Hoofdstuk 15 - Schijnverloofd met een lord
By Mariah Stone
Nog negen dagen tot de bruiloft...
* * *
'De aankondiging van onze verloving,' zei Richard, terwijl hij Jane de krant van die dag overhandigde.
Samen met Ruby stonden ze aan de overkant van de drukke Bond Street, precies tegenover de winkel van de modiste waar zijn grootmoeder kind aan huis was.
'Madame Dubois' stond er in sierlijke letters op het uithangbord. Jane zag rozen en paspoppen waarop prachtige jurken werden tentoongesteld in de grote, glazen erkers. Koetsen reden voorbij en elegante dames en heren flaneerden door de straat, met mooie dozen en pakjes in de hand, op weg naar de volgende winkel. In Bond Street waren hoedenmakers, kleermakers, winkels voor linten en kant, en nog veel meer. Natuurlijk zou Jane liever naar de boekwinkel gaan, die ze naast de winkel voor tabak en snuifdozen zag.
Jane staarde naar de krant die Richard haar voorhield en las:
Twee adellijke harten kondigen hun aanstaande verbintenis aan. De weledele lord Richard Seaton, broer van Zijne Genade Preston, hertog van Grandhampton, zal op 24 juni 1813 in het huwelijk treden met miss Jane Grant, de dochter van wijlen de weledele lord Grant.
'Prachtig,' zei ze.
Er was niets prachtigs aan. Sterker nog, gisterochtend had haar juist duidelijk gemaakt dat ze sneller moesten handelen om de verloving te verbreken. Ze wilde geen tijd verspillen met het laten maken van jurken en het bijwonen van soirees.
Richard fronste lichtjes. Goed zo. Dat was tenminste iets anders dan de normaal gesproken onbewogen uitdrukking op het gezicht van deze man, die haar zo woedend maakte. Het kon hem totaal niet schelen dat hij haar had bedrogen en haar vertrouwen had beschaamd door achter haar rug om weg te sluipen. Hoe moest ze hem ooit nog vertrouwen? Ze had een grote fout gemaakt door hem in haar kamer toe te laten. Hem te kussen... hem haar te laten vasthouden...
'Wil je de krant niet naar je broer brengen?' vroeg Richard. 'Hij zal er blij mee zijn.'
Of Thorne er blij mee was of niet, was niet Jane's grootste zorg. Zijn onderzoekende blik voelde sinds de gebeurtenissen van gisterochtend als een last op haar schouders. Het gevaar van een gedwongen huwelijk was groot, ook al wilden Richard en zij de verloving verbreken.
Haar school opgeven was geen optie. En een huwelijk met een man die ze niet meer vertrouwde, was al helemaal ondenkbaar. Dat kon ze niet verdragen.
Jane griste de krant uit Richards hand en gaf hem aan Ruby. 'Zou jij dit alsjeblieft aan mijn broer willen geven, Ruby?' vroeg Jane.
Ruby vouwde de krant open en een trotse glimlach verscheen op haar gezicht toen ze de huwelijksaankondiging vluchtig las. 'Dat zal ik zeker doen.'
'Is er iets mis?' informeerde Richard voorzichtig. 'Ik dacht dat je blij zou zijn. Ik volg de regels van je broer, die ik verafschuw. De datum is vastgesteld. De aankondiging is gedaan. De huwelijksakte is geregeld. Vanavond zullen we ons aan de ton presenteren als verloofd stel. Ik doe alles wat je broer van me verlangt.'
'Ja, lord Richard,' perste Jane tussen samengeklemde tanden uit. 'Ik ben dolblij dat ik voor deze frivoliteit de school mis.' Ze maakte een afwerend gebaar in de richting van de winkel van madame Dubois. 'Mijn leerlingen maken eindelijk vorderingen. We zijn begonnen de letter C te leren.'
Richards kaak spande zich aan. 'Het spijt me dat je je les mist, Jane.'
Jane snoof minachtend. 'Spijt het je? Ik geloof geen woord dat uit je mond komt.'
Zijn zelfvoldane uitdrukking werd nog donkerder. 'Vanwege het briefje?'
Jane beantwoordde zijn doordringende blik, haar stem was nauwelijks meer dan een fluistering. 'Ja, vanwege het briefje. En na wat er twee nachten geleden is gebeurd...'
De hitte schoot naar haar wangen toen ze zich herinnerde hoe ze zich beiden kwetsbaar hadden opgesteld, hoe stoutmoedig ze zich had gedragen. Het leek alsof het allemaal voor niets was geweest.
Ze wierp een blik op Ruby, die nog steeds in zichzelf glimlachte en de pagina met huwelijksaankondigingen bestudeerde. Ze moest er zeker van zijn dat het dienstmeisje haar niet hoorde.
'Je mag me nooit meer kussen of aanraken, Richard,' siste ze. Hij knipperde met zijn ogen en ze was verbaasd een flits van pijn in de diepte van zijn ogen te zien. Zijn wenkbrauwen fronsten zich en zijn mond vormde een streep. 'Ik was degene die de regels overtrad die avond, dat moet ik tot mijn grote spijt toegeven. Het zal nooit meer gebeuren. En waag het niet om iets te proberen.'
Zijn gelaatstrekken werden weer het emotieloze, beleefde masker van een welgemanierde heer. 'Zoals je wenst.'
'Wat stond er in het briefje?' vroeg Jane nog zachter.
'Als ik het je vertel, beloof je me dan dat je Thorne niets zult vertellen?'
'Dat hangt ervan af wat er in het briefje staat. Als het iets is dat hem kan belasten, moet ik ervoor zorgen dat mijn broer veilig is.'
'In dat geval kan ik het je niet vertellen.'
Jane schudde haar hoofd. 'Kun je het niet of wil je het niet?' vroeg ze.
Hij beantwoordde haar blik zonder te wankelen, maar elk spoor van warmte verdween uit zijn ogen. 'Als je je bezoek aan de winkel van madame Dubois niet tot de volgende eeuw uitstelt, kun je morgen misschien lesgeven.'
Het liefst had Jane gegromd. 'Goed dan. Vertel het niet. Kun je me tenminste beloven dat je Thorne niet zult schaden?'
Richards neusvleugels trilden. 'Net zoals jouw broer de mijne niet heeft geschaad?'
'Nee,' zei Jane. 'Maar toch. Hoewel Thorne een gevaarlijke man is, is hij mijn familie. Hij heeft me opgevoed. En ik houd van hem. Ik smeek het je. Beloof me dat je hem geen kwaad zult doen.'
Richard haalde scherp adem en richtte zijn blik op de overkant van de straat. 'Ik wou dat ik je dat kon beloven. Maar dat kan ik niet. Als het gaat om het leven van mijn broer of de vrijheid van jouw broer, is mijn keuze duidelijk.'
Dat brak haar hart een beetje. Vervloekt vent. Ze moest echt bij hem uit de buurt blijven. Niet denken aan hoezeer ze hem begreep, hoezeer ze medelijden met hem had en hoe gelukkig het haar maakte om gewoon met hem te praten.
Dat was allemaal een leugen, herinnerde ze zich. Het spel van een bonvivant.
'Nou,' zei Richard. 'Ga je die winkel nog in?'
Jane bekeek de winkel van madame Dubois. Zelfs de gordijnen waren teer, modieus en mooi.
Het idee dat ze de fijnste stoffen en de beste, meest flatterende ontwerpen zou dragen, wond haar op een vreemde manier op. Ze herinnerde zich de dag dat ze naar een modiste was gegaan om haar jurk voor Almack’s te laten maken. Ze had daar gestaan en naar haar spiegelbeeld gekeken, terwijl twee vrouwen om haar heen liepen, haar maten opnamen en iets opschreven. Daarna volgde de eerste pasbeurt, waarbij ze met talloze spelden werd geprikt. En dan die spannende dag waarop de nieuwe jurk eindelijk aankwam. Ze had haar adem ingehouden toen ze het lint dat om de doos was gewikkeld losmaakte en het deksel optilde. En toen had ze naar adem gehapt.
Vijf jaar lang had Ruby haar jurken genaaid. Niet omdat Thorne haar geen geld had gegeven. Integendeel, hij had erop aangedrongen dat ze naar de modistes in Mayfair ging. Maar ze vond het ongepast om in Whitechapel modieuze jurken te dragen, terwijl de kinderen op straat dagenlang niets te eten kregen. Ze gaf haar kleedgeld liever uit aan de school of schonk het aan goede doelen.
Maar, vermoedde ze, de oude, in Mayfair geboren Jane was nog niet dood. De maag van de oude Jane kromp ineen van opwinding bij het idee de winkel binnen te gaan.
Twee dames verlieten de winkel van Madame Dubois.
'Kom, Ruby,' zei Jane zonder Richard aan te kijken. 'Laten we opschieten, dan hebben we het maar achter de rug.'
Met Ruby aan haar zijde stak Jane de straat over, en daarbij voelde ze Richards aandachtige blik in haar rug branden.
'Ik ben in de snuiftabakwinkel,' riep hij haar na, maar ze draaide zich niet om.
Enkele ogenblikken later stapte Jane met Ruby in haar kielzog de winkel van Madame Dubois binnen. De bel boven de deur rinkelde. De geur van stof, hout en rozenparfum met een vleugje lavendel prikkelde Jane's neusgaten.
Het voorste gedeelte van de winkel was groot. Twee paspoppen waren uitgedost met ochtendjaponnen in zacht perzik en pastelpaars, waarbij de stof eerder aan zijde dan aan mousseline deed denken. Een andere toonde een mooie, elegante mantel – een pelerine – met kunstbloemen gemaakt van een glanzende stof die op parelmoer leek. De vierde pop toonde een rijtoerjurk in een rijk koningsblauw zonder glinsterende of fonkelende accessoires, maar met zo'n mooie snit dat die op zichzelf al een accessoire was. Planken met talloze stoffen, geordend in de kleuren van de regenboog, hingen rechts en links aan twee muren. Daarvoor stonden dressoirs met bloemen, linten, veren, parels, kristallen en kant, die ongetwijfeld als accessoires dienden.
Een dame van in de vijftig, gekleed in een lichtroze jurk en een hooggesloten spencer van crèmekleurige zijde, en twee jongere, donkerharige dames in prachtige lavendelkleurige en lichtoranje jurken, stopten met praten toen ze Ruby en Jane aankeken.
Drie andere vrouwen stonden verzameld rond de vijfde en laatste paspop, terwijl ze aan een jurk werkten die totaal anders was dan alles wat Jane ooit had gezien. In tegenstelling tot de pastel-, goud- en zilvertinten die de meesten in de ton droegen, was deze jurk karmozijnrood en zo helder dat je de kamer niet kon binnenkomen zonder hem op te merken. Alle drie de vrouwen zagen er serieus en modieus uit. Alle drie hadden ze een naald in de hand. Een van hen naaide rode kristallen op de zoom van de jurk, die van gaas was. De tweede naaide rode zijden bloemen op de halslijn. En de derde hurkte voor de paspop en bevestigde kant aan de onderkant van de gaaslaag.
De vrouw die het kant bevestigde, keek over haar schouder, stak toen de naald in de stof en kwam overeind. Met opgetrokken wenkbrauwen en een onverschillige blik keek ze hen aan, waarbij ze haar ogen over Jane's figuur liet glijden. De vrouw was knap, in de veertig, met donkere, amandelvormige ogen en dik, sluik zwart haar. Ze droeg een opvallende jurk in rijk bosgroen en een mooie halsketting met een enkele smaragd. De andere twee vrouwen hielden ook stil en staarden Jane met nauwelijks verholen minachting aan.
De dame in de roze jurk en haar mooie metgezellinnen, die vermoedelijk haar dochters waren, staarden hen ook onverbloemd en niet bepaald vriendelijk aan.
Een onbehaaglijk gevoel kroop langs Jane's ruggengraat omhoog. Ze keek naar beneden naar haar bruine jurk om er zeker van te zijn dat er geen vuil van de straten van Whitechapel op zat. Maar hij was schoon. Dus het kon niet daaraan liggen. De bril zat te strak op haar neus, haar schoenen waren te oud. Haar kapje – goedkoop en gewoontjes.
'U bent vast verdwaald,' zei de vrouw in de groene jurk met een sterk Frans accent. Dat moest Madame Dubois zijn.
'Goedendag, Madame Dubois,' zei Jane en klemde haar handen ineen. De vrouw sprak haar niet tegen, dus moest Jane wel gelijk hebben. 'Ik ben niet verdwaald, nee. Ik zou graag een paar jurken willen bestellen en ik hoopte dat u misschien iets had wat u vanavond voor mij zou kunnen afmaken. Er is een soirée...'
De modiste keerde Jane de rug toe terwijl ze aan de rode jurk begon te frunniken, hem recht trok, de bloemen schikte en de kristallen controleerde. Ze wierp Jane een minachtende blik over haar schouder toe en onderbrak haar met een onbeschoft gesnuif. 'U heeft duidelijk nog nooit van mij gehoord als u denkt dat ik zomaar jurken op voorraad heb die van niemand zijn. De hertoginnen van de ton staan op een wachtlijst om van mijn diensten gebruik te mogen maken. Ik kan niet zomaar van iedereen die mijn winkel binnenkomt nieuwe opdrachten aannemen.'
De hitte steeg Jane naar de wangen terwijl de vernedering door haar hele lichaam brandde. Naast haar wiegde Ruby met een sombere uitdrukking van de ene op de andere voet.
Haar gevoel had haar niet bedrogen toen ze had geaarzeld hierheen te komen. Ze kon maar beter gaan. Ze was hier duidelijk niet welkom. Maar zij en Richard moesten vanavond naar de soirée, ze moesten zich laten zien in de ton na de aankondiging van vanmorgen in de krant. En ze had absoluut niets moois om aan te trekken. Haar jurk van Almack's was ze al lang ontgroeid.
Dus moest ze het nog eens proberen. 'Maar misschien...'
'Ik vrees dat ik geen ruimte heb in mijn schema,' zei Madame Dubois, zonder zich naar Jane om te draaien. 'Ik neem geen nieuwe klanten aan. Mijn huidige clientèle eist al mijn aandacht op. Zoals u ziet, wachten lady Fairchild en haar dochters om te passen.'
De dame in de roze jurk schonk haar een veelbetekenende blik en trok één zwarte wenkbrauw op.
Jane had zich nog nooit zo smerig gevoeld als nu. De onuitgesproken waarheid was overduidelijk.
Jij bent niet goed genoeg voor mijn winkel.
'O... Laten we gaan, Ruby,' zei Jane zachtjes.
Met een vlammend gezicht draaide ze zich om en liep naar buiten, terwijl de twee andere naaisters achter haar rug fluisterden en giechelden.
In haar ooghoek zag ze iets bruins voorbijschieten en Jane draaide zich om om de beweging te volgen. Een rat schoot tussen haar voeten door, rende door de winkel en onder de paspop met de rode jurk. Lady Fairchild, haar twee dochters, Madame Dubois en haar assistentes klommen op de werkbladen en gilden de longen uit hun lijf, terwijl ze zich uit pure afschuw aan elkaar vastklampten. Jane, die gewend was aan de aanwezigheid van ratten in Whitechapel, keek rustig toe hoe de rat door de winkel rende, in het midden een rondje maakte en toen snuffelend bleef staan, met een trillend staartje.
Ruby stapte opzij, zodat Jane de deur kon openen en er een stoel tegen kon zetten om het beestje een uitweg te bieden. Toen volgde Jane de rat en joeg het dier zachtjes naar de deur. Uiteindelijk rende de rat naar buiten en klonk er daar eenzelfde soort gekrijs. Toen de zes vrouwen in de winkel ophielden met gillen en opgelucht van de werkbladen klommen, haalde Jane de stoel weg en sloot de deur met een gevoel van voldoening, omdat ze niet, zoals deze dames, haar verstand had verloren uit angst voor een kleine rat.
Madame Dubois was echter niet onder de indruk van haar daad. 'U heeft dat ongedierte meegebracht. Verdwijn en ga terug naar waar u thuishoort voordat u de reputatie van mijn etablissement schaadt. Ik stel voor dat u naar Cheapside gaat. Daar zijn talloze naaisters die wel niet-opgehaalde jurken voor u hebben. Hier, in Bond Street, zou geen enkele klant er ook maar van dromen een jurk niet op te halen.'
Wat had ze gelijk. Ze hoorde bij die rat, buiten, en niet hier in Mayfair. Heet en zwetend van de vernedering knikte Jane en liep naar buiten. Ze had haar plaats moeten kennen. Haar plaats was niet bij Richard en niet in Mayfair.
Haar plaats was in Whitechapel.