Hoofdstuk 26: 1943 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
MADEMOISELLE VANNIER WAS NAAR boven gegaan om de drie meisjes te zoeken toen ze op maandagochtend niet op hun werk waren verschenen en had het appartement verlaten aangetroffen. Het was duidelijk dat er iets verschrikkelijks was gebeurd, maar het was een groot mysterie waar de meiden heen waren. De daaropvolgende dagen was hun afwezigheid een bron van veel gefluisterde speculatie onder de andere naaisters.
Dus werd er verrast naar adem gesnakt toen Mireille de naaikamer kwam binnenlopen. Ze stak zonder iets te zeggen de ruimte over en nam plaats aan de tafel, tussen de twee lege stoelen van Claire en Vivienne in.
De verbijsterde stilte sloeg om in een vragenvuur.
‘Waar was je?’
‘Waar zijn Claire en Vivi?’
‘Wat is er gebeurd?’
‘Ze zijn weg,’ zei ze toonloos. ‘De Gestapo heeft hen meegenomen. Nee, ik heb geen idee waarom. Ik weet niet waar ze zijn. Ik weet helemaal niets.’
Mademoiselle Vannier maande de naaisters tot stilte. ‘Stil nu, allemaal. Zo is het genoeg. Laat Mireille met rust en ga aan het werk.’
Mireille wierp haar een blik van dankbaarheid toe, legde haar naaispullen op tafel en begon met trillende vingers een tailleband in elkaar te zetten.
Ze had sinds haar terugkomst de avond ervoor nauwelijks geslapen en niets gegeten, niet in staat de beelden van de gezichten van Claire en Vivi uit haar hoofd te krijgen. De verver had gezegd dat ze er slecht aan toe waren. Ze durfde niet te denken aan wat ze hadden doorgemaakt in die vier dagen aan de Avenue Foch. Maar ze leefden nog, hielp ze zichzelf herinneren. Dat was het enige wat belangrijk was.
Ze probeerde zich op haar naaiwerk te concentreren. Een steek, nog een, nog een… Het hielp even om beelden van hun van pijn verwrongen gezichten op afstand te houden. Heel even.
De andere meiden wierpen haar over hun werk gebogen onder hun wimpers vandaan nieuwsgierige blikken toe. Er hing een drukkende stilte in de ruimte, zwaar van vragen die niet werden gesteld en niet werden beantwoord. Toen gleed een van de meisjes zonder iets te zeggen op een van de lege stoelen naast Mireille. Na enige aarzeling ging een ander meisje aan Mireilles andere zijde zitten. Mireille keek niet op van haar werk, maar knikte haar dankbaarheid voor dit gebaar van solidariteit. En toen, tranen weg knipperend, dwong ze zichzelf nog een steekje te naaien, en nog een…
Teruggaan naar de stilte en duisternis in het appartement was bijna even erg als de avond ervoor. Ze dwong zichzelf wat soep op te warmen en op te eten, in een deken gewikkeld tegen de bittere kou. Ze stond net haar schaaltje af te wassen toen er zacht op de deur van het appartement werd geklopt en ze verstijfde van angst.
Maar toen hoorde ze een bekende stem zacht haar naam zeggen en durfde ze weer adem te halen.
Monsieur Leroux accepteerde haar aanbod een kopje kruidenthee te drinken, maar stond erop het zelf te maken terwijl zij in de woonkamer bleef, opgekruld in haar deken. Hij gaf haar een kop citroenmelisse. Ze krulde haar handen eromheen, liet zich erdoor verwarmen.
‘Is er nog nieuws?’ vroeg ze hem nadat hij tegenover haar was gaan zitten.
Zijn ogen stonden vol pijn toen hij haar aankeek. ‘Nee, nog niet. Ze zijn naar de gevangenis in Fresnes gebracht.’
Ze ging meer rechtop zitten. ‘Fresnes? Maar dat is vlakbij. Kunnen we hen bezoeken?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Als ze al bezoek zouden toestaan, zou dat veel te riskant zijn. Ik heb begrepen dat het Claire en Vivi is gelukt de Gestapo ervan te overtuigen dat jij al was opgepakt. Het is de laatste tijd zo’n chaos dat ze dat niet met zekerheid kunnen nagaan, dus zijn ze op dit moment niet naar je op zoek. Maar als je je gezicht daar vertoont, word je ter plekke gearresteerd. En dat zou het voor hen alleen nog maar erger maken.’
‘Maar wat gaat er in de gevangenis met hen gebeuren?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Dat weten we niet. Ik heb er een contact, van wie ik snel hoop te horen. Fresnes wordt gebruikt als gevangenis voor politieke gevangenen voordat ze naar een kamp in Duitsland worden gebracht. Als ze worden gedeporteerd, zal het moeilijk zijn te achterhalen waar ze zijn. De mensen die naar zulke kampen worden gebracht… hebben de neiging te verdwijnen.’
Ze bestudeerde kort zijn gezicht. Hij probeerde zijn gebruikelijke masker van kalmte op te houden. Maar de donkere schaduwen onder zijn ogen en de lijnen van pijn die rond zijn mond stonden gegrift verrieden de diepte van zijn angst. Het was wel duidelijk dat Vivi voor hem meer was dan een van de agenten in het netwerk waarover hij de leiding had. Misschien was ze inderdaad zijn minnares geweest. En misschien dat die andere geruchten over hem toch hout sneden. Al die vrouwen die hij er op na hield… hadden die ook een andere functie? Rekruteerde hij sommigen van hen om voor zijn netwerk te gaan werken, zoals hij dat met Vivi had gedaan? En gaven die anderen over wie hij het had, die ‘contacten in de gevangenis’, en de ‘grijze muizen’ die hij mee uit eten nam en die hij dure kleding gaf, hem informatie over de Avenue Foch en de gevangenis in Fresnes? Ze had hem vanaf het begin aardig gevonden en vertrouwde hem haar leven toe. Maar ze begon zich nu af te vragen of hij tevens een meedogenloos koude en manipulatieve kant had. Waren Vivi en Claire niet meer dan vervangbare pionnen in een afgrijselijk schaakspel dat in Europa werd gespeeld?
Alsof hij haar gedachten las, zei hij: ‘Ik heb altijd gedacht dat het netwerk belangrijker was dan de individuen die er een rol in spelen. Maar het verlies van Vivienne en Claire heeft me doen inzien dat dat niet zo is.’ Zijn hele gezicht vertrok een moment terwijl hij probeerde zich te vermannen. Een enkele, getergde snik ontsnapte hem, van heel diep binnen in hem, en hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht.
Mireille zette snel haar kommetje thee neer en stond op. Ze knielde naast zijn stoel op de vloer en pakte zijn handen vast. Hij had roodomrande ogen en de pijn die ze er zag maakte dat ze zich diep schaamde dat ze ook maar een moment aan hem had getwijfeld. Het was duidelijk dat hij net zo veel om Claire en Vivi gaf als zijzelf.
‘Nee,’ zei ze. ‘Zo zit het niet. Je weet net zo goed als ik dat zij allebei hun rol moesten – moeten – spelen. Ze zouden razend zijn als het netwerk door hun toedoen uit elkaar zou vallen. Als ze…’ Ze was even stil en corrigeerde haar woorden toen in: ‘Wannéér ze terugkomen, wil jij dan degene zijn die tegen hen zegt dat zij de reden zijn dat wij het hebben opgegeven? Natuurlijk niet! We moeten doorgaan. Omdat we een einde moeten maken aan de terreur, de arrestaties en de verdwijningen. We moeten winnen.’
Mireille voelde terwijl ze die woorden sprak de kracht van haar overtuiging terugkomen; hij vloeide door haar aderen met een hitte die de ijzige greep van de winter leek te ontdooien.
Hij kneep in haar hand en liet die weer los om een zakdoek uit zijn zak te vissen, waarmee hij zijn gezicht afveegde. Toen hij wat tot zichzelf was gekomen zei hij: ‘Je hebt gelijk. Natuurlijk heb je gelijk. We kunnen het niet opgeven. We moeten blijven vechten, ook al kost het ons de laatste lucht uit ons lichaam.’
‘Mooi,’ zei ze. ‘Dat is dan afgesproken. Ik pak mijn taken weer op zodra de verbindingen weer zijn gelegd.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, Mireille. Ik vrees dat we jou niet langer kunnen gebruiken, niet als koerier ter vervanging van Claire en ook niet als passeuse. En het is uitgesloten dat we hier weer een radiotelegrafist neerzetten. Zoals ik net al zei is de kans groot dat ze weer naar je op zoek gaan en als je wordt opgepakt maak je het daarmee erger voor zowel de anderen als jezelf, met alles wat je nu weet.’
Mireilles hand ging naar het medaillon om haar hals en haar vingers balden zich eromheen. ‘Maar ik moet iets doen, Leroux. Ik kan hier niet zitten niksen terwijl zij daar God-mag-wetenwat moeten…’ Haar stem ebde weg.
Even later zei ze, zachter, maar met een ondertoon van vastberadenheid: ‘Een van mijn vriendinnen die in dit appartement heeft gewoond is in koelen bloede neergeschoten door de nazi’s. Nu zijn nog twee van mijn vriendinnen gearresteerd, gemarteld, en is hun hun vrijheid ontnomen. Hun kamers zijn leeg en ik kan het niet aanzien. Dus laat me die kamers gebruiken om onderdak te verlenen aan mensen die dat nodig hebben. Dit hele pand is verlaten zodra de salon sluit en de andere naaisters naar huis zijn. Ik ben als enige overgebleven. Als we er een onderduikadres van maken staan die kamers niet meer leeg en word ik niet gek. Omdat ik dan iets doe voor mensen als Vivi en Claire. En als ze dan thuiskomen, als het allemaal achter de rug is, kan ik hun vertellen dat ik net zo dapper ben geweest als zij. Dan kan ik hen recht aankijken en zeggen dat ik net als zij nooit heb opgegeven.’
Leroux keek haar aan. Hij schudde nogmaals zijn hoofd, maar deze keer was dat meer vol bewondering dan in een gebaar van verslagenheid. ‘Weet je, Mireille,’ zei hij toen, ‘ik heb in mijn leven maar weinig mensen gekend die zo dapper zijn als jullie drieën. Op een dag, als dit allemaal achter de rug is, hoop ik dat we elkaar in een betere wereld tegen zullen komen. Dat is oprecht iets om voor te vechten.’
* * *
De deur sloeg dicht en het was, op het beetje licht na dat onder de slecht opgehangen klep over de brievenbusachtige spleet in haar deur kwam, aardedonker in Claires cel. Toen haar ogen zich eenmaal hadden aangepast aan het duister kon ze de vorm van het smalle bed met de ruwe deken erop en de emmer in een hoek van de ruimte onderscheiden.
Ze ging op het harde matras zitten en sloeg haar handen voor haar gezicht. Verslagenheid spoelde over haar heen als een golf in de branding, een overweldigende kracht die haar voeten onder haar vandaan mepte en haar even onderhield, waardoor ze niet kon ademen. Ze had tot nu toe altijd geweten dat Vivi in de buurt was. Achter in de truck waarin ze hier waren gebracht, wiebelend en hobbelend door de straten, had ze gehurkt naast de brancard gezeten en Vivi’s hand vastgehouden. Ze had zacht het haar uit Vivi’s gezicht geveegd, waarbij ze zorgvuldig de gezwollen, gekneusde huid rond haar ogen en kaken had vermeden. Toen ze langzaam weer wat bij bewustzijn was gekomen was Vivi onbeheerst gaan rillen en had Claire haar gerustgesteld en getroost met dezelfde woorden die haar vriendin had gesproken wanneer haar eigen nachtmerries beiden wakker hadden gemaakt. Ze herhaalde ze steeds maar weer opnieuw, tot ze meer een gebed dan een verklaring waren. ‘Stil maar. Ik ben bij je. We zijn samen. Het komt allemaal goed.’
Vivi’s haar en kleding waren vochtig. Het lukte haar door gezwollen en gebarsten lippen te fluisteren dat ze een bad hadden gevuld en haar herhaaldelijk onder water hadden gehouden tot ze zeker wist dat ze zou verdrinken. ‘Maar ik heb niets gezegd, Claire. Ze hebben me niet gebroken. Ik wist dat je in de buurt was en dat heeft me sterk gehouden.’ Ze stak een hand op naar Claires blauwe oog. ‘En jij bent ook dapper geweest.’
Claire knikte, niet in staat iets te zeggen.
Vivi kneep zacht in haar hand. ‘Ik wist dat je sterk zou zijn. Samen blijven we dat.’ Toen had ze haar ogen gesloten en was in slaap gevallen. Claire had de rest van de reis naast haar gezeten, tot de truck aan het hek van de gevangenis met een schok tot stilstand was gekomen.
Ze waren naar aparte ruimtes gebracht. Het was Vivi met ondersteuning gelukt te gaan staan en toen was ze half gedragen door twee bewakers naar een kamer gebracht, waar de deur stevig achter haar was dichtgeslagen. Een vrouwelijke bewaker dirigeerde Claire door een lange gang. Ze had gestrompeld, had geprobeerd alleen de buitenranden van haar voeten te gebruiken, de enige plek waar de pijn enigszins draaglijk was. Toen had de bewaakster haar laten staan terwijl ze zelf achter een bureau was gaan zitten om een berg paperassen met gegevens over Claire in te vullen. En uiteindelijk had ze Claire, zonder een woord te zeggen, naar deze donkere cel gebracht in de vleugel van de gevangenis waar mensen in eenzame opsluiting zaten.
Toen ze daar zo op haar bed zat in de zware duisternis die haar neus vulde met de stank van schimmel en urine, duurde het een paar minuten eer Claire het getik gewaarwerd. Het leek van de muur achter haar te komen. Ze dacht in eerste instantie dat het ratten of muizen waren. Maar toen drong het tot haar door dat het ritme van het geluid daar te regelmatig voor was. Misschien zat er lucht gevangen in de pijpleidingen achter het metselwerk, dacht ze. Maar het geluid hield aan.
Ze hief haar hoofd uit haar handen om beter te luisteren. Toen drong het tot haar door dat iemand een bepaald ritme tikte, dat steeds maar weer werd herhaald. Drie korte tikjes, dan een met een langere pauze en dan nog twee korte. Vervolgens werd hetzelfde patroon herhaald, gevolgd door een stilte, waarna de sequentie opnieuw begon. Het getik werd gedempt door de bakstenen muur, maar was duidelijk. Het moest een code zijn.
Ze tikte hetzelfde patroon terug. De code kwam onmiddellijk terug uit de cel naast die van haar, deze keer sneller herhaald. Toen drong het tot haar door dat ze het eerste deel herkende. Ze had het gehoord aan het begin van de radio-uitzending die haar vader en broer hadden aangezet op die avond toen ze in afwachting waren van dat gecodeerde bericht van de BBC, dat hun had verteld dat de operatie om Fréd in veiligheid te brengen doorgang kon vinden. De eerste vier noten van de symfonie van Beethoven: de v van victorie. Het was morsecode! En er zat een andere letter tussen. Twee korte tikjes…
Ze tikte het patroon terug, vloeiender deze keer, de letter v, dan twee tikjes, dan nogmaals de V en nog twee korte tikjes. Er kwam een golf van tikjes in antwoord, alsof iemand begon te applaudisseren.
Het was Vivi! Ze was aan de andere kant van de muur. Ze waren nog steeds samen, zij aan zij. Ze was niet alleen.
Nu Claire dat wist voelden de kou en duisternis in haar cel ineens niet meer zo ondraaglijk.
* * *
Mireille was eraan gewend geraakt de bel ’s avonds te horen, kort voordat de avondklok inging, en dat ze dan naar beneden glipte om open te doen en de volgende vluchteling over te nemen uit handen van de laatste passeuse die door het netwerk was gerekruteerd. Soms betrof het een enkele gast, maar soms was het een aantal mensen die de gevaarlijke reis door Frankrijk maakten, dankbaar dat ze een nacht konden doorbrengen onder het dak van het pand aan 12 Rue Cardinale, waar ze werden verborgen door een jonge vrouw met een bos donkere krullen, wier warme bruine ogen zelfs wanneer ze glimlachte diep verdriet verrieden. Maar op een avond deed ze open en trof Leroux op de stoep aan.
‘Er is nieuws. Ze zijn niet meer in de gevangenis.’
Ze snakte naar adem. ‘Waar zijn ze? Kan ik hen zien?’
Zijn lichtbruine ogen vertroebelden van verdriet. ‘Ze zijn op transport gezet. Naar een kamp in Duitsland. Dat is het enige wat we weten. Ik vrees dat we hen kwijt zijn.’
‘Nee!’ Het woord kwam uit Mireilles tenen en haar pijn maakte dat het schril klonk in de halfdonkere gang.
Hij omhelsde haar en ze huilde om haar vriendinnen, razend om de wreedheid van de wereld waarin ze leefden.
Uiteindelijk werd ze wat rustiger en vermande zich. ‘En nu?’ vroeg ze.
‘Nu?’ herhaalde hij. Zijn stem was in eerste instantie zacht, maar naarmate hij verder sprak werden de woorden steeds sterker en resoluter. ‘En nu blijven we doen wat we doen. En dat doen we dag in, dag uit, zo lang als we kunnen. Want dat is wat ze zouden willen dat we doen. Er is hoop, Mireille. Het oorlogstij begint te keren, daar ben ik van overtuigd. De Duitsers hebben een aanzienlijk verlies geleden toen de Russen in februari Stalingrad terugnamen. Hun legers vechten nu op alle fronten en de geallieerden rukken op. Zelfs couture is nu oorlogsslachtoffer geworden: er is net een Duitse verordening uitgevaardigd waarin het modebladen wordt verboden modefoto’s te publiceren. De druk heeft effect op alle lagen van de samenleving. Wat het des te belangrijker maakt dat wij ons werk blijven doen, aangezien elke verzetsdaad, hoe klein ook, bijdraagt aan de afkalving van de fundering van Hitlers macht. En het allerbelangrijkst is dat we het voor Vivienne en Claire doen: hoe eerder de oorlog is afgelopen, hoe groter de kans is dat zij hem overleven en naar ons terugkomen.’
Ze keek hem aan en zag dat zijn gezicht was verwrongen van bezorgdheid. ‘Je houdt van haar, hè?’ vroeg ze.
Hij kon even niets uitbrengen. Maar toen antwoordde hij: ‘Ik hou van hen allebei, Mireille.’
De volgende dag liep ze naar het eilandje in de rivier en kroop onder de takken van de wilg aan de stroomafwaartse zijde. Ook nu ging ze met haar hoofd tegen de ruwe bast van de stam zitten en liet zich erdoor ondersteunen, wat eventjes de zwaarte van haar zorgen en angsten verlichtte. Ondanks de woorden van hoop van Leroux de dag ervoor, voelde het alsof de oorlog nooit zou ophouden. En als hij ooit voorbij zou zijn, zou dat dan te laat zijn voor Claire en Vivi?
De rivier stroomde langs haar heen en ze zag de gezichten van de mensen om wie ze gaf in het water gereflecteerd. Haar vader en moeder; haar broertje en zusje; de kleine Blanche; Vivienne en Claire; en de man wiens naam ze nog in haar hart droeg en nog geheimhield. Zou ze hem ooit hardop kunnen uitspreken? Zou ze hem ooit terugzien?
Zou de oorlog ooit ten einde komen?
* * *
De reis naar het kamp was lang, maar Vivi en Claire stelden elkaar gerust en probeerden elkaar op te beuren terwijl ze ondertussen de andere vrouwen in de schuddende veewagen zo goed ze konden hielpen. De trein leek langzaam te bewegen, als een slang die ontwaakt uit zijn winterslaap, sloom oostelijk bewegend, schijnbaar zonder enige haast zijn bestemming te bereiken.
Er hing een sfeer van angst en ontsteltenis in de wagon, koud en klam als de mist waarin de trein een groot deel van de dag werd gehuld. Veel van de vrouwen huilden ontroostbaar. Sommigen waren er fysiek slecht aan toe door de trauma’s die hun tol eisten.
Op een ochtend werden ze wakker en scheen er zonlicht tussen de planken van de zijkant van de wagon door. Het iets opgewektere gevoel dat Claire erdoor kreeg was echter van korte duur. Het zonlicht scheen op het gezicht van een oudere vrouw die in haar slaap was gestorven. ‘Hadden we allemaal maar dat geluk,’ mompelde een andere vrouw terwijl ze Claire en Vivienne hielp het lichaam van de vrouw af te dekken met haar jas en haar voorzichtig in een hoek van de wagon te leggen. Toen de trein later die dag tot stilstand kwam opende een bewaker de deur en zei dat ze er een paar minuten uit mochten om hun benen te strekken. Toen hij het lichaam opmerkte sleepte hij het uit de hoek en liet het tussen de wilgenroosjes en klaprozen langs het spoor achter.
De anderen keken in stilte toe. Een enkeling sloeg een kruisje en bad voor haar ziel.
Toen boog een van de vrouwen zich over het lichaam en pakte haar jas. Haar eigen, sleetsere exemplaar legde ze over het lichaam. Ze keek opstandig om zich heen. ‘Zij heeft er toch niets meer aan,’ zei ze toen.
Een aantal anderen keerde haar de rug toe, maar toen de bewaker schreeuwde dat iedereen weer in de wagon moest klimmen en ze er met zijn allen weer in zaten, was er geen ruimte om iemand de rug toe te keren, ook al hadden ze dat gewild.
De tijd in de gevangenis in Fresnes had Claire en Vivi gelegenheid gegeven een beetje te herstellen – in ieder geval fysiek – van wat hun was aangedaan door de Gestapo. Claire kon ondertussen weer gewicht op haar voeten zetten. De littekens van de slaag die ze had gekregen hadden witte strengen verdikte huid gevormd, en haar teennagels, die uit haar voeten waren gerukt, begonnen weer terug te groeien. Vivi’s gezicht begon te herstellen, hoewel haar glimlach nog scheef hing vanwege de schade aan haar kaak en het verlies van een kies. Ze had een hoest die met name in de ochtend in haar borstkas reutelde, die ze had overgehouden aan de kou in haar cel na de bijna-verdrinking aan de Avenue Foch, maar ze zei tegen Claire dat ze nergens last van had. Het tweetal hield elkaar op de been. Ze lagen elke nacht, wanneer de trein verder ratelde over het spoor, opgekruld tegen elkaar aan. En als Claire het dan in het donker uitgilde in haar nachtmerries, net zoals ze dat vroeger op zolder had gedaan, pakte Vivi haar hand en fluisterde: ‘Stil maar. Ik ben bij je. We zijn samen. Het komt allemaal goed.’
Na een paar dagen spuwde de trein de overlevende passagiers uiteindelijk uit en stonden de vrouwen samen op het perron van een onbekend station. In grillig, gotisch schrift stond FLOSSENBÜRG op de houten borden geschreven.
Claire knipperde met haar ogen in het licht van het late voorjaar en stak haar gezicht, dat zo lang licht had ontbeerd, op in de zwakke warmte van de stralen. Hoewel ze doodsbang was om wat hun voor onvoorstelbaars te wachten zou kunnen staan, voelde ze toch enige innerlijke kracht in zich omhoogkomen, en ze hielp zichzelf herinneren dat ze het tot dusverre hadden overleefd, dat het ergste misschien wel achter de rug was en dat zij en Vivi – en dat was het belangrijkste van alles – nog steeds samen waren.
De treinlading – mannen, vrouwen en een aantal doodsbange kinderen – werd door SS-officiers in lange rijen gedirigeerd, en toen kregen ze opdracht te gaan lopen. De gevangenen strompelden hongerig, dorstig en uitgeput bijna een uur lang over een stoffige weg, waarbij treuzelaars met behulp van dreiging van geweren door de soldaten terug in de rij werden gedwongen.
Claires voeten brandden al snel van de pijn, waardoor ze nauwelijks nog kon lopen. Op een bepaald moment zakte ze bijna in elkaar door de hevige krampen in haar benen, die er niet meer aan waren gewend haar gewicht zo lang te dragen na de maanden in de gevangenis en de dagen in de veewagon. Maar toen gaf Vivi haar een arm, en de troost die dat lichaamscontact gaf maakte dat Claire verder kon lopen.
Uiteindelijk kwamen ze aan bij een afschrikwekkend uitziend wachthuis en liepen ze een poort van zwart metaal door. Aan beide zijden stond een hoog hek met prikkeldraad erop en om de zoveel meter een wachtpost. Uit een van die posten stak een machinegeweer, dat naar binnen het kamp in was gericht.
Claire keek op om de inscriptie in een van de bakstenen pilaren te lezen: ARBEIT MACHT FREI. Ze fronste haar wenkbrauwen, had geen idee wat dat betekende. Vivi stootte haar aan en zei: ‘Het betekent “arbeid bevrijdt”.’
De misselijkmakende ironie in die boodschap boven de hoofden van de doodsbange en uitgeputte gevangenen dwong een gil van verbijsterde hysterie uit Claires mond. Het had ook een lach kunnen zijn, als hij niet zo verwrongen en wanhopig had geklonken tussen het bange gefluister en de schuifelende voetstappen van de rij mensen, als de krijs van pijn van een dier dat lijdt.
‘Sst,’ fluisterde Vivi toen een van de bewakers zijn nek uitrekte om te zien wie de bron van het geluid was. ‘We mogen geen aandacht trekken. Onthoud dat ik bij je ben. We zijn samen. Het komt allemaal goed.’
De kronkelende rij werd door de bewakers gesorteerd, en mannen werden één kant op gestuurd en de vrouwen een andere. Er waren geen kinderen meer, maar Claire had niet gezien waar die naartoe waren gebracht. De vrouwen werden naar een lang, laag pand gebracht, dat zo te zien werd geleid door vrouwelijke bewakers.
‘Hier in een enkele rij gaan staan,’ zei een van hen gebarend. ‘Uitkleden.’
De vrouwen keken elkaar verbluft aan.
‘Hup! Uitkleden.’ Deze keer werd het commando geschreeuwd.
De vrouwen begonnen zich als verdoofd langzaam uit te kleden, en uiteindelijk stonden ze rillend in een rij, de kleding die ze hadden uitgetrokken in bundeltjes in hun handen. Toen ging er een deur open en werden ze een voor een naar een andere ruimte gecommandeerd.
‘Kleren op de vloer achterlaten.’ De toon van de bewaakster klonk even hard als haar woorden waren.
Claire stond beschaamd, vernederd, bloot voor een rij bureaus die langs de muren van de ruimte stonden. Ze voelde zich als een hokkeling op een veemarkt terwijl ruwe handen aan haar voelden, maten opnamen, naar haar borstkas luisterden en haar gebit en ogen controleerden. Ze keek steels naar de plek waar Vivi dezelfde behandeling onderging en probeerde niet te hoesten toen de koude stethoscoop tegen haar rug werd gedrukt.
‘Wat deed je voor werk?’ vroeg de vrouw achter het bureau.
‘Ik ben naaister,’ antwoordde Claire, en ze hoorde Vivi bij een ander bureau hetzelfde zeggen. Er werd iets op een formulier geschreven, dat op een stapel andere werd gelegd. De vrouw achter het bureau knikte tegen een bewaakster en Claire en Vivi werden naar een volgende ruimte gestuurd. Het viel Claire op dat sommige vrouwen een andere kant op werden gedirigeerd, maar ze had geen idee waarom. Zo te zien werd er een of andere selectieprocedure uitgevoerd.
Het werd een paar minuten later duidelijk wat er met die vrouwen was gebeurd, toen ze met een kaalgeschoren hoofd terugkwamen, waardoor ze er nog schokkender naakt uitzagen, en zich weer aansloten bij de andere vrouwen in de volgende ruimte. Claire en Vivi wisselden een blik uit, er niet zeker van of het een zegening of een vloek was dat ze hun haar mochten houden.
Ze kregen allebei een stapeltje opgevouwen kleding toebedeeld. Het ondergoed was zozeer opgerekt en sleets dat het op sommige stukken doorzichtig was. Toen ze de andere kledingstukken van ruwe katoen uitschudden zagen ze dat ze een loszittend jasje en een broek hadden gekregen.
‘Nog niet aankleden,’ droeg een bewaakster op toen een van de kaalgeschoren vrouwen aanstalten maakte het jasje aan te trekken. ‘Hier.’ De bewaakster duwde witte lapjes stof in hun handen, twee per gevangene, met daarop in onuitwisbare inkt een identificatienummer gestempeld. Op een lijst kijkend die haar was aangereikt door een van de vrouwen die achter de bureaus zaten gaf ze iedereen tevens een driehoekje van gekleurde stof. Claire zag dat zij en Vivi een rode driehoek kregen, maar andere vrouwen een gele, zwarte of blauwe. En sommigen kregen er twee: meestal een gele, en dan nog een van de andere kleuren.
‘Volgende kamer.’ De bewaakster wees. De rij vrouwen schuifelde verder, en toen waren Claire en Vivi ineens op bekender terrein. Vrouwen, gekleed in dezelfde blauw-wit gestreepte kleding en met een witte hoofddoek, zaten achter naaimachines, druk bezig de identiteitsnummers en driehoeken op de jasjes en broeken van de nieuwkomers in het kamp te naaien. Het naaiwerk was ruw en slordig, genaaid met ruw gesponnen garen en zo snel mogelijk uitgevoerd, waarna iedereen zijn uniform weer terugkreeg.
In de kamer daarna lag een berg schoenen. De bewaakster wees ernaar. ‘Zorg dat je een paar vindt dat past.’
De vrouwen zochten in de berg naar hun eigen schoenen, maar de meesten moesten dat opgeven en aantrekken wat ze konden vinden. Claire vond een paar laarzen dat ietsje groter was dan haar eigen maat. Ze gleden gemakkelijker aan haar voeten dan haar eigen schoenen, die ze niet zag liggen in de stapel. Maar toen ze haar gewicht erop zette, voelde ze direct de punten tegen haar nog zo pijnlijke tenen schuren, zo kwetsbaar waar de groeiende nagels nog lang niet het hele nagelbed bedekten.
Uiteindelijk werden de vrouwen met hun stapeltje kleding een lange, betegelde doucheruimte in gestuurd. Hoewel het water nauwelijks lauw was, voelde Claire zich beter nadat ze zich met een stuk harde zeep had gewassen. Er waren geen handdoeken, maar de vrouwen mochten nu eindelijk hun nieuwe uniform aantrekken.
‘Wat vind jij?’ Claire probeerde er een opstandige grap van te maken en draaide langzaam om haar as, zoals de modellen in de salon van Delavigne Couture dat deden. ‘Dit is helemaal de trend dit seizoen.’
Vivi glimlachte terug. ‘Weet je wat ik vind?’ antwoordde ze. ‘Ik vind dat jij en ik moeten zorgen dat we aan de slag kunnen in die naaikamer.’