Hoofdstuk 19: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
BIJ ELK HOOFDSTUK UIT HET verhaal van Claire dat wordt onthuld heb ik het gevoel dat de fundering van mijn leven van vorm verandert, als de door de golven gevormde zandsculpturen onder mijn voeten.
Voordat ik naar Parijs kwam had ik een raamwerk voor mijn leven getimmerd dat was gestut op de weinige overblijfselen van mijn familie die waren overgebleven nadat de dood van mijn moeder zo veel had weggevaagd. Ik had kamers in mijn geest waar pijnlijke herinneringen lagen opgeslagen dichtgetimmerd en had muren rond mijn eenzaamheid opgetrokken. Maar nu zie ik ineens hoeveel ik heb buitengesloten terwijl ik dat pantser vormgaf. De verhalen van Mireille en Vivi hebben me ertoe aangezet een aantal van die deuren van het slot te halen en de verduisteringsgordijnen van mijn eigen geschiedenis open te slaan en me zo toe te staan meer van het verhaal van Claire te ontdekken.
Dus nu weet ik dat een streng van de fragiele draden waaruit het leven van mijn grootmoeder was geweven me verbindt met Bretagne, met een piepklein vissersdorpje op een rotsachtige, door de Atlantische Oceaan getergde vinger land die naar het westen wijst. Dat door de wind getergde stukje land heeft mannen voortgebracht die sterk genoeg waren om het op te nemen tegen de oceaan en te winnen, en vrouwen die veerkrachtig genoeg waren om hun kinderen in weerwil van een ongunstig lot groot te brengen.
Als ik dit deel van Claires verhaal die avond tijdens een gedeeld bord moules marinière in een bistro in de Marais vertel, begint Thierry te lachen.
‘Dat verklaart een heleboel over jou,’ zegt hij terwijl hij een lege schelp in het schaaltje deponeert dat tussen ons in staat.
‘Hoe bedoel je?’ vraag ik defensief.
Hij schept nog wat frietjes op, die bij de mosselen zijn geserveerd. ‘Bretagne is een van de onafhankelijkste delen van Frankrijk en de Bretons staan bekend om hun koppigheid en vastberadenheid.’ Hij gebaart met een frietje tussen zijn vingers om zijn woorden kracht bij te zetten en wijst ermee naar mij voordat hij het in zijn mond steekt. ‘En jij bent een van de onafhankelijkste vrouwen die ik ken. Het is wel duidelijk dat er Bretons bloed door je aderen stroomt. Vermengd met je Britse sangfroid, natuurlijk. Wat een combinatie! Ik begrijp nu waar je het zelfvertrouwen vandaan hebt gehaald om naar Parijs te komen, direct na je studie, en je verhaal zo overtuigend te vertellen dat het je is gelukt om een van de meest gewilde banen in de moordende competitie van de modewereld te bemachtigen.’
Die woorden moet ik even verwerken, en dat doe ik terwijl ik een handje frietjes eet. Is dat hoe mensen me zien? Onafhankelijk? Zelfverzekerd? Zo voel ik me echt helemaal nooit. Maar misschien heeft Thierry gelijk, misschien is het altijd deel van me geweest, een streng Bretons graniet waarop mijn temperament is gebouwd.
Claire had het ook. Hoewel ze ernaar had gesnakt haar eenvoudige ouderlijk huis achter te laten voor de felle lichten van Parijs, was haar Bretonse oorsprong diep genoeg geworteld om haar te verankeren toen de oorlogsstorm woedde.
Ik weet nu dat ze dapper kon zijn. En met die wetenschap begin ik, in plaats van jaloers te zijn op de moed van buitenstaanders en me daarbij vergeleken zwak te voelen, de kracht van het bloed dat door mijn aderen stroomt te voelen.
Schaamte heeft plaatsgemaakt voor zelfrespect, schande voor waardigheid. Woorden hebben deze verandering teweeggebracht, de woorden die het verhaal van mijn grootmoeder vertellen. En ik wil er meer van weten.
Ik leun in een impuls – en impulsiviteit is ook een kant van mijn karakter die tot nu toe begraven heeft gelegen onder lagen angst, zorgen en behoedzaamheid – over tafel om tegen Thierry te zeggen: ‘Heb je zin om een weekendje met me weg te gaan? Misschien volgend weekend, als je dan vrij bent?’
Er verschijnt een luie glimlach op zijn gezicht en ik zie hoe die zijn gezicht oplicht, als een zonsopkomst. ‘Naar Bretagne?’ vraagt hij. ‘Met zijn tweetjes?’
Ik steek mijn hand over tafel, pak die van hem en zeg: ‘Met zijn tweetjes. Samen.’
* * *
We checken in bij een bed and breakfast in Concarneau, een mooi vissersdorpje in de buurt van Port Meilhon. De reis vanuit Parijs heeft uren gekost en we ontdoen ons snel van onze bagage om te kijken of we nog ergens wat kunnen eten. Het is overduidelijk laagseizoen en de meeste restaurants zijn dicht, maar het licht in een bistro op de kade roept ons. We gaan zitten en bestellen allebei cotriade, de zalige plaatselijke visstoofpot die wordt geserveerd met toast, en een fles plaatselijke witte wijn.
Na het eten wandelen we dankbaar na de lange reis onze benen te kunnen strekken langs het jachthaventje, dat vol plezierjachten ligt die voor de winter zijn aangemeerd, veilig in de elleboog van de arm van de haven, waar ze zijn beschermd tegen de razernij van de winterstormen die over de Atlantische Oceaan razen. De tuigage van de boten klappert tegen de masten, die zachtjes deinen in de zachte adem van de nacht.
We steken het opgehoogde voetpad naar het eilandje dat in de baai ligt over en dwalen door de straatjes van de Ville Close, het ommuurde, middeleeuwse deel van Concarneau. We lopen hand in hand langs de klokkentoren en naar de havenmuur. We blijven staan op een havenhoofd dat is geplaveid met kasseien naast de roestige romp van een schip en kijken uit over de kustlijn. De lichten van het stadje worden gereflecteerd in het donkere water, waar lovertjes op een lengte zwart satijn dansen.
Thierry neemt me in zijn armen en ik heb het gevoel dat ik mijn eigen haven heb gevonden, een plek waar ik me beschermd voel tegen de stormen van het leven. Ik voel me vredig. Het enige geluid dat ik hoor is het rustige fluisteren van het water dat tegen de waterkering kabbelt, en het slaan van onze harten terwijl we ons verliezen in een zoen waarvan ik hoop dat hij eeuwig duurt.
* * *
De volgende dag rijden we in een genoeglijke stilte een paar kilometer verder westelijk langs de kust. Port Meilhon ligt in een vergeten hoekje van het rotsachtige schiereiland Finistère. Zo te zien is er niet veel veranderd sinds de tijd dat Claires vader en broers – mijn overgrootvader en oudooms – hier werkten op hun Bretonse vissersboot. De bunker op de waterkering is gesloopt en enkel wat restjes beton getuigen stil dat hij er ooit is geweest. Maar als we daar staan te kijken naar de rij vissershuisjes langs het haventje zie ik de machinegeweren voor me zoals die waren gericht op de mannen die op de kade hun vismanden stapelden.
Ik heb nergens kunnen vinden in welk huisje de familie van Claire woonde, maar ik stel me voor dat het een van de middelste is. Er komt nu echter geen rook uit de schoorsteen. Zo te zien zijn de meeste cottages nu vakantiehuisjes, de luiken stevig dicht voor de winter.
Thierry en ik beklimmen hand in hand de heuvel waar we de auto hebben geparkeerd. Als we langs een kerkje uit grijze steen lopen dat uitkijkt over de haven, aarzel ik.
‘Kom maar,’ zegt hij. ‘Dan gaan we naar binnen.’
De dikke eikenhouten planken van de door zout verweerde deur zijn zilverkleurig geworden door ouderdom en het beslag is roestig, maar na enige aansporing draait de deurklink en lopen we naar binnen. Het interieur is eenvoudig, met wit gestuukte muren en houten banken, maar in de kapel hangt een serene sfeer, die de stille waardigheid symboliseert van generaties van vissersfamilies die hierheen zijn gekomen om dankbaar te zijn voor de veilige terugkeer van boten van zee, of te rouwen om degenen die waren meegesleurd door de wrede kracht van de oceaan.
Buiten is een kerkhofje gemaakt op een terras dat achter ruwe granieten muren uit de heuvelwand is gehouwen. Hier vind ik de grafzerken met namen van mijn familie erop. Thierry ziet ze eerst. ‘Harriet,’ zegt hij zacht, ‘kom eens kijken.’
Eerst is er Aimée Meynardier, geboren Carlou, geliefde vrouw en moeder, en onder haar naam staat die van haar echtgenoot, Corentin. Mijn overgrootouders. Claires vader is gestorven in 1947, zo staat er, dus heeft hij de oorlog overleefd. Maar als ik de namen lees die op de steen naast die van hen staan, breekt mijn hart. Ter nagedachtenis aan Luc Meynardier (1916–1940), omgekomen terwijl hij vocht voor zijn vaderland, geliefde zoon en broer; ter nagedachtenis aan Théo Meynardier (1918-1942) en Jean-Paul Meynardier (1919–1942), omgekomen in Dachau, Duitsland; onder die namen staat er nog een, die van Marc Meynardier, Claires vierde broer, in 1945 zoekgeraakt op zee.
Dus mijn overgrootvader heeft alle vier zijn zoons begraven. Of eigenlijk niet. Geen van de lichamen is ooit thuisgebracht om te ruste worden gelegd naast zijn ouders. Ze liggen in ongemarkeerde graven, of zijn als as in de Duitse bossen gewaaid, of zijn botten die op de bodem van de zee schoon zijn gelikt door zeewater, en alleen op deze steen staan hun namen.
En wie heeft mijn overgrootvader, Corentin, begraven? Heeft Claire hier gestaan, met haar Engelse echtgenoot naast zich, en heeft ze gehuild om de hele familie die ze was kwijtgeraakt?
Ik lik over mijn lippen en proef zout, maar ik weet niet of dat is meegevoerd door de Atlantische wind die om de grafzerken waait of dat het van de tranen is die over mijn gezicht stromen.
Thierry neemt me in zijn armen en kust ze weg. Hij houdt me tegen zich aan, beschermt me, en zijn blik zoekt die van mij. ‘Het was een gruwelijke periode in de geschiedenis,’ fluistert hij. ‘Maar ze is nu voorbij. En jij bent hier, om je familie te bezoeken en hun nagedachtenis te eren. Ze zouden zo trots op je zijn, Harriet, als ze zouden weten dat je hierheen bent gekomen om hen te zoeken. Ze zouden zo trots zijn geweest je te kennen. En te weten dat ze via jou voortleven.’