Hoofdstuk 25: De Impala - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Ik rijd de garage van tante Lil en oom Louie in. De automatische deuren sluiten zich en de auto parkeert zichzelf praktisch op de juiste plek, alsof hij een spiergeheugen heeft. Ze zeggen dat mensen een ziel hebben. Huizen hebben een ziel. Niemand zegt ooit dat auto’s een ziel hebben, maar dat hebben ze wel. Oom Louies Impala uit 2018 was zijn heiligdom. Ik druk op het knopje waarmee de rugleuning van de bestuurdersstoel automatisch naar achteren gaat. Ik leun achterover en sla mijn armen om mijn middel. Ik kijk door de smetteloze voorruit. De garage lijkt wel een showroom. Het is een passend thuis voor de Impala. Oom Louies auto was zijn baby, vanbuiten in de wax gezet en vanbinnen gepoetst.
Als oom Louie me verhalen vertelde over zijn ooms en tantes, bracht hij ze tot in onvergetelijk detail tot leven. Soms vroeg ik om een bepaald verhaal. Vertel me nog eens over oom Shooky of oom Hap of tante Gus, en dan deed hij dat. Ze werden zo echt voor me, dat ik bijna dacht dat ik ze had meegemaakt. Een keer vroeg ik aan oom Louie: ‘Hoe kan ik van iemand houden die ik nog nooit heb ontmoet?’
‘Wij zíjn hen, Jess. We zijn hén,’ zei Louie dan.
Als je uit huis gaat, word je beloond met een ander perspectief. De enige manier om jezelf te helen is begrijpen waardoor je om te beginnen in stukken uiteen bent gevallen.
Angelo tikt op het raampje.
‘Stap in,’ zeg ik door het glas heen.
Angelo loopt om de voorkant heen en doet het bijrijdersportier open. ‘Je bent de hele dag weggeweest. We zijn met je moeder naar de Paramus Mall geweest.’
‘Wat vreselijk voor jullie.’
‘Waarom zit je in de auto?’ vraagt Angelo.
‘Ik zit na te denken. Waar is Mauro?’
‘Je moeder is met hem de Saint Catharine-kerk gaan bekijken. Ik heb me verontschuldigd,’ zegt hij.
‘Maar die is van Carrara-marmer gebouwd. Binnen zijn allemaal vergulde dingen. Je zou het heel mooi vinden.’
‘Ik kon niet nog een uur met je moeder doorbrengen. Vergeef me.’ Angelo doet zijn rugleuning ook achterover. ‘Wat is dit lekker zacht.’
‘Oom Louie reed alleen in het beste van het beste. Je zit op mijn plek. Die noemen we shotgun.’
‘Aha. Heb je nagedacht over waar we het over hadden voordat je vertrok?’
‘Voortdurend.’
‘Ga je terug naar Italië?’
‘Zul je me missen als ik dat niet doe?’
‘Ja.’
‘Ik ga terug.’
‘Mama wilde het weten.’
‘O, nu gaat het om wat mama wil. Heeft je ze helemaal naar Amerika gestuurd om naar mijn plannen te vragen?’
‘Het is bijna de eerste van de maand,’ plaagt hij.
‘Zeg tegen je moeder dat ze mijn appartement niet moet verhuren.’
‘Waarom ben je eigenlijk naar Carrara gekomen? Je had ook naar Milaan, Rome of Florence kunnen gaan. Waarom kwam je naar ons stadje?’
‘Sommige meisjes groeien op met sprookjes. Ik groeide op met familieverhalen over het uithakken van marmer, overleven door kastanjes te eten en zo arm zijn dat je de plek waarvan je hield moest achterlaten om te overleven. Ik moest er deel van uitmaken. Ik wist niet of ik geaccepteerd zou worden en of ik het fijn zou vinden. Ik ging naar Carrara op zoek naar liefde. Niet de romantische liefde waarvan je ondersteboven raakt, maar de andere soort. De liefde voor het leven, waarbij je ’s ochtends vol energie uit bed springt om te zien wat de dag zal brengen.’
‘Heb je die gevonden?’
Ik geef geen antwoord. In plaats daarvan vraag ik Angelo: ‘Waarom ben je naar Amerika gekomen?’
‘Ik ben naar Amerika gekomen op zoek naar de liefde van een goede vrouw.’
‘Heb je haar gevonden?’
‘Als ze me wil hebben.’
Angelo omvat mijn gezicht met zijn handen. Zijn mond vindt de mijne. Ik sla mijn armen om hem heen en al snel zijn we verstrengeld in een zoen die een hele regenachtige middag lijkt te duren. Dan wordt er op het raampje geklopt. Ik draai me om en slaak een zwijgende gil als ik mijn moeders gezicht tegen het raampje gedrukt zie. Ze lijkt door de beslagen ruiten van de auto te turen. We zijn de tijd vergeten. Ik maak een cirkeltje droog met mijn mouw.
Mama maakt het rollende gebaar met haar hand, net als oom Louie. Ik doe het raam open. Mijn vader, broer en Mauro staan achter haar als de Untouchables die een plaats delict bestuderen.
‘Deze auto is na het overlijden van Louie niet meer gekeurd.’
‘Ma. Alsjeblieft.’
‘Het is gevaarlijk. Maar niemand luistert naar me. Je zou koolmonoxide kunnen inademen zonder dat je het wist, en dan zou je blauw worden en overlijden zonder het ook maar te voelen.’
‘Volgens mij had ze daarbinnen geen moeite met ademhalen,’ zegt mijn vader.
‘Het eten is klaar.’ Mama trekt een gezicht. ‘Als jullie niets anders te doen hebben. Maar schiet op. Mijn gevulde pastaschelpen kunnen uitdrogen en dan is het eten verpest.’
‘We komen er zo aan,’ beloof ik haar en ik doe het raampje weer dicht.
Mijn moeder, vader, Mauro en Joe vertrekken.
Ik pak mijn sleutels en wil net het portier opendoen als Angelo me tegen zich aantrekt. ‘Kunnen we ergens naartoe?’
‘Ik… Ik…’
‘Er is niemand boven. Ze zijn bij je moeder thuis en gaan zo droge pastaschelpen eten. Ze zullen ons niet eens missen.’ Angelo kust mijn hals.
Ik trek een gezicht. ‘Dat is te raar.’
‘En hier?’
‘In de auto? Echt niet. De auto is een heiligdom. Ik vind dat we moeten wachten.’
‘Wat een afschuwelijk idee,’ zegt Angelo.
‘Ik weet het. Het is vreselijk. Onmenselijk! We hebben nog altijd de kelder in mijn ouderlijk huis, maar dan zitten ze boven ons.’
‘Dat kan ik niet.’ Angelo schudt zijn hoofd. ‘Dat is nog erger dan op een vuilnisbelt.’
We lachen. We zoenen. Onze dikke jacks lijken wel middeleeuwse harnassen die ons bij elkaar weghouden, bij onze lichamen vandaan, die heel graag een willen worden.
‘Wacht, ik weet iets,’ fluister ik.
Angelo knoopt mijn jack open. Hij kust mijn oor. Mijn benen worden marmellata, ik word week in zijn armen.
‘Ik ben er nog nooit geweest,’ zeg ik ademloos. ‘Het is een Motel 6 langs Route 11. Bij een afslag van de Jersey Turnpike. Ergens.’
‘Ik heb geen routebeschrijving nodig. Ik heb een gps.’ Angelo’s stem klinkt hees, zijn hart bonkt.
Angelo zoent me. Er wordt op het raampje geklopt. Angelo en ik laten elkaar snel los. Ik maak een kijkgaatje. Mijn vader staat met zijn rug naar de auto toe. ‘Ik zie niks,’ zegt hij luid. ‘Ik moest van je moeder het wiel Parmezaanse kaas halen.’ Hij loopt via de garage het huis in.
‘Waarom bewaren jullie kaas in dit huis?’ vraagt Angelo.
‘Opslag. We hebben altijd meer koelkastruimte nodig.’
Angelo knikt. ‘Motel 6 is zeker geen optie meer?’
‘Op dit moment niet.’ Ik geef hem een kusje op zijn wang.
We trekken ons jack aan en stappen uit de auto. Papa komt het huis uit met het halve wiel Parmezaanse kaas. Hij grijnst.
‘Ah, mooi. Dan kunnen we samen lopen.’ Hij geeft Angelo de kaas.
Ik doe met de afstandsbediening de automatische garagedeur dicht. We lopen met zijn drieën het donker in, mijn vader, mijn geliefde in de dop en ik. We slaan af, North Boulevard op.
‘Mama heeft de dollarbiljetten gestreken. We gaan vanavond hevig Uno spelen,’ zegt papa.
‘Wat is dat?’ Angelo stoot me aan.
‘Een heel leuk kaartspel, Ang,’ zegt mijn vader. Blijkbaar vindt hij Angelo aardig, want hij heeft zijn naam al afgekort.
In de verte zien we mama op de veranda, met haar pantoffels en schortjurk aan. ‘Joe, ga terug. We hebben nog kommetjes nodig voor de noten!’
Papa zucht en blijft staan. ‘Lopen jullie maar verder,’ zegt hij.
Angelo en ik lopen het pad op naar het huis van mijn ouders. Mijn moeder heeft de voordeur wijd open laten staan. We zien de familie binnen aan tafel zitten.
Angelo legt het halve kaaswiel op het pad en draait zich naar me toe. ‘Ik kan het niet. Ik kan daar niet naar binnen.’
‘Je zei dat je het niet erg vond om te wachten.’
Angelo laat zijn hoofd hangen. Hij schuift zijn handen in de mouwen van mijn jack en verwarmt zo mijn armen tot aan mijn ellebogen. Dat zou weleens het meest sexy gebaar kunnen zijn dat een man ooit bij een vrouw heeft gemaakt.
‘We kunnen maar één ding doen,’ zeg ik tegen hem.
‘De pasta opeten? Het geld strijken? Het kaartspelletje spelen?’ Angelo klinkt alsof hij bijna moet huilen.
‘Nee.’
Angelo trekt zijn handen uit mijn mouwen. Ik pak zijn hand. ‘Rennen!’