Hoofdstuk 24: 1943 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
DE TEXTIELVERVER STOND MIREILLE pas een aantal dagen later toe terug te keren naar het appartement boven Delavigne Couture. Hij en zijn vrouw verstopten haar in de kelder van een onderduikadres een paar straten van de winkel vandaan en hij eiste ondanks haar protest dat ze terug moest naar de Rue Cardinale dat ze daar bleef. ‘We hebben ogen en oren op straat,’ zei hij tegen haar. ‘We weten dat je vriendinnen voor ondervraging naar de Avenue Foch zijn gebracht. Als ze worden gedwongen te praten, komt de Gestapo jou ook halen. Je kent de regels: de eerste vierentwintig uur zijn van levensbelang. We moeten de rest van het netwerk waarschuwen. En zelfs daarna zal het zolang ze je vriendinnen vasthouden te gevaarlijk voor je zijn om naar het appartement te gaan. Stel dat ze terugkomen voor huiszoeking en jou er aantreffen.’
‘Maar wat als Claire en Vivi niets zeggen? Als ze worden vrijgelaten wil ik er zijn als ze thuiskomen.’
‘Er staat iemand op de uitkijk, dus we zullen het weten als ze worden vrijgelaten. Ik weet dat het zwaar is, maar het beste wat je kunt doen – zowel voor hen als voor jezelf – is hier blijven. Over een paar dagen is er meer duidelijkheid… hoe dan ook.’ Zijn stem ebde weg. ‘En nu moet je proberen iets te eten om op krachten te blijven, oké?’
Die donkere, eenzame uren waren onder de moeilijkste die Mireille ooit had doorstaan. Beelden van de gezichten van haar vriendinnen schoten door haar hoofd: de vriendelijke glimlach van Claire; Vivi’s warme blik. Wat gebeurde er nu met hen? En nu? En nu? Ze durfde er niet aan te denken. Ze verloor in het donkerste moment haar zelfbeheersing en ramde met haar vuisten tegen de ruwstenen muur van de kelder tot haar knokkels bloedden. Toen zakte ze snikkend op de vloer en huilde, rauwe, razende snikken, die brullend uit haar maag opkwamen en haar keel verscheurden.
Ze dacht dat ze gek werd.
Terwijl de uren dagen werden schreeuwde ze haar woede en frustratie uit tot er alleen nog koude, harde vastberadenheid was dit alles te overleven, net zoals ze hoopte dat Claire en Vivi hun eigen beproevingen zouden overleven.
Ze was haar tijdsbesef kwijtgeraakt, maar uiteindelijk opende de textielverver de kelderdeur en leidde haar de duisternis uit en het grijze licht van een winteravond in. ‘Het zou nu veilig moeten zijn om terug te gaan naar het atelier. Je vriendinnen zijn uitzonderlijk dapper. Ze hebben niets losgelaten, zelfs niet toen ze werden gemarteld,’ zei hij tegen haar. ‘Ze hebben helemaal niets losgelaten.’
Hoop greep haar hart. ‘Godzijdank! Hoe is het met hen? Komen ze naar huis?’
Hij schudde ernstig zijn hoofd. ‘We hebben bericht gekregen dat ze er slecht aan toe zijn, maar nog wel in leven zijn. Ze zijn niet meer op de Avenue Foch, maar ze zijn naar een gevangenis voor politieke gevangenen gebracht. Kom, kind. Dan breng ik je thuis.’
Ze had nooit gedacht dat ze de naaikamer zou missen, maar toen ze de deur openduwde en de bekende geur van stijfsel opsnoof en de stoelen van de naaisters keurig aangeschoven rond de tafel in de halfdonkere ruimte zag staan trok het verlangen dat alles weer was zoals een week daarvoor hard aan haar hart. Ze wenste dat een lamp een poel van licht op het hoofd van de tafel zou werpen en Vivi’s koperkleurige vlecht zou doen glanzen terwijl ze over haar werk zat gebogen. Ze verlangde naar de stem van Claire, Vivi berispend dat ze te laat doorwerkte, zoals altijd, en dat ze haar spulletjes moest opruimen en naar boven moest komen om wat te eten.
Maar duisternis en stilte vulden nu de kamer, waardoor de leegte alleen maar werd benadrukt.
Ze liep langzaam de trappen op, stelde het moment dat ze de deur naar het appartement op de vijfde verdieping zou openen en een de lege stilte in zou lopen – die nog erger was dan wat ze de voorgaande dagen had ervaren – zo lang mogelijk uit.
Ze zette zich schrap en liep naar binnen.
Haar eigen kamer was vrijwel onaangeroerd – de Gestapo zou wel zo tevreden zijn geweest dat ze Claire en Vivienne te pakken hadden dat het hun verder weinig uitmaakte – maar ze verwachtte in de andere kamers pijnlijke herinneringen aan hun aanwezigheid aan te treffen. Tot haar grote verbazing drong het echter tot Mireille door dat er in haar afwezigheid iemand in het appartement moest zijn geweest. De kamers van Claire en Vivi waren keurig aan kant, de kasten gesloten, de kleren opgevouwen in de ladekasten, de stoelen rechtop gezet. Het werk van een vriend, geen vijand, dat was duidelijk.
Ze zag in de kamer van Claire iets glinsteren. Op de vensterbank naast het bed lag het zilveren medaillon dat Mireille haar twee jaar eerder met kerst had gegeven. Mireille pakte het van de vensterbank en liet het kettinkje langzaam tussen haar vingers door glijden. Na enige aarzeling hing ze het om haar eigen hals. Ze zou het dragen voor Claire en Vivi, besloot ze, tot die weer thuiskwamen. Ze deed de deur van hun kamers dicht en liep langzaam naar die van haar.
Ze deed niet eens haar kleren uit, alleen haar schoenen, en trok de dekens over haar rillende lichaam. Toen ze daar in de duisternis lag, dacht ze terug aan iets wat de verver had gezegd. Toen hij haar was komen vrijlaten en haar opluchting had gezien toen hij haar vertelde dat Claire en Vivi nog in leven waren, had hij zacht een hand op de hare gelegd. ‘Verwacht er niet te veel van, kind,’ had hij ernstig gezegd. ‘Je vriendinnen hebben je gered. Ze hebben ons allemaal gered. Maar misschien kunnen ze zichzelf niet meer redden.’
Ze balde opstandig haar hand rond het medaillon dat boven haar hart hing. Haar nog pijnlijke knokkels zaten vol roofjes, die openbarstten en begonnen te bloeden nu ze haar hand tot een vuist balde. Claire en Vivi leefden nog. Ze hadden de gruwelen van marteling op het Gestapo-hoofdkwartier doorstaan. Dan kon er toch niets ergers meer gebeuren? Ze waren nog samen. Ze zouden het toch overleven?
* * *
Claire was Vivi’s hand blijven vasthouden tot de auto voor Avenue Foch 84 tot stilstand kwam. Vanbuiten zag het er net zo uit als vele andere elegante panden in het zestiende arrondissement.
‘Courage,’ fluisterde Claire terwijl ze zich zo dicht naar Vivi toe boog als ze durfde. ‘Als jij sterk kunt zijn, kan ik het ook.’ Ze wist niet zeker of haar vriendin haar woorden had gehoord en als dat zo was, of ze tot haar waren doorgedrongen. Zo te zien was Vivi nog steeds in een diepe shock, of misschien versuft door een klap op haar hoofd. Maar na een moment voelde Claire een geruststellend kneepje in haar hand.
Het autoportier werd opengetrokken en Vivi werd uit de auto gesleurd. Toen grepen twee paar handen Claire, die ruw het pand in werd geduwd. De tas kleding die ze zo gehaast had ingepakt werd uit haar handen gerukt en overgedragen aan een vrouw in een grijs uniform, die ermee verdween.
‘Ga meteen met ze naar de zesde verdieping,’ blafte een van de mannen terwijl hij zijn pet afzette en zijn handschoenen uittrok. ‘Dan zullen we eens even kijken wat deze naaisters van onze “keuken” vinden.’
Net zoals in het appartement aan de Rue Cardinale waren de zolderkamers in dit pand klein en hadden ze een schuin dak met een klein raam. Maar daarmee hield elke vergelijking op. Planken waren tegen de kozijnen getimmerd en in de kamer waar Claire naartoe werd gebracht stond niets anders dan een enkele metalen stoel onder een kale lichtpeer die aan het plafond hing. Ze hoorde verderop in de gang een deur dichtslaan en ging ervan uit dat Vivi naar een vergelijkbare ruimte was gebracht.
De twee mannen die haar kwamen ondervragen waren in eerste instantie beleefd. ‘Gaat u zitten, mademoiselle,’ zei een van hen, haar op de schouder kloppend terwijl hij haar zacht naar de stoel geleidde. ‘We willen u niet langer ophouden dan noodzakelijk. Dus als u even wat vragen beantwoordt, kunt u weer naar huis. Wilt u misschien iets drinken? Een glaasje water?’
Ze was zich ervan bewust dat zijn ogenschijnlijke vriendelijkheid een methode was om haar op haar gemak te stellen. Ze schudde haar hoofd en kneep haar handen, die op haar schoot lagen, stijf samen om te voorkomen dat haar hele lichaam zou gaan beven.
Hun eerste vragen leken bijna irrelevant en werden gesteld op een toon alsof het een gezellig kletspraatje betrof. Hoelang werkte ze al bij Delavigne Couture? Vond ze het leuk werk? En hoelang werkte haar vriendin met het rode haar er al? In eerste instantie weigerde ze hoe dan ook iets te zeggen en schudde enkel haar hoofd.
De tweede man, die door de ruimte had lopen ijsberen, draaide zich plotsklaps op zijn hakken om en bracht zijn gezicht vlak naar dat van haar. Ze rook zijn vieze adem en speeksel spatte op haar gezicht terecht toen hij snauwde: ‘Je bent een erg aantrekkelijke vrouw, Claire. Het zou jammer zijn om zo’n mooi gezichtje te verpesten. Ik stel voor dat je nu gaat meewerken. Dus vertel ons nu wat je vriendin – Vivienne, toch? – met die kortegolfontvanger in haar kamer deed. Je moet het hebben geweten. En misschien werkte je zelfs met haar samen, hein? Kreeg je berichten van haar die je doorspeelde aan anderen?’
Claire schudde nogmaals haar hoofd; ze durfde geen hand naar haar gezicht te brengen om het speeksel van haar gezicht te vegen. Ze vroeg zich even af hoe hij hun namen kende. Iemand – Ernst? – moest hun die hebben gegeven.
‘Oké.’ De man ging weer rechtop staan. Ze dacht dat hij zich had omgedraaid om van haar weg te lopen, dus toen hij ineens terugdraaide en haar in haar gezicht sloeg, leek de klap uit het niets te komen. Ze schreeuwde het uit van schrik en pijn en het geluid van haar eigen stem klonk vreemd in haar oren. Ze moest sterk blijven voor Vivi, zoals ze wist dat Vivi sterk zou zijn voor haar. Dus begon ze te praten, vastberaden de controle over haar eigen stem terug te krijgen.
Haar woorden kwamen laag en bevend uit haar keel, maar het lukte haar om te zeggen: ‘Ik ben Claire Meynardier. Mijn vriendin heet Vivienne Giscard. We zijn naaisters in Saint-Germain.’ Aan deze drie waarheden zou ze zich houden, nam ze zich voor. En verder zou ze niets zeggen.
Als golven op een strand leek de tijd op te komen en zich terug te trekken, en ze verloor alle bewustzijn van hoeveel tijd er verstreek. De minuten dat ze haar ondervroegen voelden oneindig lang. De momenten van bewusteloosheid konden seconden of dagen hebben geduurd.
De pijn kwam ook in golven, soms met scherpe randen en verblindend, en soms slokte hij haar op in duisternis. Ze was ziek van vermoeidheid, maar ze lieten haar niet slapen, ondervroegen haar en schreeuwden tegen haar tot haar hoofd ervan tolde. Toch herhaalde ze elke keer dat ze sprak die drie waarheden, waaraan ze zich vastklampte terwijl ze verdronk in die zee van pijn en tijd. ‘Ik ben Claire Meynardier. Vivienne Giscard is mijn vriendin. We zijn naaisters in Saint-Germain.’ Steeds maar weer mompelde ze door opgezwollen lippen die woorden, tot het uiteindelijk donker werd.
Toen ze bijkwam lag Claire in de hoek van de ruimte. Haar lichaam voelde verdoofd van de kou die door de muren en kale vloerplanken achter en onder haar sijpelde, maar het verdoofde gevoel maakte terwijl ze zich helderder begon te voelen plaats voor brandende pijn in haar voeten. De stijfheid in haar ledematen ontdooide langzaam in een bonkende pijn en toen ze probeerde te gaan zitten stak een scherpe pijn in haar ribbenkast.
Ze streek voorzichtig met haar tong over haar gebarsten en gezwollen lippen en huiverde. Toen begon ze onbeheerst te rillen.
Haar wollen kousen lagen in een bergje achter haar en ze kwam langzaam overeind en trok ze om het wat warmer te krijgen over haar bebloede voeten. Welke dag was het? Hoeveel uur was er verstreken? Waar was Vivi, en wat hadden ze haar aangedaan? Haar hoofd tolde en ze ging weer op de vloer liggen, krulde haar gekneusde en geslagen lichaam tot een balletje en vouwde haar handen tegen haar borst zodat die de vage warmte van haar adem konden opnemen. ‘Ik ben Claire Meynardier,’ fluisterde ze in zichzelf. ‘Vivienne Giscard is mijn vriendin.’
De vrouw in het grijze uniform was degene die de deur opende. Ze keek Claire emotieloos aan. ‘Opstaan en schoenen aantrekken,’ zei ze. ‘Tijd om te gaan.’
Claire bewoog niet; ze was niet in staat haar pijnlijke ledematen uit de kleine kern van warmte die ze had gecreëerd te strekken. Haar handen lagen tegen haar hart gedrukt en ze voelde vaag het bloed in haar lichaam kloppen.
De vrouw porde met de punt van haar schoen in haar zij. ‘Opstaan,’ herhaalde ze. ‘Of moet ik de mannen gaan halen om je overeind te helpen?’
Claire kwam langzaam, pijnlijk overeind. De vrouw duwde haar schoenen naar haar toe en Claire trok ze aan, naar adem snakkend terwijl pijnscheuten door haar heen gingen toen ze ze aan haar gezwollen voeten wrong. Het lukte haar niet de veters te strikken, maar ze had ze in ieder geval aan. Met behulp van de stoel stond ze op en toen schuifelde ze naar de vrouw en volgde haar naar de deur.
Elke stap de trap af creëerde een nieuwe pijnscheut van haar voeten naar haar kuiten, maar ze greep de leuning en hobbelde verder, vastberaden het niet uit te schreeuwen. Toen ze uiteindelijk beneden waren gebaarde de vrouw haar om op een hard houten bankje tegen de muur te gaan zitten. Ze liet zich er dankbaar op zakken. ‘Mag ik wat water?’ vroeg ze.
De vrouw bracht haar zonder iets te zeggen een tinnen mok en Claire nam een paar slokjes om haar mond vochtig te maken en de ijzersmaak van bloed weg te spoelen. Het gaf haar moed dat haar verzoek was ingewilligd, dus durfde ze te vragen: ‘Mijn tas met kleding? Mag ik die terug?’ Nu draaide de vrouw zich enkel schouderophalend om.
Terwijl ze zat te wachten op wat er nu zou gaan gebeuren hoorde ze twee paar voetstappen op de trap. Twee mannen kwamen met een brancard naar beneden lopen, en het duurde even voordat het tot Claire doordrong dat het bergje natte kleding dat erop lag een persoon afdekte. Pas toen ze de bos koperkleurig haar over een rand van de brancard zag hangen, drong tot haar door wie die persoon was.