Hoofdstuk 25: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
BIJ HET PAND WAAR MIJN grootmoeder zo beestachtig is gemarteld draai ik me als ik eenmaal ben gestopt met huilen – of in ieder geval genoeg om weer te kunnen nadenken – van Thierry weg en begin te lopen. Het enige wat ik weet is dat ik ergens anders heen moet, weg van hier. Hoe kan ik de wereld ooit als een goede en vriendelijke plek zien als ik weet tot welke gruwelen de mensheid in staat is?
Terwijl mijn voeten me wegdragen klinkt er ineens een politiesirene. Het verkeer schiet alle kanten op en een misselijkmakende gil van pijn en woede vult mijn hoofd met een ruis die al het andere overstemt. Ik begin zonder nadenken te rennen, verwilderd, in paniek. Ik zie nauwelijks iets, kan niet nadenken, begrijp mijn omgeving niet. Flikkerende blauwe lichten slokken me op en ik voel ze branden als vlammen. Ik struikel de stoeprand af en hoor een schreeuw, piepende remmen, een toeter.
Dan is er ineens Thierry, die me opvangt en terug het trottoir op trekt, me overeind houdt terwijl mijn benen het onder me dreigen te begeven.
Ik haal schokkend adem, kijk hem aan en zie achter de verbijstering angst in zijn ogen. Zijn blik is onderzoekend, vraagt: Wie is dat gestoorde mens? Waarom rent iemand zomaar de straat op het verkeer in? Ze is labiel, hysterisch.
Ik zie het in zijn onzekerheid, voel het in de manier waarop zijn aanraking ineens aarzelend is geworden, niet solide en geruststellend zoals eerst.
Ik heb het verpest. Ik heb mezelf bewezen waar ik altijd bang voor ben geweest, dat ik te zeer beschadigd ben om liefgehad te worden. Ik ben hier niet sterk genoeg voor. Misschien had Simone toch gelijk en had ik nooit op zoek moeten gaan naar Claires verhaal. Ik had de vragen niet moeten stellen, had de geschiedenis moeten laten rusten. Het ging goed genoeg. In mijn eentje. Het dringt ineens met adembenemende helderheid tot me door dat ik Thierry, deze man die naast me staat en behoedzaam een hand op mijn arm legt om me tegen te houden in het geval ik er weer vandoor wil gaan, de duisternis die ik in me draag niet mag aandoen. Daarvoor geef ik te veel om hem.
‘Kom,’ zegt hij, ‘je bent in shock. Zullen we een café zoeken en een lekkere kop Engelse thee voor je regelen?’ Hij glimlacht, probeert het goed te maken.
Ik schud mijn hoofd. ‘Het spijt me, Thierry,’ zeg ik dan. ‘Ik kan het niet.’
‘Oké, dan breng ik je thuis.’
Maar het hangt nu tussen ons in. Er is iets veranderd. Er is iets gebroken wat niet kan worden gelijmd. Hij levert me af bij mijn voordeur, probeert me te kussen, maar ik draai me weg, veinzend dat ik in mijn tas op zoek ben naar mijn sleutels. Als hij me gedag zegt, kan ik het niet opbrengen hem aan te kijken.
Ik moet hem loslaten.