Hoofdstuk 1 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Leeuwarden, parel van het noorden. Wat heb ik veel van je geleerd. En van mijn tante Rimi natuurlijk, want als zij me niet na het overlijden van Wiepje, onze oudste eilander, precies op tijd bij mijn nekvel had gegrepen en zo ongeveer uit huis had gesleurd, als ze me niet op het vwo had geslingerd bij haar om de hoek en ze niet vervolgens als een havik boven op mijn schoolresultaten had gezeten, dan was ik afgezakt naar havo of lager, dan had ik mijn dagen gevuld met jongens, joints en jeugdzonden, en dan had ik nu nog niet geweten wat ik met mijn leven moest beginnen.
Niet dat ik nu al zo oud ben, met mijn negentien jaar, en niet dat ik nu wel precies weet hoe mijn leven zich verder zal ontrollen, maar ik heb mijn diploma op zak en een lust voor literatuur en een brandende passie voor toneel bij mezelf ontdekt. Dat laatste heeft ervoor gezorgd dat ik me vorig jaar nog precies op tijd heb weten in te schrijven voor de ATKA, de Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie. Ik kan het nog altijd niet geloven, ik kan soms van pure verbazing die naam een paar keer achter elkaar hardop uitspreken.
De ATKA. De toneelschool. In Amsterdam.
Tot mijn verbazing werd ik geselecteerd voor het toelatingsexamen. Ik moest allerlei papieren invullen en een filmpje insturen, en hoewel ik mijn best had gedaan, kon ik me niet voorstellen dat het goed genoeg zou zijn. Dat het genoeg zou zijn, punt; ik had eigenlijk nog niet echt iets gedaan wat je op je cv zou kunnen zetten. Behalve het eindstuk van de middelbare school dan, maar dat, het acteren, het podium, de hele sfeer, was voor mij in ieder geval al genoeg geweest. Het was vanaf de auditie en de eerste paar stappen op de bühne in de aula meteen duidelijk voor mij.
Dit is wat ik moet doen.
Dit is waar ik mijn leven aan moet wijden.
Maar goed; ik kan dat wel zo voelen, dat wil nog niet zeggen dat andere mensen, mensen die er echt iets van weten, het op dezelfde manier zien. Misschien loop ik vrolijk te branden van passie voor het toneel en zien de professionals niet meer dan een hoopvolle houten klaas die over de planken heen en weer struikelt en zich van alles in haar hoofd haalt.
Blijkbaar kwam mijn drang toch voldoende over het voetlicht in het filmpje dat ik voor de ATKA in elkaar had geknutseld, want ik mocht komen voor de eerste auditiedag. Ik wist niet wat ik meemaakte, ik heb die dag als in een soort droom beleefd. Het was echt alles tegelijk: helemaal naar Amsterdam, in de trein, in mijn eentje (tante Rimi zet echt geen voet over de Afsluitdijk), mijn weg zoeken daar, een nacht in het youth hostel in het Vondelpark waar ik natuurlijk nauwelijks heb geslapen, en dan de auditiedag zelf.
Wat een ervaring.
Mijn hart zat in mijn keel vanaf het moment dat ik instapte op het station in Leeuwarden tot het moment dat ik de volgende dag ’s avonds laat weer uitstapte; alles was zo anders. Zo bijzonder. En alles gaf me, ook al vond ik het dood- en doodeng, alleen maar het gevoel dat ik er meer van wilde.
Toen volgde er een periode die qua intensiteit ongeveer drie Voices of Holland bij elkaar was, samengebald tot één maand van pure, nachtrustberovende oerstress, waarin ik nog twee keer op en neer moest, voor nog twee selectiedagen. En iedere keer het wachten, het nagelbijten, het zweten: was ik door of niet?
Daarna kwam het verlossende woord, of eigenlijk een heel rijtje verlossende woorden: je bent glansrijk door de voorselectie gekomen en mag je nu officieel aanmelden bij de opleiding.
Tweeduizend aanmelders.
Twintig toegelatenen.
En ik ben er een van; dat is toch ongelooflijk?
Zeker na die derde en laatste dag: we waren nog over met een overzichtelijk clubje van een man of vijftig; ik dacht dat ik me tot dan toe redelijk door alle opdrachten heen had weten te werken, en was niet helemaal ontevreden. En toen moest ik iets doen, iets improviseren, wat ging over loslaten. Iemand vergeven. Je pijn omzetten in iets positiefs, en meer van dat soort semitherapeutische bewoordingen, die ik daarvoor natuurlijk nog als zweverige leuterkoek zou hebben betiteld. Op dat moment zelfs nog. Maar toen, midden in de scène die we stonden te spelen, begon ik te huilen. En niet zo’n klein beetje ook; echt liters kwamen eruit. Ik ging helemaal kapot. Omdat ik voor die jongen met wie ik de scène speelde de boel niet wilde verknallen – ik wist zeker dat ikzelf er per direct uit zou liggen wegens gebrek aan controle – gebruikte ik mijn emoties dan maar in mijn spel. Wat moest ik er anders mee, nietwaar?
Helemaal leeggelopen zat ik die avond in de trein terug naar Leeuwarden. Wat een ontgoocheling; ik wist zeker dat de opleiding binnen handbereik was geweest, maar na zo’n uitbarsting kon ik het natuurlijk allemaal wel op mijn buik schrijven. Ik maakte me geen enkele illusie. Maar tot mijn verrassing kreeg ik nog in de trein een belletje van een van de docenten die de toelatingsdagen had begeleid: hij was zodanig onder de indruk geweest van mijn spel, van het feit dat ik wat er gebeurde op een goede manier had gebruikt, had geïncorporeerd, dat hij me nog even persoonlijk wilde spreken. Hij zei dat ik nog een officiële brief zou krijgen, maar speciaal omdat hij wat ik had gedaan zo bijzonder vond, en omdat hij wel vermoedde dat ik dacht dat ik alles voor mezelf had verknald, wilde hij me alvast uit mijn lijden verlossen.
Hij zag ernaar uit om het aankomende studiejaar met me te werken.
Ik wist niet wat ik hoorde. Ik was door!
Hij stelde alleen één voorwaarde. Namelijk dat ik, voordat het studiejaar zou beginnen, de moeite zou nemen om uit te zoeken wat het was dat me zo’n geweldige huilbui had bezorgd, en dat ik ermee in het reine zou proberen te komen.
De jongen met wie ik de scène speelde is uiteindelijk niet toegelaten, dat is nog het meest verbijsterende. Ze vonden dat hij niet goed genoeg inspeelde op de situatie. Ik blijf me afvragen of ik het dan uiteindelijk niet alsnog voor hem heb verpest, maar tegelijk ben ik zo blij en trots dat ik door ben, dat het me niet lukt om er wakker van te liggen, al zou ik dat nog zo hard proberen.
* * *
Dus de grote vraag waar ik nu tegenaan zit te kijken is: (tromgeroffel...) wat moet ik in vredesnaam uitzoeken? Waar zit dat blijkbaar levensgrote, diep weggestopte gevoel, dat maakte dat ik zo verschrikkelijk moest huilen?
Ik voel me helemaal niet zwak. Ik voel me sterk, en best wel dapper, en eigenlijk ook best stoer. Gek is dat; niet dat ik het er niet mee eens ben dat ik iets moet doen – ik kan moeilijk om de haverklap in tranen uitbarsten als ik eenmaal aan de toneelschool ben begonnen – maar ik heb gewoon geen idee waar ik moet beginnen.
Ik heb er een paar keer met tante Rimi over gepraat en haar advies was uiteraard, hoe voorspelbaar, dat ik naar de kerk moest. De kerk is voor haar echt een houvast in haar leven. Al haar vriendinnen gaan er ook naartoe, ze vinden het fijn, rustgevend en overzichtelijk. Toen ik net bij haar woonde moest ik ook steeds mee, vreselijk vond ik dat, maar het afgelopen jaar, sinds ik negentien ben geworden, mijn diploma heb gehaald en een tijdelijk baantje in de supermarkt heb, is ze gestopt met het geloof bij me te promoten als het wondermiddel dat al je problemen uit de wereld helpt.
Gelukkig maar.
Ik snap heus wel dat voor mijn tante en haar vriendinnen het geloof iets moois is.
Wie weet heeft God bestaan, wie weet ook niet, en iedereen moet natuurlijk lekker geloven wat hij of zij wil, of het nou in Jezus is of in Allah of in Boeddha of wat dan ook, maar tegelijk vind ik ook dat iedereen elkaar vrij moet laten in het uitzoeken wat voor jou persoonlijk werkt en wat niet. En ik geloof er gewoon in dat je zelf verantwoordelijk bent voor je keuzes en je daden, en dus ook voor je geestelijke rust.
Gelukkig vindt mijn tante nu blijkbaar ook dat ik groot genoeg ben om zelf uit te maken hoe ik voor mijn zielenheil wil zorgen. En dat is maar beter ook: ik ben haar in de afgelopen jaren te zeer gaan waarderen om met haar over zoiets fundamenteels te willen ruziën. Ik wil eigenlijk helemaal niet met mijn tante ruziën: ze is streng, ja, en zo recht in de leer dat je het steil kunt noemen, maar ze is ook zorgzaam en verantwoordelijk en vasthoudend en wijs en een bron van onvoorwaardelijke steun. Ze heeft zelf geen kinderen, en ik heb intussen het idee dat ze er veel verdriet van heeft gehad dat ze nooit is getrouwd en geen gezin heeft gesticht. Met mij had ze het in ieder geval toch nog een beetje: het was een situatie waar we allebei iets goeds uit konden halen.
Alleen voor wat ik blijkbaar moet uitzoeken voordat ik aan de ATKA begin, heb ik op dit moment niet zo veel aan mijn tante. Zij weet het net zomin als ik.
Dus, wat is het nou eigenlijk?
Oké, ik schaam me nogal voor hoe ik me gedroeg toen ik vijftien, zestien was. Ik zat op het vwo in Doniawâld, ik kon door de week bij een klasgenootje logeren en haar ouders waren misschien nog wel minder streng dan de mijne; ze letten echt helemaal niet op. We konden zo’n beetje doen wat we wilden, als we maar op tijd binnen waren voor het avondeten en netjes onze groenten opaten. We hebben de meest vreselijke dingen uitgehaald.
Ik herinner me een nacht waarin we uit huis ontsnapten via de regenpijp, met wildvreemde jongens mee achter op de brommer naar een schuurfeest twee dorpen verder gingen – we waren dertien, veertien, maar ze dachten dat we zeventien waren, zo veel make-up hadden we op – en om drie uur ’s morgens halfdronken weer omhoogklommen via diezelfde regenpijp. We hadden wel dood kunnen vallen.
We hebben ook een keer de valiumtabletjes van de moeder van mijn logeervriendin gepikt en op het schoolplein verkocht aan de jongens in de examenklas, die zo veel amfetamine hadden geslikt om ’s nachts door te kunnen leren dat ze niet meer konden slapen. Gierend van de lach, ook nog. Het was voor mij allemaal één grote grap, hoewel het natuurlijk eigenlijk om te huilen is dat het stiekem zo’n drugsparadijs kan zijn op zo’n school. Maar goed, er was wel meer mis daar; als mensen denken dat scholen in kleine steden veiliger zijn dan die in grote steden, nou, vergeet het maar.
Ik spijbelde sowieso meer dan dat ik aanwezig was, want toezicht op verzuim was er nauwelijks, en ik kon het niveau in eerste instantie toch nog best makkelijk bijbenen, dus wat maakte het uit? Als ik even ging zitten om te leren dan kon ik er altijd nog wel een zesje uit slepen.