Hoofdstuk 9: Il coraggio - Aan de oever van het Comomeer
By Adriana Trigiani
In de weken na de dood van oom Louie ben ik voortdurend in beweging. Als de enige erfgenaam van Cap Marmer en Steen vervulde ik oom Louies opdracht om voor onze klanten te zorgen. Ik leverde een bassin voor de doopvont van de Saint Catharine-kerk, lichtte onze klanten in, had een bespreking met de accountant en betaalde alle facturen van leveranciers en arbeiders. Cap Marmer en Steen staat nu op non-actief, terwijl de FBI en de belastingdienst een onderzoek instellen naar de Elegante Gangster. Ik overhandigde alle zakelijke dossiers van oom Louie aan de rechercheurs, maar ik vroeg rechercheur Campovilla of ik de foto’s van oom Louie in Italië mocht houden. Dat mocht.
Ik schreef me in voor een cursus om mijn studie-Italiaans op te frissen, legde contact met Conor Kerrigan en belde Googs een aantal keer, die nooit terugbelde. Ik ging naar Lisa om mijn pony te laten bijknippen en mijn nagels te laten doen, en ik heb trouw in mijn notitie-app geschreven. Ik ben intussen bij oefening vier met dokter Pamela.
Ik heb ook losse eindjes voor tante Lil afgehandeld, waaronder het versturen van de bedankbriefjes voor de begrafenis. Ik ruimde de kelder uit en bracht mijn oude kleding weg (iemand met maat 40 die op zoek is naar zwarte kleding kan haar hart ophalen bij Goodwill). Ik kocht wat nieuwe kleren bij T.J. Maxx en Target en schonk mijn auto aan Kars4Kids. (Ik vond dat als hun irritante televisiejingle waar is, ze dat wrak verdienen.) Ik ging niet de hele familie af om afscheid te nemen, omdat ik die net bij het rouwbuffet voor oom Louie had gezien. Ik heb Bobby niet meer gezien sinds onze wandeling na de receptie voor oom Louie; het lijkt wel alsof ik hem voor altijd in de mist op Lake Como heb achtergelaten. Maar eerlijk gezegd heb ik nu zoveel uit te zoeken dat ik niet aan Bobby kan denken.
Op het glas van de kelderramen zit een dun laagje ijs, als de witte rijp op een cocktailshaker. Ik kijk op de klok, het is 4:10 uur. Ik rits mijn koffer dicht. Ik hang mijn totebag over mijn schouder. Ik kijk niet achterom naar het netjes opgemaakte bed, waar ik tien procent van mijn leven heb geslapen, maar loop de trap op naar de keuken. Ondertussen stop ik een brief, met postzegel en geadresseerd aan tante Lil, in mijn zak, die ik op de luchthaven zal posten.
23 oktober 2024
Allerliefste tante Lil,
Het is bijna tijd voor je reisje naar Florida met Carmel en Marina. Oom Louie zou willen dat je naar het zuiden ging. Als je er bent, ga dan de zee in, want die is helend. Dat heb ik van oom Louie geleerd, een van zijn vele lessen. Hij hield met heel zijn hart van je. Ik zal je mijn plannen vertellen wanneer ik ze heb gemaakt. Ik wil niet dat je je ergens zorgen over maakt. Ik hou van je omdat je het begrijpt en om nog veel meer.
Je nicht,
Jess
* * *
Mijn moeder heeft een lampje in het keukenraam aangelaten, een gewoonte uit onze puberteit. In de gloed van de lamp rol ik de koffer door de schaduwen van de eetkamer, door de woonkamer, naar de hal. Ik bestel een Uber met mijn telefoon en ga naar buiten. Ik doe de deur achter me op slot en laat mijn sleutels onder de mat achter.
Op dit uur van de nacht zijn de windvlagen vanaf Lake Como ronduit kil. Ik kijk naar het donkere huis van oma Cap, verderop in de straat. Het is verdrietig om het zo te zien, terwijl het ooit een warm huis vol leven was. Ik kijk in de andere richting, naar het huis van tante Lil. Het glamoureuze huis glinstert in het donker, verlicht door lampjes die verspreid door de keurige tuin staan. Ik voelde me altijd veilig in haar huis. Ik maak een foto van tante Lils huis, één van het meer, en een derde van onze voortuin. Ik post ze: grote veranderingen.
Achter me hoor ik het slot klikken als mijn moeder de voordeur opendoet. Ze draagt een jas over haar ochtendjas en haar gezicht is vertrokken van bezorgdheid. ‘Ik wou dat wij je naar het vliegveld mochten brengen.’
‘Dat hoeft niet. Ik heb een Uber besteld.’ Ik geef een klopje op de crossbodytas op mijn heup en kijk naar mijn koffer.
‘Het brengt ongeluk om je door een onbekende naar het vliegveld te laten brengen,’ zegt ze.
‘Dat verzin je waar je bijstaat.’
‘Wil je dat ik je breng, Jess?’ Mijn vader komt naast mijn moeder in de deuropening staan. Hij gaapt. Hij draagt een honkbalshirt van de Phillies en een joggingbroek. Zijn onhandelbare haar staat rechtop in een punt op zijn hoofd, als een feesthoedje.
‘Ik wou dat je met ons praatte. We bedoelden het niet verkeerd,’ zegt mama verdrietig.
‘Ook als jullie dat wel bedoelden, was het resultaat hetzelfde geweest.’
Mama krimpt ineen. Ik ben half Cap en ik weet hoe ik iemand stevig kan raken, maar de Baratta-kant schaamt zich dat ik mijn moeder heb gekwetst. Maar dit is niet het moment om toe te geven en te bezwijken onder het schuldgevoel van een kind. Wat mij betreft zijn mijn ouders op het Eiland. De Uber stopt voor het huis.
Mijn vader pakt mijn koffer op en zet hem in de achterbak van de Uber. Hij spreidt zijn armen en ik omhels mijn vader snel – een opgelaten moment voor ons allebei. Om een of andere reden neem ik hem niet zoveel kwalijk, hoewel papa de helft van het team vormde dat het plan goedkeurde waardoor ik zo ben gekwetst. Hij verbreekt de stilte. ‘En je moeder dan?’
Ik kies ervoor niet tegen mijn vader in te gaan. Ik draai me om, loop de veranda weer op en omhels mijn moeder.
‘Vertel je ons waar je bent als je er bent aangekomen?’ vraagt mama huilend.
‘Oké.’ Ik lieg. Niemand uit mijn familie heeft ooit ansichtkaarten naar het Eiland gestuurd. Dat doe je niet.
Ik loop weer naar de auto, waar papa het portier openhoudt. ‘Ik hou van je,’ zegt hij.
Ik stap in en sluit het portier.
‘Rit naar het vliegveld. Newark? Terminal C?’
‘Ja, meneer,’ zeg ik tegen de chauffeur. We rijden weg in de schemering, een laatste halve lus om Lake Como heen. De zon komt op boven het water in een goudkleurig lint langs de horizon. Ik kijk naar het licht, en niet achterom.