Hoofdstuk 1: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
EEN VLAAG HETE, MUFFE LUCHT wordt uit de kluwen van tunnels gespuwd, wikkelt zich om mijn benen en grijpt mijn haar terwijl ik mijn zware koffer de trap van de Métro op zeul en het middaglicht van Parijs in loop. Het wemelt op de trottoirs van de toeristen, slenterend en treuzelend, plattegronden en telefoons bestuderend terwijl ze proberen te bedenken welke kant ze op willen. Modieus geklede Parisiens bewegen zich met een snellere en zelfbewustere tred tussen hen door en eisen hun stad terug nadat ze de maand augustus aan de kust hebben doorgebracht.
De rivier van verkeer stroomt voorbij – een onafgebroken waas van kleur en geluid – en ik voel me even licht in het hoofd van de mengeling van al die beweging en de nerveuze opgetogenheid dat ik in de stad ben gearriveerd die de komende twaalf maanden mijn thuis zal zijn. Misschien dat ik er nu als een toerist uitzie, maar ik hoop dat ik al snel voor een echte Parisienne zal worden aangezien.
Om mezelf even wat tijd te gunnen me te herpakken trek ik mijn koffer naar het hek dat langs de ingang van station Saint-Germain-des-Prés staat en kijk op mijn telefoon om de details in de mail nog eens te checken. Niet dat dat nodig is, aangezien ik hem woordelijk uit mijn hoofd ken…
* * *
Geachte mevrouw Shaw,
Met referte aan ons telefoongesprek kan ik u tot mijn genoegen mededelen dat u naar aanleiding van uw sollicitatie bent aangenomen voor een stage van een jaar bij Agence Guillemet. Gefeliciteerd!
Zoals besproken kunnen we u voor de functie als stagiaire niet meer dan minimumloon bieden, maar u kunt gratis gebruikmaken van een appartement boven het kantoor.
Wilt u zodra u de reis hebt gepland laten weten op welke dag en tijd u arriveert? Ik kijk ernaar uit u in ons bedrijf te verwelkomen.
* * *
Met vriendelijke groet,
Florence Guillemet
Directrice
Agence Guillemet, Relations Publiques
12 Rue Cardinale, Paris 75000
* * *
Ik kan nog steeds niet geloven dat het me is gelukt Florence zover te krijgen me aan te nemen. Ze staat aan het hoofd van een pr-bureau dat in mode is gespecialiseerd. De clientèle bestaat uit kleinere ondernemingen en start-ups die zich geen eigen pr-afdeling kunnen veroorloven. Ze werkt over het algemeen niet met stagiairs, maar mijn brief en cv waren overtuigend genoeg om haar uiteindelijk de telefoon te laten pakken. (Nadat ik beide twee keer naar haar had verstuurd drong het tot haar door dat ik haar niet met rust zou laten tot ze had gereageerd.) Het feit dat ik een jaar lang voor minimumloon wilde werken in combinatie met het feit dat ik vloeiend Frans spreek leidde tot een formeel sollicitatiegesprek via Skype. Een laaiend enthousiaste referentie van mijn universitair docent, die de nadruk legde op mijn passie voor mode en het feit dat ik een harde werker ben, leidde er uiteindelijk toe dat ze me aannam.
Ik zou ook akkoord zijn gegaan als ik zelf ergens een goedkoop appartementje in een buitenwijk had moeten huren, dat ik zou hebben gefinancierd met de kleine erfenis van mijn moeder. Dus was die kamer boven het kantoor wat mij betreft een geweldige bonus. Het zou betekenen dat ik in het pand zou gaan wonen dat me naar Agence Guillemet had geleid.
Ik geloof eigenlijk niet dat dingen gebeuren omdat het zo moet gaan, maar in dit geval had ik het gevoel dat een kracht me naar Parijs trok. Naar de Boulevard Saint-Germain. Hierheen.
Naar het gebouw op de foto.
* * *
Ik had de foto in een kartonnen doos tussen de spuIlen van mijn moeder aangetroffen, helemaal achteraan op de bovenste plank in de kledingkast in mijn slaapkamer. Mijn vader zou hem daar wel hebben neergezet. Misschien had hij hem er neergezet met de bedoeling dat ik hem pas zou vinden als ik volwassen genoeg zou zijn voor de inhoud, als het voorbijgaan der jaren de harde randjes van mijn verdriet zou hebben verzacht, zodat het allemaal niet zo’n pijn zou doen. Of misschien deed schuldgevoel hem de dichtgetapete doos uit het zicht en buiten bereik zetten, zodat hij en zijn nieuwe vrouw niet meer werden geconfronteerd met deze pijnlijk povere tastbare herinnering aan het aandeel dat ze hadden gehad in het ondraaglijke verdriet dat uiteindelijk tot de zelfdoding van mijn moeder had geleid.
Ik had hem gevonden op een regenachtige dag in mijn tienerjaren toen ik tijdens de paasvakantie thuis was van kostschool. Ondanks de moeite die ze zich voor me hadden getroost – ze hadden een eigen kamer voor me georganiseerd, me zelf de kleur voor de muren, de boeken, snuisterijen en posters laten kiezen – heeft het huis van mijn vader en stiefmoeder nooit als thuis gevoeld. Het was altijd hun huis, nooit dat van mij. Het was de plek waar ik moest gaan wonen toen mijn eigen huis ineens niet meer bestond.
Ik verveelde me vreselijk op die druilerige dag in april. Mijn twee stiefzusjes verveelden zich ook, wat betekende dat ze elkaar in de haren zaten, wat uiteindelijk tot scheldpartijen had geleid, en toen tot knetterende ruzie, met een hoop geschreeuw en slaande deuren.
Ik trok me terug in mijn kamer, deed mijn oortjes in en zette de muziek aan om zo de herrie buiten te sluiten. Ik zat in kleermakerszit op mijn bed in de nieuwste Vogue te bladeren. Mijn stiefmoeder had me op mijn eigen verzoek voor kerst een abonnement gegeven. Ik genoot altijd intens van het moment dat ik de nieuwste aflevering opensloeg om de glanzende pagina’s te bekijken, met proefmonstertjes van dure luchtjes en lotions erin, een poort naar de glamourvolle wereld van de haute couture. Er stond die dag een foto in van een model in een geel shirt, boven een artikel dat PASTELKLEUREN VOOR DE VROEGE ZOMER heette. Ik herinnerde me dat ik ergens in mijn kast zo’n soort shirt had liggen, op de stapel zomerkleren die ik de voorgaande herfst zorgvuldig had gewassen en gevouwen en op de bovenste plank had gelegd nadat ik daar mijn winterkleding af had gehaald.
Ik legde het tijdschrift opzij, pakte mijn bureaustoel en zette hem bij de kast. Toen ik op de bovenste plank voelde, raakten mijn vingertoppen de in de loop der jaren zacht geworden kartonnen doos achter op de plank.
Hij was me voor die dag nooit opgevallen – waarschijnlijk omdat ik niet lang genoeg was om te kunnen zien wat erop stond geschreven – maar nu, op mijn tenen op de stoel, trok ik de doos naar me toe, waar met dikke zwarte stift de naam van mijn moeder op was geschreven. Hij was dichtgeplakt met tape.
Ik dacht even totaal niet meer aan pastelkleuren voor de vroege zomer en trok de doos van de plank. Naast haar naam – Felicity – stond in het handschrift van mijn vader Papieren/foto’s etc. voor Harriet geschreven.
Ik streelde met mijn vingers over de woorden en mijn ogen vulden zich met tranen nu ik haar naam, naast die van mezelf, geschreven zag staan. De brede bruine tape had zijn kleefkracht na al die jaren verloren en knisperde een beetje toen ik die van de doos trok. Ik veegde met mijn mouw de tranen uit mijn ogen en opende de doos.
De papieren erin zagen eruit of ze er haastig – en willekeurig – in waren gegooid, alsof de onzorgvuldig gesorteerde restanten van het leven van mijn moeder op de BEWAREN VOOR HARRIET-stapel toevallig in een bruine doos terecht waren gekomen in plaats van in een zwarte vuilniszak.
Ik spreidde ze uit op mijn slaapkamervloer en legde de officiele documenten – haar verlopen rijbewijs en paspoort – op een ander stapeltje dan mijn eigen oude schoolrapporten en de verjaardagskaarten die ik door de jaren heen voor haar had gemaakt. Ik moest weer huilen toen ik mijn kindertekeningen zag, waarop we hand in hand stonden, samen alleen. Maar toen ik zag dat ik zelfs op die jonge leeftijd al oog voor mode had gehad, in de vorm van grote knopen op onze jurken en felgekleurde bijpassende handtasjes, schoot ik in de lach. Het handschrift op de kaarten varieerde van pas aangeleerd, zwoegend, tot rond en vloeiend geschreven oprechte liefdesbetuigingen die ze genoeg had gewaardeerd om ze te bewaren. Misschien beeldde ik het me in, maar ik had het idee dat de paperassen zelfs na al die jaren nog vraag naar haar parfum roken. De zoete bloemengeur bracht een levendige herinnering terug aan het zwarte flesje met zilveren dop dat altijd op haar kaptafel stond, met daarin een Frans parfum, Arpège.
En toch waren mijn tekeningen en liefdesbetuigingen niet genoeg geweest. Ze hadden haar niet uit het drijfzand van eenzaamheid en verdriet kunnen trekken dat haar uiteindelijk had overweldigd en haar zo diep naar beneden had getrokken dat de enige uitweg die ze kon vinden de dood was. Haar naam, die ‘vreugde’ betekent, was een ultieme vorm van ironie in een leven dat allesbehalve vreugdevol was geweest. De enige momenten waarop ze echt gelukkig had geleken was wanneer ze pianospeelde en zich verloor in de muziek terwijl haar vingers moeiteloos over de toetsen gleden. Mijn keel sloot zich om een brok van verdriet dat solide voelde als steen terwijl ik de kaarten zorgvuldig op een stapeltje legde: het bewijs dat mijn moeder zo veel van me had gehouden, maar dat liefde haar, uiteindelijk, niet had kunnen redden.
Toen het me uiteindelijk lukte de andere papieren ter zijde te leggen en mijn ogen te drogen, richtte ik mijn aandacht op een bundeltje foto’s op de bodem van de doos.
Boven op de stapel lag er een waar mijn adem van stokte. Het was een foto van haar met mij in haar armen, mijn babyhaar een halo van dons die het zonlicht ving dat door het raam naast ons naar binnen stroomde. Door het licht zag zij eruit als een madonna uit de renaissance, en mijn babygezicht had een gouden gloed alsof het werd verlicht door de liefde die uit haar ogen straalde terwijl ze naar me keek. Om haar pols hing het gouden bedelarmbandje dat ik nu draag. Mijn vader heeft het me op mijn zestiende verjaardag gegeven en vertelde me toen dat het van mijn moeder was geweest en daarvoor van die van haar. Ik draag het sindsdien elke dag. Ik herkende op de foto een aantal van de bedeltjes die nu om mijn pols hangen: de piepkleine Eiffeltoren, het klosje naaigaren en het vingerhoedje.
Mijn vader moest die foto hebben gemaakt, zo drong het tot me door, in een periode dat we met zijn drietjes waren en dat dat genoeg was. Toen wij alles waren.
Ik legde de foto opzij. Ik zou er een lijstje voor zoeken en hem dan mee naar kostschool nemen, waar ik hem in de vensterbank bij mijn bed zou zetten zodat ik er elke dag naar kon kijken zonder me zorgen te hoeven maken dat mijn vader er overstuur van zou raken of dat hij mijn stiefmoeder zou irriteren, die herinnering aan een Vroeger waar ze liever niet aan dachten. Alsof mijn aanwezigheid in hun huis niet al genoeg was.
Er lagen ook wat schoolfoto’s in de doos: van mij in mijn witte blouse met marineblauwe trui, stijfjes poserend voor het hemelsblauwe doek van de fotograaf met mijn behoedzame glimlach. Ze had ze allemaal bewaard, jaar na jaar, mijn blonde haar op een van de foto’s uit mijn gezicht getrokken met een donkerblauwe haarband en op een andere in een keurige paardenstaart, maar mijn behoedzame gezichtsuitdrukking overal dezelfde.
Ik pakte de laatste schoolfoto van de bodem van de doos. Toen ik het crèmekleurige hoesje openklapte viel er een andere foto op mijn schoot. Het was een oude zwart-witfoto, met omgekrulde hoekjes en vergeeld door ouderdom. Zo te zien een vergeten foto die per ongeluk in de stapel terecht was gekomen.
Iets aan die foto, misschien de glimlach van de drie jonge vrouwen die erop stonden, of de elegante lijnen van de pakjes die ze aanhadden, trok mijn aandacht. Ze straalden iets continentaal-chics uit. Ik bestudeerde de foto nauwkeuriger en het drong tot me door dat ik gelijk had. Ze stonden voor een etalage, waarboven het nummer van het gebouw – 12 – was geschilderd, en daarnaast de woorden DELAVIGNE, COUTURIER. Ik liep met de foto naar het raam om hem in beter licht te bekijken en kon de woorden op het geëmailleerde bord aan het gebouw lezen. De woorden op het bordje waren Frans: RUE CARDINALE – 6E ARRONDISSEMENT.
Ik herkende het meisje dat links op de foto stond. Ze deed met haar delicate gelaatstrekken, blonde haar en ingetogen glimlach meer dan een beetje aan mijn moeder denken. Het moest mijn grootmoeder zijn, Claire. Ik herinnerde me naar aanleiding van oude fotoalbums die ik ooit had gezien (waar waren die nu?) vaag hoe ze eruitzag en dat mijn moeder me had verteld dat ze in Frankrijk was geboren. Ze had verder nooit veel over haar gezegd, en pas op dat moment drong tot me door dat ze altijd van onderwerp veranderde als ik naar mijn Franse grootmoeder vroeg.
Ik draaide de foto om, en ja hoor, er stonden in een handschrift met grote krullen drie namen op: Claire, Vivienne, Mireille, vergezeld van de woorden Parijs, mei 1941.
* * *
Ik wist dat ik me aan iets miniems vastklampte, maar om de een of andere reden werd die foto – een fragment uit de familiegeschiedenis van mijn moeder – een belangrijk deel van mijn eigen erfgoed. Er resteerde zo weinig van die kant van mijn familie dat deze tastbare connectie met een van mijn voorouders ongelooflijk belangrijk voor me werd. De foto stond in een lijstje naast die van mij als baby in de armen van mijn moeder en hield me gezelschap op kostschool en daarna de universiteit. En hoewel ik al opmerkelijk geïnteresseerd was in mode voordat ik die foto in die kartonnen doos had gevonden, speelde die foto met die drie elegant geklede jonge vrouwen op die straathoek, vierenzeventig jaar geleden, een belangrijke rol in het versterken van mijn fascinatie. Misschien zat mijn liefde voor mode in mijn bloed, maar die foto hielp me mijn dromen vorm te geven. Het had gevoeld als mijn lotsbestemming toen ik tijdens een schoolreis naar Parijs het adres vond – 12 Rue Cardinale – en ik ineens voor een etalage stond met daarop de woorden AGENCE GUILLEMET, RELATIONS PUBLIQUES (SPÉCIALISTE MODE). Het was het moment dat mijn toekomst bepaalde. De woorden openden een carrièrepad waarvan ik niet eens had geweten dat het bestond en leidden me er nadat ik mijn master in de bedrijfskunde met een minor in Frans had behaald toe te solliciteren naar een baan als stagiaire in de mode-pr.
Ik had flink geaarzeld om contact op te nemen met het bureau, was niet zelfverzekerd genoeg om dat vanzelfsprekend te vinden, en mijn vader stimuleerde me niet dat te doen. Eerlijk gezegd had pa zelfs altijd geprobeerd mijn interesse in mode te ontmoedigen en leek hij mijn carrièrekeuze af te keuren. Maar aan de andere kant stond mijn grootmoeder Claire daar met haar twee vriendinnen naar me te glimlachen op die zwart-witfoto op mijn bureau naast mijn laptop, alsof ze me juist aanspoorde en zei: ‘Eindelijk! Waar wacht je nog op? Ga naar ons op zoek!’
Dus ben ik nu hier, in Parijs op een middag in september, trek ik mijn jasje recht en strijk ik mijn haar glad voordat ik mijn koffer over het drukke trottoir trek en op de bel van het kantoor druk. De etalage met het logo van het reclamebureau erop is half afgedekt met luxaflex om de felle middagzon buiten te houden en reflecteert mijn zenuwen; het dringt tot me door dat mijn hart enorm tekeergaat. De deur opent met een klik, ik stap een zacht verlichte receptieruimte binnen.
Op de grijze muren hangen ingelijste omslagen van modetijdschriften – Vogue, Paris Match, Elle – en modefoto’s. Ik herken direct de stijl van fotografen als Mario Testino, Patrick Demarchelier en Annie Leibovitz. Twee minimalistische bankjes, heel onpraktisch bekleed met ivoorkleurig linnen, staan tegenover elkaar aan twee kanten van een koffietafel met daarop een selectie recente modebladen in verschillende talen. Ik fantaseer even hoe heerlijk het zou zijn om de schoenen die pijn doen aan mijn door het reizen gezwollen voeten uit te trappen en op zo’n bankje te ploffen.
In plaats daarvan loop ik naar de receptioniste, die achter haar balie vandaan is gekomen om me te begroeten, en schud haar de hand. Het eerste wat me aan haar opvalt zijn haar donkere krullen, die haar gezicht omlijsten en over haar schouders vallen. Het tweede wat ik opmerk is haar nonchalant-chique stijl. Het zwarte jurkje dat ze draagt sluit nauw over haar vormen en de platte ballerina’s aan haar voeten maken haar kleine gestalte niet langer. Ik voel me direct stuntelig lang en onelegant op mijn hoge hakken, en conventioneel formeel in mijn getailleerde pakje met nauwsluitende witte blouse, gekreukt door de reis en de hitte.
Gelukkig is het derde wat ik zie haar vriendelijke glimlach, die haar donkere ogen doet stralen terwijl ze me verwelkomt: ‘Hallo, jij moet Harriet Shaw zijn. Ik ben Simone Thibault. Wat leuk je te leren kennen, ik heb naar je gezelschap uitgekeken: ik woon ook in het appartement hierboven.’ Ze knikt in de richting van het plafond boven ons hoofd, dat barokke sierlijsten heeft, en haar krullen dansen. Ik vind haar meteen aardig en ben opgelucht dat ze niet zo’n hautaine, magere Franse fashionista is die ik me als mijn collega had voorgesteld.
Simone zet mijn koffer achter haar bureau en gaat me voor door een deur achter de ontvangstruimte. Ik ben me direct bewust van het discrete gerinkel van telefoons en het lage geroezemoes van stemmen in het drukke pr-bureau. Een van de ongeveer zes personeelsleden – de accountmanagers en hun assistenten – staat op om me de hand te schudden, maar de anderen in de ruimte zijn zo druk aan het werk dat ze alleen tijd hebben om kort naar me te knikken als we voorbijlopen. Simone blijft staan bij een paneeldeur achter in de ruimte en klopt aan. Even later roept een stem: ‘Entrez!’ en dan sta ik ineens voor een groot mahoniehouten bureau, met daarachter Florence Guillemet, directeur van het bureau.
Ze kijkt op van haar computerscherm en zet haar bril met donker montuur af. Ze is perfect gekleed in de elegantste broek die ik ooit heb gezien. Is het een Chanel? Of een Yves Saint Laurent? Haar gehighlighte blonde haar is zo geknipt dat het haar jukbeenderen accentueert en haar kaaklijn flatteert, die de eerste tekenen van verzachting door ouderdom begint te vertonen. Haar ogen zijn warm amberbruin en lijken recht door me heen te kijken.
‘Harriet?’ vraagt ze.
Ik knik, even met stomheid geslagen nu de enormiteit van wat ik heb gedaan ineens tot me doordringt. Een jaar lang? Op dit professionele, gerenommeerde pr-bureau? In de modehoofdstad van de wereld? Wat doe ik hier? En wanneer gaan ze erachter komen dat ik – net van de universiteit – helemaal niet in staat ben iets waardevols bij te dragen aan het werk dat ze hier doen?
Dan begint ze te glimlachen. ‘Je doet me aan mezelf denken, al die jaren geleden dat ik zelf in de modewereld begon. Je hebt moed en vastberadenheid getoond om hier terecht te komen. Hoewel het nu misschien allemaal erg overweldigend voelt?’
Ik knik nogmaals, nog steeds niet in staat iets uit te brengen.
‘Dat hoort erbij. Je hebt een lange reis achter de rug en zult wel moe zijn. Simone zal je zo even het appartement laten zien en dan laten we je de rest van de dag en het weekend met rust om bij te komen. Maandag ga je aan het werk. Ik kijk ernaar uit een paar extra handen te hebben. We hebben het verschrikkelijk druk met de voorbereidingen voor Fashion Week.’
De angst die door me heen giert nu ze over Fashion Week begint – een van de belangrijkste evenementen op de couturekalender – moet aan me te zien zijn, want ze voegt eraan toe: ‘Maak je geen zorgen, je kunt het.’
Het lukt me eindelijk iets te zeggen, en ik flap eruit: ‘Merci, madame Guillemet.’ Dan gaat haar telefoon. Ze wuift ons weg met een glimlachend handgebaar en neemt op.
Simone helpt me mijn bagage de smalle en steile trap vijf verdiepingen op te zeulen. De eerste verdieping, zo vertelt ze, wordt verhuurd en doet dienst als fotografiestudio voor freelancers. We steken ons hoofd om de deur om even te kijken. Het is een gigantische ruimte met witte muren, die op twee kamerschermen in een hoek na helemaal leeg is. Het is met de grote ramen en het hoge plafond de perfecte ruimte om modefoto’s te maken.
De tweede tot en met vierde verdieping worden verhuurd als kantoorruimte. Uit de koperen bordjes naast de deuren blijkt dat er een accountantsbureau en een fotograaf zitten. ‘Florence heeft de inkomsten van de verhuur hard nodig,’ zegt Simone. ‘Gelukkig zijn er altijd mensen op zoek naar kantoorruimte in Saint-Germain. In het contract staat echter dat de bovenste verdieping niet mag worden verhuurd, dus dat betekent mazzel voor jou en mij!’
De bovenste verdieping van het pand, weggestopt onder de overhangende dakrand, bestaat uit een aantal kamers, waarvan er een paar als opslag worden gebruikt. Ze staan vol archiefkasten, dozen met oude kantoorspullen, oude computers en stapels tijdschriften. Simone gaat me voor naar de kleine en smalle keuken waar net een koelkast, fornuis en gootsteen in passen, en daarna naar de woonkamer, met daarin een ronde bistrotafel met twee stoelen in een hoek en tegen de verre muur een bankje. Dat de kamer zo klein is wordt ruim gecompenseerd door het raam in het schuine dak dat in het lage plafond is aangebracht en zonlicht naar binnen laat stromen. Als ik met uitgestrekte nek op mijn tenen ga staan kan ik een stukje van de skyline van Parijs zien, inclusief een glimp van het kerkdak waar de Boulevard Saint-Germain zijn naam aan heeft te danken.
‘En dit is jouw kamer,’ zegt Simone terwijl ze nog een deur openduwt. Hij is piepklein, net groot genoeg voor een eenpersoons ijzeren bed, een ladekast en een functioneel, vrij hangend kledingrek dat zo te zien in het verre verleden eens uit een pakhuis is meegenomen.
Ik kan als ik me buk onder het schuine dak door het kleine dakkapelletje een oceaan van leistenen dakpannen zien, met daarop een vloot van schoorstenen en televisieantennes onder een helderblauwe septemberhemel.
Ik draai me om en glimlach naar Simone.
Ze haalt verontschuldigend haar schouders op. ‘Het is erg klein, maar…’
‘Het is perfect,’ zeg ik. En dat meen ik. Omdat dit kamertje van mij is. Mijn eigen ruimte, twaalf maanden lang. Op de een of andere manier heb ik, hoewel ik hier nog nooit ben geweest, het gevoel dat ik hier hoor, het voelt als mijn thuis.
Een oude, lang vergeten foto die toevallig werd ontdekt in een doos met vage herinneringen is mijn enige tastbare connectie met deze plek. Aangezien ik in mijn leven weinig andere sterke verbindingen heb is deze fragiele draad, kwetsbaar als een streng heel oude zijde, de enige levenslijn geworden die ik ken en die me in een onbekend gebouw in een vreemde stad aan dit kamertje verbindt. Hij heeft me hierheen getrokken en ik voel een sterke drang te zien waar hij me heen gaat brengen, hem door de jaren heen terug te volgen, terug door de generaties, naar de bron.
‘Nou, dan ga ik maar weer eens aan het werk.’ Simone kijkt op haar horloge. ‘Nog een uurtje en dan is het weekend. Ga jij maar lekker uitpakken, dan zie ik je later.’ Ze sluit de deur van het appartement achter zich en ik hoor haar voetstappen op de trap steeds zachter worden.
Ik doe mijn koffer open en voel tussen de lagen zorgvuldig opgevouwen kleding tot mijn vingertoppen de harde randjes van het fotolijstje voelen, ter bescherming ingepakt in een wollen trui.
De blik van de drie jonge vrouwen op de foto lijkt op mij gefixeerd te zijn terwijl ik voor de duizendste keer hun gezichten bestudeer op aanwijzingen over hun leven. Terwijl ik de foto op de ladekast naast mijn bed zet ben ik me er meer dan ooit van bewust dat ik geen wortels heb en hoe essentieel het voor me is om meer over hen te ontdekken.
Ik ben niet alleen op zoek naar wie zij zijn. Ik probeer ook te ontdekken wie ik ben.
* * *
De doelgerichte geluiden van mensen die na weer een werkweek op weg naar huis zijn drijven door mijn raam naar binnen vanaf de straat beneden. Ik hang net mijn laatste kleren aan het rek als ik de deur van het appartement hoor opengaan. Simone roept ‘Coucou!’ en even later verschijnt ze in de deuropening van mijn kamer. Ze houdt een fles omhoog, met condensdruppels erop van de koude witte wijn die erin zit. ‘Heb je zin in een glas? Om je eerste avond in Parijs te vieren?’ Ze steekt de boodschappentas die ze in haar andere hand heeft op en zegt: ‘En ik heb ook meteen wat hapjes geregeld, aangezien je zelf vast nog geen tijd hebt gehad om boodschappen te doen. Ik kan je morgen laten zien waar alles is.’
Ze kijkt om zich heen in mijn kamer en neemt de weinige persoonlijke zaken die ik heb neergezet in zich op: een stapeltje boeken en een flesje parfum naast het bed, en een beschilderd Chinees doosje dat van mijn moeder is geweest met mijn weinige sieraden erin, oorbellen en een parelsnoer. Ik leg mijn bedelarmband er ook altijd in, die ik afdoe als ik naar bed ga.
Ze ziet de foto, zet de boodschappen neer en loopt erheen om hem te bestuderen.
Ik wijs naar de blondine die links op de foto staat. ‘Dat is mijn grootmoeder, Claire, poserend voor dit pand. Zij is de reden dat ik hier ben.’
Simone staart me ongelovig aan. ‘En dat,’ zegt ze terwijl ze naar de rechterfiguur van het trio wijst, ‘is míjn grootmoeder, Mireille. Op de stoep bij het pand waar we nu zijn, met jouw grootmoeder, Claire.’
Ze schiet in de lach als mijn mond openvalt van verbijstering.
‘Dat meen je niet!’ roep ik. ‘Wat een bizar toeval.’
Simone knikt, maar dan schudt ze haar hoofd. ‘Of misschien is het wel helemaal geen toeval. Ik ben hier omdat mijn grootmoeder me heeft geïnspireerd met haar verhalen over haar leven in Parijs in de oorlog, en ik werk hier bij Agence Guillemet vanwege haar band met de modewereld. Het lijkt erop dat we hier beiden heen zijn geleid door een gedeelde geschiedenis.’
Ik knik langzaam, overweeg haar woorden en pak dan de foto om het gezicht van Mireille beter te bekijken. Ik denk in haar lachende ogen en het haar dat weigert zich te laten bedwingen door de haarband die het van haar voorhoofd trekt de gelijkenis tussen haar en Simone te zien.
Ik wijs naar de derde figuur, de jonge vrouw in het midden. ‘En wie zou zij zijn? Haar naam staat achter op de foto: Vivienne.’
Simones gezicht betrekt ineens, ik zie iets waar ik mijn vinger niet op kan leggen. Is het verdriet, of angst, of misschien pijn? Een bedachtzaamheid in haar ogen. Maar dan herpakt ze zich en zegt met zorgvuldige nonchalance: ‘Ik geloof dat hun vriendin, Vivienne, hier ook met hen heeft gewoond en gewerkt. Ongelooflijk, hè, dat ze hier alle drie hebben gewerkt, voor Delavigne.’
Verbeeld ik het me, of probeert ze het gesprek van Vivienne weg te leiden?
Simone vervolgt: ‘Mijn mamie Mireille heeft me verteld dat ze in de oorlog in de kamertjes boven het atelier sliepen.’
Het is een ogenblik net of ik het geluid van lachende stemmen door de muren van het kleine appartement hoor echoën terwijl ik me er Claire, Mireille en Vivienne voorstel.
‘Weet je meer over het leven van je grootmoeder hier in de oorlog?’ vraag ik gretig. ‘Misschien dat ik daarmee meer te weten kan komen over mijn eigen familiegeschiedenis.’
Simone kijkt met een bedachtzame blik in haar ogen naar de foto. Dan kijkt ze me aan en zegt: ‘Ik kan je vertellen wat ik over Mireilles verhaal weet. Het is nauw verbonden met dat van Claire en Vivienne. Ik moet je alleen wel waarschuwen dat je het alleen van me moet vragen als je heel zeker weet dat je het wilt horen, Harriet.’
Ik kijk haar in de ogen. Moet ik mezelf de kans ontzeggen meer te weten te komen over de enige familie waarmee ik enig gevoel van verbondenheid heb? Een steek van teleurstelling schiet bij die gedachte door me heen, zo sterk dat ik naar adem snak.
Ik denk aan de fragiele draad die door de jaren heen terugloopt en mij aan mijn moeder, Felicity, verbindt, en die weer aan haar moeder, Claire.
Dan knik ik. Wat het verhaal ook is – wie ik ook ben – ik moet het weten.