Hoofdstuk 31: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
IK HAD NOG NOOIT VAN FLOSSENBÜRG gehoord, dus ga ik online op zoek naar informatie. Ik ben met afschuw vervuld als ik lees dat er verdeeld over Europa, van Frankrijk in het westen tot Rusland in het oosten, honderden van die zogenaamde werkkampen zijn geweest. De aantallen zijn onvoorstelbaar, een grotesk verslag van wat er in de concentratiekampen heeft plaatsgevonden. Ik ontdek dat Claire en Vivi slechts twee van de letterlijk miljoenen mensen zijn die zijn gevangengenomen, tot slaaf gemaakt en vermoord. Ziekte, ondervoeding en uitputting hebben velen de dood in gejaagd; nog meer werden er gedood door vuurpelotons of in de gaskamers van uitroeiingskampen als Auschwitz, Buchenwald en Bergen-Belsen. Dachau, waar Claire en Vivi uiteindelijk terechtkwamen, was een van de grootste en eerste kampen.
Mijn onderzoek wordt onderbroken door een klop op mijn slaapkamerdeur. ‘Kom binnen,’ roep ik.
Simone duwt voorzichtig de deur open. ‘Harriet,’ zegt ze, ‘ga je vanavond mee uit? We gaan met een groepje naar het vuurwerk voor Quatorze Juillet op de Champs de Mars. Dat is altijd spectaculair.’
Ik klap mijn laptop dicht en wrijf in mijn nek om er wat spanning uit te masseren. Ik heb hoofdpijn van alles wat ik net heb gelezen. ‘Wat een leuk idee, maar ik denk dat ik thuisblijf.’
In plaats van zich terug te trekken komt Simone naar me toe lopen. ‘Harriet…’ Ze aarzelt, kiest haar woorden zorgvuldig. ‘Ik heb het gehoord, van jou en Thierry. Het spijt me voor je. Echt. Jullie waren een goed stel.’
Ik haal glimlachend mijn schouders op. ‘Ja. Het spijt mij ook. Maar ik ben er gewoon niet aan toe, denk ik. Hoewel ik nooit goed ben geweest in relaties.’
Ze gaat op mijn bed zitten en schudt medelevend haar hoofd; haar krullen deinen om haar gezicht. ‘Dat is niet waar. Je bent een van de populairste medewerkers op kantoor. Je bent een goede vriendin voor mij. En je bent een goede kleindochter voor Claire door zo naar haar verhaal te zoeken. Ze zou apetrots op je zijn. Maar je moet een avondje vrij nemen. Het zal een goede afleiding zijn. Ga alsjeblieft mee. Het is de belangrijkste feestdag in Frankrijk. En Thierry komt niet, als dat is wat je tegenhoudt,’ voegt ze toe. ‘Hij moet vanavond werken.’
Haar donkere ogen kijken me zo oprecht vriendschappelijk aan dat ik niet kan weigeren. ‘Oké. Geef me even tien minuten om me om te kleden.’
* * *
Op straat beweegt een rivier van mensen in de richting van de Champs de Mars. De grasheuvels voor de Eiffeltoren zijn als we er aankomen al grotendeels gevuld met mensen. Maar Simone doet dit niet voor het eerst, en ze ziet al snel haar vriendengroep, die een deken heeft uitgeslagen om ruimte voor ons te maken. Het begint net een beetje donker te worden en er hangt een sfeer van gespannen afwachting in de lucht als het metalen frame van de toren blauw, wit en rood kleurt en de muziek wordt ingezet. Het vuurwerk begint pas om elf uur en zal een spectaculair einde van de landelijke feestdag vormen, maar eerst is er nog een concert. Ik leun naar achteren, steunend op mijn ellebogen, en laat het geluid en alles wat er te zien is over me heen komen. Simone had gelijk: het is fijn om er even uit te zijn. En misschien is dit wel mijn laatste kans dit eens mee te maken. Ik vraag me af waar ik volgend jaar om deze tijd zal zijn, als mijn stage achter de rug is.
Er hangt een gemoedelijke sfeer; iedereen is hier om het fijn te hebben en er wordt gezellig gekletst. Maar dan verandert er ineens iets. Ik kan mijn vinger er in eerste instantie niet op leggen; het is een subtiele wijziging in de sfeer. De lichtshow op de Eiffeltoren gaat verder en de muziek speelt door, maar op de een of andere manier wordt het geroezemoes van de mensen gedempter; ik kijk om me heen en voel een bekende angst in mijn maag om zich heen grijpen. Mensen om ons heen kijken op hun horloge. Je hoort geen ringtones boven het geroezemoes uit, maar meer en meer mensen lijken berichten af te luisteren of iemand te bellen. Ik draai me om naar Simone, die vlak achter me zit. Ze heeft haar telefoon gepakt en bestudeert het schermpje. De glimlach is van haar gezicht verdwenen.
Ik steek mijn hand uit en raak haar enkel aan om haar aandacht te vangen. ‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik.
Ze schuifelt naar voren en komt naast me zitten. ‘Er is een aanslag geweest. In Nice. Het is net bekendgemaakt. Niemand weet wat er is gebeurd. Maar het klinkt niet goed.’
We maken oogcontact in het halfduister en ik weet dat we hetzelfde denken. ‘Florence? En de anderen? Zij zijn daar nog, toch?’ De lancering was twee dagen geleden, maar het hele team was van plan nog even te blijven om de nationale feestdag in Nice door te brengen.
Simone knikt terwijl ze op haar telefoon zit te typen. ‘Ik stuur hun nu een berichtje.’ Ze bijt op haar onderlip, drukt op VERSTUREN en houdt haar telefoon in afwachting van een reactie nerveus in de gaten.
Een paar minuten later komt die. Ik bestudeer haar gezicht, dat in een frons staat terwijl ze het bericht leest. ‘Ze zijn in orde,’ zegt ze. ‘Ze zitten in een bar aan de kust en er is een of ander incident geweest. De politie heeft het centrum van de stad afgesloten. Maar iedereen is veilig.’ We kunnen allebei weer ademhalen.
Als de hemel wordt opgelicht door vuurwerk proberen we ons te concentreren op de show. Maar er hangt een gespannen sfeer en iedereen om ons heen is afgeleid. Zodra de laatste fonkelingen in de lucht vervagen tegen het zwart van de hemel, gaan we op weg naar huis. Simone houdt de nieuwsberichten bij die op haar telefoon verschijnen en houdt me tijdens onze wandeling op de hoogte. ‘Een vrachtwagen is op de omstanders op de Promenade des Anglais in gereden. Ze zeggen dat er gewonden zijn, mogelijk doden. Het klinkt niet goed.’
We lopen terneergeslagen de trappen naar de vijfde verdieping op en trekken ons in stilte terug in onze kamer.
* * *
Ik word de volgende ochtend vroeg wakker. Simone is al op en zit in de woonkamer televisie te kijken. Ze kijkt op van de bank en ik zie dat ze heeft gehuild. Als ik het nieuws hoor, begrijp ik waarom. Een terrorist is gisteravond met een vrachtwagen de boulevard in Nice op gereden. Die was afgesloten voor verkeer wegens de festiviteiten en gevuld met een colonne feestgangers. Maar de vrachtwagen is bewust ingereden op mensen die op het trottoir liepen en heeft een spoor van dood en vernieling achter zich gelaten. Het ochtendnieuws heeft het over meer dan tachtig doden en meer dan vierhonderd gewonden, van wie sommigen ernstig.
‘Heb je nog iets van Florence en de rest gehoord?’ vraag ik als ik mijn stem heb gevonden.
Simone knikt. ‘Ze zijn in het hotel en gaan zo uitchecken. En daarna komen ze naar huis.’
We zitten even in stilte, dankbaar dat onze collega’s nog in leven zijn, maar kunnen niet uit ons hoofd krijgen dat er zo veel levens op brute wijze zijn beëindigd of voor altijd ingrijpend zijn gewijzigd.
Ik ben misselijk. Ik trek een jasje aan en loop naar buiten voor wat frisse lucht. Het is stil op straat na het luidruchtige feest van gisteravond, dat al lijkt vergeten nu het wordt overschaduwd door weer een terroristische aanslag op Frans grondgebied. Ik loop zonder erover na te denken in de richting van de rivier. Ik steek de weg over en blijf even tegen een muur geleund staan, recht tegenover het Île de la Cité. In eerste instantie zie ik het landschap nauwelijks. Een caleidoscoop van nachtmerrieachtige beelden speelt zich in mijn hoofd af, beelden van een vrachtwagen die door een overvolle straat dendert, vermengd met beelden van de concentratiekampen die ik gisteren heb gezien. In wat voor wereld leven we, dat mensen zich zo onmenselijk kunnen gedragen jegens hun eigen soort? Ik doe mijn best om niet overweldigd te raken door paniek en druk mijn handen tegen de muur, haal diep adem.
Mijn ademhaling komt wat tot rust en dan dringt tot me door dat ik uitkijk op het stroomafwaartse deel van het eiland. En dan zie ik hem: de wilg van Mireille. Hij staat er nog, op het puntje van de rand, de groene vingers van de takken in het water van de Seine. Ik loop de brug over en vind de smalle trap die je naar de plek brengt waar de boten vertrekken. De kade, die is geplaveid met kasseien, loopt langs een parkje, en ik loop naar de boom. Ik bevind me midden in de stad in een oase van rust en stilte. Het geluid van het op gang komende verkeer aan beide kanten van de rivier wordt gedempt door het bladerdak en het zachte kabbelen van de rivier tegen de stenen die de kade van het eilandje versterken. Net zoals Mireille hier al die jaren geleden haar evenwicht vond, ga ik met mijn rug tegen de boom zitten, laat mijn hoofd tegen de troostrijke stam rusten, en mijn geest komt dusdanig tot rust dat ik weer helder kan nadenken. Het lukt me om even niet aan de gruwelen in Nice te denken en ik sta stil bij wat ik over mijn grootmoeder te weten ben gekomen, snak ernaar dat ze me met beide benen op de grond houdt, me geruststelt.
Het is een wonder dat Claire het heeft overleefd. Ik besef dat als Vivi er niet was geweest om haar overeind te houden en te steunen, dat niet zou zijn gelukt. Vivi’s vastberadenheid om door te gaan – en dat niet alleen, maar daarnaast ook de nazi’s te saboteren – getuigt van een onvoorstelbaar sterk karakter. Het hele systeem in de concentratiekampen was speciaal ontworpen om de gevangenen te dehumaniseren. Maar het heeft Viviennes geest niet kunnen breken: ze heeft tot het laatst haar menselijkheid behouden.
Toen dat eind echter kwam, bleef Claire alleen achter. Naast het schuldgevoel dat zij de oorzaak van Vivi’s arrestatie was, is ze tevens de rest van haar leven onder het schuldgevoel dat zij het wel had overleefd gebukt gegaan, en dat in combinatie met de littekens die de traumatische twee jaar in de kampen moeten hebben achtergelaten. Ze is getrouwd en heeft een kind gekregen. Ik heb uitgerekend dat mijn moeder werd geboren toen haar eigen moeder bijna veertig was… het moet Claire jaren hebben gekost om haar gebroken geest en lichaam genoeg te helen om een zwangerschap aan te kunnen. Dus werd Felicity vernoemd naar de vreugde die ze voor haar ouders symboliseerde: een wonder van een geboorte voor een vrouw die zo veel had overleefd.
Nu ik het een beetje beter begin te begrijpen zie ik de dood van mijn moeder in een ander licht. Haar laatste daad mag dan zijn geweest dat ze haar eigen leven heeft genomen door een handvol pillen te slikken en een halve fles cognac te drinken, maar ik weet dat ze is gestorven aan de kwetsbaarheid die ze heeft geërfd. Hoewel ze is geboren in vredestijd was ze niettemin een kind dat de nalatenschap van de oorlog heeft moeten dragen, en dat was een nalatenschap die haar heeft opgezadeld met haar eigen levenslast: de last symbool van geluk te moeten zijn; de last van die door trauma ingegeven genetische veranderingen die aan haar zijn doorgegeven; de ingebakken angst voor verlating. Dat waren de factoren die de basis vormden voor een perfect storm van wanhoop en hopeloosheid die haar hebben overweldigd en haar er uiteindelijk toe hebben aangezet een einde aan haar leven te maken.
Het helpt me dat te weten, in staat te zijn zo veel meer over het leven en de dood van mijn moeder te begrijpen. Maar het jaagt me ook angst aan. Hoe kan ik ontsnappen aan een soortgelijk lot? Hoe kan ik in een wereld die lijkt vervuld van angst en paniek voorkomen dat de cyclus zich herhaalt? Ben ik drager van diezelfde kwetsbaarheden in mijn genenpakket? Sta ik machteloos, of is het mogelijk de regie over mijn eigen leven te nemen?
Het dringt tot me door dat ik de antwoorden op die vragen niet alleen zal kunnen vinden. Misschien moet ik stoppen zo’n koppige Bretonse of Britse te zijn. Misschien is het tijd dat ik dapper genoeg ben om om hulp te vragen.
Dus zo gebeurt het dat ik terwijl ik daar in de beschermende armen van Mireilles boom zit besluit een afspraak bij een therapeut te maken. Als het inderdaad eenvoudiger voor me is me uit te drukken in een vreemde taal, zal dat me misschien, eindelijk, helpen vrijelijk over mijn eigen levenslast te praten.