Hoofdstuk 28: 1943 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
PARIJS VERWERD TOT EEN CHAOS. Terwijl de oorlog doorploeterde en de Duitsers steeds meer verliezen leden werden de razzia’s en deportaties frequenter, lukraker en wreder. Mireille verliet over het algemeen het appartement alleen om op zoek te gaan naar eten, waarbij ze de rantsoenen voor haar gasten probeerde aan te vullen met wat ze kon vinden op de zwarte markt, betaald door monsieur Leroux. Ze was vreselijk druk met haar twee taken: overdag werk en ’s avonds haar gasten. Wanneer ze echter de tijd kon vinden wandelde ze naar de wilg op het eilandje in de Seine en vond daar haar rust onder zijn elegante armen.
Op een dag in juli zat ze naar het stromen van de rivier te kijken en te fantaseren over wat de mensen van wie ze hield op dat moment aan het doen zouden zijn toen ze een brandlucht rook. Een rookpluim steeg op boven de Tuilerieën. Ze zag ertegen op om naar huis te gaan en besloot even poolshoogte te gaan nemen.
Een menigte had zich in het park verzameld waar ze vijftien maanden daarvoor Claire aan monsieur Leroux had voorgesteld. Het voelde alsof er sinds die dag een heel leven was verstreken. Het was toen winter geweest, maar nu was het hoogzomer, en de benauwde, klamme lucht drukte op Mireille en riviertjes van zweet dropen via haar nek van haar hoofd.
Toen ze in de buurt van het Musée de l’Orangerie kwam zag ze dat soldaten ingelijste schilderijen uit de zaal aan het dragen waren. Ze ging tussen de mensen staan zodat ze niet zou opvallen. Geschokt zag ze dat een schilderij hoog in de lucht werd getild en toen op het vuur werd gesmeten dat op een van de grasparterres woedde. ‘Waar zijn ze mee bezig?’ vroeg ze een man die naast haar stond en met een grimmige gelaatsuitdrukking het tafereel gadesloeg.
‘Ze hebben bepaald dat dit werk van “gedegenereerden” is.’ De man sprak met ingehouden minachting. ‘Kunst bedreigt het naziregime door de waarheid af te beelden over onderwerpen die zij schijnbaar aanstootgevend vinden. Dus steken ze die in de fik. Ik heb met eigen ogen gezien hoe ze een Picasso in de vlammen wierpen. Alles wat hun niet aanstaat en wat niet in hun plaatje van de ideale wereld past vernietigen ze.’ Ze schudde haar hoofd en zijn ogen brandden met een passie die voortkwam uit woede. Ze zag piepkleine verfspatjes in zijn onverzorgde baard en het drong tot haar door dat hij kunstenaar moest zijn. ‘Eerst hebben ze de boeken verbrand, nu steken ze schilderijen in de hens, en ik heb gehoord dat er in de gevangenenkampen ook mensen in vlammen opgaan. Je mag deze dag nooit vergeten, jongedame; je bent getuige van een holocaust. Onthoud het, en vertel je kinderen en kleinkinderen erover opdat het nooit meer gebeurt.’
Terwijl een ander schilderij op de stapel werd gesmeten draaide ze zich om en haastte zich naar huis. Toen ze thuis was lukte het haar niet zich te ontdoen van de rooklucht die aan haar kleren en haar kleefde. Ondanks de hitte van de juliavond dacht ze rillend terug aan de woorden die de man had gesproken: … ik heb gehoord dat er in de gevangenenkampen ook mensen in vlammen opgaan. Ze bad voor de miljoenste keer tot elke god die er maar over was om haar aan te horen dat Claire en Vivi nog in leven waren en dat ze veilig zouden zijn. Alstublieft. Laat hen snel naar huis komen.
* * *
Toen Claire alles een beetje begon te begrijpen werd haar duidelijk dat het kamp in Flossenbürg er een van vele in de omgeving was, gebouwd voor slavenarbeid ten behoeve van de Duitse oorlogsinspanningen. De primitieve barakken waarin de gevangenen waren ondergebracht stonden in een sector van de hoofdvestiging. Eromheen stonden fabrieken waar textiel, munitie en zelfs Messerschmitt-vliegtuigen werden gefabriceerd door een gestage stroom van gevangenen die werden aangevoerd met treinen zoals die waarin ook zij hadden gezeten. Ze ving nu en dan dergelijke informatie op van een van de meiden in de brits boven die van haar en Vivi, die een paar maanden in het veel grotere kamp in Dachau had doorgebracht. Ze vertelde hun dat ze er had gewerkt in het bordeel dat er voor SS-personeel was. ‘Ze spraken ongegeneerd over alles terwijl ze buiten het hokje wachtten, alsof wij hen niet zouden horen als we op onze rug lagen,’ zei ze met minachting in haar stem.
‘Wat moet het gruwelijk voor je zijn geweest om dat te doen,’ had Claire gezegd.
‘Ach, als je er eenmaal aan bent gewend valt het wel mee. Je krijgt beter te eten dan de anderen. Tot je haar en tanden gaan uitvallen, tenminste.’ Ze opende haar mond en liet haar lege, bloedeloze kaken zien. ‘Dat is het moment dat ze je weer naar de fabriek terugsturen.’ Ze had Claire goedkeurend beoordeeld. ‘Ze zouden daar blij met je zijn. Je bent overduidelijk arisch en zou heel populair zijn. En je bent bij binnenkomst niet kaalgeschoren. Dat betekent dat je mogelijk op de lijst staat.’
Claire had huiverend haar hoofddoek wat lager over haar voorhoofd getrokken om haar haarlijn te bedekken. De blik van het meisje was doods, zielloos, een blik die ze deelde met vele van de gevangenen die al wat langer in het kamp verbleven.
Elke dag na het ochtendappel, waarin ze werden gedwongen een uur of langer op het centrale plein bij de barakken te staan, liepen Claire en Vivi achter de bewaakster aan die de leiding had over de arbeidsters in de textielfabriek. Dan liepen ze stil langs het steegje aan één kant van het kamp dat leidde naar het vierkante pand van baksteen met een hoge schoorsteen die dag en nacht dikke rook uitbraakte. Iedereen wist waar die rook van was. Ze hoorden soms verhalen over stapels lichamen die ervoor lagen, een wirwar van naakte ledematen en vervaagde blauw-wit gestreepte kleding, een tafereel uit de binnencirkel van de hel.
Een aantal mannen die in de vliegtuigfabriek werkten droeg de blauwe driehoek die aangaf dat je er vrijwillig werkte. Hoewel, zoals Vivi opmerkte, ‘vrijwillig’ nou niet bepaald een accuraat woord was om mensen mee te omschrijven die gedwongen waren huis en haard te verlaten om hier onder leiding van een vijandelijke macht als slaven te komen werken. Claire dacht vaak aan haar broers, Jean-Paul en Théo. Hadden zij ook op een plek als deze gewerkt? Waren ze wellicht hier, ergens in die zee van gevangenen met ingevallen gezichten, ergens in een van de satellietkampen? Als dat het geval zou zijn, zou Jean-Paul een blauwe driehoek op zijn kleding dragen, en Théo een rode, net als Vivi en zijzelf, die werd gedragen door krijgsgevangenen.
Vivi had de code voor de driehoekjes gekraakt door met de andere vrouwen in de barakken te praten. Joden droegen gele, en soms werd er een rode gedragen, op zijn kop, met daaroverheen een gele, in de andere richting, die aangaf dat er twee verschillende categorieën waren. Groene driehoeken werden gedragen door veroordeelde misdadigers, die vaak de leiding hadden over groepen arbeiders, aangezien ze gehard waren door het gevangenisleven en meedogenloze opzichters waren, of kapo’s, zoals ze in het kamp bekendstonden, die er niet voor terugdeinsden zware straffen aan hun medegevangenen uit te delen. Zwarte driehoeken waren gereserveerd voor diegenen die werden geclassificeerd als geestelijk gestoord, zigeuner, zwerver of verslaafde.
Claire was diep geschokt te zien hoe haar medegevangenen op deze grove en schaamtevolle manier werden geclassificeerd, net zoals zijzelf ook een etiket had gekregen. Maar naarmate de maanden verstreken raakte ze bijna gewend aan het systeem en merkte de driehoeken nauwelijks nog op.
Het was Vivi gelukt via de kameroudste, de vrouw die de leiding had over de afdeling in hun barak, werk in de textielfabriek voor hen te regelen. Claire had haar horen vragen hoe ze aan werk konden komen in de naaikamer bij de ruimte waardoor ze het kamp waren binnengekomen.
‘Het is een privilege om daar te werken,’ had de vrouw geantwoord. ‘Je kunt er niet zomaar naar binnen lopen. Iedereen wil onder zulke goede omstandigheden werken en in een warme ruimte achter een naaimachine zitten.’
‘Maar we zijn ervaren naaisters,’ had Vivi geprotesteerd. ‘We werken snel en netjes en kunnen de naaimachines repareren als de klosjes vastlopen of een naald vast komt te zitten.’
De vrouw bestudeerde haar. ‘Dat kan best wezen, maar zelfs dan krijg je daar niet zomaar een baan. Maar aangezien je vriendin en jij zeggen zo getalenteerd te zijn zal ik wel even gaan praten met de kapo die de arbeiders voor de textielfabriek regelt. Misschien dat ze daar wat aan jullie ervaring hebben.’ Ze sprak kortaf, maar ze hield zich wel aan haar woord, en twee dagen later kregen Claire en Vivi opdracht zich aan te sluiten in de rij van textielarbeiders.
Claire was in eerste instantie geschokt toen ze de fabriekshal binnenliep, maar ze raakte langzaam gewend aan de herrie en de zware werkomstandigheden. Vivi leek zich er van meet af aan meer thuis te voelen, en Claire herinnerde zich dat ze had verteld dat ze voor de oorlog in de garenfabriek in Lille had gewerkt.
De fabriek maakte de jasjes en broeken voor de gevangenen in het kamp, en kleding voor Duitse militairen. Claire moest grijze legerbroeken naaien. Vivi maakte sokken voor de soldaten, waarbij ze de machinerie gedurende de hele dag op maximale capaciteit draaiend moest houden. Als ze nu en dan even opkeek van haar werk zag Claire Vivi met de andere arbeiders spreken, met name de voorman die het werk verdeelde, en hoe positief iedereen reageerde op haar vriendelijke omgangsvormen en als vanzelfsprekende competentie.
Naarmate de zomer vorderde werden de leefomstandigheden in de barakken steeds ondraaglijker. De stank van de latrines een klein stukje verderop vermengde zich met die van ziekte en verrotting die zwaar in de lucht van de benauwde barak hing. Het wemelde in de overvolle britsen van de vlooien en luizen, die een feestmaal hadden aan de ingeteerde lichamen van de gevangenen. Geïnfecteerde beten werden etterende wonden, en de kameroudste selecteerde elke ochtend een aantal relatief gezonde vrouwen om de lichamen van de zieken met hoge koorts naar de ziekenbarak te dragen. Op sommige ochtenden bleek het voor verschillende vrouwen te laat: dan werden hun lichamen verwijderd, zonder woorden of ceremonie, door de gevangenen die waren aangewezen om de handkar naar het crematorium te duwen, waar de schoorsteen dag in, dag uit zijn grijze rook de lucht boven het kamp in blies.
De herrie en hitte in de textielfabriek waren meedogenloos. Op een dag, toen de opzichter even niet keek, lukte het Claire om een schaar van haar werk mee naar de barak te smokkelen. Die avond knipte ze haar haar af. Toen de blonde strengen haar op de vloer rond haar voeten vielen ervoer ze een steek van schaamte. Ze herinnerde zich hoe ze haar lange lokken voor de spiegel in haar kamer had opgestoken, in de nachtblauwe avondjapon met de zilveren kraaltjes, toen ze zich voorbereidde op die oudejaarsavond met Ernst, zo lang geleden. Haar behoefte lief te worden gehad, het gevoel van luxe en overvloed te ervaren waarnaar ze zo had verlangd, had uiteindelijk haar ondergang betekend, had haar hier gebracht, in deze hel. Ze knipte haar haar met razende bewegingen af, en woedende tranen stroomden over haar gezicht.
Ineens stond Vivi naast haar, en ze pakte de schaar uit haar hand. ‘Stil maar,’ zei ze. ‘Ik ben bij je. We zijn nog steeds samen.’ Ze sloeg haar armen om Claires bevende schouders en fluisterde in haar oor: ‘Huil maar niet. Je weet dat degenen die huilen degenen zijn die het hebben opgegeven. En wij geven nooit op, jij en ik.’
Toen had Vivi haar de schaar teruggegeven en tegen haar gezegd: ‘Knip mijn haar ook maar af.’ Vervolgens had ze zich naar de barak omgedraaid en een glimlach op haar gezicht gedwongen. ‘Wie wil er nog meer? Het is koeler, en zonder haar zijn de luizen veel gemakkelijker te verwijderen.’ Een rij van vrouwen die nog haar hadden had zich gevormd, en nadien hadden ze elkaar geholpen hun kale hoofd schoon te maken. Het onderscheid tussen degenen met haar en zonder haar was verdwenen. Claire had die avond het gevoel dat de stank van ontbering en verloedering een beetje minder was en had plaatsgemaakt voor een gevoel van camaraderie dat flikkerend tot leven was gekomen.