Hoofdstuk 4: Zondagse maaltijd - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
De geur van de zondagse maaltijd alla Puglia doortrekt de keuken van de familie Baratta. Na uren sudderen op het fornuis creëert de saus nu een symfonie van geuren, ongezouten roomboter, milde basilicum en verse knoflook, met als basis onze eigen prachtige marinarasaus van tomaten uit onze tuinen. Het wecken van de tomaten is een familieaangelegenheid. Elk jaar in augustus komen onze neven en nichten, met hun oogst en weckpotten, om de tomaten in te maken op het fornuis in de kelder. Elke familie aan het meer heeft haar eigen recept, met haar eigen draai eraan. Je herkent je volk aan hun tomatensaus.
De stevige saus suddert, vol met exquise met de hand gerolde gehaktballetjes, gesmoorde spareribs, knapperige kippenpoten en pittige Italiaanse worst die de saus dikker maken. Het varkensvlees is zo mals dat het van de ribbetjes valt als ik roer. Perfetto! Oma B at de botjes altijd op en liet het vlees over voor anderen; misschien doe ik dat vanmiddag ter ere van haar ook. Achter de tomatensaus staat een hoge pan met borrelend zout water, wachtend op de ravioli. In een braadpan worden op een laag vuurtje raapstelen zacht in olijfolie. In de oven staat een schaal met gevulde artisjokken, die vanochtend zijn gestoomd, in een mengeling van boterige broodkruimels, verse kruiden en Parmigiano-Reggiano-kaas, afgesneden van het wiel uit Parma dat een halve plank in de koelkast inneemt. Ik maak een foto van de hele operatie en post hem: #saus om te zoenen. Misschien was zia Giuseppina niet zo kwaad geweest als ze haar zondagse maaltijd op Insta had kunnen posten.
‘Hoeveel mensen komen er, ma?’ roep ik naar mijn moeder, die in de kamer ernaast haar moeders kanten tafelkleed uit Italië strijkt op de eettafel. Het was een openbaring toen we de bedienden in Downton Abbey het kleed direct op het tafelblad zagen strijken. Sindsdien doen wij dat ook, zonder strijkplank.
‘Hoeveel ravioli hebben we?’ roept mijn moeder terug.
‘Jij eerst.’
‘Ik dek de tafel voor veertien personen.’ Mama zet het hete strijkijzer op het dressoir om het af te laten koelen. Ze pakt een stapel van het mooie servies (Lady Carlyle met een roze en gouden randje) en zet de borden neer. Mama zet de greatest hits van Jim Croce op en beweegt haar heupen terwijl ze de stoffen servetten en het servies keurig neerlegt en -zet. Ik vraag me af of ze voelt dat dit mijn laatste zondagse maaltijd is. Terwijl de raapstelen sauteren, ga ik aan de eetbar zitten, waarna ik mijn telefoon pak en aantekeningen maak over het moment dat ik besloot mijn leven voorgoed te veranderen.
De bomen langs de promenade aan de rivier de Hudson in Hoboken waren groot en hadden een weelderig groen bladerdak. De blaadjes ritselden als veertjes tegen de achtergrond van de zilveren wolkenkrabbers van Manhattan aan de overkant van het water. Aan de grijsblauwe lucht hingen toefjes witte wolken die pasten bij het schuim op de golven van de rivier, die naar de zee stroomde.
‘Het verveelt nooit.’ Oom Louie leunde tegen het hek en keek naar de skyline van Manhattan alsof die een geliefde was die hij jaren niet had gezien, maar die niet ouder was geworden en nog steeds naar hem verlangde. ‘Ze wordt steeds mooier. Elke stad is een vrouw. Als New York City een vrouw was, dan zou ze in de herfst Sophia Loren zijn. In de zomer Claudia Cardinale. De lente? Giulietta Masina. In de winter is ze Kaye Ballard met een hoofddoek om.’
‘Ik zie je na de lunch.’
‘Waar ga je naartoe?’
‘Ik wilde gaan wandelen. Een luchtje scheppen,’ loog ik. Het was de eerste keer dat ik loog tegen oom Louie.
‘Ik ga een calzone afhalen bij Rocco’s. Wil je er ook een?’
‘Ja, lekker.’
‘Goed gedaan met die fontein. Ik pik je over een uur op.’
Oom Louie en ik hadden de laatste controle gedaan van onze marmeren muurfontein op de binnenplaats van het appartementencomplex Riverview. Ik was verdrietig nu het werk af was, omdat ik een persoonlijke connectie met de buurt had.
Hoboken was de eerste halte van de mannelijke immigranten van de familie Capodimonte in 1920, waarna ze zich iets zuidelijker langs de kust vestigden om ons bedrijf in marmer te beginnen. De vrouwen, mijn overgrootmoeder en oma (die destijds een klein meisje was), kwamen in 1936 naar de Verenigde Staten, nadat mijn overgrootvader hun het passagebiljet had gestuurd. Ze emigreerden snel omdat de oorlog dreigde en lieten alles achter in Carrara. Misschien zit het idee van Hoboken als toevluchtsoord wel in mijn botten. Hoboken verbeeldde onze dromen, met Manhattan als glinsterende achtergrond.
De portier gaf de draaideur een zwieper alsof het een rad van fortuin was.
‘Mevrouw Baratta?’ De makelaar, Margarita Cartegna, droeg een zwart broekpak en had een leesbril aan een gouden kettinkje om haar nek. ‘Ik kan u twee studio’s laten zien. Wilt u liever die aan de kant van de binnenplaats of die aan de rivier?’
‘Aan de kant van de Hudson, alstublieft.’
Dat verbaasde mevrouw Cartegna. ‘Ik dacht dat u graag wilde uitkijken op de fontein die u heeft geïnstalleerd.’
Zodra ik een project heb getekend, de juiste materialen heb gekozen, heb samengewerkt met de steenhouwer, loodgieter en elektricien en het uiteindelijke resultaat heb gecontroleerd, laat ik het los. De fontein op de binnenplaats is spectaculair, maar ik hoefde er niet elke dag naar te kijken.
Op de zeventiende verdieping stapten we uit de lift. Mevrouw Cartegna deed de deur van 17C open en liet me voorgaan. De L-vormige ruimte was lekker ruim en had veel lichtinval. We zaten zo hoog in de lucht dat ik de langsdrijvende wolken kon aanraken.
‘Op dit moment heb ik geen tweekamerappartement, maar ik vind de studio’s ruimtelijker aanvoelen. En eerlijk gezegd is de inloopkast in de studio groter dan die in het appartement…’ Ze praatte verder, maar haar stem stierf weg toen ik met klikklakkende hakken over de houten vloer van de lege studio liep. Mevrouw Cartegna prees de nieuwe kitchenette en badkamer aan, maar ik luisterde niet. Ik duwde de balkondeuren open en liep naar buiten. Lucht! Licht! Hemel! Ik rilde even in de kille herfstlucht. Ik stond als aan de grond genageld terwijl een wit vrachtschip langzaam over de groene rivier naar zee voer.
Mevrouw Cartegna kwam naast me op het balkonnetje staan. ‘Wacht maar tot de bladeren verkleuren. Vanaf hier gezien lijken ze wel van goudkleurig fluweel.’ Ze leunde op de balustrade, keek naar de rivier en zuchtte. ‘U moet het appartement van uw dromen nu nemen, want als u eenmaal kinderen hebt, sneuvelt het balkon als eerste. Alleen singles huren de appartementen met balkon.’
Mevrouw Cartegna zag in elk geval dat ik single was. Ik vond het fijn dat ik me niet nader hoefde te verklaren. Misschien was het wel duidelijk omdat ik een grijze gelaatskleur had, een teken dat ik in een kelder woonde. Ik leefde al zo lang in het donker dat ze me in het licht kon zien opbloeien. Ik vroeg me af hoe ik een redelijk besluit over wat dan ook kon nemen als ik mezelf zo makkelijk in de kelder kon verstoppen als een kapot apparaat dat nutteloos was geworden. Ik bracht mezelf in herinnering dat ik weer thuis was gaan wonen omdat papa en mama me nodig hadden. Tijdens mijn scheiding, toen ik instortte, was dat ook echt zo. Mijn moeder kreeg een nieuwe knie en mijn vader werd aan zijn schouder geopereerd. Ik moest ze bij elkaar houden. Ze dachten zelfs dat ik mijn ‘problemen’ zou vergeten als ik weer thuis kwam wonen en hen verzorgde. Als dát toch eens zou kunnen…
Ik leunde naast de makelaar tegen de balustrade en keek naar het uitzicht. ‘Ik heb een moodboard gemaakt. Ik zag dit allemaal voor me. Ik heb een collage gemaakt van plaatjes uit World of Interiors, Traditional Home en Elle Decor. Ik zag mezelf hoog in de lucht, boven de boomtoppen. Net als dit. Alleen had ik ook een plaatje van een elegante badkuip. En die heeft deze badkamer niet.’
‘Uh-huh-huh.’ Glimlachend bewoog ze haar vinger heen en weer. ‘Er zijn een hottub en een zwembad op het dak.’ Ze wees. ‘Ik zal het u laten zien. Het is hier van alle gemakken voorzien. Parkeren. Hebt u een auto?’
‘Een oud brik.’
‘Dat hebt u niet nodig. De metro is verderop. Vandaar kunt u overal naartoe.’
‘Overal is precies waar ik naartoe wil.’
We gingen terug het appartement in. Binnen was het stil, er kwam geen geluid van de wereld beneden. Ik stelde me voor dat ik sliep zonder het gesuis van de kelderpomp, het constante geruis van de ontvochtiger en het gebonk van mijn ouders’ voetstappen boven mijn hoofd. Ik kon dit appartement vol zetten met boeken, een bank met paisleybekleding in koraalrood, pauwgroen en nachtblauw. De wanden? Half glanzend roomwit, met een paar drupjes kobaltblauw erdoorheen voor dat zweempje Italiaanse lucht.
‘De conciërge kan de studio in elke kleur verven die u wilt,’ zei ze alsof ze mijn gedachten las.
Dat zou een unicum zijn. Mijn zus, Connie, koos gomballenlavendelblauw voor de muren van onze slaapkamer toen we meisjes waren. Papa schilderde zonder enig overleg het kelderappartement eigeel-geel. Ik denk dat hij nog verf had van een zomer in de jaren tachtig toen hij een streep op de trottoirband schilderde om te voorkomen dat strandgangers voor ons huis parkeerden. Ik gaf zelfs mijn kleurenrechten op toen ik trouwde. Ik stemde in met Bobby’s lievelingskleuren: neutraal, zilver en zwart. Ik deed net alsof ik zijn mannelijke kleurenpalet mooi vond, maar ik vond het lijken alsof ik in een doos scheermesjes woonde.
‘Élke kleur?’ vroeg ik mevrouw Cartegna. ‘Meent u dat?’
* * *
‘We zouden genoeg ravioli moeten hebben,’ zegt mama in de opening van de keukendeur.
Ik schrik op.
‘Sorry,’ zegt mama. ‘Je was er niet helemaal bij.’
‘Nee hoor.’ Ik leg mijn telefoon neer en loop weer naar het fornuis. ‘Ik ben er gewoon, om de saus te bemannen,’ lieg ik. In mijn verbeelding was ik inderdaad in Hoboken, New Jersey, in een nieuwe wolkenkrabber langzaam een Martini voor één persoon aan het mixen. Ik hoef alleen maar de aanbetaling over te maken naar mevrouw Cartegna en dan ben ik hier weg.
‘Zet het vuur wat lager. Je weet wat men zegt: als de saus verbrandt, is hij reddeloos verloren. Dan moet je hem weggooien en opnieuw beginnen.’ Mama glimlacht.
Dat is misschien wel de diepzinnigste wijsheid die mijn moeder me ooit verteld heeft. Het klopt wel. Als je iets verbrandt, of het nu tomatensaus of de schepen achter je, moet je helemaal opnieuw beginnen.
‘Als je denkt dat we niet genoeg ravioli hebben, dan heb ik nog een oude voorraad. Van Petrini,’ zegt ze.
Ik gooi fijne teentjes knoflook in een koekenpannetje, ze worden glazig in de boter.
‘Hou dat in de gaten,’ zegt mijn moeder over mijn schouder terwijl ze een kristallen vaas met zonnebloemen van de keukentafel pakt en die naar de eetkamer brengt. ‘Er is niets zo erg als verbrande knoflook.’
‘Ik kan wel een paar dingen bedenken, hoor,’ zeg ik binnensmonds. Ik doe het gas uit en zet de pan met knoflook opzij, waarna ik naar de garage ga. Een witte wolk koude lucht walmt in mijn gezicht als ik de deksel van de vrieskist opendoe. Als de nevel is opgetrokken, is het eerste wat ik zie mijn achternaam tijdens mijn huwelijk, Bilancia, op de verpakkingen bevroren rundvlees. Ik vind het fascinerend (vreemd?) dat mijn familie na de scheiding trouwe klanten zijn gebleven van mijn ex-mans slagerij. Ik had niet verwacht dat mijn familieleden vegetariërs zouden worden om mij te steunen, maar zouden ze hun vlees niet bij de supermarkt moeten halen?
De bakken ravioli zijn makkelijk te vinden in de noodvriezer, waar mijn moeder een icepack bewaart boven op een plastic afscheurverpakking met vierentwintig afzonderlijke kipfilets, zodat we genoeg proteïnen hebben om een Canadese invasie te overleven. Als dat gebeurt, komen ze hopelijk vanuit Toronto en brengen ze hun eigen tomatensaus mee. Papa heeft immers neven uit Puglia in het noorden.
‘Je moet drankjes gaan inschenken,’ fluistert mama als ik door de eetkamer loop met de extra bak ravioli. ‘Papa staat onder de douche. Je oom en tante zijn vroeg.’ Ze trekt een gezicht.
‘Rustig maar,’ fluister ik terug.
Een van de taken in de familie is mijn moeder wegtrekken bij de afgrond voordat ze buiten zichzelf raakt als niet alles precies volgens haar plan verloopt. Haar angst zwelt aan tot paniek wanneer ze een grote groep mensen te eten moet geven en toch nodigt ze ze altijd zelf uit. Dat is een van de vele mysteries waaruit mijn moeder bestaat. Haar dromen van hoe het zou kunnen zijn overstijgen haar vermogen, wat haar frustreert. In plaats van haar beperkingen te kennen, doet ze alsof ze die niet heeft. Onze familie heeft geleerd om om haar onmogelijke verwachtingen heen te werken. Je moet mijn moeders gekte de kop indrukken voordat ze haar eigen pin eruit trekt en ontploft als een granaat, waarna we haar woede als voorgerecht moeten opdienen op crackers.
‘Ma, fok je niet zo op. Ga wat lippenstift opdoen. Ik regel het.’
‘Ik weet niet wat ik zonder mijn Giuseppina zou moeten.’ Ze glipt de trap op.
‘Dat is lang geleden,’ grapt oom Louie vanaf de keukentafel.
‘Hoe is het met de baas?’ vraag ik.
Louie wendt zich tot zijn vrouw. ‘Hoe gáát het met je, Lil? Vertel.’
Tante Lil zit op de bank naast Louie. Ik kus haar op haar wang. Haar zeventigjarige gezicht is rimpelloos. (‘Zo herken je een kinderloze vrouw,’ zegt mijn moeder, ‘of een vrouw die een paar jaar ouder is dan haar man maar dat niet wil laten blijken.’) Ik zie mijn tante anders. Tante Lil is sterk. Ze kent haar beperkingen en maakt zich niet gek met pogingen om mensen te pleasen. Ze is een aangetrouwd familielid, met eigenwaarde.
‘Wat ruik je toch altijd lekker, tante.’
‘Dat geurtje heet Duur,’ grapt oom Louie.
‘White Diamonds van Elizabeth Taylor,’ verbetert tante Lil hem. Ze heeft nieuwe blonde highlights in haar korte kapsel, ook al draagt ze een gemakkelijk zittend donkerblauw velours joggingpak en sneakers met plateauzolen (waardoor ze een meter vijftig lang is). Net als Beyoncé zijn haar handen, hals en oren bedekt met diamanten. Echte diamanten. En tante hoefde niet in een met kristallen bezette bodysuit en een cowboyhoed in een moshpit te springen om ze te verdienen, ze hoefde het huis niet eens uit.
‘Wat dachten jullie van een whisky-soda à la Baratta, kinderen?’ bied ik aan.
Ik meng gin, ginger ale en een scheut Dubonnet in twee hoge glazen met veel ijs. Ik schuif een schijfje citroen over de rand van elk glas.
‘Wat leuk dat jullie zo vroeg zijn,’ jokt mijn moeder terwijl ze haar broer en schoonzus begroet. ‘Ik wilde in de woonkamer onze cocktails drinken. Je weet wel, als beschaafde mensen.’
‘Ander keertje, zus. Alle actie is in de keuken.’ Oom Louie proost met haar en neemt een slok.
Mama haalt haar schouders op en dient de voorgerechtjes op: hompen Parmezaanse kaas, dunne schijfjes salami en knapperige taralli. Ze pakt servetjes van de stapel, één voor elke gast, met daarop de tekst: nog één slok en je bent een ezel.
‘Ga zitten, Phil. Doe alsof je thuis bent. Wie heeft deze gemaakt?’ Oom Louie houdt een tarallo omhoog.
‘Ik.’ Mama strijkt het rood geblokte tafelkleed met haar handen. ‘Hoe smaken ze?’
Oom Louie geeft geen antwoord, maar begroet mijn vader. ‘Daar is-ie dan!’
Papa komt de keuken binnen in een zoete wolk Aqua Velva-reukwater, zijn natte haar uit zijn gezicht gekamd alsof het de eerste schooldag is. ‘Hoe gaat het, Lil?’
‘Prima, Joe.’
‘Wil je een whisky-soda, pap?’
‘Waarom niet?’ Papa gaat op zijn stoel aan het hoofd van de tafel zitten. Het is de enige stoel met armleuningen en een kussen op de zitting, want papa past niet op het bankje en krijgt ischias van de stoelen met rechte rugleuning. ‘Heb je nog nieuws?’
Oom Louie kijkt me aan. Voordat ik hem kan tegenhouden, kondigt hij aan: ‘Ik ga met Jess naar Italië. Voor zaken. Lil wil niet. Ze kan niet zonder haar soaps en ik weet niet of ze die in Italië kan ontvangen.’
‘Ik zou ze best kunnen opnemen,’ oppert Lil. ‘Ik heb gewoon geen zin in rondsjouwen. De herfst is om te schuilen.’ Lil slaat haar armen over elkaar alsof ze het koud heeft, ik daarentegen zweet in de warme keuken alsof ik tyfus heb.
Mama klapt in haar handen. ‘Je vader en ik gaan met je mee op reis. Wij schuilen nooit.’
‘Het is een zakenreis, en we –’ begint oom Louie.
Mama onderbreekt hem: ‘We vragen Joe en Connie ook. Dan nemen ze de kinderen mee. Die zijn nog zo jong dat ze straffeloos wat school kunnen missen. We gaan in B&B’s logeren. Of we gaan zo’n Middellandse-Zee-cruise doen. Ze hebben trips voor gezinnen! Wil je op de boot blijven? Blijf! Wil je van de boot om rond te kijken? Ga! Dit is de terugkeer naar onze Italiaanse wortels! Het is mijn droom! Zelfs filmsterren gaan erheen. Lorraine Bracco heeft een huis op Sicilië gekocht. En Stanley Tucci at zich een weg door het vasteland. Italië is een hippe bestemming! Waarvoor ben je anders met pensioen? Niemand heeft het eeuwige leven.’
‘Je bent niet uitgenodigd.’
Papa, mama, tante Lil en oom Louie kijken me vreemd aan. Misschien denken ze dat ik dronken ben. (Ik zou niet de eerste vrouw uit de familie Cap of Baratta zijn die tijdens het bereiden van de zondagse maaltijd dronk.) Het zal me worst zijn! Ik laat deze reis niet veranderen in iemand anders’ idee van een Italiaans avontuur voordat ik dat zelf heb beleefd. Daarvoor is het gewoon te belangrijk. De afschuwelijkste term vind ik niet ‘onverwachte turbulentie’ of ‘gruwelijk ongeluk’ of ‘losse huid’. Het is: ‘gezinsvakantie’.
‘O.’ Mijn moeder legt haar handen in haar schoot.
‘Ik meen het.’ Het wordt stil rond de keukentafel. Het enige geluid komt van de sudderende saus. ‘Je mag niet mee.’ Ik houd krampachtig een schuimspaan in de ene hand en een vleesvork in de andere vast als wapens. ‘Dit is mijn eerste reis naar Italië, die ga ik niet delen.’
‘Het is verdorie een land.’ Mijn moeder ziet er gekwetst uit. ‘Het is voor iedereen.’
‘Deze keer niet. Het is een zakenreis. Er is geen tijd voor sightseeing en winkelen. Toch, oom Louie?’ Mijn stem breekt. Ik kijk naar hem voor steun.
‘We zouden daar best wat kunnen gaan pingelen, en dat kan best heftig worden.’ Louie speelt het spelletje mee. ‘Deze keer is alleen voor Jess en mij.’ Oom Louie gebaart dat ik mijn wapens moet neerleggen. ‘Dit is uitsluitend voor zaken, en we hebben veel te doen.’
Mama heft haar handen. ‘Oké. Dan gaan we niet. Ik heb me in mijn hele leven nog nooit zo afgewezen gevoeld. Ik dacht dat we aangenaam gezelschap waren.’
Mijn moeder is net een zwarte pijl: haar rechte neus en volle lippen bieden tegenwicht aan haar volle wenkbrauwen. Ze heeft ze niet te veel geëpileerd in de jaren zeventig en nu ze bijna zeventig is, blijkt dat zijn vruchten af te werpen. Ze ziet er jeugdig uit, ook al lijkt haar haar op Nero Marquina-marmer, zwart als ebbenhout met witte strengen, maar alleen omdat het weer bijgekleurd moet worden.
‘Philly, bekijk dit als verkenning voor de volgende reis, waarbij iedereen mee kan. Jess en ik gaan de situatie peilen. Ik beloof je dat ik je zal meenemen. Maar dit? Dit is een tweemansoperatie.’
Godzijdank stommelen mijn zus, Connie, haar man en hun drie dochters luidruchtig binnen.
‘De familie Dominguez is geland. Schoenen uit, allemaal!’ schreeuwt mama vanuit de keuken. Dan zegt ze zachter tegen mij: ‘Ik zou graag zien hoe je tegen je zus gaat zeggen dat je zonder haar, haar man en kinderen naar Italië gaat. Dat gaat trammelant geven.’
Ik werp oom Louie een wanhopige blik toe. Hij klopt op een denkbeeldige lap deeg op de keukentafel. Niet reageren. Niet happen, Jess.
‘Het is echt hondsmoeilijk om drie meisjes klaar te maken voor de zondagse maaltijd,’ meldt Connie als ze de keuken binnenkomt in een moeiteloos chique outfit bestaand uit een beige pantalon en een zijden blouse. Ondanks drie bevallingen is haar buik hol, net als het kuiltje bloem dat we op de marmeren snijplank maken als we deeg kneden voor verse macaroni. ‘Ma, je bent een heilige. Ik weet niet hoe je het vroeger hebt klaargespeeld.’
‘Het was ook niet makkelijk. Echt niet.’ Mama neemt een slok van haar whisky-soda.
Connie gaat rond om iedereen een kus te geven. Ze is tenger en haar steil geföhnde donkerblonde haar valt zonder te kroezen als een waterval over haar schouders.
‘Dank je wel voor de uitnodiging.’ Diego schudt mijn vader de hand en geeft mama een kus. Hij is lang en slank, en heeft een kleine neus en volle wenkbrauwen. Hij draagt een bril, waardoor hij een heel slimme professor lijkt, ook al werkt hij in de financiële wereld. ‘Meiden, ga nonna en nonno, zio Louie en zia Lil eens begroeten.’
Alexa, Alicia en Abby zijn tien, negen en acht en kunnen doorgaan voor een drieling. Ze hebben bruine ogen en woeste donkere krullen, die ze van mij geërfd hebben.
‘En vergeet tante Jess niet,’ zegt Diego tegen zijn dochters.
‘Niet bij het fornuis komen. Ik kom wel naar jullie.’
‘Hé, meiden, jullie hebben het haar van tante Jess,’ zegt Diego.
‘Sorry.’ Ik kniel en geef een groepsknuffel aan de meiden.
‘Nee, we zijn dol op krullen, toch?’ Connie kijkt me kwaad aan. ‘Toen God de meisjes vanuit de hemel naar beneden stuurde, wilde hij dat ze krullen in hun haar hadden, zoals bij een mooi ingepakt cadeautje. Krullen als zo’n lint, toch, meiden?’
‘Sorry.’ Ik knuffel mijn nichtjes. ‘Jullie zijn krullenkopjes en ik hou van jullie.’
‘Wie wil er een tarallo?’ Papa houdt de schaal omhoog.
‘Eigenlijk moeten ze iets zouter,’ zegt Diego bedachtzaam tijdens het kauwen. ‘Maar de textuur is perfect.’
‘Diego, je bent zo goed als Italiaans,’ merkt mama op.
‘Waarom kunnen de Italianen niet zo goed als Colombiaans zijn? Italianen vinden altijd dat ze zelf het beste zijn,’ grapt Diego.
‘Omdat we dat ook zijn.’ Oom Louie glimlacht.
Ik geef Diego een cocktail voordat hij het gaat opnemen tegen oom Louie. De whisky-soda zal de scherpe kantjes eraf halen en die zijn er genoeg om te vijlen en polijsten, als een marmeren plaat, te beginnen met de relatie met de koude kant. Connie en Diego zijn al twaalf jaar getrouwd, maar hij zit nog steeds in zijn proeftijd. Zo gaat het bij ons met aangetrouwde familie: er is een assimilatieperiode voor iedereen die in de familie trouwt, behalve natuurlijk voor Bobby Bilancia, die werd vereerd omdat hij dé vangst van Lake Como was.
Diego heeft zijn glas. ‘Op de Italianen!’ Diego leidt een klein hedgefonds, hij is nog niet rijk, maar dat komt nog wel, en dan zal alles wat hij in dit huis zegt gewicht hebben.
Mijn broer Joe roept: ‘Ma, we zijn er!’ terwijl hij binnenkomt. Degene die het meeste gewicht heeft is binnen. Katie – zijn vrouw, de interieurontwerpster – en hun kinderen trekken gedisciplineerd hun schoenen uit en zetten ze netjes onder het gestoffeerde bankje. Mijn broer trotseert de huisregel echter en houdt zijn schreeuwend dure, gepoetste loafers aan, gewoonweg omdat hij dat kan.
‘Breng de ravioli,’ beveelt mijn moeder. ‘Je broer is er.’ De aankomst van Joseph Baratta jr. wordt aangekondigd alsof de NASA een ster aan de hemel heeft ontdekt die warmer en feller brandt dan de zon.
Joe draagt een jasje en een stropdas, wat hij al zijn hele leven doet behalve toen hij in het honkbalteam van school zat en het uniform droeg. Hij lijkt meer op de Cap-kant, met de grote, rechte neus, volle lippen en meedogenloze bruine ogen. Zijn vrouw, Katie, is een tengere roodharige, met een paar sproetjes op haar neus, felblauwe ogen en een slank, atletisch lichaam. Hun zoon en dochter hebben rood haar en blauwe ogen, als een gecoördineerd stel aangestoken lucifers. Ze lijken totaal niet op mijn broer of op onze kant van de familie.
‘Wie ben jij?’ vraagt oom Louie aan het zoontje van mijn broer, dat naast hem op het bankje klimt. ‘Rattigan?’
‘Rafferty.’ Mijn neefje van zeven giechelt.
‘En wie ben jij?’ Oom Louie wijst naar de zesjarige dochter van Joe en Katie, die zich achter haar moeder verstopt.
‘Dat is mijn zus,’ roept Rafferty. ‘Ze is bang.’
‘Hoe heet ze? MacDougal?’ vraagt oom Louie, oprecht vergeetachtig.
‘Mackenzie!’ zeggen Rafferty en Mackenzie in koor.
‘Mackenzie is een familienaam aan Katies kant, oom Louie,’ zegt Joe ongeduldig.
‘Kom op, Joe. Ik plaag maar wat. Je kent me, ik zoek het Italiaanse tintje. Blijkbaar moet ik bij jouw kinderen diep in de aarde wroeten met een vork voordat ik op een Etruskische graftombe stuit.’
Katie komt tussenbeide. ‘Je hoeft niet te wroeten, oom Louie. Het zijn Baratta’s, de Italiaanse kant blijkt uit hun achternaam.’
‘Daar heb je gelijk in,’ zegt oom Louie vriendelijk. ‘Vergeef me. De Italianen van mijn generatie werden vernoemd naar dode mensen die we nooit hadden ontmoet. Dat was de gewoonte. Jullie noemen jullie kinderen naar Ierse pubs. Dat is vooruitgang.’
Ik zet een schaal crostini op de keukentafel. Alle handen gaan ernaartoe alsof het tijd is om in te zetten aan een blackjacktafel in Las Vegas. Al snel stampen de kinderen weg, smijten de kelderdeur open en gaan naar beneden.
‘Niets aanraken daarbeneden!’ roept mama hen na. ‘Er staan allemaal elektrische apparaten.’
‘Het komt wel goed, ma,’ stel ik haar gerust. Ik zal later wel nadenken over de vraag waarom ík wel in een potentiële elektrocutiesituatie kan wonen, maar het voor spelende kinderen niet veilig is.
‘Even serieus, Katie, Joe. Het zijn prachtige kinderen. Na het eten ga ik ze vermaken,’ zegt oom Louie. ‘Ik heb een rolletje muntjes mee.’
‘Kinderen willen geen muntjes meer, Lou,’ vit tante Lil. ‘Ze hebben videospelletjes en iPhones.’
‘Kan een telefoon trucjes?’ Oom Louie haalt een glanzend muntje uit het oor van tante Lil.
De kinderen komen terug uit het kelderappartement. Alexa houdt mijn therapieopdracht hoog boven haar hoofd. ‘Wat is dit, tante Jess?’
Mijn familieleden draaien zich om en kijken naar het kartonnen bord met de collage van inspirerende woorden en plaatjes uit tijdschriften die ik heb gemaakt.
‘Wat is dat?’ Ma tuurt. ‘Dat lijkt wel een kniehoge laars.’
‘Dat is Italië, zus,’ verbetert oom Louie haar.
‘Dat is mijn moodboard.’ Mijn stem breekt. Voor iemand die haar geld verdient met tekenen, is de collage een amateuristische poging tot zelfverwerkelijking. Ik voel me naakt. Kwetsbaar.
‘Alexa, je mag niet aan de persoonlijke spullen van je tante komen. Breng het weer naar beneden.’ Connie geeft haar dochter een standje. Zo te zien kan mijn nichtje zo in huilen uitbarsten.
‘Het is niet erg. Ik laat je straks wel zien hoe je er een kunt maken, Alexa.’ Ik schep de ravioli uit het kokende water en leg ze op een dienschaal.
‘Waar is dat moodboard voor?’ vraagt mijn moeder.
Nu dat zonder mijn toestemming openbaar is gemaakt, kan ik net zo goed vertellen dat ik verlichting zoek, ook al gaat het hen niets aan. ‘Dat was een visualisatieoefening. Ik ben in therapie.’
‘Wat?’ gilt mijn moeder.
‘Therapie is iets goeds, ma,’ zegt Katie.
‘Dat hangt af van de therapeut.’ Diego knikt. ‘Maar als je van hem collages moet maken, klinkt dat creatief.’
‘Van haar. Het is een therapeute.’ Ik schep de saus over de ravioli. ‘Via internet.’
Mijn moeder bet haar voorhoofd met een servetje. ‘Praat je op internet met vreemden over je problemen? En pastoor Belaynesh dan?’ vraagt mama. ‘Hij komt hiervandaan. Kun je niet met hem praten?’
‘Ik ga niet naar een pastoor.’
‘Pastoors hebben alles al een keer gehoord in het biechthokje,’ zegt papa.
‘Mijn probleem nog niet,’ verzeker ik hem.
‘Een pastoor rekent geen geld,’ zegt mama.
‘Ik denk niet dat het om het geld gaat. Is alles oké, Jess?’ vraagt mijn broer.
Mijn zus bemoeit zich ermee. ‘Ik vind het goed dat ze dat doet. Jess heeft veel meegemaakt. Soms heb je het perspectief nodig van een volslagen onbekende die je op het politiebureau niet uit een rijtje verdachten zou kunnen pikken.’
‘Dank je, Connie.’ Ik kan altijd op mijn zus rekenen voor steun om therapie te volgen. Na de geboorte van Alexa heeft ze een keer gefloat, maar er zijn niet genoeg floatcabines op de wereld om mijn problemen te genezen. Mijn familie weet niets over me.
‘Moodboard of geen moodboard, je zus gaat met Louie naar Italië en ze neemt niemand van ons mee,’ zegt mama.
‘Een andere keer,’ breng ik mama in herinnering. ‘Italië ligt daar nog wel even.’
‘Ik begrijp niet wat we verkeerd hebben gedaan.’
Ik kijk mijn zus smekend aan, voor hulp om mama af te kappen voordat ik uit mijn plaat ga.
‘Ik vind het geweldig. Jess is nog nooit naar Italië geweest,’ draagt Connie bij. ‘Dat wil ze al haar hele leven. Toen we opgroeiden had ze een kaart van Italië boven haar bed en een poster van een Italiaans voetbalteam op onze kastdeur. Heb je ooit van je leven een voetbalwedstrijd gekeken?’
Ik schud van nee. ‘Ik vond het gewoon knappe jongens.’
‘Dat is een prima reden om een poster op te hangen,’ zegt oom Louie diplomatiek. ‘Ik had er een van Loni Anderson op mijn kantoor.’
‘Die moest hij weghalen van mij.’ Tante Lil knipoogt naar me.
Connie vervolgt: ‘Jess is afgestudeerd in Italiaanse cultuur. Ze heeft niet in het buitenland kunnen studeren. Het is hoog tijd. Laat haar gaan.’
‘Het eten is klaar. Iedereen aan tafel.’ Ik rasp Parmigiano-Reggiano over de ravioli dat de stukken eraf vliegen.
We gaan naar de eetkamer en nemen onze stoelen mee. Iedereen behalve ik, natuurlijk, omdat ik niet alleen kook maar ook opdien. Mijn vader neemt plaats aan het hoofd van de tafel. Ik zet de ravioli midden op tafel en leg de opscheplepel bij Connie neer. Ik pak de schaal raapstelen van het dressoir en zet die op tafel. Mama staat op. ‘Kan ik iets doen?’
‘Nee, hoor. Het gaat prima.’
De kinderen gaan op hun stoel aan het andere eind van de tafel zitten.
‘Is het niet heerlijk dat de kinderen oud genoeg zijn om zelf te gaan zitten?’ verwondert mama zich. ‘Ik hou van baby’s en peuters, maar die kinderstoelen…’ Ze trekt een gezicht. ‘Wat was ik blij dat we die konden verkopen.’
‘Misschien heb je ze te snel verkocht,’ zegt Diego.
‘Heb je nieuws, Connie?’ vraagt mama hoopvol.
‘Nee. En dat komt ook niet.’
Aan de andere kant van de tafel zwaait Katie. ‘Hier ook geen nieuws. Nooit meer.’
‘Maar misschien krijgt Jess ooit nog een kind,’ oppert Diego. ‘Gooi al die plastic zooi nog maar niet weg. Misschien heb je die nog een keer nodig.’
Tante Lil wil me redden. ‘Heb je hulp nodig in de keuken, Jess?’
‘Absoluut niet, Lil. Ga zitten.’ Mijn moeder glimlacht naar haar. ‘Dit is Giuseppina’s show.’
‘Ik ben blij dat ik net als zia Giuseppina een zondagse maaltijd kan verzorgen.’ Ik dwing mezelf tot een glimlach.
Oom Louie snijdt een delicaat raviolikussentje in tweeën. Hij sluit zijn ogen en proeft. ‘Jess, je lijkt maar in één opzicht op je oudtante. Je maakt lekkere saus.’
‘Koken is belangrijk,’ begint mijn moeder. ‘Maar er zijn nog meer belangrijke dingen. Ik hoop dat al mijn kinderen en hun kinderen een theelepeltje van zia’s diepe geloof hebben. Ze had een heel hoge morele standaard.’ Mijn moeder zit rechtop, zoals die Sloveense acrobaten die een piramide maken van hun hele familie op stoelen boven op hun hoofd.
‘Ik ben vereerd dat ik haar naam draag en haar recepten mag maken.’ Ik bedien de kinderen. ‘Familie is het allerbelangrijkste.’
‘Ik zag ons niet staan op je moodboard,’ zegt mama binnensmonds.
‘De artisjokken zijn perfect. Precies genoeg broodkruimels,’ zegt papa, om de aandacht af te leiden van mijn moeders kritiek.
‘Graag gedaan, papa.’
‘Ze zijn heel arbeidsintensief. Je hebt al een drukke baan, fijn dat je dit doet.’
‘Het is het minste wat ik kan doen, papa. Ik hoef per slot van rekening geen huur te betalen.’
‘Je bent ons kind,’ zegt mama.
‘Jullie hoeven je geen zorgen te maken. Jullie kunnen de kelder binnenkort verhuren, want ik ben appartementen aan het bekijken.’
Mama legt haar vork neer. ‘Appartementen? Waar?’
‘In Hoboken.’
‘Hoboken! De Caps zijn die desolate plek ontvlucht zodra ze wat geld hadden verdiend! Waarom zou je teruggaan?’
‘Philly, het is maar een uur rijden,’ zegt papa.
‘Jess mag wonen waar ze wil,’ zegt Connie. ‘Ze is boven de dertig.’
‘Dat hoef je niet van de daken te schreeuwen, oké?’ waarschuwt mama haar. ‘We vechten allemaal tegen de klok.’
‘Ik vind Hoboken leuk.’ Oom Louie knipoogt naar mij.
‘Hoboken is niks! Daar wil je niet dood gevonden worden!’ zegt mama.
Oom Louie, tante Lil en mijn vader wisselen blikken. Ondanks mijn serieuze inspanningen heeft mijn moeder haar pin eruit getrokken. De geheimen die ik wilde bewaren zijn onthuld. Nou ja, drie ervan. Italië, Hoboken en therapie liggen nu op tafel, warm opgediend als de schaal met vleeswaren. Mijn levenskeuzes zullen geanalyseerd, opgeprikt en opgevreten worden als de gehaktballetjes, kippenpoten en spareribs.
‘Je verlaat ons, meid,’ zegt papa verdrietig.
* * *
Ik vertel het mijn familie nooit direct als ik een belangrijke beslissing heb genomen, omdat ik in hun ogen doorgaans de verkeerde neem. Maar dokter Sharon heeft me in één enkele sessie dit geleerd: voor de dag ermee. Houd je niet in. Laat je geheimen los als een tros rode ballonnen op een zonnige dag en laat ze hun eigen weg zoeken, omdat het niet jouw probleem is waar de waarheid naartoe gaat, het is alleen belangrijk dat je haar vertelt. Het kan niet snel genoeg 1 november zijn.
‘Je meent het. Wanneer ga je verhuizen?’ Mijn moeders stem breekt.
‘Zo snel mogelijk,’ zeg ik tegen haar.
‘Je hebt er niet goed over nagedacht. Het verkeer in North Jersey is afschuwelijk,’ klaagt mama.
Ik sla een ferme toon aan en kijk mijn moeder aan. ‘Hoboken is veranderd. Het is er prachtig.’
‘Ik heb gehoord dat ze er een goede Target hebben,’ zegt mijn zus ter ondersteuning. ‘Het is er intussen erg chic.’
‘Bedankt, Connie. Het is tijd dat ik het nest verlaat. Hoewel ik geen vogels ken die in een kelder wonen.’
Ik loop de keuken in en kom terug naar de eetkamer met een zilveren dienblad met koffiekopjes en schoteltjes, een pot espresso en een kan warme koffie, het melkkannetje en de suikerpot. Het is de laatste ronde van de zondagse maaltijd. De tiramisu, in een rechthoekige springvorm, lijkt net een klein American footballveld, besprenkeld met chocoladepoeder. Ik zet hem onder een koor van complimenten midden op tafel. Katie neemt het dienblad van me over en serveert de koffie. Ik zet twee grote houten kommen gemengde noten in de dop aan elk uiteinde van de tafel. Ik spreid de zilverkleurige notenkrakers en -pellers uit op het tafelblad.
‘Ga je de kinderen roepen, liefje?’ vraagt mama me.
‘Ik heb ze allemaal een ijsje gegeven. Ze zijn zich aan het uitleven in de achtertuin.’
‘Vertel eens over je reis naar Italië,’ zegt Katie terwijl ze een walnoot kraakt. ‘Wat staat er op het programma, oom Louie?’
‘Om te beginnen gaan we naar de mijn in Carrara. Waar ik heb gewerkt. Wanneer was dat ook alweer, Lil?’
‘Geen idee. Toen kende ik je nog niet.’
‘Dat moet dan ’71 of ’72 zijn geweest.’
‘Dat klopt. We hebben elkaar in ’73 ontmoet.’
‘Hoe kon ik dat vergeten? In dat zomerjurkje van je zette je die zomer mijn leven op z’n kop. Dat was op het Italiaanse Festival in Hoboken.’
‘Je bent geobsedeerd, oom Louie.’ Connie geeft de koffiemelk door aan Diego. ‘Moet je ze nou zien. Al eeuwen getrouwd en nog steeds verliefd.’
‘Het is prachtig.’ Diego rolt met zijn ogen. ‘Misschien omdat ze geen kinderen hebben.’
Er valt een stilte in de eetkamer, alleen doorbroken door het geluid van mijn vader die een lastige walnoot kraakt.
‘We hadden heel graag een kindje gekregen,’ zegt tante Lil zacht. ‘Maar daarmee zijn we niet gezegend.’
‘Het spijt me, tante Lil.’ Diego is oprecht berouwvol.
‘Maar goed,’ vervolgt oom Louie. ‘Toen ik in Italië woonde, moest ik van alles doen in de mijn. Ik begon als loopjongen. Toen leerden die mannen me steenhouwen. Als je eenmaal kunt steenhouwen, ken je geen angst meer. Ik was in hoger sferen. Letterlijk. Ik bungelde aan touwen in de lucht als een trapezewerker.’
‘Als je niet achter de meisjes aan zat.’ Tante Lil draait met haar ogen. ‘Hij hengelde de meisjes binnen met zijn slechte Italiaans.’
‘Hij heeft wel meer gedaan, Lil. Je bent bijna doodgegaan op die berg, toch, Lou?’ vraagt mama.
‘Ja, maar ik heb het gered. Geef me al het gevaar op de wereld maar, als je mij Italië geeft.’ Oom Louie knipoogt naar me.
‘Katie en ik zullen wel voor je afwassen.’ Connie glimlacht en drinkt haar wijn op.
‘Dank je, Con.’ Strikt genomen doen ze de afwas voor ons allemaal, want iedereen heeft van de maaltijd gegeten die ik heb bereid, maar goed. Ik snijd een flink stuk tiramisu af en leg het op een bord. Ik vraag me af hoe ze het volgende week gaan doen met al het koken, opdienen en opruimen. Dat is niet mijn probleem. Ik ga ergens anders zitten, naast tante Lil en oom Louie.
‘Heb jij dit gemaakt?’ Oom Louie neemt een hap. ‘Precies genoeg Amaretto, verzadigd maar niet zo erg doordrenkt dat de cake zompig is.’ Oom Louie legt zijn vork neer. ‘Ga de kinderen maar halen,’ zegt hij tegen Connie. ‘Het is goocheltijd.’
‘Beloof je dat je ze geen Italiaanse scheldwoorden zult leren?’ vraagt Connie op weg naar de achtertuin.
‘Weet je, Connie? Je bent mijn nicht en ik hou van je, maar met al die regeltjes van je haal je alle sjeu uit het leven. Ontspan toch eens. Een van de fijnste momenten van mijn leven was de dag dat mijn oom Mike me het woord fongool leerde. Dat gebruik ik sindsdien ter ere van hem.’
‘Wat sneu,’ barst mijn moeder uit. ‘Je kunt je oom Mike beter eren door een motor uit elkaar te halen en hem weer in elkaar te zetten, niet door het f-woord te gebruiken.’
‘Doe wat Connie vraagt, Lou,’ zegt Lil. ‘Het zijn haar kinderen.’
De kinderen komen om oom Louie heen staan, die zijn stoel achteruit heeft geschoven. Hij zit.
‘Wie wil er een muntje?’ vraagt oom Louie de kinderen. Ze gillen het uit als oom Louie een glanzend nieuw muntje uit Alexa’s oor haalt en het aan haar geeft.
‘Ik ook, oom Louie!’ Rafferty springt op en neer.
Een voor een kriebelt oom Louie aan hun oor en haalt er op magische wijze een muntje uit. Ik heb me net omgedraaid om de koffiekan te gaan bijvullen in de keuken als Mackenzie zegt: ‘Wat is er met oom Louie aan de hand?’
Ik draai me weer om. Oom Louie zit naar voren gezakt op de stoel. De muntjes vallen uit zijn hand en rollen over de vloer.
Mijn vader staat op en schuift zijn stoel aan de kant.
‘Louie, wat is er?’ schreeuwt tante Lil. ‘Louie!’
‘Ma, breng tante Lil naar de woonkamer,’ zegt Joe kalm. ‘Naar buiten, allemaal. Naar de woonkamer. Nu.’ Diego gaat met Connie, Katie en de kinderen naar de woonkamer. Voor het eerst sinds hun komst zijn de kinderen stil. Tante Lil huilt echter wanhopig. Ze roept de naam van haar man terwijl mama haar zachtjes naar de woonkamer duwt.
‘Ik bel de ambulance.’ Joe tikt op zijn telefoon.
‘Lou, gaat het?’ Mijn vader probeert oom Louie recht op de stoel te hijsen.
Oom Louie geeft geen antwoord, zijn ogen zijn glazig en ongefocust.
Al snel komen er twee ambulanceverpleegkundigen binnen. Connie wijst ze de weg naar de eetkamer. Ze zijn jong, begin twintig. Ze knielen en onderzoeken oom Louie. Ze hebben apparatuur bij zich en een brancard, twee andere verpleegkundigen tillen hem van de grond en binnen een paar seconden ligt mijn oom op de brancard. Een van de verpleegkundigen praat zachtjes tegen hem om precies uit te leggen wat ze doen, maar ik betwijfel of oom Louie hem hoort. Hij heeft dezelfde kleur als de terrazzovloer met grijze spikkels die hij in 1992 in onze eetkamer heeft gelegd.
Terwijl oom Louie naar buiten wordt gereden op de brancard duwt mijn moeder me in paniek naar de deur.
‘Ga met hem mee in de ambulance,’ zegt ze. ‘Ik rijd er wel achteraan met Lil. Ze is hysterisch.’