Hoofdstuk 35: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
DUS NU WEET IK EINDELIJK WIE IK BEN.
Ik ben Harriet. Vernoemd naar mijn oudtante, die is omgekomen in Dachau op de dag dat het werd bevrijd. Harriet, die de naam Vivienne koos omdat ze dol was op het leven. Harriet, die warm en vriendelijk en onvoorstelbaar dapper was. Dapper genoeg om het gevaar in de ogen te kijken toen de vrijheid in het gedrang kwam; dapper genoeg om zich vrijwillig aan te melden om in het hart van de strijd te gaan vechten, in een van de gevaarlijkste functies die er waren. In een periode dat de gemiddelde levensverwachting van een radiotelegrafist zes weken was, wist zij vier jaar te overleven.
Ik ben Harriet; en hoewel zij is gestorven voordat ik werd geboren, weet ik dat mijn grootmoeder Claire van me houdt, mijn grootmoeder die groeide en een kracht in zichzelf ontdekte waarvan ze niet had geweten dat ze hem in zich had. Claire verloor haar eigen moeder en de geschiedenis herhaalde zich – wat een gruwelijk patroon toch – toen ik die van mij verloor. Ik heb gelezen dat de strengen van trauma diep door families heen dringen. Ze kunnen worden geërfd, worden overgedragen van de ene generatie op de volgende en levens vernietigen terwijl dat gebeurt. Misschien is dat wat er met mijn moeder is gebeurd. Maar ik laat het mij niet gebeuren. Nu ik begrijp waar dat trauma vandaan komt, kan ik het onder ogen zien. Door de moed te vinden het onder ogen te zien, heb ik de kans het te laten ophouden.
Wat me nog hoopvoller stemt is dat mijn therapeut me heeft verteld dat recent onderzoek heeft aangetoond dat de effecten van intergenerationeel trauma ongedaan kunnen worden gemaakt. Onze geest en ons lichaam hebben de capaciteit te helen, weerstand op te bouwen die ons helpt de kwetsbaarheden tegen te gaan die we hebben meegekregen van het overgedragen trauma. Ze heeft me een aantal boeken geadviseerd waarin staat dat je om dit te kunnen doen je geest opnieuw moet kalibreren en het trauma moet loslaten zodat het brein zich kan resetten.
Het dringt tot me door dat het verhaal van Claire en Vivi (of eigenlijk Harriet) me die mogelijkheid geeft. Ik weet nu dat ik de schade uit het verleden die ik altijd bij me heb gedragen kan helen. En nog meer dan dat: ik besef dat ik kan besluiten dat ik het gewicht dat op me drukt naast me neer kan leggen op mijn levenspad en het verder zonder dat gewicht kan bewandelen.
Nu ik het hele verhaal van mijn grootmoeder ken zit ik in verblufte stilte en gaan er allerlei gedachten door mijn hoofd. Ik raak de bedeltjes aan de armband aan die mij is gegeven via mijn grootmoeder en moeder: het vingerhoedje, het schaartje, de Eiffeltoren. Ik begrijp nu de betekenis van elk symbool.
Ik ben naar Parijs gekomen met het gevoel dat ik geen wortels had, dat ik geen familie had. Ik was ergens naar op zoek, hoewel ik geen idee had wat dat kon zijn. Een foto heeft me hier gebracht. Ik pak hem, in zijn lijstje, en stel me voor dat ik de echo hoor van de lachende stemmen van de meiden terwijl ze daar op die straathoek staan, voor de etalage van Delavigne Couture, gekleed in hun mooiste kleren, op een ochtend in mei in Parijs, op weg naar het Louvre.
Dankzij hen zijn Simone en ik hier nu. Niet alleen bij Agence Guillemet en in het appartement onder het dak in het pand aan de Rue Cardinale; dankzij hen zijn wij hier überhaupt. Wat als Mireille Claire niet was gaan redden op die avond dat Billancourt werd gebombardeerd? Wat als Vivi – mijn oudtante Harriet – Claire niet had beschermd en haar niet had geholpen de gruwelen van marteling door de Gestapo te overleven, en de eenzame opsluiting in de gevangenis in Fresnes, en de twee jaar die de hel in de concentratiekampen heeft geduurd?
Als zij er niet waren geweest, had ik niet geleefd. Ik heb mijn leven aan hen te danken.
Toen die foto werd gemaakt hadden die drie jonge vrouwen – vol hoop en dromen – hun leven voor zich. Ze zijn voor mij het toonbeeld van een liefde voor het leven. Ze hadden op die ochtend in mei geen idee hoezeer die liefde op de proef zou gaan worden gesteld.
Dan denk ik aan mijn moeder. Hoe diep moeten depressie en wanhoop iemand naar beneden sleuren tot ze uiteindelijk ergens terechtkomt waar ze het niet meer kan opbrengen om door te gaan? Claire en Vivi hebben aangetoond hoeveel de menselijke geest aankan: geweld, wreedheid, onmenselijkheid. Die kunnen allemaal worden gedragen. Het verlies van je geliefden is wat het leven ondraaglijk maakt.
Het dringt ineens, door het verhaal van mijn grootmoeder Claire en mijn oudtante Harriet, tot me door wat mijn moeder de dood in heeft gedreven. Verdriet. Wat er ook op de overlijdensakte staat, ik weet nu dat ze is gestorven aan een gebroken hart.
Mijn geschiedenis heeft me bevrijd. Het verleden heeft me een toekomst gegeven. Misschien is het een toekomst waarin ik mijn droombaan krijg in het Palais Galliera, aangezien Sophie Rousseau mijn cv heeft doorgegeven aan de directeur van het museum en ik ben uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Het is een afschrikwekkend vooruitzicht. Ik wil die baan zo graag dat het pijn doet. Maar ik zal alles geven tijdens dat gesprek en de uitkomst hoe dan ook accepteren, wat die ook is, omdat ik niet meer bang ben om mijn leven te leiden, wat dat ook moge brengen.
Ik begrijp ook dat ik bang ben geweest om lief te hebben omdat het risico te groot leek. Ik heb gezien wat de prijs van liefde kan zijn en besloten dat die te hoog was om te riskeren hem te moeten betalen. Dus heb ik mezelf er altijd tegen beschermd. Ik heb niet gedurfd van mijn vader, mijn stiefgezin of mijn vrienden te houden. Of van Thierry. Ik heb mijn hart gesloten gehouden om het te beschermen. Maar ik heb nu de waarheid gezien. Claire en Vivi zijn niet enkel gezichten op een foto meer voor me, ze zijn een deel van mij. Ik ben het hun verschuldigd de nalatenschap van moed die door mijn aderen stroomt te ontsleutelen. Zij hebben me het geschenk van het leven gegeven. Ik heb tot nu toe de erfenis van trauma mijn geest gevangen laten nemen. Maar doordat ik hun verhaal heb gehoord weet ik dat ik sterk genoeg ben om een ander pad te kiezen. Ik laat de duisternis niet winnen. Ik draai mijn gezicht naar het licht. Misschien dat ik dan in staat ben zo met heel mijn hart lief te hebben als zij hebben gedaan.
Als ik mijn telefoon pak klingelen de bedeltjes aan mijn armband tegen elkaar. Het klinkt als een zacht, triomfantelijk applaus. Ik moet een bericht versturen en wil geen moment meer verliezen voordat ik dat doe.
Ik scrol door mijn contacten en klik op het nummer van Thierry.
* * *
Thierry woont in een piepkleine studio in de Marais. Het is maar één kamer, maar het magische is dat hij een smal balkonnetje heeft waar precies twee stoeltjes naast elkaar kunnen staan. We zitten er al uren en ik heb meer gepraat dan ik volgens mij ooit heb gedaan. We zijn het erover eens dat we het rustig aan gaan doen. We willen allebei niet gekwetst raken en ik weet dat hij op zijn hoede is doordat ik hem eerder de rug heb toegekeerd. Maar hij wil ons nog een kans geven, en ik voel de verbondenheid tussen ons sterker dan ooit, aan beide zijden van de relatie.
Als Thierry naar binnen is om een fles wijn en twee glazen te pakken gaat mijn telefoon. Ik wil het moment niet verpesten en maak aanstalten hem uit te zetten als ik zie dat het Sophie Rousseau van het Palais Galliera is.
‘Met Harriet,’ zeg ik behoedzaam.
Haar stem klinkt warm wanneer ze me vertelt dat zij me als eerste wilde feliciteren met mijn nieuwe baan.
Als Thierry terugkomt sta ik tegen de balustrade geleund over de stad uit te kijken. Het begint donker te worden en de stadsverlichting gaat aan, als pailletten op een gewaad van zwart fluweel. Ze noemen het de lichtstad. En ik kan het nu ook mijn thuis noemen.
* * *
Dat weekend gaan we het vieren met Simone en de rest van de groep, in diezelfde kelderbar waar Thierry en ik elkaar voor het eerst hebben ontmoet. Er klinkt muziek, ik voel vriendschap en de drank vloeit rijkelijk terwijl er wordt getoost op mijn nieuwe carrière. Thierry en ik houden onder tafel elkaars hand vast, willen elkaar geen moment loslaten nu we elkaar hebben gevonden.
Aan het eind van de avond besluiten we met Simone terug te lopen naar het appartement aan de Rue Cardinale. We nemen afscheid van de rest en slenteren gedrieën naar huis. Simone loopt een stukje achter ons, geeft Thierry en mij de ruimte om samen te zijn. Ik vind het heerlijk het gevoel te hebben zo dicht bij hem te zijn, zijn arm om mijn middel te voelen. Ik kijk over mijn schouder en zie dat Simone stilstaat en iets zoekt in haar tas. Ze vist er twee oortjes uit, zwaait er triomfantelijk mee naar me en loopt dan weer verder, een paar meter achter ons aan, luisterend naar haar muziek.
Ik hoor ver achter ons vaag het geluid van sirenes, draai me om en zie in de verte blauwe lichten flikkeren. Ze komen snel dichterbij, over straat racend achter een wit busje aan, dat ze onze kant op jagen. Simone hoort de sirenes nog niet vanwege haar muziek en glimlacht naar me met een vragende blik in haar ogen. Ze denkt dat ik sta te wachten tot ze bij ons is en gebaart vriendelijk dat ik door moet lopen. Maar dan komt het busje op haar af razen en verliest de chauffeur de macht over het stuur. De lichten van de politieauto komen naderbij, slokken de witte zijkant van het busje in hun blauwe vlammen op terwijl ze het de pas afsnijden en proberen het tot stilstand te dwingen. De tijd lijkt stil te staan als het busje slingerend de stoep achter Simone op rijdt.
Ik begin zonder erbij na te denken te rennen.
Ik sprint naar de blauwe lichten, naar Simone, die als bevroren is blijven staan nu het licht ook haar heeft gevonden en haar in silhouet afzet tegen het witte metaal dat haar hoog de lucht in zal slingeren als het haar raakt, haar lichaam reducerend tot een gebroken, in elkaar geklapte massa.
Ik bereik haar een fractie van een seconde eerder dan het busje en duw haar met alles wat ik in me heb opzij.
Ik hoor een gil en een geluid als een zweep die in de lucht knalt.
Dan gaan de lichten uit en is het donker.
* * *
Mijn vader leest me voor het slapengaan voor. Uit Onder moeders vleugels, zo dringt het tot me door, een van mijn favoriete boeken. Ik luister naar het timbre van zijn stem, hoofdstuk na hoofdstuk, terwijl hij me het verhaal van Meg, Jo, Beth en Amy vertelt. Het is natuurlijk een droom, maar het is zo’n geruststellende dat ik mijn ogen niet wil openen om er een einde aan te maken. Dus houd ik ze dicht, zodat ik nog even kan vertoeven in een tijd van onschuld die al jaren voorbij is.
Maar iets probeert me almaar uit mijn droom te trekken. Een knagende gedachte die ik niet kan pakken, net buiten mijn bereik. Ze zegt me mijn ogen open te doen, vertelt me dat hoewel een deel van mijn verleden vol vriendelijkheid en liefde was, ik een heden en toekomst heb die zijn vervuld van nog meer liefde. Een andere stem – niet die van mijn vader – vertelt me dat het tijd is om te ontwaken en te leven.
Als ik uiteindelijk mijn ogen open, kleurt het zachte licht van de herfstmiddag aan de andere kant van het raam van een onbekende kamer de bruine bladeren die naar de grond dwarrelen goud. Mijn hoofd voelt vreemd zwaar en beklemd, alsof mijn hoofdhuid er te strak omheen is gespannen. Ik probeer het heel voorzichtig een fractie te draaien, eerst de ene kant op en dan de andere. Links van me zit mijn vader in een stoel aan mijn bed, geconcentreerd in het boek in zijn handen turend terwijl hij het verhaal van de familie March voorleest. Rechts van me zit Thierry. Hij zit met gebogen hoofd, alsof hij bidt terwijl hij naar de woorden luistert die mijn vader spreekt. Hij houdt mijn hand vast, zorgvuldig het slangetje ontwijkend dat naar een infuusstandaard naast mijn bed loopt.
Ik geef Thierry experimenteel – aangezien alles zo ver weg en los voelt en ik niet zeker weet of ik mijn vingers voel – een kneepje in zijn hand. Hij reageert niet, dus probeer ik het nog een keer.
Nu kijkt hij op. Als zijn blik de mijne vindt verspreidt een glimlach als een zonsopkomst zich langzaam over zijn gezicht, alsof al zijn gebeden in één klap worden gehoord.
* * *
Mijn ziekenhuiskamer is een bloemenzee. Een vaas felgele zonnebloemen van Simone staat op de vensterbank naast rozen van Florence en mijn collega’s van Agence Guillemet en een bosje zoetgeurende fresia’s van Sophie Rousseau van het Palais Galliera.
De grootste bos bloemen komt van mijn stiefmoeder en -zusjes en is bezorgd met een kaartje waarop ze me hun liefs overbrengen en ik word aangespoord zo snel mogelijk naar huis te komen. ‘Ze willen je vreselijk graag zien,’ zegt pa. ‘Zodra het vakantie is, komen ze hierheen. We zijn allemaal zo trots op je, Harriet. En de meiden houden er maar niet over op dat het zo cool is dat ze een grote zus hebben die een carrière in de Parijse modewereld heeft.’
‘Ik leid hen graag een keer door het museum,’ zeg ik, en ik betrap mezelf erop dat ik het meen. Ik mis hen.
Ik blijk vijf dagen in een kunstmatig coma te hebben gelegen. Mijn vader heeft al die tijd aan mijn bed gezeten en me voorgelezen uit het boek dat mijn stiefmoeder in zijn haastig ingepakte koffer heeft gegooid. ‘Lees dit aan haar voor,’ zei ze volgens hem. ‘Het is altijd Harriets lievelingsboek geweest.’
Thierry komt vaak op bezoek en hij heeft het hart van alle verpleegkundigen veroverd, zeggen ze. ‘Niet dat hij ons ooit opmerkt. Toen je in coma lag, is hij geen moment van je zijde geweken. Zo romantisch!’
Ik herinner me niets van het ongeluk, dus Thierry vult de ontbrekende stukjes van de puzzel aan. ‘De politie achtervolgde een verdachte. De tip die ze hadden gekregen bleek te kloppen, want er lag materiaal achterin waar je bommen mee kunt maken. De chauffeur was onderdeel van een terroristische cel. Er zijn meerdere arrestaties geweest.’
Hij pakt mijn hand en streelt die, voorzichtig om de pleister niet te raken die over de naald is geplakt die me verbindt met het infuus dat naast mijn bed staat. ‘Je hebt Simone aan de kant geduwd en haar leven gered. Dat busje zou finaal over haar heen zijn gereden. Maar toen je op haar af rende werd je geraakt door de buitenspiegel en ging je knock-out. Ik dacht dat je dood was. Het was het ergste moment van mijn leven. Ik mocht van de politie niet bij je; je had een zware hoofdwond en ze waren bang dat je je nek had gebroken, dus we mochten niet aan je komen. En toen kwam de ambulance, en die heeft je hierheen gebracht. Ze hebben een scan gemaakt en je geopereerd om de druk op je hersenen te verlichten. Je bent in coma gebracht om de zwelling de kans te geven te slinken. Ze zeiden dat het op het randje was. Ze zeiden dat ik je vader moest bellen en hem moest vragen zo snel mogelijk te komen. Simone en ik waren buiten onszelf van de zorgen. En zij was zelf ook in shock. Ze komt ook elke dag op bezoek, maar er mogen maar twee mensen tegelijk bij je binnen.’
Thierry belt Simone om haar te laten weten dat ik wakker ben en ze wil me per se spreken. Het is niet echt een gesprek nu ik zo suf ben en zij me huilend bedankt dat ik haar leven heb gered, steeds maar weer opnieuw. Maar tussen haar tranen door belooft ze me dat ze morgen bij me op bezoek komt.
Ik ben uitgeput. Mijn hoofd voelt nog zwaar, mijn brein wollig door de medicatie en een hersenschudding, dus kust pa me op mijn voorhoofd, net onder de rand van het verband, en gaat terug naar zijn hotel. Als hij is vertrokken doet Thierry zijn schoenen uit en komt naast me in bed liggen, waar hij voorzichtig een arm om me heen slaat.
‘Ik heb iets voor je,’ zegt hij. Hij steekt zijn hand in zijn zak en haalt mijn bedelarmband eruit. ‘Ze moesten hem afdoen voor de scan en de verpleegkundige heeft hem aan mij gegeven. Ik weet hoe belangrijk hij voor je is.’
‘Dank je. Wil jij hem even omdoen?’
Hij maakt hem dicht. Dan vist hij iets anders uit zijn zak. Een vierkant doosje. Hij maakt het voor me open en er zit een gouden hartje in, met daarin de letter H gegraveerd.
‘Ik dacht dat er wel plaats zou zijn voor nog een bedeltje aan je armband,’ zegt hij dan.
Ik leg glimlachend mijn bonkende hoofd tegen zijn schouder te rusten, die aangenamer voelt dan een kussen ooit kan doen. Dan val ik, het doosje nog in mijn hand, weer in een diepe, diepe slaap.
* * *
Simone komt de volgende ochtend als ik bijna klaar ben met mijn ontbijt. Het bestaat uit een in plastic ingepakte croissant en een kop koffie, maar aangezien het het eerste is wat ik in bijna een week heb gegeten smaakt het heerlijk en is het in ieder geval veel bevredigender dan dat infuus.
Nadat ze me zo stevig heeft omhelsd dat ik bijna stikte trekt Simone haar neus op om de restanten op mijn dienblad. ‘Getver, dat ziet er oneetbaar uit,’ zegt ze. Dan loopt ze met het dienblad naar het lege tafeltje naast het bed tegenover dat van mij. Ze pakt een bakje heerlijk geurende aardbeien uit haar tas, een vers geperst sapje van de sapbar om de hoek van het appartement in de Rue Jacob, een doosje macarons van Ladurée en twee repen Côte d’Or-chocolade.
‘Alsjeblieft,’ zegt ze terwijl ze me het sap overhandigt. ‘Drink dit maar op. Je hebt de vitamines nodig. En dan mag je daarna de rest opeten.’
Het sap heeft een beetje een rare groenbruine kleur, maar wat er ook in zit, het smaakt heerlijk.
Simone trapt haar schoenen uit, legt haar voeten op mijn bed, en dan brengen we, kletsend en chocolade etend, een gezellig uur door. Ze vertelt me het laatste nieuws van Agence Guillemet en brengt liefs van iedereen daar aan me over.
Uiteindelijk komt een verpleegkundige melden dat ze weg moet omdat ik moet rusten, en dan pakt Simone haar spullen. Ze omhelst me nogmaals, in een gebaar van solidariteit, zusterlijke verwantschap en vriendschap. Dan staat ze op en gaat op weg naar de deur, maar ze blijft even staan en zegt over haar schouder: ‘Mijn hele familie eist overigens dat ik naar huis kom en jou meeneem. Iedereen wil je leren kennen. Om je persoonlijk te bedanken dat je mijn leven hebt gered. In het bijzonder mijn grootmoeder, Mireille. Ze zegt dat ze je meer over Claire wil vertellen… over wat er daarna is gebeurd. En ze heeft iets voor je.’
* * *
Rond lunchtijd komt mijn vader met pasteitjes van een charcuterie waar hij op weg van zijn hotel naar het ziekenhuis langs kwam. We eten ze samen op terwijl hij vertelt hoeveel zin mijn zusjes hebben om eind oktober op bezoek te komen. Mijn stiefmoeder heeft al kaartjes voor de Eurostar geboekt. ‘Ze missen je, Harriet. Ze kijken er vreselijk naar uit bij je te zijn. Wij allemaal.’
Hij pakt mijn hand stevig vast. ‘Ik moet je mijn excuses aanbieden,’ zegt hij dan.
‘Waarvoor?’ vraag ik. Ik heb oprecht geen idee.
‘Dat ik het allemaal zo klunzig heb aangepakt toen je me zo nodig had. Het spijt me verschrikkelijk. Ik zag wel hoe moeilijk je het had toen Felicity… nou ja, toen ze was overleden. Ik zat zo met mijn eigen schuldgevoel, met het gevoel dat ik je had laten vallen, dat ik de woorden niet kon vinden die gesproken moesten worden om je erdoorheen te helpen. Ik had je gerust moeten stellen, je bij ons moeten houden in plaats van je naar kostschool te sturen. Ik dacht destijds dat het het beste was, dat ik je er de ruimte mee gaf die je nodig had in plaats van je te dwingen in een nieuw gezin te komen wonen. Maar ik denk nu dat het waarschijnlijk het laatste was wat je nodig had. We hadden bij elkaar moeten blijven en het samen moeten rooien, hoe moeilijk dat ook zou zijn geweest. Dan was het vast beter afgelopen. Ik had er voor je moeten zijn.’
Ik knijp in zijn hand. ‘Het is goed, pa. Ik denk dat we allemaal ons uiterste best deden om van een afgrijselijke situatie het beste te maken. Ik weet dat je het beste met me voorhad, maar ik denk ook dat niemand wist wat dat was. Ik zie nu wel in hoe moeilijk het ook voor jou was. Voor ons allemaal. Maar we hebben het gered. Ouder en wijzer, toch? En volgens mij zijn we allemaal toe aan een nieuw begin.’
Ik zie nu in, met het voordeel dat ik er achteraf op terugkijk, in een heel nieuw perspectief, dat het voor hem ook echt moeilijk is geweest. En het moet voor mijn stiefmoeder ook zwaar zijn geweest. Ik besef nu ook hoe hard zij haar best heeft gedaan om voor me te zorgen en me onderdeel te maken van het gezin waar ik zo plotseling met een katapult in was geschoten.
Pa raakt de bedeltjes aan mijn armband aan. ‘Felicity was gek op die armband, ze had hem altijd om. Hij verbond haar aan haar eigen moeder. Ik vind het fijn te zien dat jij hem ook draagt. Ze zou blij zijn geweest te zien dat je de traditie voortzet.’
Dan vullen zijn ogen zich met tranen en trek ik hem in een omhelzing naar me toe. Hij streelt mijn haar, zoals hij dat deed toen ik klein was, en dan glimlacht hij door zijn tranen heen. ‘Ik ben zo blij dat ik je niet ben kwijtgeraakt, Harriet. Dat zou te veel zijn geweest. Ik hou van je en ik ben zo trots dat je mijn dochter bent.’
Als hij is vertrokken denk ik na over wat ik heb geleerd over de paradox van de liefde: als de prijs die te verliezen een te groot risico is, trekken we ons terug om ons te beschermen tegen dat verlies, ook al weerhoudt ons dat ervan om met heel ons hart lief te hebben. Nadat ma doodging denk ik dat pa en ik onszelf hebben beschermd om dat nooit meer te hoeven voelen. Maar misschien dat we nu allebei, eindelijk, de last van ons verdriet kunnen loslaten en samen verder kunnen lopen. Elkaar kunnen troosten.
De vader en dochter die werden achtergelaten.