Hoofdstuk 11: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
IK VIND HET TERWIJL IK HET verhaal van Claire en Mireille in de oorlog hoor moeilijk het contrast tussen de glamour en extravagantie van de modewereld te verenigen met het harde leven vol ontberingen dat de naaisters hadden, net zoals de grote meerderheid van de Franse burgers in die periode. Het is een vreemd groteske nevenschikking.
Simone heeft haar grootmoeder gevraagd meer op papier te zetten van wat ze zich herinnert, maar Mireille is nu een oude vrouw en de voortgang is traag. Dus probeer ik mijn ongeduld in te tomen.
Ik leid mezelf terwijl ik wacht op de brieven van Mireille af met het lezen van een grote berg boeken en artikelen die ik op internet over de periode vind en waarmee ik de achtergrond van het leven dat de twee vriendinnen op hun zolderkamers hadden probeer in te kleuren. Ik vul het verhaal van Claire en Mireille aan met de historische achtergrond die ik kan vinden. Ik heb om de een of andere reden het gevoel dat het belangrijk is dat ik dat doe, al is het maar om alles voor mezelf op te schrijven zodat ik ernaar terug kan gaan en dit deel van mijn familiegeschiedenis kan herlezen, met mijn voeten onder mijn billen getrokken terwijl ik op de bank in de woonkamer van ons appartementje zit en het tot me doordringt dat Claire en Mireille zich niet daadwerkelijk achter de muur naar de volgende kamer bevinden. Ik kan hun stemmen bijna horen, zie hen voor me terwijl ze zitten te naaien; hun eigen kleren verstellen, of misschien een hoed of rok voor zichzelf nieuw leven inblazen.
Zodra ik die mogelijkheid heb ga ik terug naar het modemuseum in het Palais Galliera, waar ik nogmaals door alle zalen dwaal. Tijdens mijn eerste bezoek hier was ik als betoverd door al het moois, de glitter en glamour van de mode van eeuwen geleden tot heden om me heen. Deze keer bekijk ik alles zorgvuldiger. Tussen de zalen vol verbluffende tentoonstellingen die om je aandacht schreeuwen hangen er ook veel ingetogener stukken. Het canvas schort van een tuinier; de witte jas van een kapper; een spijkerbroek en shirt die ooit door een onbekende arbeider zijn gedragen. Het denim is versteld en vaag geworden, maar spreekt over een eenvoudige waarheid. Deze kleren vertellen hun eigen verhaal over de levens van de mensen door wie ze zijn gedragen en brengen de geschiedenis opnieuw tot leven in het heden. Ik bedenk terwijl ik naar die kleding kijk hoe ironisch het is dat gescheurd en bevlekt denim het huidige toppunt van mode is. Deze eenvoudige, sleets geworden en oude kledingstukken zijn de inspiratie voor hedendaagse ontwerpers geweest.
Mijn museumbezoeken hebben me ook geleerd dat het vrouwen zelfs in de duisterste tijden is gelukt een gevoel van trots uit hun verschijningsvorm te halen. Parisiennes vonden een manier om te improviseren, en dat zie je terug in de stijl van de oorlogsjaren: een elegante tulband verhulde vet haar of grijze haarwortels; zolen van kurk werden onder schoenen geplakt als hoge hakken het begaven; benen werden gekleurd met koffiedik van surrogaatkoffie en strepen van houtskool werden op kuiten getekend om de illusie te wekken dat er kousen werden gedragen. Onder het juk van de alomtegenwoordige nazipropaganda vonden vrouwen een manier om hun bezetter een boodschap terug te sturen: gekleed in hun zelfgemaakte mode liepen ze met opgeheven hoofd; ze lieten zich er niet onder krijgen.
De luxe en overdaad van de hedendaagse mode-industrie lijken een wereld verwijderd van die oorlogsjaren. Ik was te laat bij het agentschap begonnen en was nog te nat achter mijn oren om te mogen helpen bij de Fashion Week in september. Daar had ik vanaf de zijlijn moeten toekijken (of eerlijk gezegd van achter de balie in de ontvangstruimte) terwijl er op kantoor steeds harder en koortsachtiger werd gewerkt en ik ineens helemaal alleen was achtergebleven om een telefoon te bemannen die niet overging, aangezien iedereen de hele ochtend, middag en avond bij de evenementen aanwezig was. Simone kwam me regelmatig vertellen hoe het ervoor stond met de nieuwste collectie of wat ze die avond had gezien.
Simone is met de paar jaar meer ervaring die ze heeft dan ik veel ontspannener over de kans in het publiek tussen de moderedacteuren en beroemdheden te kunnen zitten en er te zien hoe de nieuwste couturecollecties die de trend voor een seizoen bepalen dat nog maanden ver weg is, op de catwalk worden gepresenteerd.
Nu het weer wat rustiger is op kantoor na de golf van activiteit die volgde na Fashion Week en die iedereen bij Agence Guillemet de hele herfst heeft beziggehouden, besluit ik mezelf te trakteren op een lunch in Café de Flore. Ik weet dat het een toeristische trekpleister is en dat de prijzen er veel hoger zijn dan wat ik me normaal gesproken kan veroorloven – meestal niet meer dan een kopje koffie met een croissant op zaterdagochtend, die ik aanschaf in een patisserie in een zijstraatje van de Boulevard Saint-Germain. Maar sinds Simone me heeft verteld hoe Mireille daar monsieur Leroux heeft leren kennen, heb ik mezelf beloofd er een keer heen te gaan. Ik vraag Simone of ze zin heeft om me te vergezellen, maar die schudt haar hoofd, met dansende krullen, en zegt dat ze een accountmanager moet helpen met een offerte voor een nieuwe klant.
Ik trek mijn jas aan en loop het pand uit en de straat op in de richting van de Boulevard Saint-Germain. Na kort aarzelen stuur ik Thierry een berichtje waarin ik vraag of hij zin heeft om met me te lunchen.
Ik heb me vermaakt op dat concert waarvoor hij me had uitgenodigd en was onder de indruk toen ik hem aan het werk zag, waardoor ik hem in een nieuw licht ben gaan zien. Hij ging rustig en bekwaam te werk, op zijn plaats achter een verbijsterende hoeveelheid moderne technologie, zijn vingertoppen tijdens het optreden zorgvuldig het geluid in balans brengend. Een groep van zijn vrienden ging na afloop mee om een hamburger te eten en het was een ontspannen avond uit, hoewel er nog steeds veel over de slachtoffers in de Bataclan werd gesproken, die nooit vergeten zullen worden. We zijn sindsdien een paar keer uit geweest met dezelfde vriendengroep. Het is me opgevallen dat Simone niet meer meegaat en steeds een excuus heeft dat ze iets anders te doen heeft. Ik voel de afstandelijkheid in onze relatie sinds ik Thierry heb leren kennen nog steeds, maar ze doet duidelijk haar best die niet in de weg te laten staan van haar vriendschap met mij en Thierry. Ik ben opgelucht dat ze zich na een beetje aansporing heeft laten overhalen komende vrijdag met de groep mee te gaan naar een café.
Als we met zijn allen uitgaan komt Thierry altijd naast me zitten, en dan kletsen we uren aan één stuk, meestal over ons werk, maar soms ook over het laatste nieuws over politie-invallen en arrestaties nu de terrorismedreiging weer wat begint weg te ebben. Ik heb hem ook verteld over de foto die me naar Parijs heeft gebracht en heb een stuk van het verhaal van Claire en Mireille met hem gedeeld. Dus denk ik dat hij het wel leuk zal vinden met me naar Café de Flore te gaan, om de hoek van de Rue Cardinale, waar de afspraak van Mireille met monsieur Leroux al die tijd geleden heeft plaatsgevonden. Dan zoemt mijn telefoon en lees ik dat hij jammer genoeg geen tijd heeft omdat hij aan het inladen is voor een optreden aan de andere kant van de stad. Een andere keer, belooft hij.
In het café op een hoek van de drukke Boulevard Saint-Germain vind ik een tafeltje voor twee tussen twee grotere tafels in en bestel mijn lunch. Terwijl de ober brood en een karaf water gaat halen kijk ik om me heen. Het kan hier niet heel erg zijn veranderd sinds de oorlogsjaren. De panelen van donker hout en de witte pilaren zijn er allemaal nog, en de koperen afwerking van de bar glinstert rond de flessen Aperol en Saint-Raphaël. Ik zie voor me hoe Mireille hier die eerste keer kwam, bedenk hoe haar hart moet hebben gebonsd terwijl ze tussen de tafeltjes vol Duitsers door liep op weg naar haar contactpersoon achter in de rumoerige ruimte. Soms kun je je het beste verstoppen in de drukte van een openbare ruimte. Maar wat was ze dapper.
Mijn teleurstelling in de minder actieve rol die Claire heeft gespeeld is een beetje getemperd sinds ik meer weet over haar jeugd. Ik kan me helemaal vinden in haar verlangen van huis weg te gaan, waar ze het gevoel had dat er niets voor haar was, en op zoek te gaan naar een ander plekje voor haar op de wereld. Net zoals zij voel ik me aangetrokken door de opwinding en creativiteit in de modewereld. En ik weet, net als zij, hoe het voelt om je moeder te verliezen. Ze moet haar leven in dat kleine Bretonse vissersdorpje vreselijk hebben gevonden, hetzelfde leven dat haar moeder – mijn overgrootmoeder – tot een schaduw heeft gereduceerd voordat het haar verslond.
Terwijl ik daar zo zit te denken aan het grote verlies van Claire, aan hoe ze zich moet hebben gevoeld nadat de eenvoudige kist met haar moeder erin op een kerkhof in een vers gegraven graf was gezakt, scheurt er met gillende sirene een politieauto op straat voorbij. Ik zie door het raam blauwe flitslichten, en dan zijn ze weer weg.
Het is maar heel kort, maar het geluid en de blauwe lichten veroorzaken een golf van paniek die zo sterk is dat ik naar adem snak. Ik schenk wat water in uit de karaf, met bevende handen, terwijl ik mezelf tot kalmte maan.
Er zijn periodes in mijn leven waaraan ik niet denk. Momenten die ik heb verbannen naar compartimenten in mijn hoofd die ik jaren geleden heb dichtgedaan. Maar nu ik hier in Café de Flore zit tussen de toeristen en chic geklede lunchende Parisien-nes, schiet er ineens een beeld door mijn hoofd, alsof iemand in mijn hersenpan een hand heeft uitgestoken, een sleutel omdraait en een compartiment openzet terwijl ik ben afgeleid door gedachten aan Mireille en Claire.
Ik zie in mijn hoofd de blauwe flitslichten van een andere politieauto. Maar deze heeft geen haast. Hij staat geparkeerd bij het hek voor mijn huis. Ik voel handen die worden uitgestrekt om me tegen te houden, die aan me trekken terwijl ik naar een deur ren die op een kier staat. De buren praten zacht met elkaar en ik hoor de sinistere klank van het woord dat ze gebruiken: zelfmoord. Het is een nachtmerrie die ik al zo vaak heb gehad, wanneer ik midden in de nacht word belaagd door dromen over die blauwe flitslichten en ervoor op de vlucht sla, ren en ren maar nergens uitkom, waarna ik snakkend naar adem wakker word, tranen over mijn wangen stromend en mijn hart bonzend in mijn keel.
En elke keer word ik wakker en weet dat het maar een droom was.
Maar het is nog steeds niet goed. Het is nooit goed.
De ober serveert mijn salade en ik verman me, probeer te glimlachen, schud mijn hoofd als hij vraagt of ik verder nog iets wens. Ik eet mechanisch mijn lunch. Normaal gesproken zou ik hem verorberen, maar ik heb ineens geen honger meer. Ik heb het veel te druk met nadenken over die flits van bewustzijn die net werd getriggerd, dat moet wel, door de gedachten aan de dood van mijn overgrootmoeder en die passerende politieauto.
Dan dringt tot me door dat er behalve de schok van het springlevende beeld dat ik al die jaren heb onderdrukt een andere gedachte in mijn hoofd knaagt, die een vraag vormt: wiens hand reikte er net in mijn hoofd en maakte dat compartiment open? Ik heb het gevoel dat hij van iemand is die ik niet ken. Hij is niet van mijn grootmoeder Claire, en ook niet van mijn moeder.
Mijn hartslag begint enigszins tot rust te komen; ik kijk om me heen in het drukke café en stel me Mireille en Claire hier voor, al die decennia geleden, en dan dringt het tot me door dat ik iemand anders probeer te vinden, iemand die zoek is. De derde vrouw op de foto.
Waar is Vivienne?