Hoofdstuk 7: Het rouwbuffet - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
De eetkamertafel stond vol voedsel, gemaakt en afgegeven door de dames van de Sodaliteit. Er zijn nog een paar schotels over, wat talmende vrienden en onze familie. De gespreksonderwerpen werden steeds herhaald: de requiemmis was prachtig, de begrafenis winderig en de minisandwiches met ribbraadstuk van Bilancia Vleesproducten waren heerlijk.
Ik ruim af en breng de borden naar de keuken. Mijn handen zitten diep in het sop als ik hoor: ‘Ik help je wel even, Jess.’ Ik draai me om en zie Bobby staan, die naar me glimlacht.
‘Ik neem het wel over,’ zegt hij.
‘Je deed inderdaad vaak de afwas.’ Ik trek mijn handen uit het water. Bobby geeft me een droogdoek.
Hij geeft me een duwtje met zijn heup. ‘Droog jij maar af. Ik ben beter in afwassen.’
‘Net als vroeger!’ meldt Babe Bilancia vanuit de deuropening. ‘Ik ben er niet! Ik kom mijn tupperware halen.’ Ze kijkt speurend de keuken rond en ziet het vierkante plastic bakje met een handgreep. ‘Ik ben al weg.’ Babe zwaait ten afscheid en loopt weg.
Bobby en ik lachen.
‘Kom, we gaan ervandoor,’ zegt hij. ‘Zullen we een stukje wandelen?’ Bobby neemt me mee naar de overkant van de straat, naar het wandelpad langs Lake Como. De ondergaande zon glinstert als een koperen knoop op een rol lila flanel, terwijl de lampen in de huizen aan het meer in de schemering aangaan. Het enige geluid is het geroep van een kleine kokmeeuw terwijl die duikvluchten maakt aan de hemel en over het wateroppervlak scheert. Met haar zwart-witte verendek is de vogel net een gestroomlijnd projectiel van Calacatta-marmer. Ik haak mijn arm door die van Bobby terwijl we langs de waterkant lopen.
De net gevallen blaadjes knisperen onder onze voeten. Als het pad langs het meer smaller wordt, geeft Bobby me een zetje zodat ik voor hem ga lopen. Als we elkaar niet aankijken, kan hij goed communiceren.
‘We hebben dezelfde jeugd gehad, Jess. Dat zijn de dingen in het leven waarop je kunt rekenen. Het enige verschil? Jij had uitzicht op Lake Como, waardoor je iets rijker was dan mijn stam aan Ocean Avenue.’ Hij glimlacht.
‘Ja, maar jij had een zwembad in de tuin,’ breng ik hem in gedachten.
‘Zou het zwembad ons bij elkaar gehouden hebben?’
‘Het was niet ons zwembad, het was van je ouders.’
‘Je kent de Bilancia’s. Op een dag zou alles van jou zijn geweest. Maar je deed nooit alsof je iets wilde,’ zegt hij. ‘Of alsof je ergens behoefte aan had.’
‘Mensen die vragen, worden overgeslagen,’ zeg ik tegen hem.
‘Wat ga je met Cap Marmer en Steen doen?’
‘Nou, dat is me nogal een opgave.’
‘Je zou zo een baan bij een groot installatiebedrijf kunnen krijgen.’
‘Ik zal erover nadenken.’
‘Wat je ook beslist, het komt wel goed,’ stelt Bobby me gerust. ‘Ik zal er altijd zijn.’
‘Ook al reageer je niet op mijn berichtjes?’
‘Ik wist gewoon niet wat ik moest zeggen.’ Bobby stopte zijn handen in zijn zakken en gaat voor me lopen.
Toen ik wegging bij Bobby, ging ik ervan uit dat hij altijd in mijn leven zou blijven. Lake Como is een klein stadje en het was onvermijdelijk dat we elkaar zouden tegenkomen. Ik hoopte dat we vriendelijk tegen elkaar konden zijn, omdat we een verleden hebben. Maar de belangrijkste eed is de eed die we afleggen bij het besluit dat het voorbij is, want dat blijft hangen. Bij de eed van afscheid nemen is geen priester, advocaat of schoonfamilie betrokken, het zijn gewoon twee mensen die moeten uitzoeken hoe ze zonder elkaar verder kunnen. Dat is de moeilijkste taak ooit.
Om ons heen valt de duisternis. Het wateroppervlak is groen en bruin gespikkeld, als een antieke spiegel. ‘We moeten terug,’ zeg ik tegen hem.
Hij draait zich naar me toe. ‘Zit het goed tussen ons?’
Ik omhels hem en druk hem tegen me aan. Hij kust me op mijn wang. Hij pakt mijn hand en brengt me terug naar het huis. We zeggen niets en lopen langzaam. Bobby stapt in zijn auto en ik zwaai hem uit vanaf de veranda. Ik weet nog dat ik ooit wilde dat er geen einde kwam aan onze wandelingen, maar als dat wel gebeurde, verheugde ik me op het moment dat hij me kwam ophalen voor weer een ommetje.
Ik ga op het trapje van de veranda zitten en zie dat zijn auto afslaat naar Bilancialand aan Ocean Avenue. Ik open mijn notitie-app. De wandeling met Bobby brengt me terug naar de dag dat ik hem verliet. Ik schrijf.
Op 18 maart 2023 keek ik voor het laatst rond in ons appartement. Ik had geprobeerd er een thuis voor Bobby en mij van te maken. Ondanks mijn gezeur waren Bobby’s fiets en surfplank nooit in de opslag in de kelder beland, dus elke keer dat we binnenkwamen, moesten we ons in de smalle hal langs zijn troep wurmen. Als we eenmaal in de woonkamer waren, in het zwart met zilverkleurige kleurenschema, stond daar modern, laag meubilair. Onze huwelijksgeschenken waren uitgepakt maar bleven ongebruikt, in de grote kledingkast met spiegeldeuren gepropt. Door Bobby’s werk in de winkel en dat van mij bij Cap Marmer namen we nooit de tijd om onze cadeaus op plekken neer te zetten waar we ze konden gebruiken. Na een tijdje besloot ik ze in dozen te bewaren, om ze makkelijker te kunnen verhuizen naar een eventueel huis.
Er hing een trouwfoto in zwart-wit van Bobby en mij boven de bank. Ik zag er knap uit in mijn nauwsluitende Calvin Klein-jurk, nep natuurlijk, gemaakt door Betty Cline uit Parsippany. Overal in mijn hoog opgestoken haar zaten schuifjes met zilveren sterretjes, passend bij mijn ogen, die begonnen te glinsteren als ik naar Bobby keek.
Mijn koffer stond gepakt bij de deur. Bobby vertrok voor zonsopgang naar zijn werk en kuste me zoals altijd op mijn wang. Ik deed alsof ik sliep, maar ik had de hele nacht wakker gelegen omdat ik deze ochtend had gekozen om hem voorgoed te verlaten. Ik koos een datum die in beide families geen problemen zou opleveren. De verjaardag van zijn moeder was over een paar weken en die van mijn vader was net geweest. Ik kon niet op een willekeurige dag vertrekken; het moest geen feestelijke dag of gedenkdag van een van beide families zijn. Ik stond op, dronk een kop koffie en belde oom Louie om me ziek te melden.
Net toen ik wilde gaan, hoorde ik een sleutel in het slot. Paniek kolkte door mijn lijf. Ik kon me niet voorstellen waarom Bobby halverwege de ochtend uit zijn werk naar huis zou komen.
Het verbaasde mijn schoonmoeder om me te zien. Mijn huissleutels tinkelden als bedeltjes aan een plastic spiraalhanger aan haar pols. Ze had de sleutels van alle huizen van haar kinderen. Babe was net een conciërge, maar dan zonder de loodgietersvaardigheden.
‘Ik kwam even wat lekkers brengen. Ik ben er niet. Even erin en eruit! Ik hoor niets! Ik zie niets!’ Babe liep door de woonkamer naar de keuken terwijl ze me negeerde. Ze had een stapel voorraadbakjes bij zich. ‘Alles is gelabeld. Het zelfgemaakte eten? Dat is vers. Dat moet uiterlijk donderdag op. Er is ook een port wine cheddar cheese ball. Bobby zei dat hij dit weekend de jongens had uitgenodigd om basketbal te kijken, maar die blijft wel goed. De crackers zitten in de tas. Net als de struffoli. Ik was niet van plan iets te gaan frituren, maar toen zei ik tegen mezelf: ik heb maar één zoon en één schoondochter, dus niet zeuren en aan de slag, Babe. Mijn dochters hebben zelf een friteuse.’
Babe praatte gewoon door terwijl ze me in de woonkamer passeerde op weg naar de deur. Ze zweeg toen ze mijn koffer zag. Ze keek naar me, in mijn dichtgeknoopte jas. Ik droeg een sjaal omdat het nog winter was en koud buiten. Ze zag de sleutels in mijn hand.
Ze hield haar hoofd scheef. ‘Ga je een nachtje weg?’
‘Ja,’ antwoordde ik op een toon waaruit bleek dat ze niet verder moest vragen.
Ze zag er gekwetst uit, alsof er nieuws was dat niemand haar had verteld. ‘Goh, wat leuk. Waar ga je naartoe?’
‘Naar mijn moeder.’
Haar glimlach verdween. ‘Ik dacht dat Bobby en jij alles hadden uitgepraat. Hij zei dat het goed met je ging.’
‘Mam’ – dit was de laatste keer dat ik haar aansprak als mijn schoonmoeder – ‘we hebben het geprobeerd.’
Babe haalde langzaam adem en zette toen een stap naar me toe. Ze dempte haar stem en zei kwaad: ‘Moet je eens horen, ik ben al heel lang getrouwd. Was het allemaal rozengeur en maneschijn? Nee. Van beide moet je niet te veel hebben; van de ene moet je niezen en de ander geeft niet genoeg licht. Als je getrouwd bent, moet je naar de lange termijn kijken, naar het grote plaatje. Het huwelijk draait niet om momenten. Het gaat om jaren aan investeringen. Ik snap het niet. Hoe kun je nou ongelukkig zijn? We hoeven niet te doen alsof jullie geen problemen hebben, maar jullie passen goed bij elkaar.’
‘Mam.’
‘Het is zo. Jullie hebben dezelfde achtergrond! Hetzelfde geloof! Jullie hebben allebei prachtige tanden. Onze kleinkinderen zouden een perfect gebit hebben, zonder een beugel nodig te hebben. Jullie zouden duizenden dollars aan rekeningen van de orthodontist hebben bespaard.’ Ze keek rond in het appartement en sloeg haar hand voor haar mond. ‘Hij weet niet dat je bij hem weggaat? Toch?’
‘Ik heb met hem afgesproken in zijn lunchpauze, dan ga ik het hem vertellen.’
‘Ik ga koffiezetten, we nemen een koekje en gaan wat kletsen, en tegen de tijd dat Bobby uit zijn werk komt, heb je het gevoel dat je helemaal opnieuw kunt beginnen!’
‘Sorry, dat kan ik niet.’ Ik kreeg de woorden amper uit mijn mond omdat ik bang was dat ik zou gaan huilen en ze mijn tranen verkeerd zou opvatten.
Ik weet niet meer wat Babe Bilancia zei toen ik meedeelde dat ik niet kon blijven. Ik luisterde niet meer. Op dat moment voelde ik me sterk. Ik kwam voor mezelf op en hield voet bij stuk. Ik bezweek niet, trok mijn jas niet uit, liet mijn sleutels niet vallen en zette geen koffie om mijn schoonmoeder te plezieren en haar angsten te bezweren. Ik was doodsbang, maar ik verraadde mezelf niet om haar gelukkig te maken en gebruikte mijn angst als brandstof om te vertrekken. Maar ik leerde iets terwijl ik daar voor mezelf en mijn beslissing streed. Ik leerde dat ik mijn man pas gelukkig kon maken als ik zelf het geluk had gevonden. Ik was vastbesloten om een nieuw leven te beginnen, maar zoals het nu eenmaal gaat, ging ik eerst terug naar mijn oude leven om een manier vooruit te vinden.
* * *
Ik stop mijn telefoon in mijn zak en ga het huis weer in.
Bij de voordeur trek ik mijn schoenen uit.
‘Hoe was de wandeling met Bobby?’ vraagt mama.
‘Verwacht er maar niet te veel van.’
Ik ga naar mijn moeder, vader, Joe en Connie in de woonkamer. Ze zijn gekleed in een gekreukte versie van hun gestoomde begrafenisoutfit van die ochtend. Joe heeft zelfs zijn stropdas losgemaakt. Ze zien eruit als een stapel lege banden op weg naar de sloperij.
‘Is iedereen weg?’ Ik kijk rond.
‘Nicht Diane Palermo heeft tante Lil en haar familie naar huis gebracht,’ zegt Joe.
‘Koffie?’ Connie staat op om naar de keuken te gaan en dan gaat de deurbel.
‘Laat wie het ook maar is in de keuken. We hebben alle schalen afgewassen. Ze kunnen worden opgehaald,’ zegt mama vermoeid. ‘Als je vlak voor de feestdagen overlijdt, wil iedereen zijn dienschaal dezelfde dag nog terug.’
Ik doe de deur open. Twee goedgeklede mensen van rond mijn leeftijd, die ik nog nooit heb gezien, begroeten me.
‘Goedenavond. Ik ben rechercheur Campovilla. Ik wil graag met Giuseppina Baratta van Capodimonte Marmer en Steen praten.’
Ik kan geen woord uitbrengen. Mijn hoofd tolt. Wat willen ze van me? Ik heb nog geen tijd gehad om over de zaak na te denken.
‘Giuseppina.’ Mijn moeder duwt me opzij. ‘Louie Capodimonte is overleden. Ik ben de zus van de overledene. Campovilla? Is dat Italiaans?’
‘Filipijns,’ verduidelijkt de rechercheur.
‘Ik ben Giuseppina Baratta,’ geef ik toe.
‘Ik ben agent Trent.’ Zijn partner, een aantrekkelijke zwarte vrouw van in de dertig, houdt haar penning omhoog zodat ik die kan bekijken.
Papa, Joe en Connie gaan staan.
‘Kom binnen,’ zegt mama terwijl ze Joe in de richting van de FBI duwt. ‘Onze zoon, Joe, is advocaat.’
Campovilla kijkt eerst naar mijn broer en dan naar mij. ‘Er mag een advocaat aanwezig zijn. Geen probleem.’ Hij wendt zich tot mij. ‘We hebben geprobeerd u te bellen.’
‘Waren jullie dat? Ik dacht dat het een bedrijf van buiten Trenton was dat me een autoverzekering wilde aansmeren. Sorry. De begrafenis en zo was een beetje veel.’ Ik sta te trillen. Ik ben nog nooit in aanraking gekomen met de wet en ik ben bang, of misschien is mijn bloedsuiker gedaald na het verorberen van een plak Texaanse plaatcake.
‘We moeten met u praten over Louie Capodimonte,’ zegt Campovilla.
‘Ik wil graag weten naar welke informatie u op zoek bent voordat mijn zus vragen gaat beantwoorden.’ Joe praat langzaam, alsof hij per woord betaald wordt.
Joe nodigt de bezoekers uit in de keuken. Mama, papa en Connie lopen achter ons aan. Joe draait zich naar hen toe en zegt: ‘Ik regel het wel,’ waarna hij de keukendeur dichtdoet.
‘Gaat u zitten,’ zegt Joe, gebarend naar onze keukentafel.
* * *
Joe en ik zien elkaar de volgende dag na het werk in het huis van onze ouders. We lopen zwijgend achter elkaar naar het huis van oom Louie, terwijl de felle herfstzon ondergaat. Het is een prachtige avond om hard te lopen rond het meer, een stevige wandeling over het strand te maken of bewijs te vergaren voor de FBI.
De grote, lege canvas plunjezak die over mijn schouder hangt flappert tegen me aan als het zeil van een zeilbootje. Ik ben van plan er chequeboekjes, mappen en papieren in te stoppen voor de FBI, zodat ze het bedrijf van Louie Capodimonte kunnen doorlichten.
‘Ik ben blij dat je me helpt, Joe.’ Dit is een nieuwe fase in de relatie met mijn broer. Ik heb zijn beroepsmatige expertise nodig.
‘Had je enig idee over oom Louie?’
‘Nee.’ Ik lieg tegen mijn broer omdat ik trouw blijf aan oom Louie omdat hij trouw was aan mij. Maar ik kan de waarheid niet helemaal vermijden. ‘Oom Louie heeft me wat dingen verteld voordat hij overleed.’
‘Je kunt niet tegen de FBI liegen, Jess. Deed jij de boekhouding?’
‘Nee.’ Ik heb alle vragen van rechercheur Campovilla naar waarheid beantwoord. Oom Louie had dan wel een accountant, maar eerlijk gezegd had hij alle cijfers in zijn hoofd, en daar kon niemand bij. Ik zei tegen de FBI dat oom Louie zijn eigen manier van zakendoen had en dat ik daar niet van op de hoogte was.
‘Je ging niet voor hem naar de bank?’
‘Nee.’
‘Dat vind ik moeilijk te geloven,’ zegt Joe vriendelijk.
Ik zie dat mijn broer zich zorgen om me maakt. ‘Zou ik in de kelder van onze ouders wonen als ik onderdeel van een of ander groots financieel plan was? Oom Louie hield van geld. Hij hield ervan om het te verdienen. Dat maakt van hem een gewone Amerikaanse zakenman.’
‘Jij kende hem beter dan ik.’
‘Oom Louie hield van marmer. Dat verbond hem met Italië.’
‘Hoe was het om met hem te werken?’ vraagt Joe. ‘Dagelijks, bedoel ik.’
‘Oom Louie en ik leken wel van die tegenpolen van rechercheurs uit zo’n slechtlopende politieserie uit de jaren negentig. We hadden een intergenerationele vriendschap. Hij herinnerde zich The Beatles nog bij Ed Sullivan. Ik herinnerde me dat Taylor Swift uitging met Harry Styles. Ik mag dan zestien jaar als bijrijder in de Impala hebben meegereden, ik was nooit zijn gelijke. Cap Marmer en Steen was zijn kindje. Het was niet zo dat hij de zaak aan mij overliet als hij een paar weken wegging. Als hij naar Florida ging, gooide hij de zaak gewoon dicht. Maar aan het eind, in het ziekenhuis, zei hij dat hij wilde dat ik het overnam.’
Joe blijft staan. ‘Wil je het bedrijf?’
‘Op dit moment mis ik oom Louie gewoon.’
Ik loop achter Joe aan over het gele klinkerpad bij tante Lils huis. Joe draait zich om en zegt: ‘Ik regel het wel met tante Lil. Je weet wat je moet doen.’ Joe voelt aan de deur, hij is open. ‘Tante Lil?’ roept hij.
Tante Lil steekt haar hoofd om de deur van de keuken aan het eind van de gang. ‘Hier,’ zegt ze.
De vrolijke keuken heeft witte metrotegeltjes met een zwarte rand eromheen. De apparatuur is appeltjesrood. De keukentafel is van kersenhout, met vier stoelen. Tante Lil draagt een groenblauwe kamerjas met bijpassende pantoffels.
‘Ik wou dat ik nog rookte. Ik haat de dag erna. Koffie?’ biedt ze aan.
‘Lekker,’ zegt Joe.
‘Nee, bedankt, tante Lil.’ Ik hang de plunjezak over de rug van de stoel. ‘Kan ik even naar de wc?’
Mijn tante gebaart naar de deur naast de keuken.
De wc naast de keuken heeft opvallend behang met palmbladeren, groen op wit, als eerbetoon aan Miami. Een Italiaans-Amerikaanse inrichting is vaak geïnspireerd op onze vakantiebestemming. Daarom vind je in ons interieur vaak de kleuren van toffee en mai tai-parapluutjes.
Ik schuif het medicijnkastje open, terwijl ik de wc doorspoel om het geluid te verhullen. Oom Louie maakte geen grapje. Tante Lil heeft de ultieme vintage Avon-collectie. De smalle plankjes staan netjes vol met matglazen, prullerige potjes ter grootte van een vinger en melkglazen flesjes. Er staan dichte parfumverpakkingen. Ik maak snel een aantal verpakkingen open op zoek naar de harde schijf. Summer Dew, Somewhere, Here’s My Heart, Field of Flowers. Het zou een hele dag kunnen duren, in deze hel van miniaturen. Ik weet niet meer of oom Louie zei dat het Sunsplash of Hayride was, maar het maakt niet uit, omdat nergens een harde schijf in zit. Ik ben hier al te lang! Ik pak een verpakking met Sweet Honesty erop, maak hem open en kijk erin. Bam, de harde schijf. Wat ironisch.
‘Gaat het een beetje?’ vraagt Lil aan de andere kant van de deur.
‘Ik kom er zo aan.’ Ik zet het doosje terug op het plankje, doe de harde schijf in mijn zak en schuif zachtjes het medicijnkastje dicht.
‘Morrel maar even aan de knop. Dan houdt hij op met doorspoelen,’ zegt tante Lil.
‘Doe ik,’ zeg ik door de deur heen. Ik was mijn handen en ga naar de keuken. ‘Joe, wil je alsjeblieft die wc repareren?’
‘Louie repareerde hier alles wat kapot was.’ Tante Lil begint te huilen. ‘Ik weet niet wat ik moet doen. Ik blijf maar denken dat hij binnenkomt. Ik ben alleen. Je kunt je niet voorstellen hoe angstaanjagend dat is.’
‘Je bent veilig,’ zegt Joe. ‘Je hebt een beveiligingssysteem en papa en mama wonen verderop in de straat.’
‘Vergeet neef Carmine niet,’ zeg ik tegen haar. ‘Je hebt je eigen politieman zes huizen verderop.’
‘Ik ben niet bang voor iemand van buiten, ik ben bang om alleen binnen te zijn.’
Ik geef tante Lil een knuffel. ‘Oom Louie hield heel veel van je. Hij zei altijd dat hij de gelukkigste man ter wereld was omdat jij met hem getrouwd was.’
‘Echt?’
Ik knik. ‘Als hij het niet over marmer had, schepte hij op over zijn Lil.’
‘Denk je dat hij wist hoeveel ik van hem hield?’
‘Ja!’ zeggen Joe en ik in koor.
‘Hij ging als eerste omdat hij de gedachte niet kon verdragen om jou te verliezen.’ Ik pak haar hand.
‘Dank je wel, Jess.’ Tante Lil veegt haar ogen af. ‘Hij hield van je als zijn eigen dochter.’
‘Jess, als jij nou de papieren uit het kantoor van oom Louie gaat halen die je nodig hebt, dan blijf ik hier bij tante Lil zitten.’
‘Jess, ik wou dat ik je kon helpen, maar ik wist niets van Louies bedrijf.’ Lil steekt haar handen omhoog alsof ze zich tegen een arrestatie verzet.
‘Ik ben zo terug.’
‘Neem alles wat je nodig hebt maar mee,’ zegt ze tegen me.
Ik hang de lege plunjezak over mijn arm en loop de beklede trap op naar het thuiskantoor van oom Louie. Een marmeren beeld van Venus van Milo wordt zacht verlicht in de alkoof bovenaan de trap. Rechts van haar: oom Louies kantoor. En links van haar: de grote slaapkamer.
Ik loop op mijn tenen de slaapkamer in. De sierlijke kristallen kroonluchter geeft gedempt licht.
Een smaragdgroene satijnen sprei op het kingsize bed, bijpassend hoogpolig tapijt en druk bewerkte gordijnen met een smaakvol groenwit zijden streepje, opzijgehouden door witte koorden met kwastjes. Hier hebben Saint Patrick’s Day en een hoogpolig tapijt met elkaar gepaard en zijn ze gestorven.
Ik doe de kastdeur open door de decoratieve knop in de vorm van een leeuwenkop op te tillen. Een wolk White Diamonds slaat over me heen. Verkeerde kast. Ik duw hem dicht en doe een tweede leeuwenkop op de deur ernaast omhoog. De geur van Woodhue eau de cologne overvalt me. Ik doe het licht aan en stap oom Louies kast binnen. Zijn driedelige pakken in maat XXS hangen er netjes bij, alsof ze net van de jaarlijkse sample sale in de dure Italiaanse kledingwinkel komen. Zijn schoenen, Italiaanse loafers met gouden kettinkjes, staan op een rijtje in een rek dat tot het plafond reikt, met gympen en slippers onderop. Er ligt een foto van tante Lil in een sexy blouse op de plank met accessoires; eronder ligt een foto van zijn ouders, ernstig kijkend op een bocce-veld in Paterson in de jaren vijftig. Zo te zien hadden ze verloren.
Ik trek lades open. Gesteven zakdoeken. Sokken. Herenslips. Tangaslips. Die had ik niet hoeven zien. Onderhemden. Geen laptop. Ik doe een kast open. Een draaibaar rek, vol zijden stropdassen. Hoeden op planken. Op een plank met zomerspullen liggen een paar strooien hoedjes; eronder ligt zijn winterhoed, een marineblauwe gleufhoed. Ik begin in paniek te raken, en stel mezelf dan de vraag: waar zou Louie een laptop verstoppen?
Ik ga op mijn knieën zitten en kijk onder de pakken. Ik bevoel het tapijt op de grond in de kast. Ik volg de naad van het tapijt rond de binnenkant van de kast. Ik herinner me dat ik een keer van oom Louie contant geld onder de mat in de Impala moest verstoppen toen we stopten om te lunchen. Dat vond ik niet verdacht, omdat onze klanten vaak contant betaalden. Ik klop langs de randen en voel dan iets hards onder het schoenenrek. Ik trek het tapijt terug en aha! Ik stop de laptop in mijn tas en zet alles zorgvuldig terug.
Ik loop achteruit de slaapkamer uit en veeg mijn voetstappen op het tapijt uit met mijn vrije hand, omdat ik me herinner dat tante Lil erg goed let op indrukken in het tapijt zodra ze heeft gestofzuigd.
Beneden hoor ik de stemmen van mijn broer en tante Lil als ik oom Louies kantoor binnenga. De gordijnen zijn dicht. Het walnotenhouten bureau is glanzend opgewreven. Achter het bureau hangt een impressionistisch schilderij van de promenade van Lake Como. Op de planken achter Louies bureau staan in een vitrine met een glazen achterwand nog meer foto’s van tante Lil. Op het bovenste glazen plankje een zwart-witfoto van twintig bij vijfentwintig centimeter van oom Louie in 1975 in de Playboy Club in Las Vegas. Een half opgerookte Panatella-sigaar steekt uit zijn mond, hij glimlacht geil.
Ik ga aan oom Louies bureau zitten en trek een la open. Rollerbalpennen. De archieflade zit vol bestelformulieren, brieven en contracten. Ik haal ze eruit en stop ze in de plunjezak, bij de laptop. Ik open het laatje bovenaan en trek het zo ver mogelijk uit. Ik vind een lederen foedraal met oom Louies marmeren stalen, ‘tegels’ noemde hij ze, om klanten te verleiden. Toen ik nog een meisje was, mochten we altijd met de tegels spelen. Calacatta Gold is mijn favoriet; het lijkt wel vanille-ijs met goudkleurige krullen erin. De doorschijnende tegel glinstert als ik hem tegen het licht houd.
Oom Louie legde uit dat de grote Italiaanse beeldhouwers Calacatta Gold kozen omdat het poreus was en ze het makkelijk konden beeldhouwen, alsof het zachte klei was. Ik stelde me de groeven in Toscane voor terwijl hij ze beschreef, waar de Apuaanse Alpen werden uitgehold, zodat er ruimtes overbleven met wanden van Calacatta-marmer, zo hoog dat ze tot in de wolken reikten. Ik word weer helemaal verdrietig als ik bedenk dat hij me de bergen niet meer kan laten zien. Er is nooit een goed moment om een droom op te geven, ik blijf geloven dat ik naar Italië ga totdat het echt niet gaat gebeuren.
Ik vind Louies adresboek. De meeste onderaannemers hebben geen achternaam. Omar. Dusty. Hiram. Er is een bladzij met het opschrift CARRARA. Ik vind een schat aan contactpersonen, met aantekeningen. Achternamen die ik misschien één of twee keer gehoord heb, maar me niet kan herinneren: Tasca, Cellini, Trombetta, Milani en Apugliaetta. Ik stop het boekje in mijn tas.
Netjes rechtop in de la gezet zijn er dikke enveloppen met foto’s die ontwikkeld zijn bij de drogist. De negatieven zitten in een vakje. Ik pak een stapel zwart-witfoto’s met een sierlijk wit randje.
Oom Louie was knap toen hij jong en single was en in zijn eentje in Italië. Hij vertelde nooit over het zware werk in de groeven, maar had het over het eten, de familie, de kameraadschap, de oude motor waarop hij rondreed en natuurlijk over de prachtige vrouwen. Ik heb oom Louie nooit ongelukkig gezien, maar op deze foto’s is hij zielsgelukkig. Er is een foto van oom Louie met een jonge vrouw die ik niet herken. Ze heeft een volle bos zwarte krullen en rode lippen, en ze is niet tante Lil. Ik stop de foto’s in de tas. Mijn tante hoeft geen oude foto’s te vinden van oom Louie met een knap meisje dat zij niet is.
Ik bewaar de grote la onder het bureaublad tot het laatst. Ik haal er in leer gebonden grote boeken en de zakelijke chequeboekjes uit. Als ik alles in de plunjezak stop, vallen er een paar rekeningen uit een ringband. Als ik de enveloppen van de grond pak, zie ik er een met Italië erop in oom Louies handschrift.
Ik maak de dichtgeplakte enveloppe zorgvuldig open, omdat ik weet dat oom Louie de laatste is van een generatie Italiaans-Amerikanen die nog contant geld in enveloppen stoppen. Maar er zit geen contant geld of een briefje in, alleen twee open retourtickets van luchthaven Newark Liberty International naar luchthaven Milan Malpenso met Italia Trasporto Aereo. Eentje op mijn naam en eentje op die van hem. Ik druk de tickets tegen mijn hart. We zouden echt naar Italië gaan, het was geen droom.
‘Jess?’ Joe roept me van onderaan de trap. ‘We moeten gaan.’
Ik klem de plunjezak, bol staand van de mappen, reçu’s, bankafschriften en chequeboekjes tegen mijn borstkas, alsof het een baby is die ik in een oorlogsgebied moet beschermen.
‘Jess?’ roept Joe weer.
‘Ik kom eraan!’
Oom Louie zei altijd: vertrouw niemand. En toch bewoog hij zich door het leven alsof iedereen die hij ontmoette zijn beste vriend was. Hij omarmde de verschoppelingen, de buitenbeentjes en de incidentele schurken als was het familie. Iedereen heeft geheimen, maar ik hoop dat die van oom Louie niet verdergaan dan de ooglift die hij in 2010 heeft laten doen en de zeventien kinderen die hij sinds 1987 via Save the Children overal ter wereld heeft geadopteerd. Hij was een stoere vent, maar hij huilde openlijk als de kinderen hem hun jaarlijkse brief stuurden. Ik weet niet of de FBI die kant van Louie Cap kent, en het maakt me niet uit. Ik heb alles in mijn armen om aan te tonen dat ze ernaast zitten, om zijn naam te zuiveren en zijn reputatie te herstellen. Op een dag, als ik oom Louie aan gene zijde in het hiernamaals tref, zal ik hem vertellen wat ik voel. Ik ben kwaad omdat hij me in deze positie heeft gebracht, maar ik ben nog veel verdrietiger omdat ik hem heb verloren.