Hoofdstuk 7: Harriet - De geheimen van Parijs
By Fiona Valpy
EEN VAN DE DINGEN BOVEN aan mijn lijstje van dingen die ik in Parijs wil doen is een bezoekje aan het Palais Galliera, het modemuseum. Ik heb er foto’s van gezien, maar niets heeft me voorbereid op de ongelooflijke schoonheid die ik er aantref. Het is een schitterend paleis, een perfect gebouw als een bruidstaart, met witstenen pilaren en balustrades in Italiaanse stijl. Ik kom binnen via een barok poorthuis in een zijstraat vol bomen in een van de elegantste wijken van Parijs en heb het gevoel dat ik de stad uit gelopen ben en pardoes in een idyllisch plattelandstafereel ben terechtgekomen. Bomen omsluiten het keurig bijgehouden park en boven de herfsttakken zie ik de Eiffeltoren de blauwe hemel in wijzen. Her en der staan standbeelden, en een kopergroene meisjesfiguur, het middenstuk van een fontein voor het paleis, wordt omringd door lintachtige bloembedden die zorgvuldig in een mozaïek van geel en goud zijn geplant.
Mijn hart klopt verwachtingsvol terwijl ik het brede witte bordes naar de zuileningang beklim.
Tot mijn nog grotere vreugde ontdek ik dat er een tentoonstelling over de jaren vijftig loopt. Dus voelt het of ik zó dicht terug word gebracht naar de oorlogsjaren dat ik het werk van Claire en Mireille zo ongeveer kan aanraken. De jurken, pakken en jassen die zij hebben genaaid zijn de directe voorlopers van de kleding die ik hier nu zie hangen. Ik dwaal door de grote zaal en neem de elegantie van dat gouden tijdperk in de haute couture in me op. Christian Diors New Look domineert het beeld met zijn wespentailles en wijde rokken, die het antwoord van de mode waren op de beperkingen van de oorlogsjaren. Maar er hangen ook klassieke Chanel-pakjes en verbijsterende, verraderlijk eenvoudig uitziende Balenciaga-japonnen die zijn geborduurd met bergkristal. De stukken laten het begin en einde van een tijdperk zien, een laatste, korte bloeiperiode van de Franse couture van vlak na de oorlog, voordat die werd verdrongen door de nieuwe prêt-à-porter-trend.
Ik dwaal lang door het museum, als betoverd door de stukken. Behalve de tentoonstelling over de jaren vijftig zijn er zalen vol modegeschiedenis, van kleding die is gedragen door Marie-Antoinette en keizerin Josephine tot het zwarte jurkje dat Audrey Hepburn aanhad in Breakfast at Tiffany’s. Alles is even adembenemend mooi.
Als ik uiteindelijk weer de frisse herfstdag in loop, besluit ik langs de rivier terug te wandelen in plaats van ondergronds te duiken om de metro te nemen. De bomen aan de quais langs de rivier kleuren goud en het water van de Seine glinstert van hetzelfde gouden licht tot het in een soort tegenovergestelde alchemie door passerende boten vol toeristen wordt omgezet in tin.
Ik denk tijdens mijn wandeling, teruggebracht in de tijd door de prachtige kleding in het Palais Galliera, aan wat ik tot dusverre heb gehoord over het leven van mijn grootmoeder tijdens de oorlog in Parijs.
Ik heb er gemengde gevoelens over. Nu ik wat meer weet kan ik niet wachten te horen wat er verder allemaal is gebeurd. Op hetzelfde moment vraag ik me naar aanleiding van wat Simone me heeft verteld af of ik mijn grootmoeder Claire als ik haar zou hebben gekend aardig zou hebben gevonden. Vergeleken bij Mireille komt ze over als nogal zwak en behoorlijk geobsedeerd door de oppervlakkige wereld van de Parijse glamour.
Ze was natuurlijk nog jong toen het allemaal gebeurde, maar dat was Mireille ook, dus dat is geen excuus. Ze had overduidelijk een zware jeugd gehad, was opgegroeid zonder moeder en in armoede in een huishouden van mannen waarin van haar verwacht werd dat ze al op jonge leeftijd het hele huishouden bestierde.
Ik begrijp dus best dat ze snakte naar een leven van luxe en elegantie. Ik denk dat we in een bepaald opzicht niet zo veel van elkaar verschillen.
En dan bedenk ik dat mijn fascinatie voor mode misschien wel via mijn genen aan me is doorgegeven. Heb ik die van Claire geërfd? Of gaat het eenvoudigweg om het verlangen uit onze omstandigheden te ontsnappen naar een wereld vol fantasie en glamour? Hoe dan ook brengt die gedachte een vreemde mengeling van emoties met zich mee. Omdat ik altijd heb gedacht dat ik mijn eigen pad uitstippelde, dat mijn passion for fashion, zoals mijn vader het af en toe neerbuigend noemde, van mij en van mij alleen was. Het werd een belangrijk onderdeel van mijn identiteit, een deel van mijn individualiteit waar ik me aan vastklampte in een huishouden waarin ik het gevoel had dat ik nauwelijks werd opgemerkt. Nu het tot me doordringt dat het misschien helemaal niet zo’n uniek onderdeel van me is maar misschien een van de draden die tot generaties geleden is terug te leiden, geeft me dat een vreemd onbestendig gevoel.
Dit besef brengt me, onvermijdelijk, naar twee andere gedachten, die zich ineenstrengelen en een knoop in mijn maag vormen. De eerste is geruststellend, een gevoel van connectie en continuïteit, een gevoel dat ik op onbekende manieren ben verbonden met mijn voorouders; de tweede is verontrustend, een gevoel dat ik gevangenzit in een familiegeschiedenis waarvan ik niet zeker weet of ik er wel deel van wil uitmaken. Is mijn verbintenis met mijn voorouders een goede of slechte zaak? Wie waren die mensen? En wat heb ik verder nog van hen meegekregen? Van mijn grootmoeder? Van mijn moeder?
Mijn moeder. Was diezelfde nalatenschap iets wat de depressie in haar leven heeft gebracht die uiteindelijk haar ondergang heeft betekend? Zat er een instabiele factor in de fundering van haar wezen die ervoor heeft gezorgd dat ze is afgebrokkeld en ingestort? Ik herinner me haar als fragiel. Ik herinner me dat ze piano voor me speelde, me urenlang vermaakte met kinderrijmpjes en me in december kerstliedjes leerde; dat waren gelukkige tijden, verlicht door het daglicht dat door de tuindeuren naar binnen stroomde. Maar ik werd soms ook midden in de nacht wakker van iets anders, de verdrietige klanken van een nocturne of de tergende melodie van een sonate in mineur, wanneer ze in het donker zat te spelen om zichzelf alweer een eenzame nacht door te helpen.
Als ik aan het huis denk waar zij en ik hebben gewoond schiet er ongevraagd een beeld door mijn hoofd van blauw flitslicht en handen die me tegenhouden terwijl ik een deur probeer binnen te gaan die op een kier staat. Ik sla de deur in mijn hoofd dicht, wil er niet nogmaals naar binnen. Ik ben te bang. Ik ben er nog niet klaar voor. Ik heb de afleiding nodig eerst Claires verhaal te ontrafelen voordat ik het recentere verleden kan bezoeken…
Mijn familiegeschiedenis is tot dusverre een groot raadsel geweest, een versleten tapijt vol gaten. Mijn moeder wilde er niet over praten. Heeft een gevoel van schaamte haar daarvan weerhouden?
Het voelt essentieel dat ik erachter kom. Simones verhaal over de herinneringen van haar grootmoeder helpt me langzaam mijn eigen verhaal te reconstrueren. Maar ik heb sinds kort het gevoel dat ze terughoudend is het verhaal verder te vertellen: ze heeft het vaak te druk, of gaat uit met andere vriendinnen. Misschien beeld ik het me in, maar ik denk een verkilling tussen haar en mij te voelen sinds die avond in dat café waar ik uren met Thierry heb zitten praten. Ik probeer het van me af te schudden. Ze heeft hem per slot van rekening aan me voorgesteld als gewoon een van haar vrienden en niets gezegd over een speciale band met hem. Ik houd mezelf voor dat ze wel geen zin zal hebben me elke keer dat ze uitgaat mee te vragen en dat we natuurlijk onder grote druk staan op ons werk. Toch knaagt het aan me, de afstand die tussen ons lijkt te groeien en de enigszins ongemakkelijke sfeer die er lijkt te hangen als we samen in het appartement zijn.
Ik wil echter meer weten van het verhaal dat we delen. Ik wil meer weten over wie mijn moeder en grootmoeder echt waren. Welke geschiedenis is er via hen op mij overgedragen? Ik wil ook weten wie ik zelf echt ben.
Op televisie heb je van die programma’s, waar ik nooit aandacht aan heb besteed, maar waar mijn stiefmoeder soms naar keek, over mensen die op zoek gaan naar hun voorouders. Ik kan me vaag herinneren dat ze online in volkstellingen en huwelijks- en overlijdensaktes zochten naar de sporen die hun familie door de generaties heen heeft achtergelaten.
Teruggekomen in mijn kamer open ik na een moment aarzelen mijn laptop en begin aan mijn eigen zoektocht…
En die is niet moeilijk. Ik hoef me alleen maar in te schrijven bij het archief, de informatie in te typen over de persoon die ik zoek, en dan sturen ze me binnen een paar weken de gevraagde documenten. Ik moet even nadenken over de meisjesnaam van mijn moeder, en dat typ ik Claire Redman in op het zoekformulier en Meynardier bij MEISJESNAAM. Dan klik ik de vakjes HUWELIJKSAKTE en OVERLIJDENSAKTE aan en druk op VERZENDEN.