Hoofdstuk 5: Louie, Louie - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Oom Louie ligt op zijn rug in een ziekenhuisbed te slapen, onder een dunne deken met de kleur van een limoensorbet. Ik ben blij met het gesnurk tussen zijn ademhalingen, dat even ritmisch is als het zachte geping van de monitor boven zijn bed. De dokter verzekerde me ervan dat ze de resultaten van zijn onderzoeken morgenochtend hebben. De zon kan niet snel genoeg opkomen.
Ik weet niet waarom mijn moeder ons eten heeft gebracht. Haar broer heeft een hartaanval gehad. Gehaktballetjes, worst, varkensvlees en tomatensaus zijn qua voedsel niet de eerste keus voor iemand met verstopte slagaders. Ik verplaats de vierkante plastic bakjes met kliekjes van de zondagse maaltijd die op de vensterbank staan alsof ik tien jaar ben en het Lego is. Ik denk terug aan de takels en de hijskraan op de pier, de laatste keer dat het marmer uit Italië aankwam. Ik kan niet slapen, dus open ik de notitie-app en schrijf. Ik voel hoe belangrijk het is om geen enkel detail over mijn leven met Louie Cap te vergeten.
Perth Amboy is een klein stadje aan een brede inham van de Atlantische Oceaan, met de drukste bedrijfsmatige pier van de kustlijn van New Jersey. Twee keer per jaar kwam er een vrachtschip uit Italië om een lading Carrara-marmer en Toscaans graniet af te leveren. De leveringen in Perth Amboy vormen een traditie van de familie Capodimonte die begon bij mijn overgrootvader. Oom Louie had uitgerekend dat de levering in de lente van 2024 zijn zesennegentigste was.
Oom Louie hield afstand toen een plaat Carrara Borghini, stevig vastgemaakt met touwen en haken, van het dek van het vrachtschip de lucht in werd gehesen. Het marmer zweefde langzaam door de lucht aan een katrol die werd bediend door de mannen op de kade. De enorme plaat glinsterende witte steen, met lichtblauwe en goudkleurige adertjes, zeven meter hoog en bijna net zo breed, hield het zonlicht tegen terwijl hij op de kade werd neergelaten.
De arbeiders met handschoenen aan gingen snel om de plaat heen staan. Ze haakten de touwen los en lieten hem rechtop in een kist zakken, waar hij zou blijven staan tot hij per vrachtwagen naar allerlei bestemmingen in New Jersey zou worden vervoerd. Een voor een vlogen de platen door de lucht en al snel kreunden de houten planken van de pier onder onze voeten door het gewicht van al het steen. De hele operatie leek op het bouwen van de wolkenkrabber in The Fountainhead, de favoriete oude film van oma Cap. Perth Amboy had alles, behalve Gary Cooper en zijn boor.
Oom Louie was één bonk zenuwen tijdens het transport. Marmer is kwetsbaar, ook al is het een werkpaard. Als je het steen op een kwetsbare plek raakt, versplintert het, en hou je steenslag over. Wat dat betreft lijkt marmer erg op een mens.
Een zwarte Cadillac SUV stopte aan het eind van de pier, naast oom Louies Impala.
‘Hoi, Googs.’ Ik zwaai naar de man terwijl hij uit zijn auto stapt. ‘Hier!’
Oom Louies incidentele zakenpartner kwam naar ons toe. Hij droeg een marineblauw krijtstreeppak met een wit overhemd en een felroze stropdas. Zijn witte haar was netjes met gel achterovergekamd. Door zijn gezicht met zware kaken leek hij net een Italiaanse buldog.
‘Hoe gaat het hier?’ Googs tuurde naar de laatste plaat marmer die door de lucht zweefde op weg naar de kade.
‘Het ziet er goed uit,’ zei ik tegen hem. ‘Geen problemen.’
Googs bromde. ‘Nog niet.’
Ik liep achter hem aan de pier op naar oom Louie.
‘Waar bleef je nou, verdomme?’ vroeg oom Louie.
‘Ik was bezig met de papierwinkel, Lou,’ legde Googs uit. ‘Ik zwem erin.’
‘Als een haai.’ Louie bleef naar de marmeren plaat in de lucht kijken. ‘Er zit een geweldige goudkleurige ader in dit Nero Azzurro. De snijrand is zo glad als fondant. Het is de helft van de levering die ik verwachtte, maar zo zijn Italianen nou eenmaal. Ze sturen wat ze willen, ongeacht wat je hebt besteld.’
‘Ik regel het wel, geen zorgen,’ verzekerde Googs hem. ‘Dat joch van Kerrigan is een goeie. Als er te weinig is geleverd, zet hij het aan zijn kant wel recht.’
Oom Louie maakte een plofgeluid met zijn lippen, een teken dat hij nadacht en niet blij was met de loop van die gedachten. Hij stopte zijn handen in de zakken van zijn gilet en liep naar het eind van de pier, waar hij bij de vrachtmanager ging staan, die een overall droeg. De katrollen piepten terwijl de plaat werd neergelaten. Oom Louie wipte op en neer op zijn tenen terwijl hij het einde van de overdracht gadesloeg. Googs ging dicht bij oom Louie staan en luisterde met één oor naar het gesprek tussen oom Louie en de baas op de pier.
Oom Louie was dol op exclusieve producten. Hij drukte klanten op het hart dat ze nergens anders op de markt Carrara-marmer zoals dat van hem konden vinden. Soms hadden we uiteindelijk meer voorraad dan we nodig hadden. We probeerden altijd in te schatten hoeveel steen we nodig hadden en niet te blijven zitten met een overschot, maar dat gebeurde bijna altijd wel, hoeveel berekeningen we ook maakten. Elke wasbak in elk toilet in elk huis aan het meer was van Arabescato, roze marmer met advocaatgele aders, afkomstig uit Louies overschot, dat hij niet op de markt wilde brengen.
Oom Louie stelde voor om de lading samen met Googs te inventariseren, die instemmend knikte.
Zodra oom Louie zijn gesprek met de manager had afgerond, liepen Googs en hij de pier over naar de plek waar de arbeiders in een rijtje voor de marmeren platen stonden. Oom Louie gaf de voorman een hand en haalde met zijn linkerhand een envelop uit de borstzak van zijn jasje. De voorman nam de envelop aan en stopte hem in zijn achterzak, om de inhoud later uit te delen. Zelfs een topgoochelaar zou een dichte envelop niet zo soepeltjes hebben kunnen afgeven.
In die envelop zaten contante fooien, briefgeld zo knisperend als de dag waarop ze van de drukker kwamen, en ik zou het moeten weten. Ik telde het geld en plakte de envelop dicht. Ik keek toe terwijl mijn oom de hand van elke arbeider op de kade schudde en hem persoonlijk bedankte. Googs stond achter mijn oom en knikte terwijl die de rij langsging. Op die momenten bezat oom Louie de elegantie uit een andere tijd, toen het belangrijk was om voor mensen te zorgen en toen dankbaarheid werd uitgedrukt op manieren die degene die het werk deed echt iets opleverden.
‘Wat dachten jullie van wat eten?’ opperde ik na hun terugkomst.
‘Ja, zullen we?’ Oom Louie klapte zijn handen tegen elkaar en waste ze met onzichtbare handgel. ‘Ik ben uitgehongerd.’
‘Mama heeft de lunch gemaakt.’
‘Dan moet het wel lekker zijn. Mijn zus kan goed koken.’ Louie draaide zijn hoofd naar het picknickbankje bij de pier. ‘Zullen we buiten eten? Googs? Doe je mee?’
‘Dank je voor de uitnodiging, maar ik moet naar Brielle voor zaken.’
‘Dierlijk, plantaardig of vrouwelijk?’ plaagde Louie.
‘Grind.’ Googs grinnikte en salueerde voor mijn oom, waarna hij weer naar zijn auto liep.
‘Googs eet nooit met ons mee,’ zei ik terwijl ik de warmhoudtas van de achterbank van de Impala pakte. ‘Hoezo?’
‘Grind, ik geloof er geen zak van. Hij heeft alleen trek in vrouwen.’
‘Dat heeft blijkbaar geen invloed op zijn omzet,’ zei ik.
‘Hij is een goede verkoper,’ gaf oom Louie toe.
Wat verkopers betreft leerde oom Louie me: als iemand tegen je moet zeggen dat hij een goed mens is, is hij dat doorgaans niet. Bij Cap Marmer en Steen was ik verantwoordelijk voor de ontwerpen, de klanten en zo af en toe een lunch. Louie Cap sloot de overeenkomsten.
Oom Louie ging aan een oude picknicktafel zitten die in de loop der tijd was veranderd in gespikkeld wrakhout. ‘Hij is gammel, maar hij houdt je vast wel,’ zei mijn oom terwijl zijn telefoon ging. ‘Ik moet deze opnemen. Italië.’
Oom Louie facetimede met onze transportpartner, Conor Kerrigan, in Italië.
‘Ja, Conor. Ja… alles is prima. Een beetje weinig Borghini… Kijk maar wat je daaraan kunt doen. Ik zou vier ton kunnen afzetten als ik het had… Uh-huh… Va bene. Doe mijn nichtje maar de groeten.’ Louie richtte zijn telefoon op mij.
‘Ciao, Giuseppina.’ Conor Kerrigan was vijfendertig, en een knappe vent. Conors vader was met Cap Marmer gaan samenwerken rond de tijd dat oom Louie de zaak overnam van mijn opa. Conor nam de importkant over toen zijn vader een paar jaar geleden overleed. De marmerbranche is een familieaangelegenheid, en niet alleen voor Italianen.
‘Zullen we elkaar ooit in het echt ontmoeten?’ vroeg ik Conor.
‘Ik zal het je laten weten wanneer ik naar Jersey kom. Dan spreken we af,’ antwoordde hij vriendelijk.
Oom Louie en Conor namen een paar laatste details over de zending door terwijl ik het feestmaal uitpakte: pittige capocollo, flinterdun gesneden, op verse beboterde gevlochten broodjes, alles netjes in vershoudpapier verpakt, een bakje paprika, een thermosfles limonade en als toetje voor ieder een zandkoekje. Oom Louie beëindigde het gesprek. Hij pakte het broodje zorgvuldig uit en keek ernaar. Hij nam een hap en kauwde. ‘Dit is mijn lievelingsbroodje.’ Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Wat wil mijn zus? Ze is iets van plan.’
‘Volgens mij doet ze gewoon aardig tegen haar broer. Denk je dat ze een dubbele agenda heeft?’
‘Altijd.’ Oom Louie nam een slok limonade. ‘Dit is heerlijk, maar op een bepaald moment in je leven smaakt niets meer zoals vroeger.’
‘Wat triest.’
‘Misschien. Maar ik laat mijn humeur er niet door verpesten.’ Oom Louie prikte een paprika aan zijn plastic vorkje en at hem op. ‘Heeft Philly deze geweckt?’ Louie knikte goedkeurend. ‘Mijn zus had een restaurant moeten openen. Ik heb aangeboden het voor haar te financieren, maar ze kon niet vergeten dat ik haar niet in het marmerbedrijf wilde.’
‘Waarom niet?’
‘Een Italiaanse familie in zaken gaat ten onder.’
‘Dat meen je toch niet? Ferragamo? Prada? Gucci is honderd jaar oud.’
‘Denk je dat die mensen het leer snijden en de schoenen maken? Mannaggia. Denk je dat ze net zo werken als jij en ik? Echt niet! Ze besteden het werk uit aan fabrikanten en zetten hun naam erop terwijl zij op Capri onder een loggia zitten, wijn drinken en zich de hele zomer koelte toewuiven terwijl ze naar de voorbijvarende jachten van oligarchen kijken. Ze werken wel. Ze tellen het geld, meer handenarbeid doen ze niet. Daarom ben ik zo gesteld op die knul van Kerrigan. Met hem heb ik een eerlijk paar ogen en oren in Italië; hij is loyaal, net als zijn vader was. Je zaken zijn het lucratiefst als je een partnerschap met een goede Ier hebt.’
‘Wat is er tussen mama en jou gebeurd?’
‘Je moeder is niet goed met klanten.’ Oom Louie koos zijn woorden zorgvuldig, alsof hij één snoepje uit een bak koos. ‘Philly is niet echt wat je noemt hartelijk. Ze praatte klanten projecten uit het hoofd terwijl ze die juist moest aanprijzen. Als je moeder Cap Marmer en Steen had geleid, zou er niets anders over zijn dan steenslag als ze klaar was. Ze had er gewoon niet de handigheid in.’
‘We hebben haar gevraagd waarom ze wegging bij het bedrijf. Ze gaf ons altijd een ander antwoord.’
‘Ik heb haar ontslagen.’
‘We dachten dat ze zelf was weggegaan. Toen ze vertrok, zei ze alleen maar: “Ik praat nooit meer met mijn broer.”’
‘Dat was ook zo wat. Philly was conflictmijdend. Of moet ik zeggen dat ze oplossingmijdend was? Ze kon prima ruziemaken, maar ze wist nooit waarvoor. Ze nam alles persoonlijk op en was dan beledigd. In zaken is communicatie het belangrijkste. Hoorde je mij aan de telefoon met Conor? We discussiëren, we plannen en ik ben tactvol. Maar mijn zus? Die kon dat niet. Philly kreeg een driftbui, negeerde me, werkte me tegen en stuurde me naar het Eiland elke keer dat ze het niet met me eens was.’
Het Eiland was een denkbeeldige plek waar de Caps je naartoe stuurden als ze niet met je praatten. In andere families wordt dat ‘de koude schouder geven’ of ‘doodzwijgen’ genoemd. Soms wist je niet waarom je naar het Eiland was verbannen. Als de omstandigheden veranderden en ze besloten weer met je te praten, had je geen flauw idee hoe je van het Eiland was afgekomen, en dat vroeg je ook niet omdat je er niet naar terug wilde.
Ik kauw nadenkend op mijn broodje. Mijn moeder had zo veel mensen naar het Eiland gestuurd dat ze er deeltijdeigenaar van was. ‘Mama zei dat haar mislukking in het bedrijf voorbestemd was. Ze vertelde ons dat jij het lievelingetje was van jullie vader.’
‘Dat klopt wel. Moet je horen, mijn vader was een goeie vent, maar hij was een typische immigrant. Hij vertrok niet alleen uit Italië, hij pakte het in en nam het mee. In die cultuur kan een eerstgeboren zoon niets verkeerd doen. Dus kon jouw moeder niets goed doen. Zo was het nu eenmaal. Pap zei altijd: “Als je een zoon hebt, maak je je zorgen over één pik in de stad. Als je een dochter hebt, maak je je zorgen over elke pik in de stad.”’ Oom Louie grinnikte. ‘Hij had er van elk eentje, dus hij wist waar hij het over had.’ Hij haalde zijn koekje uit het vershoudpapier en brak het in tweeën. ‘Heeft Philly deze gebakken?’
‘Caroline Giovannini.’
‘De beste bakker van Lake Como.’ Hij veegde met een servetje de kruimels van zijn handen. ‘Genoeg over de koekjes. Het is hoog tijd, Jess, en dat meen ik serieus. Je moet weer gaan leven. En je hebt een make-over nodig. Ik betaal je deze week wat meer. Ga wat kleren kopen die niet zwart zijn. Je bent niet in de rouw, je bent gescheiden. Dat is iets anders.’
‘Dit is mijn zakelijke look.’
‘Als je jezuïet bent, ja. Je moet er echt wat meer aandacht aan besteden. Lil en ik zeggen altijd dat jij het knapste Baratta-meisje bent. Dat gezicht. Je moet een garderobe hebben die bij je gezicht past.’
Ik keek naar mijn sjofele zwarte broek met de losse elastieken broeksband, versleten van het dragen. Ik droeg praktische schoenen omdat ik mijn goede schoenen niet wilde verpesten op bouwplaatsen. Mijn oom had gelijk. Ik kleedde me als de hulp in een psychiatrische inrichting die de bakjes voor het ijs uitdeelde.
Ik ruimde de picknick af en stopte de thermosfles terug in de lunchtas. ‘Ik ga dit weekend naar de kapper,’ opperde ik. ‘Misschien laat ik wel een pony knippen.’ Ik klonk meelijwekkend.
‘Haal je haar uit die Heidi-vlecht. Zonder ski’s is dat een look voor sukkels.’
Een tikje beledigd aaide ik over de lange bruine vlecht die als een tamme slang op mijn schouder lag. ‘Dit is een watervalvlecht,’ legde ik uit. ‘Ik zit vast in een sleur.’
‘Kom eruit! Je verspilt je interessante jaren. Er komt een tijd dat je geen nieuwe tas of mooie schoenen meer hoeft. Dan heb je het helemaal opgegeven, bewaar je je geld in je bh en draag je klittenbandsandalen van schuimrubber.’
‘Daar ben ik nog niet.’
Hij tekende de letter O in de lucht. ‘Je cirkelt er wel omheen.’
* * *
Ik begin het belang van een dagboek te begrijpen. Door te schrijven herinner ik me de aparte formuleringen van oom Louie en zijn manier van spreken en daardoor ook zijn intentie.
Oom Louie snurkt zo hard in het ziekenhuisbed dat hij zichzelf uiteindelijk wakker zal maken. Zijn lange neusvleugels zetten uit en trekken samen tijdens het ademen. Hij ziet er breekbaar uit. Misschien vanwege het grijze plafondlicht in de gele kamer. Ik denk aan de ergste afloop. Ik kan me de wereld zonder hem niet voorstellen. Ik wil een waarschuwing om me te kunnen voorbereiden, maar in mijn familie wordt niet getreuzeld: mensen slaken een zucht en gaan dood.
Boven op de toren plastic bewaarbakjes op de vensterbank ligt mijn telefoon, die trilt. Ik open mijn berichten.
BOBBY: Hoe gaat het met Louie? Ma belde me.
JESS: Hij slaapt.
BOBBY:
JESS: Dank je.
BOBBY:Hé, ik had niets teruggestuurd omdat ik niet wist wat ik moest zeggen. Het verbaasde me dat je me mist. Zullen we later praten?
JESS: K
* * *
In dit ziekenhuis kan ik me alleen maar vreselijke zorgen maken. Soms wil ik dat Bobby en ik niet uit elkaar waren gegaan, want bang zijn in je eentje is het ergste wat er is. Dus open ik de notitie-app weer en denk terug aan het moment dat ik voor het eerst wist dat ik van Bobby Bilancia hield.
* * *
Ik stond rechts op het toneel met een groepje meisjes, die allemaal net als ik een aangename zangstem hadden. We vormden het koor voor de jaarlijkse musical, in 2004 Beauty and the Beast. Geen van de meisjes uit het koor had auditie gedaan voor een sprekende rol, omdat we te bang waren om te concurreren. Maar we waren ook dertien jaar oud en grepen de kans om onze moeder te trotseren door in het openbaar zo veel make-up te dragen als we wilden met het excuus dat het voor theater was. Ik had zo veel mascara opgedaan dat ik mijn ogen amper open kon houden. Ik had roze blush en felrode lipgloss op, waardoor ik van dichtbij net een glanzend rode appel met ogen leek, maar ik wilde met deze make-up vanaf de achterste rij herkenbaar zijn.
Mijn medekoorleden waren gekleed als dorpsbewoners, in bruidsmeisjesjurken die we uit de kast van onze moeders hadden geleend. Oma Cap had schorten bijgedragen uit haar collectie, waardoor we net nostalgische keukenhulpen leken. Ik droeg een mintgroene tafzijden jurk met een lange rok, pofmouwtjes en een diepe v-rug. Omdat ik niet dom ben draag ik een T-shirt onder de jurk als bedekking van de stofloze driehoek, zodat ik geen blote rug heb. Op mijn schort is met rood zigzagband de omtrek van Italië genaaid, met een rode vilten ster om de locatie van Carrara aan te geven.
Zuster Theresa gebaarde naar me. ‘Jess, wil je alsjeblieft de tekst oefenen met Bobby Bilancia?’ vroeg ze.
De meisjes keken me vol ontzag aan.
‘Mag jíj de tekst oefenen met Bóbby?’ Hannah Malpiedo viel bijna in katzwijm.
‘Ik help hem met zijn wiskundehuiswerk,’ legde ik uit. Bobby woonde twee straten verderop en rond de tijd dat hij ophield mijn lunch te stelen, begon hij moeite te krijgen met wiskunde en ging ik hem bijles geven. Soms werkten we aan zijn keukentafel, soms aan die van mij. We kregen van beide moeders hapjes, naar keuze een broodje gehaktbal, pastina in brodo of pittige gepaneerde reepjes kipfilet met tomatendipsaus.
‘Ik ben heel slecht in wiskunde.’ Piera Casciano zuchtte terwijl ik achter zuster Theresa het podium af liep, de zaal in. ‘Ik kan Bobby wel met Engels helpen!’ riep ze me na.
Bobby zat in zijn eentje in zijn Gaston-kostuum op de vloer van de gang langs de zaal. Zijn moeder had de mouwen en het voor- en achterpand van een net overhemd van zijn vader korter gemaakt. Hij had een touw als riem om zijn spijkerbroek en had de pijpen tot zijn knie- en opgerold. Zijn zwarte haar was hoog opgekamd. Zo hoog dat het leek alsof hij een zwarte hoed droeg. Hij had een potlood achter zijn oor gestoken.
De zuster gaf me haar script, omdat daar alle tekst in stond, in mijn script stonden alleen de scènes waarbij het koor betrokken was.
‘Bobby, Jess gaat de tekst met je lezen. Je moet hem zaterdag uit je hoofd kennen.’
‘Ja, zuster.’
De zuster wierp me een blik toe en ging de zaal weer in. Het gewicht van het script met al de aantekeningen van de zuster erin was indrukwekkend. Ik voelde me machtig. Zij had immers de hoofdrolspeler aan me toevertrouwd. Ik voelde me dus zelfverzekerd. Ik ging naast Bobby zitten.
‘Ik kan mijn tekst niet onthouden,’ zei hij verdrietig.
‘Je kunt het,’ zei ik tegen hem. ‘Kom op. Ik ga je helpen.’
Hij glimlachte. ‘Je vrolijkt me altijd op, Jess.’ Bobby’s ogen pasten bij de hemelsblauwe hoogglansverf op de schoolmuren. De koormeisjes hadden gelijk. Bobby Bilancia was absoluut de knapste jongen van de hele school. Hij tikte met het potlood tegen zijn script. Hij draaide zich naar me toe en stak de punt door een krul die onder mijn hoofddoek vandaan piepte.
‘Ik heb te veel krullen.’
‘Ik vind ze mooi.’ Hij glimlachte. ‘Ziet dit kostuum er stom uit?’
‘Je moeder moet het overhemd in thee laten weken, dan lijkt het oud.’
‘Ik zal het haar vragen.’ Bobby keek me in mijn ogen, waar ik een beetje paniekerig van werd. ‘Je zou het toch niet zeggen als ik er stom uit zag. Je zegt nooit iets slechts over iemand.’
‘Zou jij het tegen me zeggen als ik er stom uit zag in deze jurk?’
‘Je ziet er niet stom uit.’
Ik bloosde. ‘Mijn moeder droeg deze in 1986 naar een bruiloft. De schoudervullingen zijn zo groot dat het lijkt alsof ik borsten op mijn schouders heb.’
Bobby lachte. ‘Je bent grappig.’
Ik sloeg het script open. ‘Kom, we beginnen met de eerste scène.’ Ik gaf hem zijn cue.
BELLE
Aan de kant, Gaston.
* * *
Bobby Bilancia keek me in de ogen. Ik wist niet of hij acteerde of dat hij me aardig vond, maar ik genoot absoluut van dit doen alsof.
Bobby zei zijn regel op.
GASTON
Je bent van mij, Belle.
* * *
‘Ga verder,’ coachte ik.
GASTON
Je moet nooit in je eentje het bos in gaan, Belle.
Het is er niet veilig…
* * *
‘Je hebt…’ souffleerde ik.
‘Je hebt een sterke man nodig die voor je kan zorgen,’ las Bobby voor.
‘Kom, dit doen we nog een keer.’ Ik hielp hem. Zuster Theresa had zelf een bewerking van het verhaal gemaakt, die bar slecht was. Ik wilde Bobby de waarheid vertellen, maar ik wilde zijn zelfvertrouwen niet ondermijnen. Ik draaide de bladzij om naar het begin van de scène om de tekst door te nemen.
‘Je hebt mooie ogen, Jess.’
Ik keek in het script, maar voordat ik de volgende regel kon zeggen, kuste Bobby Bilancia me. Het was een kusje op mijn lippen, maar het was zo opwindend dat het wel anderhalf uur leek te duren. Mijn eerste kus! Ik wilde opstaan, de zaal binnenrennen en het nieuws tegen het koor schreeuwen. In plaats daarvan keek ik naar het script.
‘Sorry.’ Hij glimlachte. ‘Ik kon me niet inhouden.’
Ik duwde me weg van de muur en ging tegenover hem op de grond zitten in plaats van naast hem. ‘We moeten ons concentreren,’ zei ik tegen hem, maar de musical kon me niet schelen, niet echt, want ik had net Bobby Bilancia gekust.
* * *
‘Je zit altijd op die telefoon van je.’ Oom Louie wordt wakker en probeert te gaan zitten. ‘Ik mis een telefoon met een draadje. We waren gekluisterd, en toch vrij.’
‘Jij moet rusten.’ Ik legde mijn telefoon neer. ‘Ik ben in mijn dagboek aan het schrijven.’
‘Dat therapiegedoe wordt een bijbaantje.’
‘Dat meen je niet.’ Ik moet lachen.
‘Blij dat je het grappig vindt,’ grapt oom Louie.
Ik trek de ziekenhuisdeken recht zodat oom Louie er van zijn hals tot zijn tenen onder ligt.
‘Waar is Lil?’
‘Ik heb haar met ma naar huis gestuurd om wat rust te nemen.’
‘Hoelang ben ik hier al?’
‘Ik durf het niet te zeggen.’
‘Er zijn maar twee plekken op aarde waar je het gevoel voor tijd verliest: de bar op de hoek en ziekenhuizen. Een lang huwelijk zou ik op de derde plek zetten.’ Louie gaat weer op het kussen liggen.
Ik kijk op de klok aan de muur. ‘Je bent gistermiddag opgenomen. Het is twee uur ’s nachts. Maandagochtend.’
Hij zucht.
Ik pak het bedframe vast. ‘Hoe voel je je?’
‘Alsof ik op mijn kop ben geslagen met een koelkast.’
‘Ze gaan je beter maken.’ Mijn stem breekt, de gebeurtenissen van de afgelopen twaalf uur eisen hun tol.
Hij kijkt rond. ‘Is dit een goed ziekenhuis?’
‘Geen idee.’
‘Blij dat je eerlijk bent. Dit is de eerste keer dat ik in een ziekenhuis ben. Op mijn elfde heb ik mijn arm gebroken. Ik heb het zelf gezet, met ducttape. Vraag je moeder maar.’
‘Toen we kinderen waren, maakte ze ons bang met dat verhaal. Om ons te waarschuwen.’
‘Mijn elleboog zat daarna niet meer op de goeie plek. Nog steeds niet. De linker. Godzijdank zit hij niet aan de voorkant. Philly is nog steeds kwaad dat ik niet naar het ziekenhuis ging. Mijn zus denkt dat er altijd iemand op de wereld is die meer over jou weet dan jijzelf. Dokters bijvoorbeeld.’
‘Ik heb je dokter gegoogeld. Hij heeft vier sterren op Sterrendokter.’
‘Bedankt, maar de feiten liggen er. Genetica telt mee. Mijn vader overleed na zijn derde hartaanval. Hij kreeg er twee thuis. De derde, op weg naar het ziekenhuis, was hem fataal.’
‘Jij hebt er nog maar één gehad,’ breng ik hem in herinnering.
‘Herinner je je mijn vader nog?’
‘Een beetje. Hij leek op dat Monopoly-mannetje.’
‘Dat is hem. Louie Cap senior. Hij had wit haar en een snor. Hij was niet erg lang maar wel stevig gebouwd, als een aambeeld. Hij had ook een hekel aan ziekenhuizen. Daarom overleed hij waarschijnlijk op weg in de ambulance. Bij de gedachte dat hij in het ziekenhuis zou doodgaan, ging hij dood.’ Oom Louie fronst. ‘Als dit mijn laatste prestatie is voordat ik onder de zoden verdwijn, dan is het zonde. Kijk nou toch om je heen. Ik lig in een lullige schoenendoos van een goedkoop merk terwijl ik mijn hele leven alleen maar Gucci heb gedragen.’
‘Omdat je smalle voeten hebt.’
‘Ik ben blij dat je aandacht schenkt aan de details.’ Hij glimlacht.
‘Je komt hier wel uit.’
‘Op een of andere manier. Als het de andere manier is, moet je een paar dingen weten. Voor Lil is alles geregeld. Als zij overlijdt, erf je wat er nog over is. Jij bent haar enige erfgenaam.’
‘Ik?’ Mijn gedachten tuimelen over elkaar heen als confetti.
‘Jij bent ook mijn executeur-testamentair. Mocht ik overlijden, dan krijg jij de zaak. Ik wilde het er al een tijdje met je over hebben, maar we waren zo druk met het werk, dat ik er nooit aan toekwam. Trouwens, de pomp van Guido en Rita Battaglini is kaduuk. Je moet een nieuwe bestellen. Ze wonen in Spring Lake.’
‘Ik ga het regelen.’
‘Jij gaat álles regelen. Als ik ga hemelen, moet iemand de kar trekken.’
‘Daar ben ik nog niet klaar voor, oom Louie.’
‘Ik laat je alles na omdat ik je vertrouw.’
‘Ik wil er niet over praten. Het komt wel goed,’ verzeker ik hem.
‘Wensdenken is stunod denken. Beschouw het maar als brandoefening. Een gesprek uit voorzorg voor een onvermijdelijke brand.’
‘Dat kan ik wel.’ Ik trek een stoel naar zijn bed toe.
‘De klok is mijn vriend niet meer. De tijd glipt tussen mijn vingers door als het satijnen nachthemd van een meisje dat Tenger heet in een bordeel op mijn achttiende verjaardag.’
‘Je wordt wel weer beter.’
‘Ik denk het niet,’ zegt hij. ‘Zo voelt het niet.’
Ik sta op. Mijn oom maakt geen grapje. Hij denkt dat hij doodgaat en hij heeft nog nooit tegen me gelogen. ‘Ben je bang?’
‘Nee. En ik wil ook niet dat jij dat bent. Dit is de cyclus van het leven. Ik heb dit meegemaakt met mijn ouders, jij zult dit meemaken met die van jou. We worden ziek, worden oud en dan gaan we dood, en als we geluk hebben is er familie om ons van deze naar gene zijde te begeleiden. Ik heb medelijden met de mensen die niemand hebben. Ik ben dankbaar dat ik jou heb.’
‘Geloof je in een leven na de dood?’
‘Volgens mij is dat een voorwaarde om lid van de Columbus-ridders te worden. Dus ja, dat geloof ik.’
‘Wil je een priester spreken?’ Mijn stem breekt.
‘Wanneer hij zijn ronde maakt, niet eerder. Ik heb een regel met betrekking tot priesters. Bel de pastorie nooit midden in de nacht behalve als je een pizza moet bezorgen. Ik zit niet te wachten op een chagrijnige geestelijke. Ik wil gaan zoals ik ben gekomen, vrij van gezeik.’
‘Ik zal de priester niet bellen.’ Ik begin te zweten alsof ik in de warmste week van juli tijdens het Festival achter de frituur sta om zeppole te frituren.
‘Nog één ding over de erfenis. Lils sieraden. Als het zover is, gaan die naar haar kant. Ze heeft die lijpe zus, Carmel, en die rare nicht. Je weet wel, Marina, die zegt dat ze een zonneallergie heeft, en dus nergens naartoe gaat – die. Alsof zij op een broche zit te wachten. Waar gaat zij nou naartoe?’
‘Ik zal het regelen.’
‘Je bent als een dochter voor me en ik wil dat het bedrijf in de familie blijft. Je werkt al bij me sinds de middelbare school.’
‘Sinds mijn studietijd,’ verbeter ik hem. ‘En alleen maar omdat ik in de buurt ging studeren en heen en weer reisde.’
‘Ja, ja. Inderdaad. Je was bang om ver weg te gaan en daar had ik mazzel mee.’
‘Mijn studiefonds was verdampt in de beurscrash van 2008, dus ik kon niet ver weg. Weet je nog?’ Niemand heeft de details van mijn leven ooit op een rijtje, zelfs oom Louie niet. ‘O ja, die datum herinner je je natuurlijk niet omdat mama je naar het Eiland had gestuurd.’
‘Hoe dan ook. Je had naar mij toe kunnen komen. Als je ver weg had willen studeren, had ik het betaald. Zonder vragen te stellen.’
‘Ik kon je niet om hulp vragen. Dan had mama me verstoten.’
‘O ja, natuurlijk.’ Oom Louie knikt. ‘Philly en haar grieven. Episch.’
Ik voelde me enorm schuldig wanneer mijn moeder en oom ruzie hadden, wat, als ik eerlijk ben, in de loop der jaren vaak gebeurde. Ik moest loyaal blijven aan mijn moeder, maar ik werd verscheurd. Tante Lil en oom Louie zijn mijn peetouders. Zodra ik kon, was ik bij hen thuis. Hun huis was rustig, warm in de winter en koel in de zomer. Alles deed het. Ze hadden wollig tapijt in elke kamer. Ze hadden altijd koude frisdrank en chips. Tante Lil en ik keken elke dag als ik er was om drie uur ’s middags General Hospital. Luke en Laura en Sonny en Carly waren net familie, ook al hadden ze mooier haar.
Het was oom Louie die met me naar een voorstelling van de Jonas Brothers in de stad ging toen ik vijftien was. Het was oom Louie die met me naar mijn eerste ijsshow in Atlantic City ging, Holiday on Ice, met Brian Boitano. Ik wilde later met hem trouwen. Het was oom Louie die me vertelde dat Brian dat waarschijnlijk nooit zou willen.
Het was oom Louie die me mijn eerste diamanten ring gaf. De diamant was zo’n klein schilfertje dat je de ring midden op de dag naar de zon moest draaien om een minuscule glinstering te zien, maar hij was echt. Toen hij niet meer paste, droeg ik hem aan een gouden kettinkje om mijn nek. Nog steeds. Het was oom Louie die de hele tijd tijdens mijn bruiloft huilde en tijdens de receptie met elke vrouw danste, waarna hij de polonaise begon, waaraan onze neef Schemer Romano van zevenennegentig ook meedeed.
Mijn oom heeft me mijn hele leven getrakteerd, geprezen en rechtvaardig behandeld. Geen wonder dat het lijkt alsof ik pas zestien minuten voor hem werk in plaats van zestien jaar. Hij steunt me, wat hij helemaal niet hoeft; hij had zo’n typische Italiaans-Amerikaanse peetvader kunnen zijn die me een cheque gaf voor mijn verjaardag, een knisperend vijftigdollarbiljet in een wit bruidshandtasje voor mijn eerste heilige communie, een noveenkaart en een gouden kettinkje met de eerste van een parelverzameling voor mijn heilig vormsel en op mijn trouwdag een spaarobligatie en extra contant geld als bijdrage in de kosten voor de bruiloft. Hij heeft heel veel meer voor me gedaan dan de verplichte cadeaus geven; hij geloofde in me toen ik dat zelf niet deed.
Mijn oom heeft me een vak geleerd en heeft me in de leer gedaan bij een tekenaar om te leren tekenen. Hij heeft me alles geleerd over marmer: hoe het te importeren, ermee te werken en hoe het te monteren. Ik weet van hem hoe ik met mensen moet omgaan. Hij sleepte me door mijn paniek en voorbij mijn angsten. Toen ik mijn zenuwen de baas was geworden, merkte hij dat ik met mensen kon praten en goed kon luisteren. Ik bet mijn ogen.
‘Niet huilen. Het maakt nu toch niet meer uit, Jess. Nou en, wat stelt studeren überhaupt voor? Je bent alleen maar studentenfeesten, orgies en bierpong misgelopen.’
‘Voor dagstudenten op Montclair State werden geen feesten georganiseerd.’ Beseft oom Louie niet dat het me niet kan schelen wat ik allemaal heb gemist, omdat ik hém straks misschien moet missen?
‘Dus je bent nog minder misgelopen. Wie zit er ook te wachten op keiharde muziek en te veel alcohol? Zet het maar uit je hoofd. Zo zijn wij niet. Wij bouwen onze eigen feestjes. Je hebt een betere opleiding gekregen al doende met mij dan als je uit huis was gegaan om te studeren. En ik weet zeker dat je lekkerder hebt geluncht. Goed. Er zijn een paar dingen die je moet weten. Vooral financieel.’
‘Sal Martino is je accountant, toch?’
‘Hij heeft inderdaad een stel boeken. Maar er is nog een ander stel.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je hebt Cap Marmer en Steen. En dan heb je de Elegante Gangster.’
‘Wie is dat?’
‘Wát,’ verbetert hij me. ‘Dat is mijn tweede bedrijf, ter ondersteuning van het eerste.’
Het duizelt me, de alarmbellen gaan af. ‘Waarom heb je twee bedrijven? En waarom hoor ik dat nu pas voor het eerst?’
Oom Louie controleert of er verpleegkundigen of andere luistervinken zijn voordat hij zegt: ‘Uno per me, uno per Cesare. Een voor mij, een voor Caesar. Oftewel, de belastingdienst. Ik houd het schip al jarenlang drijvend met dit duale bedrijfsmodel. Het heeft veel meesters gediend, waaronder mijn land. Er is niets mis met dat model.’
‘Tenzij de belastingdienst ons op de korrel neemt.’ Ik kijk rond in de ziekenhuiskamer op zoek naar een papieren zak. Ik stik door de denkbeeldige rook doordat mijn baan in vlammen opgaat.
‘Rustig maar.’ Oom Louie geeft me het plastic bekertje met ijswater. ‘Neem maar kleine slokjes.’
Ik drink het water op. Het voelt ijskoud in mijn binnenste, net als de waarheid. ‘Jammer dat het geen whisky-soda is.’
‘Inderdaad.’ Oom Louie gaat verder. ‘Met de Elegante Gangster verkoop ik het marmer dat ik niet gebruik bij onze opdrachten. Noem het maar de restanten. Wat moeten we er dan mee? Ze terugbrengen?’
‘Wie zijn we?’
‘Googs en ik. Hij distribueert wat we niet gebruiken.’
‘Oom Louie, dat heet double-dipping.’ Ik veeg met mijn mouw mijn vochtige voorhoofd af. Oom Louie verdient geld aan een product dat hij al verkocht heeft en dat niet van hem is. Het is van de klant. Nu begrijp ik waarom hij tweemaal en soms driemaal zoveel koopt als wat hij nodig heeft voor een klus. Ik dacht dat hij te veel kocht omdat hij bang was dat hij niet genoeg steen zou hebben voor een bepaalde opdracht, maar hij wist precies wat hij deed. Dus ik verduidelijk: ‘Het marmer wordt twee keer betaald.’
‘Ik factureer het afzonderlijk. Waar maak je je zorgen om? Ik ben gewoon een klein bedrijf. Jij noemt het double-dipping. Ik noem het: kostbare natuurlijke hulpbronnen niet verspillen.’
‘Hoe noteer je die extra aankopen?’
‘Niet. De verkoopovereenkomsten worden in internationale wateren gesloten. Dus die zijn niet belastingplichtig.’
‘Maar het schip meert aan in New Jersey! Waar gaat het geld naartoe als je het binnenkrijgt?’
‘Er zijn wat offshore-rekeningen op de Kaaimaneilanden.’
‘O, god.’ Ik word duizelig.
‘Hé, ik heb overheadkosten. Belastingen zijn een loden last. Ik betaal ruim belastingen over de eerste ronde, waarom zou ik ze twee keer moeten betalen? Caesar was niet dom en dat geldt ook voor Louie Cap. Ik heb veel vaste lasten. Denk je dat mijn huis met al die extra’s goedkoop is? Mijn vrouw en ik hebben alle luxe. Kijk naar je tante, die noemen ze niet voor niets Diamanten Lil. En stoomcabines zijn niet goedkoop.’
‘Je had ook lid kunnen worden van een sportschool! Je hoefde er niet eentje te bouwen! Weet tante Lil van de Weergaloze Gangster?’
‘Elegante,’ verbetert oom Louie me. ‘Nee, daarmee heb ik haar nooit lastiggevallen. Niet dat ze überhaupt belangstelling had voor mijn bedrijf. Ik wilde dat ze een prettig, zorgeloos leven zou leiden. Dat was het minste wat ik kon doen. Ze had al genoeg op haar bordje. We waren niet gezegend met kinderen, dus maakten we plezier. Ik kon niet genoeg voor haar doen. Ik propte haar leven vol sieraden, kroonluchters, auto’s en haar eigen inloopkast. En reizen.’
‘Zo erg gingen jullie je nou ook weer niet te buiten. Jullie gingen één keer per jaar naar Florida.’ Ik rationaliseer het gedrag van mijn oom, als verhaal voor toekomstige juridische procedures. ‘Jullie huurden niet eens een auto. Jullie gingen met de autoslaaptrein.’
‘Omdat Lil nergens anders naartoe wilde. Ze houdt van routines. In Miami Beach staan we niet voor niets bekend als de Voorspelbaren. Sinds 1979 boekten we elk jaar dezelfde kamer in het Fontainebleau Hotel: nummer 317 met uitzicht op zee. Dit was onze routine: Lil ging van elf tot drie zonnebaden. Om drie uur ging ze in de hotelkamer haar soap kijken, waarna ze ging douchen en zich aankleedde voor het diner. Ik kan je vertellen wat ze dan bestelde in Mirabella, het restaurant van het hotel, omdat het altijd hetzelfde was. Een whisky-soda met drie kersen. Een krokante lamskotelet. Spinazie à la crème erbij. Chocoladecrème brûlée als toetje. Elke keer als de gasbrander op de pudding gezet werd, lichtten haar ogen op alsof het Kerstmis was en ze weer een diamanten ring kreeg van haar Kerstman-man. Ik wilde Lil de wereld laten zien, en we kwamen helemaal tot Miami Beach.’ Oom Louie legt zijn hoofd weer op zijn kussen. ‘Ik wilde je Italië laten zien, meid. Nou ja.’
‘We gaan ook naar Italië.’ Ik loop naar het raam voor frisse lucht. Ik adem kleine teugjes in.
‘Ik had een liefde in Italië.’
‘Een paar, wil ik wedden.’
‘Nee. Eentje maar. Een tomaatje, dat Claudia heette.’
Ik heb geprobeerd mijn oom bij te brengen dat hij seksistische dingen zegt, maar hij kan niet veranderen. Mooie vrouwen noemt hij tomaatjes, idioten zijn artisjokken en een scungilli een engerd. Een moeilijk mens noemt hij een schiaccianoci, een notenkraker, en iemand die hem verveelt met een verhaal en niet tot de kern kan komen is een patata, een aardappel, maar ik heb hem een lelijk mens ook weleens een patata horen noemen.
‘Was Claudia een schoonheid?’
‘Toentertijd was ze hét voor mij. Ik zag haar op de Piazza Alberica in Carrera. Ik zorgde ervoor dat ze me het verhaal over het standbeeld vertelde. Dat was een of andere dame met een vogel. Zo kon ik haar benaderen. Door te doen alsof ik geïnteresseerd was in plaatselijke geschiedenis. Ik zou haar wel willen terugzien.’
‘Je bent getrouwd.’
‘Toen niet. Het telt niet als je van iemand hield voor degene van wie je nu houdt. Dat is net een “Verlaat de gevangenis zonder betalen”-kaart. Natuurlijk, Lil is mijn vrouw, maar dat betekent niet dat ze het enige klompje in de mijn was.’
‘Gatver.’
‘Hoezo gatver? Ik was ook niet haar enige liefde. Ik bleek gewoon beter te zijn.’
‘Wat had Claudia, het Italiaanse meisje, voor speciaals?’
‘Ik weet het niet. Wanneer je jong bent, kun je liefde niet definiëren, of misschien wil je het niet. Als liefde gunstig uitpakt, is het het goddelijke mysterie van het leven.’
‘Maar dat deed het niet.’
‘In Italië draait het niet om wat het meisje wil, maar om wat haar vader toestaat. Die kerel had een hekel aan me en stuurde me weg. Een dochter van hem ging echt niet met een steenhouwer trouwen. Een americano. Ik was haar niet waard.’
‘Maar je komt uit Carrara. Je bent net zo Italiaans als zij!’
‘Dat maakte hem niet uit. Hij zag alleen de Yankee Doodle Louie. Ik heb nooit afscheid genomen van Claudia, en ik ben nooit terug naar Italië gegaan, want ik ontmoette Lil en dat was dat.’ Oom Louie kijkt me met half dichtgeknepen ogen aan zonder zijn hoofd op te tillen. ‘Gaat het?’
‘Het is veel, oom Louie. Veel om te verwerken.’ Ik heb het touwtje van de luxaflex zo strak om mijn middelvinger gewonden dat hij blauw wordt. Ik wind het los.
‘Wie weet wat er van me was geworden als ik in Italië was gebleven?’
‘Je hebt het goed gedaan. Geweldig, zelfs. Maar het eerste wat we gaan doen als je hier uit bent, is de Elegante Gangster opheffen. Vanaf nu komt alles in de boeken. Ik meen het, oom Louie.’
‘Wat je maar wilt.’
Ik adem diep. ‘Het gaat niet om wat ik wil, maar om wat juist is. En voor de duidelijkheid: je gaat doen wat de dokters zeggen, je wordt beter en maakt dat je hier wegkomt.’
‘Hier,’ zegt hij. ‘Mijn telefoon. Als je nog vragen hebt over het bedrijf, bel Googs dan maar. Hij kan nogal ontwijkend zijn, dus hou vol.’
‘Welk bedrijf?’ zeg ik bits, en ik voel me onmiddellijk schuldig.
Oom Louie is bleek. Ik geef een kneepje in zijn hand. ‘Ik wil dat je luistert nu ik nog bij mijn volle bestand ben.’
‘Je volle verstand.’
‘Dat ook. Er is een laptop, die ligt in de kledingkast boven naast de slaapkamer waar ik mijn pakken bewaar. Er is ook een harde schijf. Die ligt in het medicijnkastje – in het toilet naast de keuken dat niemand gebruikt.’
‘Met dat lijpe behang.’
‘Dat ja, van Scalamandre, nummer 412. Honderdvijfenzeventig dollar per rol zonder herhaling. Dat is elke cent waard. Doe het medicijnkastje open. De harde schijf zit in een parfumverpakking, ongeveer zo groot.’ Hij geeft de afmetingen aan met zijn duim en wijsvinger. ‘Hij zit of in Moonwind of in To a Wilde Rose. Dat hele medicijnkastje zit vol van de te grote voorraad die Lil over had gehouden aan haar tijd als Avon-verkoopster.’
Blijkbaar was oom Louie niet de enige die aan double-dipping deed.
Hij gaat verder: ‘Daar zit de harde schijf in. Doe die in mijn laptop. Als je hem in die van jou stopt, komen ze misschien achter jou aan.’
‘Wie?’
‘Mensen van de FBI. Die begrijpen mijn businessmodel misschien niet.’
‘Ik ook niet!’ Ik heb het gevoel dat ik stik.
‘Ademen, Jess. Zo ingewikkeld is het niet. Alles staat op die harde schijf. Lijsten. Mijn contactpersonen. De facturering. De verzending. Alles. Je komt er wel uit.’
Ik adem in en uit terwijl ik de deken aan een kant van het bed rechttrek en omloop om dat ook aan de andere kant te doen. ‘We handelen dit allemaal morgen wel af,’ zeg ik tegen mijn oom als hij slaapt. Ik wil net het kussen opkloppen als het vierkante zilverkleurige apparaat boven het bed begint te piepen. Het duurt niet lang of de piepjes worden sneller en luider, tot ze klinken als een brandalarm. Ik raak in paniek en probeer de draadjes te volgen naar de elektroden op zijn borst en het infuus in zijn arm als de verpleegkundigen binnenstormen.
‘Naar buiten!’ roept een verpleegkundige terwijl ze een kruisje slaat voor mijn oom. De rest gaat om het bed heen staan, een verpleegkundige heeft elektroden bij zich.
‘Wat? Waarom?’ vraag ik, maar mijn smeekbede raakt verloren in de chaos terwijl ik tegen de muur word gedrukt.
De verpleegkundige klimt op het bed en gaat schrijlings op oom Louie zitten. Ze drukt de elektroden op oom Louies borst. De elektroden lijken enorm en oom Louie lijkt klein. Ze drukt. Zijn lichaam schokt vruchteloos omhoog. De apparaten worden stil. De verpleegkundige klimt van het bed.
‘Het spijt ons,’ is het volgende wat ik hoor. ‘Bent u zijn dochter?’
‘Zijn nicht.’
Een andere verpleegkundige kijkt op haar horloge. ‘Drie uur dertien.’
Ik kijk naar oom Louie. De kleur trekt weg uit zijn gezicht. Hij wordt zo bleek als het roze paisley ziekenhuishemd dat hij draagt. ‘Is hij dood?’
‘We hebben het geprobeerd. Ik vind het heel naar,’ zegt ze vriendelijk. ‘U kunt bij hem blijven. Neem alle tijd die u wilt.’
‘Ik moet mijn tante bellen. Mijn moeder. De familie. Ze waren hier net nog. Ze wilden bij hem zijn.’ Ik raak in paniek.
Ze legt haar hand op mijn arm. ‘In mijn ervaring kiest de patiënt degene bij wie hij overlijdt. Dat ben jij, liefje. Het spijt me.’
Dit kan niet waar zijn. Ik kijk op alsof ik de ziel van oom Louie boven ons hoofd zou zien zweven, hem uit de lucht kon grijpen en weer in zijn lichaam kon stoppen. Dan zou hij me een knipoog geven, als een geheim signaal, wat alleen ik zou begrijpen. Maar boven mijn hoofd zijn alleen witte plafondplaten. Ik voel een vreemde kilte en huiver. ‘Waar ben je naartoe, oom Louie?’ Ik kijk naar hem. Hij heeft een glimlachje op zijn gezicht, niet zelfingenomen, maar vriendelijk, alsof hij wil zeggen: ‘Ik zei toch dat ik een slechte rikketik had.’
Mijn hand trilt als ik mijn moeder bel. Ze neemt niet op. Ik stuur mijn vader een bericht dat hij mijn moeder moet wakker maken en het haar moet vertellen, zodat zij tante Lil kan ophalen en naar het ziekenhuis brengen. Ik app mijn zus dat ze naar mijn moeder toe moet gaan. Ik app mijn broer dat hij naar mijn zus toe moet gaan. Ik app mijn vader nog een keer om na te gaan of het goed gaat met mijn moeder, zus en broer terwijl ik denk: stuur toch een groepsbericht.
Oom Louie is dood. Hij is om 3:13 uur vredig overleden.
* * *
De verpleegkundigen komen terug om mijn oom klaar te maken om naar het Frank R. Cortese-rouwcentrum gebracht te worden. Ik weet zeker dat hij daarheen gaat, omdat ik dat op oom Louies instructie gisteren op zijn opnameformulier heb geschreven. Ik bedank de verpleegkundigen, excuseer me en loop de gang op. Ik ben als verdoofd. Ik leun tegen de muur en laat me zakken tot ik op de vlekkeloze, glanzend geboende linoleumvloer zit.
Oom Louie zei altijd dat de vloeren van prominente instellingen altijd van marmer zijn, omdat het de enige steen is die bestand is tegen de slijtage van de tand des tijds. ‘Het Colosseum staat toch nog? Het Vaticaan? Grand Central Station? Je moeders toilet?’
Ter ere van oom Louie zoek ik het marmer. Ik vind het in de witte afgeronde plinten in de gang. Het is een teken. Oom Louie zei ook dat als je ergens in New Jersey marmer zag, hij de ezel was die het uit Italië had gehaald. Louie Capodimonte was geen ezel; wat hij wist, wist hij. En hij wist alles van marmer.