Hoofdstuk 6: Trekvogels - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
Sommige Italianen die aan het begin van de twintigste eeuw naar Amerika emigreerden, gingen uiteindelijk weer terug naar Italië. Ze werkten, spaarden geld in Amerika en keerden in een betere situatie terug naar huis dan toen ze vertrokken. Deze trekvogels hadden een liefde voor Italië die groter was dan hun Amerikaanse droom. De Caps en Baratta’s bleven, ze leefden en stierven in hun nieuwe land. We geloven dat we na ons overlijden opstijgen en wegvliegen, op reis terug naar de bron. In dat opzicht zijn we allemaal trekvogels, ook oom Louie. Ik vraag me af of hij wist dat hij het leven van iedereen die de eer had hem te kennen heeft veranderd. Hij was een man met wie je graag omging, onder alle omstandigheden.
Ieder familielid dat erbij was toen mijn oom ineenzakte, zou zich herinneren wat ze zich moesten herinneren van deze ervaring. De kinderen zouden zich de magische muntjes herinneren. Connie zou zich herinneren dat oom Louie zei dat hij van haar hield, terwijl Joe zich zou herinneren dat hij verdere verwondingen had voorkomen door onze oom op de vloer te leggen voordat hij zijn hoofd stootte. Diego zou het betreuren dat hij ter sprake had gebracht dat tante Lil en oom Louie kinderloos waren. Mijn vader zou klagen dat hij niet genoeg had gedaan om zijn zwager te redden. Mijn moeder zou zich herinneren dat haar broer had gezegd dat ze niet mee mocht naar Italië en dat hij was omgevallen voordat hij het goed kon maken en van gedachten kon veranderen, en zij wel mee mocht. Tante Lil zou zich de avond herinneren als die waarop ze haar man verloor en weduwe werd. Ik zou op die zondagse maaltijd terugkijken als ons laatste avondmaal, het eind van het leven aan Lake Como zoals de Caps en Baratta’s het kenden. Ik zou me die avond herinneren als de dood van mijn Italiaanse droom, die ook het moment markeerde waarop ik de enige in mijn leven verloor die achter me stond.
SALON MONA LISA
‘Wat willen we?’ Lisa Natalizio houdt haar gezicht naast het mijne in de goed verlichte spiegel. Ze straalt door haar strategisch geplaatste highlights en glanzende blauwgroene ogen, terwijl ik bleek en uitgewrongen ben, als een vuile doek onder in de emmer nadat de auto gewassen is.
‘Dank je wel dat je me na sluitingstijd wilt helpen.’ Ik kijk niet naar mijn gezicht omdat ik niet heb geslapen. ‘Ik wil er goed uitzien voor oom Louie. Dat was zijn laatste wens.’
‘Graag gedaan,’ zegt ze terwijl ze de stoel omhoog pompt tot mijn hoofd even hoog is als haar schaar. Een afspraak bij salon Mona Lisa in winkelcentrum Belmar is erg gewild: EEN KLASSIEKE LOOK VOOR EEN MODERNE VROUW staat op het bordje boven de deur. Lisa’s leven draait om haar familie en vrienden. (De salon is genoemd naar haar moeder, Mona, en naar de eigenaresse, natuurlijk. Bobby en ik zijn niet de enigen van Saint Rose die in een familiebedrijf zijn gegaan.)
De salon is dicht, maar Lisa is langer gebleven voor mij. Mijn hoofd loopt om vanwege de uiteindelijke plannen voor het opbaren en de begrafenis van oom Louie. Geweldige haarstylisten weten dat hun vaardigheden het meest nodig zijn op het moment dat een vrouw er totaal niet aan denkt om ‘er fatsoenlijk uit te zien’. Lisa en ik zijn al sinds de kleuterschool bevriend, ze doet mijn haar al sinds ze op haar eenentwintigste haar diploma haalde. Zelfs Lisa ging ergens anders studeren: aan de Bumble and Bumble Salon in New York City.
‘Ik kan je elke look geven die je wilt. Je bent in de rouw, dus niets radicaals,’ zegt Lisa. ‘Wat ga je aantrekken?’
‘Daar heb ik nog niet over nagedacht.’
‘Ik heb een LBD, een little black dress. Het is C-U-T-E. Ik geef het wel af bij je moeder.’
‘J-A. Zullen we nou ophouden met spellen?’
Ze negeert mijn verzoek en praat verder. ‘Daar grijp ik altijd naar voor een wake, begrafenis en mijn jaarlijkse bezoek aan de accountant. Ik leen het je heel graag uit. Je oom was een goeie vent. Hij had altijd een kwinkslag.’ Ze tuurt door haar wimpers naar me in de spiegel. ‘Weet je wel dat ik oom Louie even lang kende als ik jou ken? Dus ter ere van hem maken we je iets lichter. Een paar highlights rond je gezicht. Ik kan ze bij de wasbak kleuren.’
‘Kleur mijn haar maar zoals je me ziet. Geef me alleen niet de Saint Rose-special.’
‘Toen had ik een waardeloze uitrusting,’ zegt Lisa verdedigend. ‘Met die botte schaar kan toch niemand iets anders knippen dan pijpenragers?’
‘Jij wel. Je had al mijn haar afgeknipt. Ik zag eruit als Scout in To Kill a Mockingbird.’
‘Kun je me het ooit vergeven?’
‘Dat heb ik al gedaan. Maar mijn moeder? Nooit.’
‘Het is toch weer uitgegroeid?’
‘Als onkruid.’ Ik glimlach voor de eerste keer sinds de dood van oom Louie. ‘Heb je nog iets met die elektricien?’
Lisa trekt een gezicht. ‘Lichten uit.’
‘Je ontmoet wel weer iemand.’
‘Ik heb twee dates gehad met de eigenaar van de Kiffle Kitchen. Maar niemand heeft dit Italiaanse meisje meer overweldigd sinds mijn tweede jaar op Marywood,’ zegt ze terwijl lokken van mijn bruine haar op de grond vallen. Ik verstrak.
‘Ik knip het tot op je schouders, dan krijg je beweging,’ zegt Lisa kalmerend terwijl ze knipt. ‘Dus. Bobby Bilancia is terugverhuisd naar Ocean Avenue.’
‘Ik hoorde het.’
‘Hij heeft een huis gekocht.’
‘Ik weet het.’
‘Toen jullie gingen scheiden, werd iedereen wanhopig. Als jullie het al niet redden, wat zegt dat dan over de rest van ons?’
‘Dat je niet naar iemand anders moet kijken om je relatie aan af te meten.’
‘Goed punt. Ik bedoel, ik doe mijn best. Ik ben op de markt. Ik zet door. Ik zit op al die klote-apps. Ik heb meer kopjes koude koffie met niet-sexy mannen gedronken dan ik kan tellen. Heb jij je al ingeschreven?’
‘Nee.’ Ik ben niet toe aan daten. Ik ben niet toe aan nadenken over daten, maar ik wil de enige andere single vrouw van mijn leeftijd in Monmouth County niet ontmoedigen, dus ik houd mijn gedachten voor mezelf.
‘Misschien kun je de problemen die Bobby en jij hebben opzijzetten en het nog eens proberen?’
‘Alles kan.’ Ik kan Lisa’s droom niet vertrappen, niet wanneer ze de schaar vasthoudt.
* * *
Rouwcentrum Frank R. Cortese in Belmar, een statig, uit witte bakstenen opgetrokken achttiende-eeuws gebouw met zwarte vensterluiken, wordt verlicht met krachtige schijnwerpers die de jupiterlampen bij een filmpremière tijdens de Gouden Eeuw van Hollywood imiteren. De ingang wordt geflankeerd door twee grote terracotta bloembakken met roze gladiolen in waaiervorm, versierd met witte linten. De Corteses zijn al generaties lang de begrafenisondernemers voor de geliefde overledenen van onze familie. De eerste investering van de Caps en Baratta’s, voordat ze een nieuwe auto kopen of een aanbetaling voor een huis doen, is je begrafenis vooruitbetalen: stop wat weg voordat je onder de grond wordt gestopt.
In de marmeren hal (die oom Louie in 1984 heeft gelegd), een kleinere versie van de in zwart-wit ruitpatroon gelegde vloer van Westminster Abbey, staan jardinières vol daglelies en nog meer gladiolen in urnen van geborsteld goudkleurig metaal.
Het bord met de tijden waarop mensen afscheid kunnen nemen van oom Louie staat voor het rouwcentrum in een lijst op een ezel, met witte letters op zwart fluweel. Op het tafeltje met het condoleanceregister staat ook een kristallen schaal met pepermuntjes en er ligt een stapel bidprentjes met de geboorte- en sterfdatum van oom Louie erop en wijze woorden van de heilige Judas. Als de bezoekers komen condoleren, zal de kaartenboom al snel volhangen met enveloppen. Condoleancekaarten met contant geld erin zijn een traditie in dezelfde geest als la busta, waarbij tijdens een bruiloft geld wordt ingezameld voor het gelukkige stel. Familie en vrienden geven geld om de kosten van de begrafenis te betalen, en wat extra om in Louies naam een misintentie op te nemen in de eucharistieviering in onze kerk. Er zullen zo veel mensen zijn die oom Louies onsterfelijke ziel naar een hoger niveau in de hemel bidden dat hij door het vagevuur zal schieten alsof hij over een carpoolstrook langs de file zoeft.
De rouwkamers zijn van plafond tot vloer zacht zeeschelproze geschilderd. De muren passen bij het tapijt. Oom Louie ligt in een mahoniehouten kist onder dezelfde roze lampen als waarmee ze bij de Italiaans-Amerikaanse vereniging de fijne ribbraadstukken warmhouden tijdens het paasdiner.
Het kleine zwarte jurkje van Lisa Natalizio is perfect. Het zit misschien een tikje strak, maar wie zal er naar mij kijken? Ik trek het aan de naad naar beneden als ik vooroverbuig om de kaartjes aan de bloemen te lezen. Er is een marmeren boog van oom Louies vakbond, gemaakt van witte anjers. Daarnaast ligt een grote bloemenreplica van een wijzerplaat, gemaakt van rode anjers, met Louies tijd van overlijden door wijzers gemaakt van gele anjers, en een kaartje van Googs erbij: VERGEET DE GOEDE TIJDEN NIET. Oom Louie is er niet om ze niet te vergeten. Maar ik wel. Geen pizzapunt meer als hij om vier uur trek krijgt. Geen jamdonuts van de Dunkin Donuts drive-through als hij een te laag suikergehalte heeft. Ik ergerde me nooit aan zijn gekke eetgewoontes of aan zijn vaak vertelde verhalen. Er is niemand meer om het verhaal te vertellen dat hij in 1982 in Las Vegas Steve en Eydie had ontmoet, niemand meer om op oude foto’s familieleden aan te wijzen, niemand in de familie die elke zin van ‘American Pie’ kent, en niemand om goocheltrucs te doen. Louie Cap is dood.
Joe heeft zijn arm om tante Lils middel geslagen; ze ziet er petieterig uit in haar zwarte pak van bouclé. Connie pakt haar hand als ze voor de open kist staan. Mijn vader en moeder staan achter hen. Mama heeft een flesje reukzout in haar zwarte lakleren tasje, voor het geval tante Lil flauwvalt. Als tante Lil klaar is, helpen mijn broer en zus haar naar een stoel op de eerste rij om de bezoekers te ontvangen.
Connie, Joe en ik zijn net op de rij achter tante Lil gaan zitten als mama zich omdraait en met haar vinger in mijn ribbenkast port. ‘Sta op om de mensen te begroeten.’ Ik kijk naar Connie en Joe – we zijn in de dertig en dus niet echt kinderen meer, maar plotseling zijn we weer negen, elf en veertien.
‘Ik wil dat dit net zo verloopt als de begrafenis van prinses Grace. Vol klasse,’ fluistert mama. We staan rechtop alsof we de koninklijke familie van Monaco zijn die vanaf het balkon op een feestdag kanonschoten aanhoort. Papa en mama komen naar onze rij en gaan aan weerskanten van het middenpad zitten.
Lisa Natalizio is de eerste die komt condoleren.
‘Die jurk staat jou beter dan mij.’ Lisa stopt het bidprentje in haar tasje en ik begeleid haar naar het bidbankje voor de open kist.
‘Louie ziet er goed uit,’ fluistert ze.
Dat zegt wel wat, zij weet immers alles van cosmetiek.
‘Is het te vroeg om tot hem te bidden? Ik heb een derde date met Blaine Gundersen van de Kiffle Kitchen.’
‘Oom Louie zal je van gene zijde helpen,’ beloof ik haar. ‘Je moet ruimte maken om die te kunnen vullen.’ Zo zal het rouwproces dus verlopen: ik citeer oom Louie en klink dan als een koelkastmagneet.
‘Ben je helemaal uitgehuild?’ Lisa kijkt me aandachtig aan.
‘Ik heb nog niet gehuild,’ zeg ik.
‘Doe de sluizen maar open. Echt waar, dan voel je je beter.’ Ze geeft een kneepje in mijn hand. ‘Ik ga mijn naam in het register zetten.’ Lisa slaat snel een kruisje en gaat terug naar de hal.
De vaandeldragers van de Columbus-ridders, sommigen ongeveer even oud als oom Louie, een paar ouder, marcheren de ruimte binnen in een zwarte smoking, een cape, lakleren schoenen, een rood-witte zijden sjerp en een hoed uit de napoleontische tijd, met een witte struisvogelveer. De zwaarmoedige ridders van de vierde graad gaan in formatie staan en vormen zo een halve cirkel achter de kist. Eenmaal op hun plek heffen de mannen hun zwaard als een flank Romeinse centurions uit de vierde eeuw die op het bevel wachten om Avellino aan te vallen.
Ik denk net dat ik misschien eindelijk moet huilen als mijn zus me een por geeft met haar elleboog en fluistert: ‘Bobby is er.’
Bobby torent boven alle anderen uit, wat niet zo moeilijk is, want de meesten zijn boven de tachtig en onder de een meter vijftig. In dit licht heeft Bobby Bilancia de goudkleurige tint van zijn zomerse kleurtje nog. Hij ziet er piekfijn uit in een donkerblauw pak, een wit overhemd en een donkerblauw met wit gestreepte stropdas. Hij blijft respectvol naar de kist kijken terwijl elke vrouw in de ruimte naar hem kijkt.
Connie had niet hoeven aankondigen dat mijn ex-man er was, want zijn heerlijke geur had dat al verraden. Dit is een man wiens lichaamsgeur een combinatie is van pepermunt en een bos na een regenbui, en ook al weet ik zeker dat bij hem weggaan de juiste keuze was, toch vind ik het jammer dat ik zijn geur moest achterlaten. Maar ik kon niet zijn geur meenemen en onze problemen achterlaten; het was alles of niets.
Ik ben blij dat ik mijn zwarte suède stiletto’s van acht centimeter draag in plaats van ballerina’s. Ik zal er later wel over nadenken waarom het belangrijk is dat ik in een rouwsituatie aantrekkelijk ben voor mijn ex-man. Bobby gaat het rijtje af van tante Lil naar mij, en condoleert iedereen. Aan de blik te zien op de gezichten van de bezoekers terwijl ze heen en weer kijken tussen Bobby en mij, heeft de stank van mijn scheiding zich ver over de staat New Jersey verspreid, net als de uitstoot van de lijmfabriek in Newark. Ze vinden me een idioot omdat ik bij hem ben weggegaan.
‘Gaat het, liefje?’ vraagt Bobby in mijn oor terwijl hij me omhelst, waarbij hij mijn lichaam omhult als een warme deken.
‘Dank je voor je komst.’
‘Ik zou nergens anders kunnen zijn.’
‘Dat weet ik,’ fluister ik. Bobby is niet goed met berichtjes en leest niet zoveel, maar hij vormt een groot onderdeel van het eerste derde deel van mijn leven, mocht ik negentig worden. Dit was de man die ik eeuwig zou liefhebben, en daarom zal ik dat in een bepaald opzicht ook altijd doen. Bobby Bilancia is niet in staat om wrok te koesteren.
‘Louie Cap was een goed mens,’ zegt Bobby. ‘Hij hield van je, Jess.’
Bobby laat me los en raakt zacht mijn wang aan, waarna hij voor oom Louies kist knielt. Bobby’s schouders zijn zo breed dat je op zijn rug een diner voor acht personen zou kunnen serveren. Hij slaat een kruis met zijn rechterhand. Hij raakt zijn voorhoofd aan, dan zijn borst. Hij strekt zijn hand uit naar zijn linkerschouder (dat is vrij ver) en dan naar zijn rechter. Hij drukt zijn hand tegen zijn lippen. Bobby’s gebaar is technisch soepel, als een geheim signaal tijdens een wedstrijd American football.
Mijn moeder kijkt me met half toegeknepen ogen aan en geeft een knikje naar Bobby, met een blik waaruit spreekt dat ze het verlies van haar fysiek indrukwekkende ex-schoonzoon dagelijks voelt. Zonder een woord te zeggen maakt ze duidelijk dat het de grootste fout van mijn leven was om deze goede man te verlaten in een wereld waar daar maar weinig van zijn. Er komt een herinnering in me op van toen ze tijdens onze bruiloft met Bobby danste, en die maakt me verdrietig, maar niet zo verdrietig dat ik moet huilen. Ik zal deze zakdoek in smetteloze staat teruggeven aan mijn moeder.
De leden van de Sodaliteit van Saint Catherine komen achter elkaar lopend het rouwcentrum binnen. Ze lopen langzaam over het middenpad en vormen aan weerskanten van de kist een rij. Mama staat op en gaat erbij staan. Het geluid van tassen die opengeklikt worden en tikkende kralen van de rozenkransen wordt al snel overstemd door het eentonige bidden van weesgegroetjes, waarna we de Glorievolle Geheimen overdenken met Bobby Bilancia als voorganger.
Mijn voormalige schoonmoeder is een schoonheid. Babe is rond en ruim bepoederd, net als een zeppole. In haar jeugd was ze klein en weelderig als een viool, nu lijkt ze meer op een contrabas. Zolang ik haar ken föhnt ze haar gitzwarte haar al in een rechte, kinlange bob. Ze heeft een steelse blik in haar felblauwe ogen, maar dat was altijd al zo, op school al, toen ze als klassenmoeder zesendertig cupcakes met Bobby’s gezicht erop meenam naar school terwijl hij niet eens jarig was.
Na het bidden van de rozenkrans gaan papa, mama en tante Lil staan. Mijn ouders flankeren tante Lil terwijl ze achter de Sodaliteit en de Columbus-ridders aan de rouwkamer uitlopen, de hal door, naar de parkeerplaats. Al snel ben ik alleen met oom Louie.
Het ruikt naar rozen, een teken dat de heilige Padre Pio boven ons zweeft, of misschien heeft meneer Cortese het staafje van de luchtverfrisser in het stopcontact in de hal vervangen. (Ik ga voor de heilige.) Oom Louie en ik praatten tijdens onze lange ritten tussen klussen door vaak over zijn toewijding aan Padre Pio. Hij zei: ‘Padre Pio genas iedereen die hem aanraakte, maar hij kon zichzelf niet redden. Arme vent. Hij heeft vreselijk geleden. Hij kreeg stigmata, weet je. Dan at hij een bord macaroni en raakte hij lek.’ We hadden de cel van Padre Pio in de pastorie in Puglia willen bezoeken, om op zijn bed te zitten en zijn handschoen te proberen. Nu zal ik dat allemaal nooit doen, want een pelgrimage zonder oom Louie zou niet hetzelfde zijn, het zou zelfs niet belangrijk zijn.
Ik kniel voor de kist. Oom Louie ligt er in zijn beste pak en stropdas, een bosgroen krijtstreeppak van wol-zijde, met een gesteven wit overhemd en een paarse stropdas. Ik trek de sjerp van de Columbus-ridders recht en geef een klopje op zijn koude hand. Ik ben blij dat ze hem zijn gilet aangetrokken hebben. Hij had het eeuwig leven niet willen doorbrengen zonder het ingesnoerde gevoel. Zijn handen zijn gevouwen, met een rozenkrans van zwarte kralen tussen zijn vingers door gevlochten. Gelukkig hebben oom Louie en ik een paar dagen voordat hij naar het ziekenhuis ging tijdens onze lunch een manicure gehad, dus zijn nagels zijn kort, netjes en gepolijst. Hij zou blij zijn met de timing.
‘Je zou tevreden zijn met je wake,’ zeg ik zacht. ‘Er waren veel mensen. Het gastenboek is vol.’
‘Herinneringen zijn de kunst van emotie,’ had oom Louie gezegd toen we een vloer vervingen in het huis van Christy Ronca, precies zoals die jaren eerder door opa Cap was gelegd. Ik had geprobeerd haar over te halen om een modern, nieuw ontwerp te nemen, maar ze wilde dezelfde vloer als altijd. Oom Louie zei dat ik niet moest pushen. We gedenken om vast te houden.
‘Help me alsjeblieft om vast te houden,’ vraag ik oom Louie. Ik sla een kruisje en sta op van het bidbankje.
Ik haal mijn tasje uit de garderobe. Ik verga van de honger, ik verheug me op alle overlijdensdesserts die thuis in mama’s keuken op me wachten. Toen oma B overleed, deed ik er een week over om een hele plaatcake op te eten, maar het lukte me. Na de eerste twee plakjes gebruikte ik geen bordje en vork meer, ik liet het mes gewoon op de bakplaat liggen en sneed hier en daar een stukje af tot er alleen nog kruimels en een laag zelfbeeld over waren.
Als ik thuiskom, liggen mijn ouders al in bed. De hele keuken staat vol met pannen, trommels en tupperwarebakjes vol desserts. Er staan schalen vol lemon bars, koeken en cannoli. Er zijn genoeg taarten op plateaus voor een hele avond prijzen uitdelen bij de bingo. Er zijn twee tulbanden doordrenkt met rum, waardoor het in de keuken naar een kroeg ruikt.
Ik doorzoek de overdaad aan lekkernijen tot ik de plaatcake van Genevieve Belcastro heb gevonden. Ik pak een steakmes en snij een flink vierkant uit de cake met chocola en kokosnoot. Ik doe de koelkast open en schenk een glas melk in. De koelkast staat vol schalen met vlees: capocollo, plakken kalkoen en rosbief. Er zijn opgestapelde stoofschotels en er staat een enorme plastic kom met macaronisalade. Mama is klaar voor de begrafenislunch na de dienst. Normaal gesproken zou ik bij de aanblik van dit alles in huilen uitbarsten, maar ik doe het niet.
Ik ga met de melk en cake naar de kelder. Ik zet de cake op tafel, wurm me uit Lisa’s jurk en trek mijn pyjama aan. Ik kijk in de spiegel terwijl ik mijn tanden poets. Ik zie er vreselijk uit voor iemand die nog geen traan gelaten heeft.
Ik stap in bed en laat de laptop op mijn bovenbenen balanceren. Ik log in bij Thera-Me, waar ik een reactie vind op mijn smeekbede om bij dokter Sharon te blijven.
Beste patiënt Jess,
Wij zijn van mening dat de patiënt het meest gediend is bij verschillende behandelaars. Het team geestelijke gezondheidszorg is effectief en we leveren de beste online therapie. Vul alsjeblieft zo snel mogelijk het formulier voor oefening twee met dokter Raymond in.
Jouw Thera-Me Team
* * *
Gatver.
Beste dokter Raymond,
Oefening twee is bijgesloten. Ik heb echter een dringende kwestie, waarvoor ik onmiddellijk uw advies nodig heb. Ik ben zojuist de belangrijkste persoon in mijn volwassen leven verloren en ik kan niet huilen. Is er iets mis met me? Ik ben bevroren. Geef me alstublieft advies.
G.C.B.
* * *
Ik kijk naar de cake en besluit hem te bewaren voor bij het ontbijt. Ik trek het dekbed en de quilt op tot mijn kin en doe het licht uit. Mevrouw Cartegna had beloofd het appartement in Hoboken vast te houden als ik ergens komende week de aanbetaling kon langsbrengen.
Ik probeer in het donker te bidden als er buiten een flinke wind opsteekt. De windvlagen klinken zo hard dat de kelderruiten met uitzicht op het gazon ervan rinkelen. Ik ga rechtop zitten als de hordeur naar buiten openwaait en er blaadjes de kelder binnen dwarrelen. Ik zie iemand in de deuropening staan. De vorm van het hoofd en de lijn van de schouders, de spieren zijn allemaal bekend. Bobby Bilancia zwijgt. Hij komt naar mijn bed toe. In één tel zie ik er spectaculair uit. Mijn haar glanst en is glad alsof er een veegmachine overheen is gegaan. Ik heb smokey eyes, een egale huid en vochtige lippen. Als ik huiver, stapt Bobby bij me in bed en houdt me stevig vast tot mijn temperatuur hoog genoeg is om het rillen te stoppen. Ik begin te zweten alsof ik me in een drukkend hete jungle een weg door de bosjes baan. De rode streep van de buitenthermometer aan de muur stijgt tot bovenaan. De muren bewegen en het bed schudt alsof het hele huis in een blender zit. Ik hoor de golven van de zee aanzwellen, hoewel we bijna een kilometer van het strand verwijderd zijn. De kelder wordt verlicht door de volle maan, waardoor we lichtblauw worden, als Carrara-marmer.
Bobby neemt me in zijn armen en dan staan we naast het bed. Er is wind, de lichten schijnen fel, de maan glanst boven ons hoofd. Nu zijn we op een dansvloer onder een tent, we zijn de laatste twee gasten op het feest, afgezien van de dj, die muziek draait. De wereld is verdwenen en dat maakt niet uit, we missen haar niet.
Bobby’s hand ligt op mijn heupen en hij kust mijn hals op weg naar mijn mond. Ik sluit mijn ogen als zijn lippen de mijne zachtjes aanraken. Ik leun tegen hem aan met het gevoel dat ik hier hoor, het beste aspect van getrouwd zijn met hem. Hij strijkt mijn nieuwe, kroesvrije pony met een perfecte lengte van mijn voorhoofd. Hij houdt van mijn nieuwe kapsel! Ik hoor de drukknoopjes niet klikken als mijn pyjamajasje van me afglijdt, omdat het geen pyjama is; ik draag de roze hemdjurk die ik tijdens onze huwelijksreis in Las Vegas droeg toen we naar het Cirque du Soleil gingen. Bobby knielt, trekt mijn muiltjes met veren uit en gooit ze over zijn schouder. Ik draag weer een pyjama! Deze heeft geborduurde palmbladeren, net als het exotische behang in het toilet beneden bij tante Lil. Bobby’s handen gaan over mijn hele lijf terwijl hij me uitkleedt. De hitte van zijn aanraking creëert een gevoel van urgentie terwijl we de liefde bedrijven. Waarom is de kelderhordeur uit zijn scharnieren? Waarom beeft de wereld? Waarom dondert en bliksemt het, maar regent het niet?
Ik trek zijn stropdas af en knoop zijn overhemd open. Ik kus zijn borst en maak zijn riem los. Hij wiegt me stevig voordat hij me op zijn bed legt. Hij struikelt en valt op me. We lachen, maar zeggen niets. Ik kan niets zeggen. Ik kan geen woorden vormen.
Het licht in de kamer wordt zwakker. De maan is blijkbaar achter de wolken verdwenen, maar hierbinnen is het net helder genoeg om zijn ogen te zien terwijl hij me begerig opneemt. Hij zoent me heftig, waarna hij de sprei omlaagtrekt. Ik ga eronder liggen. De lakens zijn koel als hij me naar zich toe trekt. Ik pas goed tegen hem aan. Hij kent mijn lichaam als dat van zichzelf, hij weet hoe hij me genot kan schenken. Als we maar met elkaar konden praten! Wat ik niet allemaal zou zeggen!
Bobby trekt me voorzichtig boven op hem, zoent me alsof hij de tijd die we gescheiden waren moet goedmaken. Het bed komt los van de vloer, als cakebeslag dat over de vorm stroomt als het rijst in de oven. Ik kijk over de zijkant terwijl het matras opstijgt. Terwijl Bobby me zoent, schiet het bed steeds verder omhoog, naar het plafond. Voordat we het plafond raken, stopt het bed. Ik glijd van Bobby af op het matras en klamp me aan hem vast. De keldervloer is kilometers ver weg. Ik kan niet ademen. Hij slaat zijn armen en benen om me heen als een zijden koord. Zijn lichaam drukt tegen het mijne. Het bed stuitert op en neer. Ik trek de sprei over Bobby heen en druk hem tegen me aan.
‘Giuseppina!’
Ik word wakker en doe mijn ogen open. ‘Ma?’ Ik ben slaapdronken en verdwaasd.
‘Je was aan het dromen.’ Mijn moeder is helemaal opgemaakt terwijl ze haar ochtendjas draagt. ‘Je lag te woelen.’ Ze pakt de niet opgegeten cake en het glas melk van de avond ervoor van tafel. ‘Ik neem dit mee naar boven. We willen geen muizen krijgen.’
Ik kijk naar beneden en zie opgelucht dat ik nog steeds een pyjama draag. Ik sla de sprei om me heen.
‘We gaan nog een keer naar oom Louie vóór de mis in de kerk,’ zegt Connie opgewekt terwijl ze in een zwartwollen pak en instappers de trap afkomt.
‘Wat doe jij hier?’ Ik stap uit bed.
‘Ik zei tegen ma dat ze je moest laten slapen en toen waren we je bijna vergeten. Wat doe je aan naar de begrafenis?’
‘Ik zie je boven,’ zegt mama en ze vertrekt.
Connie kijkt in mijn kast. ‘Dat is makkelijk. Alles is zwart.’
‘Mijn haar.’ Ik kijk in de spiegel. Het staat omhoog als de stralen van een monstrans. Of misschien zijn dat de highlights die een lichtbron zoeken. Ik klop mijn nieuwe pony plat en spray wat krulbooster op mijn haar, waarna het tot me doordringt dat het een flesje insectenspray is.
‘Doe maar in een staart,’ zegt Connie. ‘Sinds wanneer heb je een pony?’
Kijken mijn familieleden ooit naar mij? Die pony had ik gisteravond ook al.
Connie houdt twee opties voor de begrafenis omhoog, een pak en het jurkje dat ik van Lisa had geleend. ‘Welke? Het jurkje?’
‘Dat had ik gisteravond aan.’ Nog meer bewijs dat niemand naar me kijkt. ‘Ik kan er niet in ademen. Ik neem het pak wel.’
‘Mama zou het niet leuk vinden dat je een broek draagt.’
‘Meen je dat nou? Ik ben mijn beste vriend op de hele wereld verloren en ik mag niet in een broek om zijn dood rouwen?’
Connie gaat op de rand van het bed zitten. ‘Was oom Louie je beste vriend?’ vraagt ze verdrietig.
Ik knik.
‘Dan zal ik jouw beste vriendin worden,’ belooft Connie.
‘Je bent mijn zus. Dat is al moeilijk genoeg.’
‘Opschieten, meiden!’ brult mijn vader bovenaan de trap. ‘Tante Lil mag niet te laat komen.’
Connie helpt me snel met aankleden. We rennen de trap op, naar de veranda. De auto’s van de familie staan in een rij voor ons huis, een pre-begrafenis-rouwstoet. Papa helpt tante Lil in de Impala van oom Louie. Diego gaat achter het stuur zitten terwijl Connie hun meiden in de MPV van Katie helpt, waar de kinderen op elkaar geperst zitten als een stapel tuitbekers.
Mijn moeder doet het linkerraam van haar cabriolet open en leunt naar buiten. ‘Giuseppina. Kom met mij mee.’
Mijn nieuwe beste vriendin, Connie, werpt me een ondersteunende blik toe voordat ze erbij kruipt in de Impala. Ik ga op de bijrijdersstoel zitten terwijl mijn moeder de auto start.
Mijn moeder is van top tot teen in het zwart gestoken: een zonnebril met vierkante glazen, een zwartlinnen doorknoopjurk, suède knielaarzen en bijpassende handschoenen. Als ze iemand wilde vermoorden, zou ze in deze outfit geen spoor achterlaten. Ze fronst terwijl ze optrekt en achter mijn vader aanrijdt, die Joe volgt. ‘Ik hou niet van een broek bij een begrafenis.’
‘Ik hou er niet van dat oom Louie is gestorven.’
‘Heb je me iets te vertellen?’ Ze wacht niet op antwoord. ‘Babe Bilancia belde vanochtend en zei dat Bobby en jij elkaar hebben geappt toen Louie in het ziekenhuis lag. Ik bedoel, er is iets aan de hand. Hij had een pak aan naar Louies wake. Is er iets wat ik moet weten?’
‘Het gaat Babe niets aan. Ik denk niet meer aan Bobby,’ jok ik. In elk geval geen gedachten die ik onder controle heb.
‘Tante Lil wil dat je een paar dingen zegt tijdens de begrafenisdienst.’
‘Dat kan ik niet.’
Ik maak me er meer zorgen om dat ik erdoorheen kom zonder te huilen, wat erger zou zijn dan als ik op het spreekgestoelte zou staan en voor alle aanwezigen onder een tsunami van tranen zou bezwijken. Het is mijn moeder niet opgevallen dat ik bijna geen emotionele reactie op de dood van oom Louie heb vertoond. Dit is de realiteit van de vergeten, misbruikte dochter: het enige wat van belang is, is dat ik geen rok draag. Alsof op deze donkere dag het uiterlijk belangrijk is.
‘Weet je zeker dat je niet een paar woordjes kunt zeggen? Of iets kunt voorlezen? Of je doet iets waarbij je niet hoeft te praten, zoals de cadeaus brengen. Ik wilde echt dat je een jurk had gedragen.’
‘Nou, dat heb ik niet gedaan. En je ziet me voor iemand anders aan, ma. Ik kan dat allemaal niet. Niet voorlezen. Geen toespraak. Niet zeggen dat hij in mijn gedachten en gebeden is.’ Mijn gedachten zijn een warboel en mijn gebeden zijn niet beantwoord, dus ik stel voor: ‘Laat Joe de toespraak maar geven.’
‘Oké,’ stemt mama in, en ze spreidt haar in zwarte suède gestoken vingers voordat ze haar handen op het stuur legt. ‘Je bent nooit iemand geweest die het podium pakte.’ Mama knikt begrijpend. ‘En toen je dat wel deed, zat je in het koor. Daar is niets mis mee. De schittering van de spotlights is niet voor iedereen.’
‘Ik zou alles hebben gedaan voor oom Louie – en dat weet hij, waar hij ook is.’
Als we de kerk binnenkomen, voel ik de blikken op me rusten. De gasten zoeken mijn tranen, alsof ik het hun verplicht ben om in te storten. Maar ik kan niet huilen. Ik ben boos.