Hoofdstuk 20: 1942 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
DE ZOMERHITTE DRUKTE ZWAAR. De zon scheen door de hoge ramen naar binnen en maakte een oven van de naaikamer. De gordijnen konden niet worden dichtgetrokken omdat de naaisters het licht nodig hadden om te kunnen werken. De geur van verbrand stijfsel en de stoom van de strijktafels maakte de lucht nog heter en zwaarder, zo erg dat Mireille soms het gevoel had dat ze stikte. Ze droomde erover bij haar ouderlijk huis onder de wilg aan het water te zitten, verkoeld door de vlekken schaduw die de gracieuze boog van de takken boven haar hoofd vormden terwijl ze genoot van het ingetogen zingen van de rivier.
De oorlog leek met de dag bruter te worden. Niemand wist hoe het monsieur en madame Arnaud verging, en toen ze op een dag ging kijken trof ze hun huis afgesloten en verlaten aan.
Christianes lichaam was gevonden tussen het puin van de appartementen van de fabrieksarbeiders in Billancourt. Claire, Mireille en Vivi hadden haar graf bezocht, in het zuiden van de stad. Vivienne en Claire hadden gehuild toen ze wat lelietjes-van-dalen, die ze hadden geplukt in de tuin van een dichtgetimmerd huis, bij de eenvoudige steen hadden gelegd. Maar Mireille had er met droge ogen bij gestaan, haar hart bevroren door een overvloed aan verdriet, te veel pijn en te veel verlies. De laatste keer dat ze aan een graf had gestaan was om Esther te begraven in een snel gegraven, ondiep graf tussen dat van andere vluchtelingen die op die dag dat ze uit Parijs waren gevlucht door de Duitsers waren neergemaaid.
Ze probeerde haar gedachten in bedwang te houden en zich op haar werk te concentreren, maar zelfs met de ramen zo ver ze konden opengeduwd moest ze constant haar handen en voorhoofd afvegen om te voorkomen dat zweetdruppels vlekken in haar werk maakten. Water liet vreselijke vlekken achter in zijde, en het nieuwe, synthetische materiaal dat ze tegenwoordig vaak gebruikten omdat zijde zo schaars was, was niet echt beter.
Mireille voelde die middag de hitte over haar heen vallen als een zware deken die ze niet van zich af kon schudden. Ze keek om zich heen. De meeste meisjes rond de tafel zagen eruit of ze hun ogen nauwelijks konden openhouden, uitgeput door honger, het harde werk en de constante angst in de ijzeren greep van de vijand op de stad waarin ze leefden. Vermoeidheid was in Mireilles botten gekropen, had haar lichaam en geest leeggezogen van haar kenmerkende energie. Dat was ook een realiteit van de oorlog, zo drong het tot haar door: de stille, giftige corrosie van de geest. De kledingstukken waaraan de meisjes in het atelier werkten waren grotesk gaan voelen, niet langer de prachtige creaties waarop ze vroeger zo trots was geweest. De omstandigheden hadden ze vervormd tot smakeloos opzichtige verklaringen van rijkdom in een tijd van ontberingen en tegenspoed. De vrouwen die nu naar de salon kwamen waren de alledaagse grijze muizen en vrouwen en minnaressen van naziofficieren, met harde gezichten, en de inhalige, egocentrische ‘koninginnen van de zwarte markt’ zoals de modellen hen achter hun rug om noemden. Ze probeerden de lelijkheid van de realiteit te verbergen achter een mooie japon of elegante jas. Mireille vroeg zich toen ze de tailleband van een satijnen avondrok aan het uitleggen was af wanneer die verandering had ingezet, wat het keerpunt was waarop de Franse mode was overgegaan van iets waar het land trots op was in iets wat grotesk en vulgair was, iets waar een deken van schaamte overheen was gevallen.
Uiteindelijk zei madame Vannier tegen de naaisters dat ze mochten gaan opruimen, het signaal dat de werkdag erop zat. De gedachte boven te zitten in het appartement, waar het nog erger zou zijn onder het dak met donkere leisteen die de hele dag in de zon had gebakken, maakte Mireille niet vrolijker. Dus liep ze in plaats daarvan naar buiten en ging op weg naar de rivier. Ze dwaalde wat rond en stak de Pont Neuf over naar het Île de la Cité, midden in de stroming, weg van de drukte rond de Notre-Dame, en wandelde naar het stroomafwaartse deel van het eiland. Toen drong ineens tot haar door wat haar hierheen had getrokken. Ze glipte ongezien door de stroom mensen op weg naar huis uit hun werk en de trucks vol soldaten die langsreden op zoek naar prooi de smalle stenen trap af naar een veldje gras met bomen aan het water. Behalve een bootsman die zijn boot aan het klaarmaken was voor de nacht was er verder niemand op dit stukje van het eiland. Alsof ze werd geroepen door de gracieuze armen die de takken vormden liep Mireille naar het randje van het eiland, waar een wilg zijn groene vingers door de Seine liet gaan. Ze had hem al eerder opgemerkt, in de verte, maar zocht er nu voor het eerst haar toevlucht. Ze werd er instinctief heen getrokken, door een instinct dat zich niet liet onderdrukken door het gewicht van haar wanhoop.
Net zoals ze dat thuis bij haar familie zou hebben gedaan ging Mireille onder het bladerdak tegen de boomstam aan zitten. Ze trapte haar schoenen uit en liet haar vermoeide hoofd tegen de bast leunen, liet de boomstam haar verdriet in zich opnemen en over de immer stromende rivier uitwerpen. Ze miste haar familie zo: haar ouders, die haar zouden geruststellen en haar wat van hun stille kracht zouden schenken; haar broertje Yves, die haar aan het lachen zou maken en haar een moment haar zorgen zou laten vergeten; en haar zusje, Eliane, die zou luisteren en knikken, waardoor Mireille zich minder alleen zou voelen. En Blanche, het dochtertje van Esther, zou gorgelend van plezier zandtaarten maken van de aarde die de boom van voeding voorzag, en ze zou grinniken wanneer ze werd geknuffeld, geliefd door de familie die haar had opgenomen. Mireilles verlangen naar hen trok aan haar hart, sterk en constant als de stroming van de rivier.
En ze verlangde naar nog iemand. De jongeman die ze maar een paar dagen had gekend, die Claire en Vivi kenden als ‘Fréd’, die haar had vastgehouden en had gekust, op die spaarzame, vluchtige momenten die ze alleen met hem had doorgebracht voordat hij was vertrokken voor zijn gevaarlijke reis terug naar Engeland. En toen had hij zijn echte naam in haar oor gefluisterd, zodat ze zou weten wie deze man echt was: deze man die van haar hield.
Ze zat nog steeds onder de beschermende armen van de boom toen de zon onderging en er een licht briesje boven de rivier opkwam. Ze tilde haar haar uit haar nek en liet zich door de avondlucht verkoelen. De beelden in haar hoofd, de gezichten van de mensen om wie ze het meest gaf hielpen haar, samen met de geruststellende soliditeit van de boomstam tegen haar rug, herinneringen dat er dingen waren die de oorlog je niet kon afnemen.
Wat ze die middag in het atelier had gevoeld was wat de bezetter wilde dat je voelde: verslagenheid. Als ze eraan toegaf, zou zij verliezen en zouden zij winnen. Maar ze wist nu dat ze altijd naar deze plek kon komen, waar het zo aan haar ouderlijk huis deed denken, midden tussen de geplaveide straten en hoge panden waardoor je de hemel niet meer kon zien. Ze kon hiernaartoe komen om samen te zijn met de mensen van wie ze hield, met hen verbonden door de linten van water die stroomden en stroomden tot ze zich uiteindelijk in de oceaan verstrengelden. Die essentiële lijnen van verbinding zouden haar haar gevoel teruggeven van wat echt belangrijk was. Ze zouden haar zich deel van een groter geheel laten voelen. En ze wist dat ze zouden voorkomen dat ze zou worden verslagen.
* * *
Claire had een bericht afgeleverd bij een sigarenwinkel bij de Place Chopin en was op weg terug naar huis, zwengelend met haar attachékoffertje, dat een stuk lichter voelde nu het alleen de bladmuziek voor haar ‘zangles’ bevatte, die als camouflage voor een verzegelde bruine envelop had gediend. Niet dat die envelop iets had gewogen, maar ze voelde zich altijd kilo’s lichter als ze een boodschap eenmaal veilig had afgeleverd, waardoor ze opgelucht op weg naar huis ging.
Het was fijn om buiten te zijn na de drukkende hitte van die dag. Het was nog steeds warm en ze wilde niet in een benauwde metro naar huis, waarop ze gegarandeerd ook lang zou moeten wachten op een smerig perron, dus besloot ze de Pont d’Iéna over te steken, tegenover de imposante structuur van de Eiffeltoren, en langs de rivier terug te lopen. Toen het een beetje donker begon te worden stak er een briesje op, en ze keek ernaar uit het langs haar verhitte wangen te voelen strelen.
Ze werd verrast door een passerende stroom van bussen en politiewagens. Een van de bussen stopte op een kruispunt voordat hij de brug op reed, en terwijl dat gebeurde zag ze bange gezichten achter de ramen. Een kind draaide zich om om haar na te kijken door de achterruit terwijl de bus verder reed. Zijn ogen stonden groot en donker in zijn bleke gezichtje.
Ze kwam aan bij de overdekte wielerbaan, waar de voertuigen een rij langs de muur vormden. Een wegversperring was opgezet om te voorkomen dat er mensen langs zouden fietsen of lopen. Soldaten stonden erbij om de papieren van voorbijgangers te controleren en Claire voelde een steek van angst in haar buik om zich heen grijpen. Maar ze wist dat ze juist de aandacht zou trekken als ze zich zou omdraaien en weglopen. Ze had niets te verbergen, hielp ze zichzelf herinneren; haar papieren waren in orde en ze had een valide klinkend excuus om op pad te zijn. Dus weerstond ze de impuls op de vlucht te slaan en sloot aan in de rij bij de wegversperring om op haar beurt te wachten. De muur van bussen en trucks kroop startend en stoppend verder, aangestuurd door Franse politieagenten. Ze kon niet zien wat er aan de andere kant gebeurde, maar het leek net of ze de passagiers uitspuwden bij de ingang van de baan en dan weer vertrokken.
De soldaten die de papieren stonden te controleren gebaarden een echtpaar voor haar verder te lopen, maar toen ze probeerden in de richting van de wielerbaan te lopen kwam een officier in een zwart Gestapo-uniform tussen de bussen vandaan lopen en schreeuwde tegen het stel dat het de andere kant op moest. Toen hij aan kwam lopen om de soldaten bij de blokkade een standje te geven, drong het tot Claire door wie het was. Het was een nieuw uniform, maar ze herkende zijn blonde haar en brede schouders. Ze keek om zich heen en vroeg zich af of ze ongezien zou kunnen wegglippen terwijl hij de soldaten afblafte, maar het was al te laat: hij had haar ook herkend. Ze voelde zijn blik op haar gericht en toen ze hem aankeek zag ze een geamuseerde blik op zijn gezicht.
‘Goedenavond, Ernst,’ zei ze rustig terwijl ze haar papieren naar de wachters uitstak en probeerde te voorkomen dat haar handen zouden beven.
‘Claire!’ riep hij. ‘Wat een onverwacht genoegen je hier te zien.’ Hij draaide zich om naar de soldaten en blafte wat Duitse commando’s naar hen, waarna hij aanstalten maakte haar uit de rij te trekken. Hij probeerde haar hand te pakken, maar ze gaf hem haar identiteitsbewijs, veinzend het gebaar niet te begrijpen.
Hij keek naar het papiertje met haar foto erop en toen weer naar haar. ‘Dat is lang geleden,’ zei hij. De glimlach verdween langzaam van zijn gezicht toen ze weigerde terug te glimlachen. ‘Je hebt niet gereageerd op mijn uitnodigingen met me uit eten te gaan nadat we elkaar zo onverwachts tegenkwamen in het museum.’
‘Nee,’ antwoordde ze intonatieloos. ‘Nadat ik je met je vrouw en zoon had gezien voelde ik me niet geroepen die te beantwoorden.’
Hij trok geïrriteerd zijn wenkbrauwen op. ‘Maar Claire, ik mag toch aannemen dat je op de hoogte was van je positie? Wat dacht je dan? We hebben het leuk gehad samen. Je had geen moeite de mooie spullen die ik je heb gegeven van me aan te nemen, de kousen en parfum. En je leek ook geen moeite te hebben met de champagne en etentjes in de beste restaurants van Parijs.’ Zijn ogen stonden nu koud en hard en glansden als staal.
Ze keek hem emotieloos aan. ‘Als ik had geweten dat je was getrouwd zou ik dat allemaal nooit van je hebben aangenomen.’
Ze stak haar hand uit om haar papieren terug te krijgen, pogend af te sluiten en naar huis te gaan, maar hij trok haar identiteitsbewijs naar zich toe, net buiten haar bereik, en begon nu weer te glimlachen, genietend van zijn macht.
‘Niet zo snel, mademoiselle, ik moet u nog een paar vragen stellen. Wat doet u hier zo laat op de avond?’
Ze hield haar koffertje op. ‘Muziekles. Ik volg zangles.’
‘Als u me toestaat,’ zei hij overdreven beleefd terwijl hij haar leren koffertje pakte en het openmaakte. ‘Aha, ik zie dat u verborgen talent hebt,’ observeerde hij terwijl hij de bladmuziek uitschudde. ‘Verborgen voor mij, in ieder geval. Je hebt me op al die avonden dat we samen hebben doorgebracht nooit verteld dat je zong.’
Ze bleef hem strak aankijken. ‘Nee, dat klopt. Ik ben net begonnen. Ik heb tegenwoordig ’s avonds tijd over.’
Hij propte de muziek terug in het koffertje en gaf het haar terug. Toen stak hij haar identiteitsbewijs naar haar uit, maar toen ze haar hand uitstak om het aan te nemen trok hij het weer weg, zichzelf amuserend als een kat met een muis, bedacht ze.
‘Met wie ga je tegenwoordig om? Behalve je zangdocent, die helemaal aan de andere kant van de stad woont?’
Ze zei niets en hield haar hand op voor haar papieren.
‘Met die andere twee naaisters, neem ik aan.’ Hij begon te grijnzen. ‘Dat stel met wie je toen in het museum was? Ik heb altijd gevonden dat ze een slechte invloed op je hadden, Claire. Misschien moet je wat kritischer zijn op de mensen met wie je je inlaat.’ Zijn priemende blauwe blik bestudeerde haar en leek te blijven hangen bij het oude koffertje.
Ze deed haar uiterste best kalm te blijven en geen spanning in haar stem te laten doorklinken. ‘Dat zou ik tegen jou ook kunnen zeggen, Ernst.’ Ze nam met een onderkoelde blik zijn zwarte uniform, de zilveren vlecht op zijn pet en de glanzend gepoetste neuzen van zijn laarzen in zich op. ‘Heeft dit allemaal met je nieuwe functie te maken?’ Ze gebaarde naar de bussen.
Hij schoot in de lach. ‘Nee, verre van. De alledaagse beslommeringen als de afvalverwerking laten we aan de Fransen over. Ik ben op zoek naar veel belangrijkere mensen.’
Een golf van walging ging door haar heen terwijl tot haar doordrong wat hij zei, en ze probeerde haar minachting weg te slikken. Maar haar woede welde op, overmande haar, en toen flapte ze eruit: ‘Je bent verachtelijk.’ Ze stond te trillen van woede en angst, maar ze bleef fier rechtop staan en staarde hem aan, wachtend tot ze haar papieren zou terugkrijgen.
Op dat moment brak er commotie uit bij de blokkade, waar de soldaten probeerden een man aan te houden. Ernst keek over zijn schouder waar het kabaal vandaan kwam. Een flikkering van irritatie ging over zijn gezicht nu het spelletje dat hij met Claire aan het spelen was werd verstoord. ‘Hup, wegwezen.’ Hij duwde haar papieren in haar hand. ‘Ik heb wel iets anders aan mijn hoofd dan mijn tijd aan jou verspillen. Maar je mag niet die kant op lopen. Je zult een omweg moeten nemen. Ik ben bang dat de privileges die je ooit genoot zijn ingetrokken, mademoiselle Claire.’ En met die woorden serveerde hij haar met een korte handbeweging af, waarna hij de revolver uit de leren holster aan zijn riem trok en zich van haar wegdraaide.
Ze haastte zich weg, haar hele lichaam hevig bevend, en zijn woorden bleven door haar hoofd gaan terwijl ze naar huis liep. Wat had hij bedoeld met wat hij over Mireille en Vivi had gezegd? Had hij haar uitgetest om te zien hoe ze zou reageren? Was ze nou maar niet zo boos geworden. En wat bedoelde hij toen hij zei dat hij belangrijkere mensen had om op te sporen? Ze zei tegen zichzelf dat het zomaar woorden waren om haar op de kast te jagen, dat ze voortkwamen uit de machtspositie die hij nu bekleedde in combinatie met zijn irritatie dat ze hem had afgewezen, maar iets in de manier waarop hij de woorden had uitgesproken maakte toch dat haar huid prikkelde van angst. En wat deden die bussen met al die bange mensen erin daar? Het waren er zo veel, en waarom werden ze het sportcentrum binnengejaagd? Waar gingen ze slapen? Hoelang zouden ze er moeten blijven? En waarom?
Thuisgekomen lag ze die hete nacht nog lang wakker, starend in de duisternis, getergd door de woorden van Ernst en de donkere, bange ogen van dat kind dat naar haar had gekeken door het achterraam van die bus terwijl die naar zijn sinistere bestemming reed.