus te worden! We moeten haar tegenhouden.’
‘Ik denk niet dat we dat kunnen.’ Papa knipoogt naar me.
‘Wat ga je doen?’ vraagt Lisa.
‘Alles. Er is nog zoveel te zien. Ik wil Puglia, Sicilië, Capri en Sorrento zien. De Adriatische Zee. Ik wil naar Montenegro. De blauwe Donau. Griekenland.’
‘Wil je reisagent worden?’ vraagt Bobby.
‘Nee, Bobby.’
We lachen. Lisa en ik kijken elkaar net zo aan als we op school deden als Bobby iets doms zei. Wij drieën. Drie kinderen die elkaar sinds hun vijfde kennen, en een ervan, toevallig een man, is altijd traag van begrip.
‘Ik wil dingen bouwen,’ zeg ik tegen hem. ‘En dat ga ik ook doen.’
‘Ik ben reisagente,’ zegt Marina luid. Haar moeder duwt haar naar voren zodat ze de menigte kan toespreken.
Iedereen draait zich naar haar toe. Dit is een jonge vrouw die in vijfendertig jaar bijna nooit harder heeft gepraat dan op fluistertoon. Marina die haar stem vindt wordt op een of andere manier als schokkender ervaren dan het feit dat mijn ex-man en mijn beste vriendin een relatie hebben.
‘Ze werkt voor American Express,’ voegt Carmel er luid aan toe.
‘Dat weet iedereen volgens mij wel, Carm. Zet het anders in het kerkblaadje,’ zegt mama op weg naar de woonkamer terwijl ze Mauro bij zijn arm pakt.
‘Dat zou ze moeten doen,’ draagt Patti bij. ‘Dat is goed voor de bizwiz.’
‘Je bedoelt zeker “business”, Patti?’ verduidelijk ik.
Carmel roept mijn moeder na: ‘Philly, elke dag reizen mensen ergens naartoe. Misschien hebben ze wel iets aan deze dienstverlening. Als je in een branche zit waar het om mensen draait, laat je het de mensen weten. En dat doe ik dus.’
‘Ik kan jullie voordelen bezorgen,’ kondigt Marina aan. ‘Ik weet de koopjes te vinden.’
‘Italië?’ brult Patti.
‘Ja. En ik heb ook andere prachtige reizen naar allerlei landen over de hele wereld. Ik kan een goede prijs voor je maken voor een cruise.’
De mensen stuiteren van opwinding. In Lake Como is nieuws over een cruise met korting groter dan welk schandaal ook. Terwijl het geklets harder wordt, lijkt het licht in de kamer te veranderen. De barkeeper mengt de gin in de goudkleurige cocktailshaker. Om ons heen draait de wereld verder terwijl Mauro, Angelo, Gaetano en Conor opgenomen worden in het kabaal; alleen Bobby, Lisa en ik blijven onbeweeglijk staan.
Bobby en Lisa kijken elkaar aan.
‘Het was de bedoeling dat het verhaal zo zou gaan,’ druk ik hen op het hart terwijl ik hen laat gaan.
Ik houd me op de achtergrond, adem langzaam in en laat alle angst en paniek los die ik ooit zo stevig vastgreep omdat ik op dat moment dacht dat ik alles zou verliezen als ik me er niet aan vastklampte. Maar mijn hart bonkt niet en mijn keel wordt niet dichtgeknepen. Ik adem.
Bobby slaat zijn armen om Lisa heen, die dolgelukkig is om de zijne te zijn. De gasten feliciteren hen met hun nieuwe relatie.
Ik had van Bobby’s leven mijn project en mijn doel gemaakt. Nu mag Lisa die taak op zich nemen als ze wil. Het heeft een groot voordeel om op te groeien met een man die je als kind kende, omdat je hem al kende voordat hij een vastomlijnd idee had van wat het betekent om een man te zijn. Ik heb ondervonden dat een jongen even kwetsbaar en fragiel kan zijn als een meisje.
Lisa en Bobby zullen na een mis in de Saint Catharine-kerk en een trouwreceptie in de Mallard Island Yacht Club in Manahawkin samen in Bilancialand gaan leven. Een van de gasten zal een kies breken op een amandelboon in het trouwbedankje, maar dat zal worden gezien als teken van geluk voor het stel. Niemand zal zich herinneren dat Bobby en ik ooit getrouwd waren. Ons huwelijk zal een prettige stop op een lange reis worden, maar niet de bestemming zelf. Het leven in Lake Como zal doorgaan.
Bobby Bilancia adem.
Bobby Bilancia laat los.
Ik kijk de kamer rond. Op deze deprimerende dag zweeft de geur van bergamot door de kamer. Angelo Strazza is de Sodaliteitsleden aan het vermaken bij de bar. Ze staan om hem heen en stoppen hem vol met hun gebak, wat hun versie van flirten is. (Als ik niet was vertrokken, zou ik op een dag zo zijn geweest.)
‘Je moeder vraagt of je naar de woonkamer wil komen,’ waarschuwt papa me.
Ik knik. Misschien heb ik iets te snel innerlijke vrede gevonden.
Papa kijkt rond naar de gasten. ‘Maak alsjeblieft gebruik van de open bar.’
‘Ik denk niet dat je ze daaraan hoeft te herinneren,’ zeg ik zachtjes tegen papa.
‘Het spijt me,’ zegt Connie, die met me meeloopt naar de woonkamer.
‘Niks aan de hand,’ verzeker ik mijn zus. Dat goeie ouwe Lake Como, vat vol geheimen, die in de loop der generaties zijn opgestapeld als de kanten onderleggers van onze oudtante in de kast. Onverwoestbaar. Dit stadje zal nooit veranderen. Een niet Italiaans-Amerikaan grapte ooit: ‘Wat is er op de bodem van Lake Como?’ en verwachtte een antwoord dat op een misdaad wees, maar het antwoord dat hij kreeg, was: ‘Vis.’
Mama en haar neef, Mauro, staan in de formele woonkamer, het kleine kamertje naast de echte woonkamer. Dit is de kamer die we nooit gebruiken, met het Lladró-beeldje dat wordt verlicht door een spotje, twee witte gestoffeerde stoelen, een witte bank en een wit tapijt. Het interieur geeft je het gevoel dat je verdrinkt in een milkshake waarin religieuze aandenkens drijven.
Mama kijkt naar Mauro, die zijn armen half heeft gespreid terwijl ze hem bestudeert. Mijn vader staat naast hen, als een predikant bij een huwelijksvoltrekking die een moetje is. Angelo komt erbij en gaat op de witte bank zitten. Conor gaat bij mij staan.
‘In een Ierse familie zou dit nooit gebeuren. Wij zouden gewoon doen alsof het er allemaal niet was,’ fluistert Conor in mijn oor.
‘Mama, het is echt ongelofelijk, hè?’ vraag ik.
‘Die eikel van een broer van me.’ Mama schudt haar hoofd. ‘Net iets voor hem. Hij heeft het beste tot het laatst bewaard.’
De bel gaat.
‘Joe, kun jij even opendoen?’ vraagt mijn moeder door haar waas van tranen heen.
Dat doet mijn vader.
Rechercheur Campovilla van de FBI komt achter mijn vader aan de woonkamer binnen.
Mijn moeder kijkt me vermoeid aan. ‘Rinkelt er soms een bel in het hoofdkwartier van de FBI in Philadelphia als er een familielid van me overlijdt?’
‘Het spijt me dat ik u moet storen, mevrouw Baratta.’
‘Het spijt u ongetwijfeld. Connie, geef die man een kop koffie. Angelo? Mauro? Kom met mij mee. Joe, zorg dat je zoon hierheen komt. Ik wil Giuseppina hier niet laten zwemmen zonder advocaat.’
‘Het is goed, ma,’ zeg ik en ik bied de rechercheur een zitplek aan. ‘Meneer Campovilla en ik hebben nauw contact met elkaar gehouden.’
Mama slaat haar handen voor haar oren. ‘Ik wil er niets over horen!’ Ze loopt weg.
‘Wil je dat ik erbij blijf?’ vraagt Angelo.
‘Ga maar. We praten later wel. Ik hou het vernislaagje van mijn perfecte karakter graag zo lang mogelijk intact.’
Angelo en Conor vertrekken.
‘Goedemiddag, meneer Campovilla.’ Mijn broer komt de woonkamer binnen en doet de deur achter zich dicht. Joe en ik gaan tegenover de rechercheur op de sofa zitten.
‘Hoe gaat het met u?’ vraagt Campovilla.
‘Het zal vast beter gaan als u me vertelt hoe het staat met de zaak van oom Louie.’
‘Meneer Gugliotti zit in voorarrest. Maar het lukt ons niet goed om een verband tussen hem en de Elegante Gangster aan te tonen. We zouden graag willen dat u een microfoontje draagt naar de gevangenis om dat vast te kunnen leggen.’
Ik kijk naar mijn broer.
‘Moet dat echt?’ vraagt Joe.
‘Het is in uw eigen belang, juffrouw Baratta. Als we kunnen bewijzen dat meneer Gugliotti op een of andere manier een koppeling heeft met die bankrekeningen, komt er geld vrij. Dan kan juffrouw Baratta het geld vorderen, de verschuldigde belasting betalen en alles achter zich laten. U hebt meegewerkt en alle documenten wijzen uit dat u ons de waarheid hebt verteld. Het enige wat we nog moeten afhandelen, is het vrijkomen van de gelden.’
‘Kan ik even alleen met mijn broer praten?’
‘Absoluut.’
Campovilla staat op en gaat op de gang staan wachten.
‘Ik vind het een goede deal. Je zou iets moeten overhouden aan de hele zaak, na alles wat je hebt doorstaan,’ zegt Joe.
‘Ik moet erover nadenken,’ zeg ik tegen hem. ‘Zeg maar tegen hem dat ik contact zal opnemen. Ik moet nog één ding doen voordat ik de boeken van de Elegante Gangster afsluit.’
Alle leden van de Sodaliteit van de Saint Catharine-kerk staan om Angelo heen alsof hij het vreugdevuur van de reünie van de middelbare school is. Om deze Italiaans-Amerikaanse vrouwen in een roedel hitsige dames te veranderen is niet meer nodig dan een knappe man met een volle bos haar die met het accent van hun vaderland spreekt.
‘Dames, mag ik signore Strazza even lenen?’ Ik pak Angelo bij zijn arm.
‘We houden van hem,’ zegt Patti Ciliberti, die een lok haar ronddraait alsof het een sluitclip is om een brood.
Ik breng Angelo door de eetkamer naar de keuken, waar nog meer vrouwen staan. We persen ons tussen hen door naar de kelderdeur. Ik neem Angelo mee naar mijn oude appartement. Mijn vader heeft twee raamairco’s en een opvangzak van een bladblazer op de plek neergezet waar mijn bed altijd stond.
Ik sla mijn armen om Angelo heen. ‘Waarom ben je naar New Jersey gekomen?’
‘Ik weet dat je me niet nodig hebt, Giuseppina.’
‘Ik heb je wel nodig. Je bent een goede vriend.’
‘Ik heb een hekel aan dat woord, in het Engels en het Italiaans,’ zegt hij. ‘Ik hou er helemaal niet van als een vrouw dat zegt.’
‘Het is een woord van eer.’
‘Het is een woord zonder romantiek,’ zegt Angelo.
‘Dan zal ik je nooit meer een vriend noemen.’
‘Beloof je dat?’
Ik zoen Angelo Strazza. Hij streelt mijn wang met zijn lippen, waarna hij mijn mond weer vindt. We horen voetstappen boven ons hoofd en af en toe een lachsalvo van de dames in de keuken.
‘Kunnen we gaan?’ vraagt hij. ‘Wat is dit eigenlijk?’
‘Ik heb hier gewoond.’
‘Het is afschuwelijk.’
‘Maak je maar geen zorgen,’ zeg ik tegen hem. ‘Mama laat je in het huis van tante Lil stukje verderop logeren. Het is het mooiste huis van de straat. Het heeft alles om verfijnd en comfortabel te kunnen leven.’
‘Als jij het zegt.’ Angelo trekt me tegen zich aan en drukt zijn gezicht tegen mijn hals. Ik hoop dat hij van de geur van mottenballen houdt.
‘En waar ga jij logeren?’ vraagt hij.
‘Niet in de kelder.’
Ik laat hem los. Ik loop naar mijn oude ladekast en trek de bovenste la open. Ik tast naar de sok waarin ik mijn verlovingsring heb verstopt. Ik stop hem in de zak van mijn jurk. ‘We kunnen gaan.’
‘Pas als je me vertelt waar ik aan toe ben met jou.’
Ik omvat Angelo’s gezicht met mijn handen en zoen hem weer. Intenser, deze keer. ‘Begrijp je het nu? Of heb je Google Translate nodig? Kom, we gaan neef Mauro zoeken en jullie installeren.’
‘Ik wil bij jou blijven.’
‘Dat gaat niet gebeuren. Je hebt mijn moeder toch ontmoet?’
We lopen de keuken in, die vol staat met vrouwen. Ze draaien zich om en kijken ons aan.
‘Iemand moet haar lippenstift bijwerken en degene ben ik niet,’ zegt mama zachtjes. Ze beweegt haar vinger langs de rand van haar lippen. ‘Een vurige cirkel.’
De achterdeur zwaait open. Babe Bilancia duwt de hordeur opzij met haar heup omdat ze een cadeaudoos van Nordstrom vol koekjes bij zich heeft, haar beroemde sopkoekjes met sesam. ‘Heb ik iets gemist?’
VERZOENING
* * *
Ik leg het laatste nette bord op zijn plek op de plank in mijn moeders keuken waarop ZONDAGS SERVIES staat. Dit zijn de borden en het keukengerei die worden gebruikt voor de zondagse maaltijd en feestjes, nooit op doorsneedagen. Het zijn vooral de serveerspullen die mama als schoondochter heeft geërfd van oma B en de buit van wat ze met oom Louie heeft verdeeld na de dood van oma Cap. Aan de Baratta-kant kreeg papa’s zus, Pamela, de schalen, mama had tante Pam de serveerstukken aangeboden, maar die zei: ‘Nee, nee, zo wilde mama het.’ Af en toe gebeurt het aan beide kanten van mijn familie dat iemand de wensen van de overledene daadwerkelijk respecteert. Maar er zijn meer verhalen over voorouders die in het leven na de dood op zoek gaan naar de Deruta-dienschaal die hun beloofd was, omdat die op een of andere manier in de verkeerde handen was gevallen. Ik zal ervoor zorgen dat ik de instructies van oom Louie en tante Lil naar de letter van de wet volg.
In Lake Como verandert niets: we leven, sterven en degenen die achterblijven poetsen het zilver voor de volgende receptie. Ergens zal ik altijd troost blijven vinden in onze tradities. Een kop warme, verse koffie in mijn moeders keuken biedt meer verlichting dan alle medicijnen die ooit zijn ontwikkeld in de laboratoria in het noorden van New Jersey. Ik schenk een kopje in voor mijn moeder.
‘Er is taart.’ Mama duwt het plateau met driekwart van een citroentulband naar me toe. ‘Ik weet niet wat ik aan moet met al deze desserts. De vriezer in de garage is vol.’
Ik snij een stuk af en proef het. ‘Wie heeft deze gemaakt?’
‘Elena Nachmanoff. Het is haar beste taart, weet je. Altijd populair.’ Mama neemt een slok. ‘Jij bent het enige kind van mij dat weet hoe ik mijn koffie drink.’
‘Ik ben het enige kind dat daarop heeft gelet. Omdat ik wel moest. Dat doen goede dienaren nu eenmaal.’
‘Dat is niet waar. Mijn Joey draagt zijn steentje bij. En Connie ook, op haar manier.’
‘Ja. We zijn allemaal gelijk,’ zeg ik oprecht, ik meen het. Ik heb in therapie geleerd dat sarcasme een verdedigingsmechanisme is dat slimme mensen gebruiken als ze gevaar voelen. Aangezien ik niet langer in gevaar verkeer, kan ik het me veroorloven om aardig te zijn.
‘Vind je het niet erg van Lisa en Bobby?’
‘Nee. Ik heb Bobby zijn diamant teruggegeven.’
‘Giuseppina! Waarom heb je dat gedaan? Op een dag heb je het geld nodig.’
‘Ik denk het niet.’
‘Hoe hard ik ook mijn best doe, deze familie kan gewoon geen geld behouden. Rijk zijn is niet voor ons weggelegd,’ roept mijn moeder uit.
‘Niet elke familie kan Vanderbilt of Rockefeller zijn.’
‘Nee, omdat die niet Italiaans zijn. Dat zou trouwens wel leuk geweest zijn.’ Mama slaakt een zucht. ‘Ach, wat. Ik geef het op.’ Mama kijkt naar me en biedt me een koekje aan. ‘Je ziet er goed uit, Giuseppina.’
‘Dank je wel, ma. Jij ook.’
‘Italië doet je goed.’
Ik pak mijn moeders hand. ‘Je moet Italië zien.’
‘Ik volg je op Instagram,’ zegt ze. ‘Ik accepteer alles wat me wordt aangeboden.’
‘Ik meen het. Je moet Italië zelf zien. Ik vind het heel erg dat we er niet met oma Cap naartoe zijn gegaan. Dat hadden we moeten doen.’
‘We hadden mazzel dat we naar de Poconos gingen. De Caps en Baratta’s zijn geen levensgenieters.’
‘We zijn de ultieme wereldreizigers. We zijn immigranten.’
‘Hoe zit het met die knul Angelo? Is hij uit op een verblijfsvergunning?’
‘Ma!’
‘Ik heb mijn antwoord, je vindt hem aardig. Ben je gelukkig, Giuseppina?’ vraagt mama.
Ik leun achterover, perplex, als een vogel die op volle snelheid tegen een glazen schuifdeur is gevlogen.
‘Wat is er?’ vraagt mama. ‘Je ziet eruit alsof je een klap hebt gekregen.’
‘Dit is de eerste keer dat je me dat vraagt.’
‘Hoe kan dat nou?’
‘Dat kan heel goed, ma.’ Ik denk even na over haar vraag. ‘Ik ben gelukkig.’ Ik denk aan dokter Darlene, die me stimuleerde om mijn antwoorden te spiegelen, dus vraag ik mijn moeder: ‘Ben jij gelukkig?’
‘Ik weet het niet. Ik ben me ervan bewust dat ik mijn kinderen ongelukkig heb gemaakt, ook al was dat niet mijn bedoeling. Ik heb je onder druk gezet om met Bobby te trouwen omdat ik wist dat hij je nooit van me af zou nemen. Als je kind weggaat, hoe oud het ook is, voelt het alsof je een duim verliest. Misschien beide duimen.’
‘Ik ben niet uit huis gegaan om je te kwetsen. Ik ben uit huis gegaan om volwassen te worden. Misschien was ik daar veel te oud voor, maar het moest een keer gebeuren en ik ben blij dat het is gelukt. Ik moest je leren hoe je me moest behandelen.’ Ik bedenk net dat ik dokter Darlene misschien wel een bonus zal sturen voor dit inzicht, als het gezicht van mijn moeder helemaal verslapt. ‘Het is niet erg, ma.’
‘Niet?’ Ze is verbaasd.
‘Weet je nog, die vogel van oma Cap?’
‘Welke? Ze had er een paar.’
‘Oscar Hammerstein de vierde, volgens mij. Oma voerde hem verse sla uit haar tuin.’
‘Ze kregen allemaal verse sla,’ zegt ma. ‘Ik walg van vogels. Ze zijn nog erger dan schildpadden. Maar dat weerhield haar er niet van ze te houden. Niemand luistert ooit naar me.’
‘Als er iemand bij haar binnenkwam of wegging, krijste Oscar altijd: klootzak-smeerlap. Weet je nog?’
Ze knikt.
‘Hij schold iedereen uit behalve mij. Als die papegaai mij zag, zei hij: liefje.’
‘We dachten dat het door je haar kwam. Hij dacht dat hij in die krullen kon nestelen.’
‘Nee. Oscar Hammerstein had al een huis. Een heel mooie kooi met uitzicht over de tuin. Oscar Hammerstein vond me aardig. Niet door iets wat ik zei of deed; hij begreep me.’
‘Is dat een overwinning of zo?’
‘Gewoon een opmerking. Ik neem het je niet kwalijk dat je me niet echt zag. Mensen stoppen je in een kooi, een hokje of een rol omdat ze hopen dat je daar zult blijven. Italië was er voor nodig om me te leren dat het leven geen worsteling hoort te zijn, het hoort leuk te zijn.’
‘Maar je hebt verantwoordelijkheden, je moet offers brengen! Zo ben ik opgevoed. Ach, wat maakt het ook uit? Je vader en ik zijn alleen over, als een paar oude schoenen onder in de kast. Alle anderen zijn weg. Mijn moeder. Vader. Lou en Lil. Zelfs die vogelkooi is leeg.’
‘Je moet ruimte maken om die te kunnen vullen, ma.’
‘Echt?’
‘Dat heb ik van je broer, Louie, geleerd. Als we veranderen, ontstaat hierdoor soms een pad voor iets geweldigs. Natuurlijk zijn er echte problemen in het leven. Maar daardoor zou het plezier niet begraven moeten worden. Het is een vergissing om van je hele leven geploeter te maken. Er is balans nodig. In alle dingen. Dat is de echte Italiaanse manier. Daarom valt de toren van Pisa niet om. Daarom kunnen Italiaanse mannen van in de tachtig nog steeds seks hebben.’
‘Vertel.’ Mama trekt een gezicht.
‘Daarom zul je nooit honger hebben als je een portie voedsel eet ter grootte van je vuist.’
‘Is dat echt waar?’
‘Leonardo da Vinci leefde ernaar. En hij leerde Michelangelo die wijsheid. Leef overvloedig, maar weet wanneer je je glas moet neerzetten en moet opstaan van tafel.’
Mama leunt achterover. ‘Je bent ons ontgroeid, nietwaar?’
‘Helpt het als ik je vertel dat ik heimwee kreeg naar het Feest van de Zeven Vissen?’
‘Ik weet niet of je het al hebt gehoord, maar Carmine Baratta deed dit jaar de spieringen. Charlene zette bij min 17 de ramen open om het huis te luchten.’
‘Daardoor zal de stank wel zijn weggetrokken.’
‘Nee hoor. Die zit nu in de muren.’ Mama knikt verdrietig. ‘En hun waterleidingen zijn gebarsten.’
Ik kijk naar mijn moeder; ze wordt ouder. Hoe kan ik met dezelfde twee handen loslaten en vasthouden? We hebben niet veel tijd meer. ‘Je was een fantastische moeder.’
‘Echt?’
‘Je hebt me gepusht.’
‘Echt?’
‘Precies genoeg.’
‘Denk je dat mijn broer van me hield?’ Mama begint te huilen. ‘Ik vond het zo moeilijk om van Louie te houden omdat ik hem de helft van de tijd wilde vermoorden.’
‘Hij hield van je, ma. Hij kwam altijd terug als je hem van het Eiland liet, toch?’
‘We deden altijd alsof er niets was gebeurd. Dat was het fijnste.’ Mama kijkt weg en glimlacht alsof ze haar broer ziet binnenkomen voor de zondagse maaltijd. ‘De klootzak-smeerlap.’