Hoofdstuk 30: 1945 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
DE STAD WAS BEVRIJD EN ER WAS weer Frans bestuur in Parijs, maar Delavigne Couture was definitief gesloten. Mademoiselle Vannier kondigde op een ochtend aan dat er geen nieuwe opdrachten meer zouden komen als waar ze nu mee bezig waren af was. Maar ze vertelde erbij dat monsieur Delavigne had rondgevraagd en dat er een groter modehuis was waar nog genoeg werk binnenkwam. Iedereen die dat wilde kon er de week daarna beginnen.
Later die dag nam ze Mireille apart en vertelde haar dat het pand uiteindelijk te koop zou worden gezet, maar dat ze voor nu mocht blijven, aangezien het niet goed zou zijn het pand er verlaten bij te laten liggen terwijl alles in de nasleep van de bevrijding nog zo onrustig was. ‘Ik hoop dat je met me meegaat naar monsieur Lelong. Je bent een van onze beste naaisters, Mireille. Je zou er meer dan welkom zijn.’
Mireille dacht er even over na. Ze wilde vreselijk graag naar huis om haar familie te zien, maar het was nog oorlog in Europa en er waren op Frans grondgebied ook nog steeds schermutselingen, met de overgebleven Duitse troepen die probeerden hun laatste verdediging aan de oostgrens te consolideren. Reizen was gevaarlijk en het spoorwegnet was grotendeels vernietigd door verzetsstrijders die de lijnen hadden gesaboteerd om de Duitse troepen tegen te werken. Het zou vast het veiligst zijn om te blijven waar ze was… en als ze echt eerlijk was, was er nog een reden waarom ze niet weg wilde. Ze wachtte dagelijks op nieuws van monsieur Leroux over Vivi en Claire. En als de vliegenier terug zou komen om haar te zoeken?
Dus stemde ze in. Ze zou bij Lelong gaan werken en voorlopig in Parijs blijven.
* * *
Lucien Lelongs modehuis had de oorlog overleefd en bloeide op dankzij een van zijn ontwerpers, die de reputatie had briljant te zijn.
Mireille stond te trillen op haar benen toen ze werd voorgesteld aan die ontwerper, ene monsieur Dior. Hij werkte aan innovatieve ontwerpen om er een nieuw begin mee in te luiden, zo legde hij uit aan de meisjes van maison Delavigne toen die de eerste dag dat ze er waren een rondleiding door het atelier kregen. ‘Ik heet jullie van harte welkom bij Lelong. De naaisters van maison Delavigne hebben de reputatie perfect werk af te leveren,’ zei hij. ‘En ik verwacht dan ook niets minder.’
Mireille had het naar haar zin bij haar nieuwe werkgever. Het was nog steeds moeilijk om aan bepaalde materialen te komen, maar monsieur Dior benutte alles wat beschikbaar was ten volste. Hij werkte aan zachtere contouren en subtiele opsmuk, en de rokken die Mireille naaide waren voller dan ze was gewend. Het atelier zoemde van het geluid van naaimachines en een bedrijvigheid die er bij Delavigne Couture lang niet was geweest. De reputatie van monsieur Dior groeide snel en welgestelde klanten van over de hele wereld begonnen hun couture weer in Parijs te bestellen.
Ze bedacht hoe heerlijk Claire en Vivi het zouden vinden om er te werken, om hun vaardigheden te gebruiken om de fantastische avondjurken van monsieur Dior leven in te blazen met hun schitterende kralenwerk. Ze wenste dat ze er waren, aan de naaitafel, naast haar, nu en dan een glimlach met haar uitwisselend als ze even opkeken van hun werk of een moment pauzeerden om hun verkrampte vingers of pijnlijke nek te strekken.
Wanneer zou de oorlog eindelijk zijn afgelopen? Een groot deel van Frankrijk was ondertussen bevrijd, maar de Duitsers hadden hun resterende troepen in de Vogezen in het oosten geconsolideerd. Op de radio werd enthousiast aangekondigd dat ondanks laatste stuiptrekkingen van Hitlers troepen de geallieerden via België oprukten naar Duitsland. Ze vroeg zich elke avond wanneer ze naar het nieuws luisterde af wanneer ze zou horen wat ze echt wilde weten: wanneer haar vriendinnen zouden thuiskomen.
Monsieur Leroux was non-stop in de weer met zijn contacten bij het leger en het Rode Kruis om hen te vinden. Ze zei tegen zichzelf dat hij Vivi en Claire snel zou vinden. Eerder zou ze niet kunnen rusten.
* * *
In Duitsland was nog een zware winter gevolgd. Toen Claire bij Vivi was gaan werken hadden ze in eerste instantie een zware wals moeten trekken over de wegen die er net waren aangelegd om de nieuwe fabrieken aan elkaar te verbinden, die ondergronds werden gebouwd in een poging ze tegen geallieerde bommen te beschermen. Wagonladingen vol puin arriveerden per trein op het rangeerspoor dat naast het kamp was gebouwd: puin dat uit gebombardeerde steden was gehaald. De uitgehongerde gevangenen, niet veel meer dan lopende skeletten, moesten die kruiwagen voor kruiwagen naar de weg duwen. Opgetuigd als trekpaarden tussen de handvatten van de wals moesten Claire en Vivi zichzelf voorover gooien om het ding in beweging te krijgen en vervolgens ploeterden ze dan uren achtereen over het grove mengsel van puin en klinkerstenen, alles vermorzelend en het oppervlak gladder makend.
Toen was het gaan sneeuwen, en moesten de vrouwen die wegscheppen om de wegen vrij te houden zodat de gevangenen naar de fabrieken konden lopen. Je kreeg het heet van dat werk, waardoor de gestreepte jasjes doorweekt raakten van zweet en het materiaal begon te rotten tot het scheurde. Tegelijkertijd bevroren hun vingers rond de handvatten van de zware scheppen. Ze gingen bloeden en werden zwart bij de toppen, afgestorven door de vrieskou.
Terwijl de grond bevroor en het bleef sneeuwen kregen de fabrieken in Dachau opdracht hun productie te verhogen. Net als het crematorium draaide de munitiefabriek dag en nacht door. Op een dag vertelde de kapo die de leiding had over hun ploeg dat Claire en Vivi in de nachtdienst moesten gaan werken.
Hun nieuwe werk hield in dat ze metalen kogelhulzen in een zuurbad moesten dopen om ze schoon en sterker te maken voordat er explosief poeder in werd gedaan. Het zuur spette en veroorzaakte brandwonden op hun armen, vrat door de dunne huid die hun uitstekende botten nog bedekte. Ze vielen elke ochtend uitgeput in hun brits, op het moment dat de vrouwen die er de nacht hadden doorgebracht opstonden. Dan trokken ze de smerige, gescheurde voddendekens over zich heen en kropen tegen elkaar aan op zoek naar een beetje warmte. En elke keer dat ze dat deden, fluisterden ze de woorden tegen elkaar die hen in leven hielden voordat ze uiteindelijk in een ongemakkelijke, door pijn getergde half slapende toestand vielen. Als ze tegen de avond wakker werd lag Claire te luisteren naar de moeizame ademhaling van Vivi en hoorde ze het gereutel in haar longen zich vermengen met het geluid van de wind die langs de muren van de barak gierde, en dan trok ze stilletjes de rand van haar deken over haar vriendin heen terwijl ze probeerde haar als door toverkracht sterker te maken en haar te beschermen tegen de moorddadige wreedheden die hen uitholden.
Als ze opstonden wanneer de dagarbeiders terugkwamen, droeg de kameroudste Vivi en Claire op om de lichamen weg te dragen van degenen die de volgende nachtdienst niet hadden gehaald. Dan legden ze die op de stapel op de houten karren die elke ochtend en avond de bergen lijken bij het crematorium afleverden.
Uiteindelijk kwam de dag dat de zon een beetje hoger boven het prikkel- en stroomdraad rond het kamp klom en begonnen er hier en daar stukjes kale modder omhoog te komen door de dikke laag sneeuw die het kamp bedekte. Toen ze op een avond op weg waren naar hun dienst in de munitiefabriek fluisterde Claire tegen Vivi dat het hun was gelukt: ze hadden de winter in Dachau overleefd. Er zou er zeker niet nog een komen, zei ze tegen haar vriendin. De oorlog zou ten einde komen en dan zouden ze vrij zijn voordat de volgende sneeuw het kamp zou bedekken. Vivi had glimlachend geknikt, maar ze kon niets zeggen omdat een hoestbui haar hele lichaam door elkaar schudde, haar botten deed rammelen als de kale takken van de bomen buiten de hekken van het kamp, die beefden en rilden in de wind.
Nieuwe gevangenen bleven maar arriveren in Dachau, in groteren getale dan ooit. Sommige locomotieven die op het rangeerspoor tot stilstand kwamen trokken open karren vol puin, kolen en ruwe grondstoffen voor de fabrieken. Maar andere trokken lange kettingen van die houten veewagens, en als de bewakers dan de grendels van de schuifdeuren haalden tuimelde er weer een lading menselijke vracht naar buiten. Aangekomen in de barakken vertelden de nieuwkomers over de stapels lichamen, bijna twee meter hoog, die uit de treinen gehaald moesten worden en naast het spoor werden gelegd. Sommige gevangenen vertelden dat ze naar Dachau waren gebracht uit andere kampen, die waren geëvacueerd terwijl de geallieerden oprukten. Waar ze ook vandaan kwamen, allemaal vertelden ze verhalen over marteling, moord, uithongering en slavenarbeid. En in alle kampen stond zo’n schoorsteen die de stank van de dood de hemel boven Europa in blies.
De nieuwkomers brachten ook nieuwe uitbraken van vlooien, luizen en ziektes met zich mee, die zich snel door de smerige barakken verspreidden. De vrouwen deden hun best elkaar te helpen, maakten elkaars hoofden schoon, boden de zieken water aan en verzorgden hen zo goed ze konden. Maar overleven begon een onmogelijke uitdaging te worden. De barakken werden steeds overvoller, dysenterie vulde ze met haar misselijkmakende stank, en de warmere lentewind nam opnieuw de doodskus van tyfus met zich mee.
Het was april. Nog koud genoeg om ’s nachts een laagje rijp op de daken van de barakken te vormen en na nog een nacht in de munitiefabriek Claires handen en voeten te bevriezen wanneer ze met Vivi naar hun barak terugliep. Alles in haar lichaam deed pijn van kou, uitputting en honger, de Heilige Drie-eenheid van het concentratiekamp. De hemel achter de wachttoren gloeide rood terwijl nog een dageraad boven Dachau aanbrak, maar de kolom grijze rook uit de hoge bakstenen schoorsteen midden in het kamp besmeurde de schoonheid van de zonsopkomst met zijn grimmige kleed.
Vivi’s hoest klonk droog en pijnlijk toen ze zichzelf vermoeid op haar brits terugtrok. Claire ging een tinnen mok water voor haar halen, maar toen ze terugkwam van de kraan was Vivi al diep in slaap, dus zette ze de mok naast haar slaapplek, voor later. Ze trok de rand van haar deken over het uitgeputte, uitgemergelde lichaam van haar vriendin en zag waar het blauw-wit gestreepte jasje los over haar heen hing donkere beten op haar borst.
Later die dag trok plotselinge commotie Claire uit haar getroebleerde schemerslaap. Ze was in één klap wakker.
Een aantal vrouwen die in de dagdienst hadden moeten werken was teruggekomen naar de barakken en het geluid van hun rennende laarzen over de houten vloer deed de muren van de barak trillen.
‘Als je een deken hebt, neem die dan mee,’ riep de kameroudste. Ze rende door de lange ruimte en schudde de uitgeputte gevangenen die in de nachtdienst hadden gewerkt wakker en zei dat iedereen moest opstaan. ‘Schiet op. Jullie vertrekken zo. Iedereen moet zo snel mogelijk naar het plein.’
Claire tikte zachtjes op Vivi’s arm, maar die reageerde niet direct. Ze schudde een beetje aan haar en toen begon Vivi te hoesten met dat droge, rasperige geluid dat zo pijnlijk was om aan te horen. Toen drong het tot Claire door dat het lichaam van haar vriendin bloedheet was. Ze ging, voor zover dat kon in de ruimte van het krappe stapelbed, naast Vivi zitten en opende het kraagje van haar jasje. Daar zag ze waar ze zo bang voor was geweest: de donkere vlekjes hadden zich over Vivi’s borst verspreid. Het was een aanzicht waar ze bekend mee was van het helpen van andere vrouwen in de barak. Tyfus.
Terwijl iedereen de barak uit rende kwam de kameroudste naar de hoek waar Claire probeerde haar vriendin een slokje water uit de tinnen mok te laten drinken. Vivi’s ogen stonden glazig van de koorts die in haar uitgemergelde lichaam woedde. ‘Opstaan! Schiet op! Jullie moeten naar het plein voor een appel.’
‘Ze kan niet…’ zei Claire, zich in paniek omdraaiend naar de kameroudste. ‘Ze is ziek. Kijk maar.’
Na een vluchtige blik snauwde de kameroudste: ‘Nou, dan moet je haar achterlaten. Iedereen die te ziek is om te gaan wordt hier achtergelaten; de bewakers handelen het af.’
‘Te gaan?’ vroeg Claire. ‘Waarnaartoe?’
‘De geallieerden rukken op. Ze kunnen hier elk moment zijn. Ik moet het kamp evacueren. We moeten westelijk de bergen in marcheren. Neem mee wat je kunt dragen en kom naar buiten.’ Claire schudde haar hoofd. ‘Ik laat haar niet achter,’ zei ze.
De kameroudste was al op weg naar buiten. Ze keek over haar schouder naar Claire. ‘Doe maar wat je niet laten kunt,’ snauwde ze. ‘Jullie tweeën zijn vanaf het begin niets dan ellende. Maar ik waarschuw je. Het kamp wordt vernietigd. De ss ruimt iedereen die achterblijft op. Als je hier blijft, zul je samen met haar sterven.’
Claires stem klonk zacht maar vastberaden. ‘Ik laat haar niet achter,’ herhaalde ze.
De kameroudste haalde haar schouders op. Toen liep ze verder, de barak uit, en sloeg de deur achter zich dicht.
Claire ging naast Vivi liggen en probeerde haar wat verkoeling te geven door een hoekje van haar jasje nat te maken en daar zacht mee over haar voorhoofd te vegen.
‘Ik ben bij je,’ fluisterde ze. ‘We zijn samen. Het komt allemaal goed.’
De geluiden aan de andere kant van de muur klonken gedempt: rennende voeten op weg naar het plein, en toen een stilte die uren leek te duren terwijl de koppen werden geteld, dat nam ze tenminste aan, gevolgd door het geluid van schuifelende voeten terwijl een paar duizend gevangenen aan hun lange mars begonnen, door de metalen poort onder dat groteske motto door, naar de Vogezen, waar de belegerde Duitse troepen probeerden een van hun laatste bastions te consolideren.
Toen de zonsondergang het licht dimde dat door de smerige ramen van de barak naar binnen scheen werd het helemaal stil in het kamp. Claire bleef Vivi’s voorhoofd deppen en maakte haar huid vochtig, die dun als vloeipapier leek en zo heet voelde dat hij spontaan leek te kunnen ontbranden. Haar vriendin mompelde, hoestte en kreunde terwijl de pijn en koorts haar opvraten. Claire probeerde haar de hele lange, donkere nacht wat water te laten drinken en bleef de geruststellende woorden in haar oor fluisteren – ‘Ik ben nog bij je. We zijn samen. Ik laat je niet in de steek, Vivi’ – tot ze zelf uiteindelijk ook in een onrustige slaap viel.
Toen Claire bij zonsopgang wakker werd keek ze recht in de ogen van Vivi. Ze stonden nog steeds glazig van de koorts, maar ze was wakker. Claire veegde wat zweet van Vivi’s gezicht en bad dat het een teken was dat ze het ergste achter de rug had en het zou gaan halen.
Toen schrok ze op van het geluid van zware laarzen die langs de deur van de barak renden. Was dit het moment? Waren dat de bewakers die de zieken en stervenden kwamen opruimen, zoals de kameroudste had voorspeld?
Maar de voetstappen renden naar de verre zijde van de barak. Toen klonk er ineens, heel dichtbij, een machinegeweer. Een geschreeuwd bevel maakte dat Claire overeind kwam. Het was geen Duitse stem; het was een Amerikaanse.
‘Vivi,’ fluisterde ze, ‘ze zijn er! De Amerikanen. We hebben het overleefd.’ Maar Vivi leek weer buiten bewustzijn. Elke ademhaling deed haar borstkas reutelen.
‘Ik ga hulp voor je halen,’ zei Claire. ‘Ze hebben vast medicijnen bij zich. Hou nog even vol, ik ben zo weer terug.’
Ze strompelde naar de deur en duwde hem open, knipperend met haar ogen in de aprilzon. Haar benen voelden zo zwak dat ze nauwelijks kon blijven staan, maar ze wist dat ze iemand moest zien te vinden die Vivi kon helpen. Elke minuut telde. Ze liep steunend tegen de muur langs de barak en toen naar het plein, waar de barakken in rijen voor stonden.
Ze keek uit gewoonte nerveus omhoog naar de dichtstbijzijnde wachttoren in het hek rond het kamp. Maar in plaats van het silhouet van een nazisoldaat met een machinegeweer dat op het kamp was gericht zag ze enkel lucht rond de verlaten toren. Ze strompelde leunend tegen een barak verder in de richting van het plein.
Ze werd overvallen door de stank. Over de achtergrondstank van dood en verrotting hing de gebruikelijke lucht van de zure, grijze rook nog steeds in de lucht boven de schoorsteen achter haar. Maar naarmate ze dichter bij het plein kwam vulde een nog sterkere stank haar neusgaten. Toen ze de hoek van de laatste barak om liep viel er een verstikkende wolk rook om haar heen, die om haar heen danste in het briesje dat was opgestoken. Toen de rook wat optrok zag ze een smeulende berg van wat eruitzag als spoorwegbielzen midden op het plein. Een verkoolde hand stak uit de berg, wijzend naar een hemel waarvan ze niet meer kon geloven dat die bestond, terwijl haar verdoofde zintuigen haar vertelden dat dit een haastig opgeworpen brandstapel was. Het crematorium werkte niet snel genoeg: personeel van het kamp had geprobeerd zo veel mogelijk lijken te verbranden voordat het kamp werd bevrijd, in een poging bewijs te vernietigen van wat er had plaatsgevonden.
In een rij op het plein, waar ze de gevangenen ooit hadden gedwongen uren te blijven staan, in alle weersomstandigheden, terwijl de koppen werden geteld of straffen werden uitgedeeld, stond een aantal van diezelfde kampbewakers. Amerikaanse troepen, met ronde helmen op hun hoofd en in kakikleurige uniformen, hielden hen onder schot. Een gevangene strompelde het plein op, zijn benen nauwelijks in staat hem overeind te houden, en wierp zichzelf naar voren in een poging een SS-bewaker aan te vallen. Hij schreeuwde het uit terwijl hij dat deed, onverstaanbare, gepijnigde kreten, stem gevend aan de diepe, intense verontwaardiging die de onmenselijke behandeling van zo veel onschuldige mensen, jarenlang, losmaakte. Hij was echter zo zwak dat de aanval geen enkel effect had. Twee Amerikaanse soldaten vingen hem op en leidden hem vriendelijk weg van de ss’ers.
Claire liet de muur van de barak los en strompelde naar waar een soldaat met een witte manchet met een rood kruis erop om zijn bovenarm over het lichaam van een gevangene die in elkaar was gezakt stond gebogen. ‘S’il vous plaît’ – ze greep zijn mouw vast – ‘mijn vriendin. U moet haar helpen. Alstublieft.’
De hospik rechtte zijn rug in het besef dat hij de gevangene op de grond niet meer kon helpen. Claire gaf nog een rukje aan zijn mouw. ‘Kom alstublieft met me mee.’
Zijn stem klonk vriendelijk, hoewel ze hem niet verstond. Hij gebaarde haar te gaan zitten, maar ze vond de kracht om dat niet te doen en hem in de richting van de barak te trekken. Toen tot hem doordrong wat haar bedoeling was ging hij met haar mee, volgde haar een deur door en liep met haar mee naar de brits van Vivi en Claire.
Claire knielde neer en pakte de hand van haar vriendin. ‘Vivi, er is hulp!’ riep ze.
Maar er kwam geen reactie, geen kneepje in haar vingers, geen oogleden die trillend opengingen en haar heldere bruine ogen lieten zien.
Op dat moment drong tot haar door dat het gereutel in Vivi’s borstkas was verstild en dat het blauw-wit gestreepte jasje in bewegingloze vouwen over haar hart lag.
Een hart dat zo vol moed en kracht was geweest.
Een hart dat niet meer sloeg.
De hospik legde een medelevende hand op Claires uitgemergelde schouders terwijl ze geknield bij de houten brits zat.
Ze snikte in het terug gegroeide, koperkleurige haar van Vivi, opgelicht door een straal zonlicht die door de smerige ramen naar binnen scheen op de twee vrouwen, dicht tegen elkaar aan gekropen, in de lege barak.