Hoofdstuk 6 - Schijnverloofd met een lord
By Mariah Stone
Nadat lord Richard was vertrokken, keerde Jane terug naar het klaslokaal in de veronderstelling dat het helemaal leeg zou zijn.
Ze bleef in de deuropening staan toen ze een kleine gestalte aan een van de tafels zag zitten. Lily bladerde in een boek dat voor haar lag. Hercules stond op uit zijn hondenmand en sjokte met bewonderende, vochtige ogen naar Jane toe. Hij gaf een vrolijk kefje en kwispelde zo hevig met zijn staart dat het leek alsof die elk moment van zijn lijf zou kunnen loskomen.
Zoals altijd vrolijkte de aanblik van Hercules haar op, en ze aaide hem over zijn kop, terwijl ze zijn pogingen om haar te likken afweerde. 'Goed zo,' prees ze hem. Toen keek ze naar het meisje en had het gevoel dat ze haar met één verkeerd woord zou kunnen afschrikken. 'Ik ben blij dat je teruggekomen bent, Lily.'
Geklop deed haar omdraaien, net toen Ruby haar hoofd om de deur stak. 'Ik zag je gehaast hierheen komen. Is alles in orde, Janie? Kan ik iets voor je doen?' Ze fronste haar wenkbrauwen toen ze het lege klaslokaal rondkeek. 'Waar zijn de kleintjes?'
Ruby was een grote vrouw van in de vijftig, met donker haar en een licht gerimpeld, ietwat pafferig gezicht. Ze was een goede ziel en had Jane onder haar hoede genomen toen ze als zestienjarig meisje na de dood van haar vader uit zijn huis was gezet. Voor Jane had Ruby altijd meer als een moeder of een kinderjuffrouw gevoeld dan als een vriendin.
'Ik vermoed dat ze naar huis zijn gegaan. Dank je, Ruby. Er is weinig aan te doen.' Ze glimlachte. 'Maar ik waardeer het dat je even kwam kijken.'
Ruby knikte en vertrok, en Jane richtte haar aandacht weer op Lily en knikte haar bemoedigend toe.
'Ik vind het een mooi boek,' zei Lily. 'En het is hier veel schoner en rustiger dan in de fabriek.'
Jane's hart bonsde terwijl ze voorzichtig een stap dichterbij kwam. 'Dat kan ik me voorstellen.'
Natuurlijk kon ze de kinderen niet dwingen om te blijven en te leren, ze kon hen er alleen toe inspireren het uit zichzelf te willen.
En ondanks de grote tegenslag van vanmorgen, zou ze niet opgeven. Ze zou werken met het ene meisje dat hier wilde zijn. Standvastigheid was cruciaal, en dat moest beginnen met de leerling die er was.
Ook al wilde een deel van haar even gaan zitten om te bevatten waar ze net mee had ingestemd... Ze was nu verloofd, althans, voor de buitenwereld. Natuurlijk zou de bruiloft nooit plaatsvinden, en ze was blij dat lord Richard er net zo over dacht. Thorne zou uiteindelijk teleurgesteld zijn, maar het was voor iedereen beter zo.
Ook al gaf hij zichzelf de schuld dat haar reputatie en haar kansen op een goed huwelijk waren verpest, ze had er nooit spijt van gehad dat ze onder het dak van haar broer leefde. Ondanks het constante gevoel er niet bij te horen, hield ze van deze wereld waar de dingen hard, maar ongecompliceerd en eerlijk waren. Thorne en zijn mannen beschermden haar en zorgden voor haar. Ze voelde zich gewaardeerd, meer dan ze zich ooit gewaardeerd had gevoeld in het kille huis van haar vader, waar ze zijn ijzige aanwezigheid had moeten verduren.
En hier, in Whitechapel, voelde ze zich nuttig. Destijds in Eaglestone House, te midden van het modieuze, weelderige meubilair en de tijdloze schilderijen, had ze zich altijd zo alleen gevoeld.
Ze wilde nooit meer terug naar die wereld waarin ze slechts een meelijwekkende blauwkous was. Hier was ze een lerares die kinderen hielp hun leven te verbeteren en hun toekomst ten goede te keren. Of dat zou ze zijn, als ze hen zover kon krijgen om naar haar les te komen.
Ze glimlachte naar Lily, die haar met grote ogen aankeek. 'Nou, je bent hier, dus laten we gaan leren!'
Lily wierp haar een aarzelende blik toe en knikte toen kort. Het brak Jane's hart om dit meisje te zien in een vuil jurkje met lappen en scheuren, en met een muts die er meer grijs dan wit uitzag. Bovendien staken haar tenen uit de gaten in haar schoenen. Ze zou moeten kijken of ze wat nieuwe kleren voor haar kon regelen. Ze kon dan wel niet naaien, maar met het bescheiden inkomen dat haar vader haar had nagelaten, kon ze wel iets kopen.
'Goed,' zei Jane en ze trok een tweede stoel dichterbij om naast Lily aan tafel te gaan zitten. Het boek lag opengeslagen en toonde een afbeelding van een kleine jongen en een meisje die elkaars hand vasthielden en met bedroefde gezichtjes ergens naartoe liepen. Jane wist meteen dat het The History of Little Goody Two-Shoes van Oliver Goldsmith was, het boek dat ze later met de klas wilde lezen. 'Wat fijn dat je een boek hebt uitgekozen. Waarom juist dit boek?'
'Ik vind de plaatjes erg mooi,' zei Lily.
Jane knikte. Misschien was het verkeerd geweest om de les te beginnen door de onwillige kinderen de saaie letters van het alfabet te willen leren. Misschien was dit precies het verhaal dat de kinderen moesten horen, ook al was het boek nogal moralistisch. Het verhaal ging over een broer en zus die wees waren en die zich door onderwijs en goed gedrag uit de bittere armoede opwerkten.
'Ja, die zijn mooi,' zei Jane. 'Wil je het verhaal horen?'
Lily knikte.
‘Zal ik het je dan gewoon voorlezen?'
Het was precies zoals bij Thornes mannen, realiseerde Jane zich toen ze begon te lezen. In het begin had ze hen de lunch gebracht en was ze naast hen gaan zitten om haar boek te lezen, terwijl ze wachtte tot ze klaar waren. Na een paar dagen had Atticus haar gevraagd wat ze aan het lezen was. Als antwoord had ze een bladzijde uit Robinson Crusoe hardop voorgelezen. Het was verbazingwekkend geweest om te zien hoe vijf volwassen, gevaarlijke mannen haar als aan de grond genageld aanstaarden en aan haar lippen hingen.
Het werd een ritueel. Elke dag had ze hen de lunch gebracht en voorgelezen terwijl ze aten. Sommigen van hen, onder wie Reuben, hadden haar uiteindelijk gevraagd hen te leren lezen en schrijven, wat ze vervolgens 's avonds had gedaan.
Hoezeer de mannen ook van haar voorleessessies hadden genoten, het was voor haar ook een noodzaak geworden om de knagende, verwoestende eenzaamheid van haar dagen in Whitechapel te compenseren, waar ze niemand had gekend behalve haar broer en haar nieuwe dienstmeisje.
Er moeten zo'n twintig minuten zijn verstreken toen buiten het gehaaste geklets van schoenen op modderige grond te horen was. Hercules sprong op, blafte en kwispelde zachtjes met zijn staart. De deur zwaaide open en Peter rende het klaslokaal binnen.
Hercules stopte met blaffen en stak zijn neus in de handen van de jongen. Hercules kende en hield van alle kinderen in de buurt.
'Miss Grant!' schreeuwde Peter hijgend. 'Alstublieft, kom mee!' Jane sprong op. 'Het is Alfie!'
Jane haastte zich met een bonzend hart naar de deur. 'Wat is er gebeurd?' vroeg ze.
Ze was verrast, maar ook verheugd dat Peter naar haar toe was gekomen, ook al hadden de leerlingen eerder de klas verlaten.
'Hij was aan het stelen in Barton's Lane en is betrapt. De man heeft hem bij zijn oor te pakken en dreigt hem voor het gerecht te slepen!'
De kou verspreidde zich door Jane's ledematen.
'Wijs me de weg!' riep ze.
Ze rende achter Peter aan, met Hercules en Lily op haar hielen. Ze haastten zich over de achterplaats van het 'Elysium' en Petticoat Street in, met zijn rijen bakstenen huizen met door roet besmeurde gevels en een levendig marktplein in het midden van de brede straat. Vrouwen met verbleekte en opgelapte sjaals over hun schouders zochten naar het volgende koopje. Vaak hielden ze een baby op hun arm of hadden ze een of twee kleine kinderen op sleeptouw. De stemmen van de kooplieden, die alles aanprezen, van verse vis tot tweedehandskleding, stegen boven het lawaai op het plein uit.
Bij de volgende kruising sloeg Jane linksaf, een web in van smalle, kronkelige steegjes en vervallen gebouwen met gebroken ramen en deuren die scheef in hun scharnieren hingen. Afbrokkelende bakstenen huurkazernes, waarvan de muren in de loop der tijd met het vuil van de stad waren besmeurd, doemden op uit de schaduwrijke steegjes. Wasgoed hing aan lijnen tussen de gebouwen en wapperde als gerafelde geesten in de wind, terwijl in de hoeken afval zich opstapelde en stonk.
Terwijl Jane zich voorwaarts haastte, sprongen straatkinderen voor haar opzij. Hun vuile, haveloze kleding bood nauwelijks bescherming tegen de koude lucht. Mannen met gezichten waar de uitputting en het harde werk van af te lezen was, sjokten door de straten. Hun versleten laarzen sleepten door de vieze modder.
Toen Jane en de kinderen eindelijk aankwamen, had een kleine menigte zich in een kring op de modderige straat verzameld. In het midden hield een woedende man van in de veertig, die rood was aangelopen, Alfie bij zijn oor vast en brulde hem recht in zijn gezicht, terwijl de jongen spartelde en kermde van de pijn.
Jane baande zich een weg door de verzamelde toeschouwers. Haar longen dreigden te barsten van het inspannende rennen, en ze snakte naar adem toen ze zei: 'Alstublieft, meneer, laat u hem gaan!'
De man stopte met schreeuwen en draaide zijn rode gezicht haar kant op. Zijn uitpuilende ogen waren gelig, doorlopen met rode adertjes en hadden melkachtig bruine irissen.
'Hij wist niet wat hij deed,' hijgde Jane. 'Alstublieft.'
'O, hij wist dondersgoed wat hij deed,' gromde de man. 'Je steekt niet per ongeluk je hand in iemands zak en grijpt naar een portemonnee.'
De man was armoedig gekleed, maar niet zo armoedig als de mensen die in deze buurt woonden. Hij droeg een eenvoudig bruin vest dat al een paar jaar oud was en een ouderwetse kniebroek van vervaagde, dunner wordende stof - tekenen van grondig en herhaaldelijk wassen. Hij kon het zich niet veroorloven het geld te verliezen dat Alfie had proberen te stelen.
Toch kon ze niet toelaten dat hij Alfie strafte voor het leven waarin hij was geboren en voor een vaardigheid die hij had geleerd als middel om te overleven.
'Dat is waar,’ zei Jane, 'maar je had honger, hè, Alfie?'
'Ja, juffrouw Grant!' jammerde Alfie. 'Ik had zóóó'n honger!'
Er kwamen tranen in zijn grote ogen, die heldere strepen achterlieten op zijn vuile wangen. Haar maag kromp ineen van bezorgdheid om de jongen. Hij was pas acht jaar oud. Ze kon niet toelaten dat zijn leven voorbij was, zeker niet nu ze net de kans had gekregen om hem te helpen zijn leven te beteren.
'Hij is een leerling op mijn school,' zei ze tegen de man. 'Hij leert lezen, schrijven en rekenen, zodat hij dit niet hoeft te doen. Alstublieft, meneer, laat u hem gaan! Voor deze ene keer.'
Hercules blafte naar de man, die de hond grimmig aankeek en zijn lippen tuitte. Jane bukte en pakte Hercules bij zijn halsband. Op dat moment was hij niet bepaald behulpzaam. 'Zit, Hercules!' beval ze. 'Rustig.'
Hercules, zichtbaar gespannen en ongelukkig, gehoorzaamde en plofte met zijn achterste op de grond, maar hij liet een zacht, waarschuwend gegrom horen en ontblootte zijn tanden.
'Als ik die jongen laat gaan,’ zei de man woedend, 'dan leert hij zijn lesje niet. En die andere deugnieten ook niet.'
De menigte om haar heen werd steeds dichter. Ze zag een veelheid aan uitgeputte, opgezwollen, verweerde gezichten met donkere kringen onder de ogen, afgebroken tanden en vieze vingernagels. Hun vuile, haveloze kleding was deze mensen misschien van generatie op generatie doorgegeven, zo versleten was die inmiddels, of het was van de schouders van een dode man geplukt. Dit was het East End van Londen, waar de mensen in rookeries woonden – krottenwijken. Dat waren scheefstaande huizen met kapotte ramen, lekkende daken en vervallen trappenhuizen. Het was gebruikelijk dat meerdere mensen in één bed sliepen. Sommige mensen huurden bedden in plaats van kamers, en er stonden altijd meerdere bedden in een kamer. Ze had zelfs al gehoord over een vrouw die een bed had gehuurd dat al aan iemand anders was verhuurd, zodat twee vreemden het moesten delen.
De man die was beroofd, zag er in vergelijking met de anderen redelijk welvarend uit, hoewel hij in werkelijkheid niet meer dan een lakei in een koopmanshuis kon zijn.
'Ik zal u persoonlijk schadeloos stellen,' zei Jane, terwijl ze haar eigen beurs onder haar schort vandaan haalde. Thorne wilde dat ze veilig was en zei haar altijd dat ze een beurs bij zich moest dragen. Geld betekende veiligheid, had hij gezegd. En daar had hij meer dan genoeg van. Ze hield de man een pond voor. Een pond was gelijk aan het halve maandloon van een lakei. 'Boven op wat Alfie probeerde te stelen, wat u hem overduidelijk niet hebt laten doen. Voor uw ongemak. Alstublieft.'
De woede van de man zakte en hij begon rustiger te ademen terwijl hij naar het pond staarde. Hij greep het pond en duwde de roodwangige Alfie van zich af, die er vandoor ging met Peter, Lily en de andere kinderen achter zich aan.
'Dank u,' zei Jane tegen de man, die haar niet eens een blik waardig keurde toen hij zich omdraaide, haar pond in zijn zak stak en wegliep, waarbij zijn schoenen zuigende geluiden in de modder maakten. De menigte loste op en ze haastte zich met haar trouwe Hercules aan haar zijde achter de kinderen aan, die ze zo'n tien meter verderop in de straat kon zien.
Ze vond hen toen ze een kleine doodlopende steeg in liep, waar de kinderen zich beschermend om Alfie heen hadden verzameld. Ze wurmde zich er voorzichtig doorheen en hurkte voor de jongen neer, die nog steeds hevig snikkend trilde. Hij probeerde te kalmeren, veegde met de rug van zijn hand over zijn ogen en liet donkere vlekken achter rond zijn ogen, waardoor het leek alsof hij een masker droeg.
'Het is goed, Alfie,' zei ze, terwijl ze in zijn van schrik grote ogen keek. 'Hij is weg. Hij doet je niets. Je bent veilig.'
Zijn bovenlip was nat van het snot en ze gaf hem een zakdoek. Hij veegde zijn neus en ogen af en liet zwarte vlekken achter op de stof. 'Hoe is het met je oor? Laat eens zien, alsjeblieft.'
Hij draaide zich naar haar toe en ze kneep haar ogen tot spleetjes en bestudeerde de rode en gezwollen huid. Hercules jankte en begon het oor van de jongen te likken.
'Kom met me mee terug naar de school,' zei ze. 'Ik heb thuis een verzachtende zalf. Het komt wel goed.'
Alfie liet een droge snik horen en zuchtte. 'Dank u, miss Grant,' zei hij met een zachte stem.
'Graag gedaan.' Ze glimlachte en kneep in zijn dunne, benige schouder. 'Dit is precies waarom jullie naar mijn school moeten komen en leren. Jullie allemaal,' zei ze, terwijl ze naar de bange gezichtjes met grote ogen keek. 'Zodat jullie eerlijk werk kunnen vinden en niet hoeven te stelen en andere nare dingen te doen. Begrijpen jullie dat?'
'Maar ik heb vandaag nog niets gegeten,' zei Alfie. 'En moeder zei dat ik mijn eigen eten moest zoeken.'
Jane knikte. 'Ik begrijp het. Ik zal monsieur Beaumont vragen om broodjes voor jullie te maken. En vanaf nu zorg ik ervoor dat de hele klas ontbijt en lunch op school krijgt, zodat jullie je daar geen zorgen meer over hoeven te maken. Als ik dat doe, beloven jullie dan dat jullie niet meer stelen?'
De kinderen keken haar met grote, verbaasde ogen aan en knikten.
Jane glimlachte. 'Goed. Kom dan maar mee.'
Toen ze haar kleine schare van bange, maar hoopvolle kinderen terug naar de school leidde, had ze het gevoel dat ze zojuist een kleine overwinning op haar verleden had behaald. En ze was er meer dan ooit van overtuigd dat onderwijs hen een betere toekomst kon bieden.
Dit was nog een bevestiging dat ze lord Richard de gewenste informatie moest bezorgen en deze verloving zo snel mogelijk moest verbreken. Hoe langer de verloving duurde, hoe waarschijnlijker het werd dat ze met de man zou moeten trouwen.
Dit werk was belangrijk. Het had de macht om levens te veranderen. En als de vrouw van een lord die in Mayfair woonde, zou ze nooit in staat zijn om deze kinderen te blijven onderwijzen.