Hoofdstuk 32: 1945 - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
‘MIREILLE, IK HEB GEWELDIG NIEUWS!’ Monsieur Leroux greep haar vast en omhelsde haar toen ze in reactie op het gebonk de deur opende. ‘Ze hebben Claire gevonden, in een werkkamp! Ik heb haar met behulp van het Rode Kruis opgespoord. Ze leeft nog. Ze was ziek en ze hebben haar verzorgd in het kampziekenhuis, maar ze is nu sterk genoeg om te worden geëvacueerd. Ik ga erheen om haar mee terug te nemen en naar een ziekenhuis in Parijs te brengen om verder te herstellen. En ik ga proberen Vivi ook te vinden. Claire weet vast meer. Als Claire nog leeft, is er voor Vivi ook nog hoop. Je weet hoe sterk ze is! Misschien weet Claire wel waar ze is.’
Mireille had het gevoel dat haar hart uit elkaar zou spatten van de extreme emoties die zijn blije gezicht bij haar losmaakten. ‘Waar is Claire?’ vroeg ze.
‘In een kamp dat Dachau heet. Bij München. Ik vertrek vandaag nog. Als ik meer weet, neem ik direct contact met je op. Ze komen naar huis, Mireille, dat weet ik zeker.’
* * *
Claires ogen gingen trillend open toen het zonlicht naar binnen scheen door het raam van haar ziekenhuiskamer. Haar handen leken van een vreemde toen ze daar zo op het schone witte laken lagen. Haar knokkels, aan het uiteinde van armen als van een skelet, met een rode huid vol zuurbrandwonden, waren opgezwollen knobbels been, haar vingertoppen vol kloven en helemaal hard. Het was moeilijk te geloven dat diezelfde handen ooit in staat waren geweest lapjes nachtblauwe crêpe de Chine met onzichtbaar kleine steekjes aan elkaar te zetten, delicate zilveren kraaltjes vast te houden en rond de halslijn op hun plaats te zetten en daarmee een constellatie van piepkleine sterretjes in een nachtelijke hemel te creëren.
Ze was nog zwak van de koorts die haar had overvallen op de dag nadat ze had toegekeken terwijl Vivi’s lichaam in een haastig gegraven massagraf naast al die anderen was gelegd. Hoewel het al april was, had het gevoeld alsof de winter vastbesloten was geweest Dachau niet te verlaten. Het had die dag gesneeuwd, waardoor er een laagje wit als hermelijnbont over het graf had gelegen; een zacht, wit doodskleed over de bergen lichamen die naast de modderige geul gestapeld hadden gelegen.
Tyfus had door het kamp geraasd en zelfs na de bevrijding waren honderden van de paar duizend overgebleven gevangenen die te ziek of zwak waren geweest om mee te gaan op de dodenmars door de bergen met hun medegevangenen gestorven ondanks de zorg die ze hadden gekregen van het internationale Rode Kruis en de Amerikaanse legerartsen. Claire was een van de fortuinlijken. Toen de koorts haar plotsklaps had overvallen was ze direct behandeld en goed verzorgd in het geimproviseerde ziekenhuis.
Toch wenste ze terwijl haar kracht langzaam begon terug te vloeien in haar aderen dat ze samen met Vivi was gestorven. In plaats van bevrijd voelde ze zich alsof ze levenslang had gekregen: ze zou moeten leven met de wetenschap dat ze niet in staat was geweest haar vriendin te redden. En ze wist dat haar leven, elke dag, vervuld zou zijn van dat schuldgevoel. Het was haar schuld dat Vivi was gevangengenomen; Vivi was er voor haar geweest en had haar beschermd, maar zij had niet hetzelfde voor haar kunnen doen. Ze was er niet eens bij geweest toen Vivi haar laatste adem had uitgeblazen.
Ze had naast Vivi’s lichaam in dat besneeuwde graf willen gaan liggen en voor altijd willen slapen.
Een verpleegster die de hartslag van een patiënt in het bed tegenover haar opnam, zag dat Claire wakker was. ‘Kom maar,’ zei ze, ‘dan help ik je even een beetje overeind.’ Ze schudde het kussen op en zei: ‘Probeer wat te drinken.’ Claire gehoorzaamde, te zwak om te protesteren, hoewel het drankje bitter smaakte en ze er bijna van moest kokhalzen.
Ze sliep in vlagen, en elke keer dat ze haar ogen opende verwachtte ze de glimlach van Vivi te zien, droomde ze dat ze haar hoorde fluisteren dat ze niet alleen was, dat ze samen waren, dat het allemaal goed zou komen. Maar dan zag ze enkel de schone witte lakens die de gebroken schaal van haar lichaam bedekten, en een lege stoel naast haar ziekenhuisbed, en de enige stemmen die ze hoorde waren die van de verpleegsters die aan het werk waren. En dan viel ze weer in slaap, denkend – hopend – dat ze niet meer wakker zou worden…
Toen ze weer wakker werd, zat er iemand in de stoel naast haar bed. De figuur boog zich naar haar toe, en haar adem stokte toen ze recht in Vivi’s heldere, bruine ogen keek.
Maar toen focuste ze en drong het tot haar door dat het Vivi niet was.
Het was een man, die haar hand vastpakte alsof hij hem nooit meer zou loslaten.