Hoofdstuk 18: 1942 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
ZE WAREN AL BIJNA TWEE DAGEN onderweg en Claire had nog geen moment kunnen ontspannen, hoewel alles tot dusverre gladjes was verlopen. Ze waren Parijs veilig uit gekomen, hadden precies volgens plan de nacht doorgebracht in het hotel in Chartres en waren de volgende dag naar Nantes gereisd. Nu ze aan het laatste stuk van de reis waren begonnen was Claire geschokt de ravage te zien die de oorlog in Saint-Nazaire had aangericht. Ze herinnerde zich uit haar jeugd de stad als een plek vol hoop en belofte, de toegangspoort tot een nieuw leven ver van Port Meilhon. Maar nu zag het eruit als een stad die was vergeten hoe hoop eruitzag. Gebouwen zaten vol gaten van machinegeweren en de ooit trotse scheepswerven waren afgesloten en verlaten. Het droogdok, waar de grootste marineschepen van de Duitse marine hadden gelegen, was kort daarvoor opgeblazen tijdens een aanval door Britse commando’s.
Ze aanschouwde het verwoeste landschap terwijl ze met Fréd over de wegen vol gaten stuiterde in een truck die vis had bezorgd in een voedseldepot aan de rand van de stad. Hoewel hij nu leeg was stonk de truck nog naar vis. Ze slikte keer op keer de zure gal weg die door haar slokdarm omhoog borrelde als gevolg van de overweldigende stank in combinatie met het gestuiter over de gaten in het gehavende wegdek. De aanblik van de platgebombardeerde gebouwen onderweg bracht levendige herinneringen naar boven aan die nacht in Billancourt toen ze zo ternauwernood aan de dood was ontsnapt. Het was net of ze Christianes gezicht tegen het geruïneerde landschap zag gereflecteerd, en de geur van stof en rook vermengde zich in haar neusgaten met die van visolie. Ze hoopte maar dat het aanhoudende trekje in een van haar ooghoeken niet verried dat ze steeds meer in paniek begon te raken.
Alsof ze zichzelf zo fysiek onder controle probeerde te houden zat ze met over elkaar geslagen armen terwijl ze haar vingertoppen onopvallend langs de geruststellende contouren van het pakje dat monsieur Leroux haar had gegeven liet glijden, dat ze om het veilig te stellen in de voering van haar jas had genaaid.
Fréd was een zwijgzame reisgenoot, verloren in zijn eigen gedachten, hoewel zijn solide aanwezigheid geruststellend was. Hij had haar het woord laten voeren toen ze die ochtend die viswagen hadden gezien. Toen Claire de naam van haar vader had genoemd was er op het verweerde gezicht van de chauffeur een brede grijns van herkenning verschenen en had hij enthousiast aangeboden hen helemaal naar Port Meilhon te brengen, ook al was dat een stuk voorbij zijn eigen huis in Concarneau.
Hij zette hen uiteindelijk, met nog een grijns en zwaaiend, af aan de top van een smal weggetje dat was geplaveid met kasseien en afdaalde naar het haventje. Claire bleef even stilstaan, dankbaar niet meer door elkaar geschud te worden na de uren achter in de truck. Ze ademde de zeelucht diep in, opgelucht dat de vreselijke misselijkheid iets begon te zakken. Het was fijn om in een bekende omgeving te zijn. Het vissersdorp rook zoals het altijd had geroken, naar zout en zeewier en de natte stukken touw die het vlootje boten aan de kade op zijn plaats hielden. Boven hun hoofden krijsten zeevogels tegen elkaar, altijd met één oog in de gaten houdend of er een boot binnenvoer om er een makkelijk maaltje te regelen.
Claire had nooit gedacht dat ze zo blij zou zijn om weer thuis te zijn, maar ze voelde nu een overweldigend verlangen haar vader en broer Marc te zien en zich in hun sterke armen te laten sluiten.
Fréd glimlachte naar haar. ‘We zijn er bijna,’ zei hij terwijl hij haar tas en die van hemzelf oppakte. ‘Ga jij maar eerst.’
Ze zag hen bij de boot, haar vaders lange gestalte die lege vismanden van de stapel op de kade tilde en aan Marc gaf, die op het dek stond. Ze wilde net op hen af rennen toen Fréd een hand uitstak om haar tegen te houden. ‘Wacht even,’ zei hij zacht.
Aan het einde van de havenmuur was een geïmproviseerde betonnen bunker opgetrokken. Op het platte dak stond een Duitse wachter. Hij stond gelukkig met zijn rug naar hen toe om door een verrekijker op de staalgrijze zee naar schepen te zoeken. Uit de donkere gleuven die de ogen van de bunker vormden staken de lopen van twee machinegeweren. Een ervan wees naar de zee, maar de andere naar het haventje en de mannen die er op hun boten aan het werk waren. Achter de bunker, vlak voor de vuurtoren aan het einde van de zeewering die de ingang van de haven markeerde en de vissersvloot in het donker naar huis begeleidde, wees een luchtafweerkanon de lucht in, geplaagd door de krijsende zeevogels die erboven vlogen.
De aanblik van haar vader en broer aan het werk in de dreigende aanwezigheid van het machinegeweer dat op hen stond gericht vanuit de bunker schokte Claire tot op het bot. Ze snakte naar adem terwijl Fréd haar naar achteren trok en de hoek om, de beschutting van het straatje in. Hij drukte een wijsvinger tegen zijn lippen, haar tot stilte manend.
‘We kunnen nu niet naar hen toe, Claire, niet met die Duitse wachter in de buurt. Dan zouden we de aandacht trekken, en dat is het laatste wat we willen. Zelfs met je excuus dat je thuiskomt voor familiebezoek zijn ze alert op nieuwkomers en alles wat afwijkt van het gebruikelijke. We moeten ons schuilhouden tot het donker is.’
Claire knikte, in de wetenschap dat hij gelijk had, hoewel de behoefte naar haar vader toe te rennen en zichzelf tussen hem en het aanzicht van dat geweer te plaatsen overweldigend sterk was. Ze keek om zich heen en greep hem bij de hand. ‘Kom,’ zei ze. ‘We kunnen via het steegje achter het huis lopen. De achterdeur is altijd open. Dan wachten we binnen.’ Ze ging hem voor naar een kleine opening in de muur aan één kant van het straatje, die de ingang vormde tot een smal zandpad dat langs de achtertuinen van de vissershuisjes liep, die elk een eigen buitentoilet hadden. Ze duwde het afbladderende hek open en liep door het groentetuintje – vol keurige rijen preiblad en vederachtig wortelloof – dat in de zandgrond werd gecultiveerd. Ze draaide aan de deurklink en duwde de deur, triomfantelijk glimlachend naar Fréd, open.
Haar hart sloeg over toen ze haar ouderlijk huis zag. De kamers leken op de een of andere manier kleiner geworden, hoewel ze vol stonden met voorwerpen die haar aan haar moeder – het vergeelde kantwerk op de kast waar wat servies stond uitgestald, beschilderd met een vrolijk Bretons ontwerp van bladeren en bloemen – en vader herinnerden. Zijn stoel naast de haard was doorgezakt van het gewicht van zijn lichaam, dat elke dag vermoeid terugkeerde van zee. Ze pakte een losgekomen bolletje twijndraad van de plank naast de stoel en rolde het gedachteloos opnieuw op, stak netjes het uiteinde weg en legde het naast zijn stoel terug.
In de keuken was het houtfornuis gedoofd voor de dag terwijl de mannen op de boot waren. Getroost door het gevoel om na zo lang weer thuis te zijn en door de bekendheid van de handelingen die zolang ze zich kon herinneren haar dagelijkse routine waren geweest porde ze de gloeiende resten weer tot leven en zette een pan water op. ‘Dan kunnen we ons even wassen, na die lange reis.’ Ze glimlachte. ‘En dan zal ik eens kijken wat er te eten is. Papa en Marc zullen honger hebben als ze thuiskomen. Dat zal niet lang meer duren.’
Hoewel het al begon te schemeren deed Claire geen licht aan, en ze trok ook de verduisteringsgordijnen niet dicht over de lage, door de zon geteisterde ramen. De zeewind duwde de bootjes in de haven deinend tegen elkaar aan met de belofte aan een frisse wind bij zonsopkomst, wanneer ze aan de andere kant van de muur weer hun weg door de golven zouden aanvangen.
Uiteindelijk hoorden ze de mannen over het pad komen en hun laarzen schoonstampen op de mat van ruw helmgras bij de voordeur. Ze wachtte tot de deur open en dicht was gegaan, zich ervan vergewissend dat ze veilig binnen waren en uit het zicht voordat ze hen begroette. Het kostte in het schemerige vissershuisje even voordat het tot haar vader doordrong dat de figuur die in de gang voor hem stond zijn dochter Claire was. Hij strekte zonder iets te zeggen zijn armen naar haar uit. Toen liep hij naar haar toe en begroef huilend zijn hoofd in haar haar.
Ze omhelsde hem strak, drukte haar gezicht tegen zijn borst, overweldigd door de tegelijk sterke en kwetsbare man – haar vader – die zijn vrouw en een van zijn zoons had verloren en de rest van zijn gezin door de oorlog verscheurd had zien worden. Onder de ruwe wol van zijn visserstrui voelde ze hoe zijn lichaam schokte van het snikken, en haar tranen vermengden zich met die van hem toen ze hem op de wang kuste.
Claire vroeg terwijl het eten stond te sudderen of er nieuws was over Jean-Paul en Théo. Haar vader schudde verdrietig zijn hoofd. ‘We hebben al maanden niets van hen gehoord. We kunnen alleen maar hopen dat ze elkaar hebben gevonden en elkaar erdoorheen helpen. Ze zouden trots zijn te weten dat hun zusje er ook aan werkt om deze oorlog zo snel mogelijk ten einde te brengen zodat ze naar huis kunnen komen.’ Ondanks zijn warme woorden, die hoop boden, dacht Claire een duisternis in zijn ogen te zien die zijn zorgen verried.
Toen ze later een schaaltje visstoofpot zaten te eten wisselden Marc, Claire en Fréd ervaringen over de oorlog uit terwijl Claires vader, altijd al een man van weinig woorden, zijn dochter bestudeerde met een blik van verwondering in zijn ogen dat ze zo onverwachts naar huis was gekomen.
Marc keek op zijn horloge. ‘De uitzending begint, papa.’ Hij stond op van tafel en liep naar de radio in de hoek van de kamer. Hij moest een paar seconden opwarmen, maar toen kraakte hij niet langer en klonk het geluid van een Duitse propagandazender door de kleine kamer. Marc draaide zorgvuldig aan de knoppen en draaide het volume lager. Er klonk dansmuziek, die plotsklaps stopte. Na een korte stilte zei een stem: ‘Ici Londres! Les Français parlent aux Français…’
Toen klonken de kenmerkende eerste noten van Beethovens Vijfde Symfonie: drie korte gevolgd door een lange, harder en aanhoudend. Claire keek verrast naar Marc. Die drukte een vinger tegen zijn lippen.
Fréd leunde naar haar toe om het uit te leggen. ‘Het is morse voor de v. De v van victorie,’ fluisterde hij. ‘De Vrije Fransen zenden elke avond uit via de BBC in Londen. Ze openen altijd met deze muziek, waarmee ze Europa aansporen zich te verzetten. Vervolgens laten ze de netwerken weten of bepaalde operaties doorgang kunnen vinden. De Duitsers worden er gek van, want die weten dat de berichten worden verstuurd, maar het lukt hun niet ze te ontcijferen, omdat ze als complete onzin klinken. En er zitten ook nepberichten tussen, waartussen de echte zijn verstopt. Wij moeten alert zijn op een bericht voor Tante Jeanne. Monsieur Leroux zei dat dat voor ons is bedoeld. Als we het horen weten we dat alles klaar is voor morgenavond.’
Ze luisterde met ingehouden adem toen de omroeper zei: ‘Voordat we beginnen wat persoonlijke berichten…’ waarna een aantal schijnbaar betekenisloze zinnen werd voorgelezen.
Toen hoorde ze het: ‘Tante Jeanne heeft de danswedstrijd gewonnen.’
Fréd begon breed te grijnzen en Marc stond op om de radio uit te zetten, maar voordat hij dat deed zette hij hem eerst terug op de Duitse zender.
Ze stond op om de tafel af te gaan ruimen, maar toen stak haar vader zijn hand naar haar uit. ‘Je bent veranderd, Claire. Je moeder zou trots op je zijn geweest. Op alles wat je doet. Je werk in Parijs en het werk dat je hierheen heeft gebracht.’
Ze boog zich voorover om hem een kus op zijn voorhoofd te geven en zei: ‘We zijn allemaal veranderd, papa. Niemand ontsnapt aan de wurggreep waarin de oorlog ons land houdt. Maar ik ben gaan beseffen dat we het kunnen doorstaan als we het samen doen. Dat hebben Mireille en Vivi me geleerd.’
‘Ik ben blij dat je zulke goede vriendinnen hebt in Parijs.’
‘En ik ben blij dat ik zo’n goede familie heb in Bretagne. Ik ben trots op mijn afkomst, papa, en op het thuis dat u ons altijd hebt gegeven, ondanks alle ontberingen. Ik denk dat ik lang niet heb gevoeld hoezeer het een deel van me is. Maman en u hebben me de veiligheid en liefde gegeven die me dapper genoeg hebben gemaakt om te vertrekken, en dapper genoeg om nu weer terug te komen.’ Haar vader glimlachte en zei toen nors: ‘En nu is het bedtijd. Je zult wel moe zijn na die lange reis. Marc en ik moeten morgen vroeg weer op en moeten zorgen dat we zijn uitgevaren voordat we bij laag water niet meer over de zandbanken in het kanaal kunnen. Dat betekent dat we ook weer vroeg terug zijn.’
‘Ik sta vroeg op,’ beloofde ze. ‘En dan zet ik koffie voor u, net zoals ik dat vroeger altijd deed.’
Marc stond op en rekte zich uit. ‘Zeg dat wel: bedtijd. En dan brengen we morgenavond Fréd voor je naar de inham.’
Ze keek hem vragend aan, met opgetrokken wenkbrauwen, en hij begon te lachen. ‘Je bent niet het enige gezinslid in de ondergrondse, Claire!’
* * *
De nieuwe maan had de oceaan naar achteren getrokken en legde de modderige bodem van de haven bloot, die baadde in de schaduwen van de nacht toen de vier figuren geruisloos vanaf het huis heuvelopwaarts liepen. Ze maakten gebruik van het doolhof van paadjes tussen de groepjes huizen, uit het zicht van de wachters in de bunker op de havenmuur, die, zo hoopten ze, niet meer op de uitkijk zouden staan nu het tij te laag was om vijandige oorlogsschepen of onderzeeërs toe te staan dicht bij de Bretons kust te komen.
Claires vader stak behulpzaam een hand naar haar uit toen ze de rotsachtige klip op klauterde, tussen de borstelige naaldbomen door die hen extra beschermden in het donker. Marc had geprobeerd haar te overtuigen in het huisje te blijven, maar ze had aangedrongen dat ze per se mee moest, de aanwijzingen van monsieur Leroux nauwlettend volgend. Het in waspapier ingenaaide pakketje knisperde een beetje in haar jas.
Haar hoofdhuid prikte van een mengeling van zweet en angst onder de donkere wollen muts die ze droeg om haar haar te verbergen. Ze was zich ervan bewust dat ze hier op hun kwetsbaarst waren, de heuvel beklimmend waarop je vanuit de haven uitzicht had, en ze verwachtte elk moment een zoeklicht dat over de heuvel bewoog of een stem die ‘Halt!’ zou roepen, waarna ze neergemaaid zouden worden met een salvo kogels uit een machinegeweer. Maar ze klommen gestaag verder en er was niets dan stilte, duisternis en het zachte nachtelijke briesje dat naar de zee rook en haar nek verkoelde.
Marc liep voorop, zorgvuldig bewegend, maar met een souplesse en snelheid die een resultaat waren van zijn bekendheid met het terrein. Zijn voeten verplaatsten nauwelijks de kiezelsteentjes op het zandpad dat naar het open veld boven op het klif liep.
Toen begonnen ze aan de steile daling naar de kleine verborgen inham aan de andere kant van de landtong. De kale wand van de rots liep bijna verticaal, maar Marc wees woordeloos naar de verborgen hand- en voetgrepen – bijna niet te zien in het licht van de sterren – die hier en daar waren uitgehouwen om het mogelijk te maken af te dalen.
De zee had aan de voet van het klif aan één kant van de inham een grot uitgeslepen. Normaal gesproken was die alleen wadend of zwemmend langs de kust bereikbaar, maar het water stond die nacht zo laag dat het nauwelijks tot boven aan hun laarzen kwam.
In de grot was het aardedonker en op het kabbelende water dat tegen de stenen wanden botste na ook doodstil. De duisternis en de beweging van het water dreigden Claire een moment te overweldigen. Haar hoofd tolde van een golf van duizeligheid, en als haar vader haar niet bij haar elleboog zou hebben gepakt zou ze misschien zijn gevallen. Ze schrok vreselijk toen er een lucifer werd aangestreken, die de gezichten van nog twee mannen verlichtte, die in de duisternis bij een klein zeilbootje stonden te wachten, het opgerolde zeildoek dezelfde kleur als de inktzwarte zee. Een van de mannen boog zich voorover om de olielamp aan te steken die in een ruwe alkoof stond die uit de rotswand was gehouwen en het tafereel nu enigszins verlichtte.
De mannen schudden iedereen de hand en als ze verrast waren een jonge vrouw in het gezelschap aan te treffen lieten ze dat niet merken. Claire had geen idee hoe de communicatielijnen in de geheime netwerken liepen, hoewel ze aannam dat de berichten werden doorgegeven via briefjes die van hand tot hand gingen, alsook via geheime radio’s en de gecodeerde berichten die werden verzonden via de BBC in Londen. Dus misschien hadden ze toch wel verwacht dat zij erbij zou zijn, de metgezel van Fréd, en was hij gewoon de volgende vracht die ze moesten transporteren. Ze leken Marc en haar vader goed te kennen, en Claires hart zwol van emotie toen tot haar doordrong dat zij ook een rol speelden in de résistance.
Toen de mannen de boot gingen klaarmaken voor vertrek nam Claire Fréd even apart. ‘Hier,’ zei ze zacht. ‘Je moet dit meenemen en aan de man geven die je aan de andere kant komt ophalen.’ Ze gaf hem het dunne pakje dat zo zorgvuldig was ingepakt om het te beschermen tijdens de lange zeereis rond Finistère en over het Kanaal naar Engeland.
‘Oké.’ Hij knikte. ‘Ik zal zorgen dat dat gebeurt. Dank je wel, Claire. Voor alles. Zonder jou en je familie zou het me nooit zijn gelukt.’ Hij omhelsde haar warm en stak het pakje toen in zijn overhemd.
‘Bonne route,’ zei ze. Hij draaide zich om om te vertrekken, maar keek toen over zijn schouder, alsof hij nog iets wilde zeggen.
Ze keken elkaar een moment stil aan. Toen zei ze: ‘En zal ik je hartelijke groeten aan Mireille doen?’
Hij klom grijnzend aan boord van het bootje en zei: ‘O, dus behalve dat je een commando bent kun je ook nog gedachten lezen?’ Hij salueerde naar haar en ging zitten, en zij gaf de lamp aan de bootsman, die hem doofde. Toen duwden Marc en haar vader het bootje het open water op en werd het opgeslokt in de duisternis.
Ze luisterde naar het geluid van de peddels tot ook dat was opgeslokt door het ruisen van de golven die over het strandje van de verborgen inham spoelden.