Hoofdstuk 10 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Zonder dat er enig overleg voor nodig is, blijven we allemaal in en om de Vis. Er komen alleen maar meer mensen bij: als ik mijn broer eindelijk bel om hem te zeggen dat hij bij Greetje langs moet gaan, en ik vertel dat ik nog steeds bij de Vis zit, wil hij ook meteen komen. Hij heeft al iets opgevangen over het schip in nood en zegt dat hij samen met Tjerk van de reddingsbrigade naar boven komt, in Tjerks auto.
Als ik dat in de groep gooi roept Vincent meteen: ‘O, vraag even of ze Mi ophalen. Die zit daar maar alleen thuis; ze wil vast liever hier zijn.’
Ik geef het netjes door, hoor als antwoord wat van dat typische mannengebrom dat je altijd krijgt als je een man vraagt iets voor je te doen, en wil al ophangen, maar net op tijd zeg ik nog: ‘Zeg, broer, je moet even kijken bij Boersma, of ze daar hulp nodig hebben. Er schijnt wat te zijn afgewaaid.’
‘O?’ zegt mijn broer, en ik hoor hem bijna nadenken. ‘Ik... kan misschien wel even bellen, vragen hoe het daar is, of alles goed is met...’
‘Met Greetje, ja,’ zeg ik enthousiast. ‘En als daar nou alles goed is, misschien wil ze dan ook wel mee hiernaartoe.’
‘Waarom in godsnaam?’ Mijn broer klinkt nu echt verbaasd.
‘O, nou, gewoon,’ pruttel ik, ‘het leek me gezellig. En ze houdt zo van het eiland; als er iets is en er moet geholpen worden, dan wil ze er vast wel bij zijn.’
‘Goed, ik bel zo meteen wel even naar Boersma,’ zegt Tjeerd dan, weer wat minder weerspannig. ‘Als ze haar niet thuis nodig hebben, met hun afgewaaide dak, en ze wil mee, dan vind ik het best.’ Op de achtergrond klinkt een andere stem. ‘O, en Tjerk vindt het ook best,’ zegt mijn broer dan, half lachend.
Ik verheug me even in stilte op de ruime hoeveelheid mogelijkheden om mijn broer en Greetje bij elkaar te krijgen in zo’n noodsituatie, maar dan voel ik mijn gezicht betrekken. Tjerk. Die komt ook. En die staat op mijn lijstje van mensen tegen wie ik sorry moet zeggen.
Shit.
Ik ben een beetje bang van Tjerk; hij is groot en sterk en heel erg rechtdoorzee; ex-commando is hij. Je moet geen ruzie met hem krijgen. Goudeerlijke vent, hoor; hij krijgt altijd veel respect van iedereen, omdat hij toch maar mooi de reddingsboot onderhoudt, en het team traint, en zorgt dat de reddingsbrigade altijd klaarstaat. Eens in de zoveel tijd is er wel eens zo’n wedstrijd tussen alle reddingsbrigades op de verschillende eilanden: moeten ze moeilijke manoeuvres doen op zee, en hun uithoudingsvermogen testen en zo, en dan winnen wij meestal. Dat komt voor het grootste deel door Tjerk, en ook wel een beetje door Axel, omdat die gast zo fit en gespierd en soepel is dat je hem zo ongeveer alles kunt laten doen. Hindernisbanen stopt hij in zijn holle kies, als ik mijn broer mag geloven.
Tjeerd heeft heel lang gezeurd of hij bij de reddingsbrigade mocht, en hij heeft ontzettend hard getraind. Zo breed als Axel zal hij wel nooit worden, maar het heeft hem al met al ook echt geen kwaad gedaan; ineens zie ik mijn broer een beetje met andere ogen en heb ik iets meer begrip voor Greetje.
‘Wat gebeurt er allemaal bij jou vanbinnen?’
Ik word uit mijn gedachten opgeschrikt door Sjaak, die ineens voor me staat met een vioolkist onder zijn arm en regendruppels op zijn gezicht. Ik kijk hem vast met grote ogen aan en weet zo gauw niks te zeggen.
‘Je gezicht is heel expressief,’ zegt Sjaak, met zijn onderzoekende, groenige ogen op me gericht. ‘Alsof ik naar een film zit te kijken: eerst had je zo’n half lachje, alsof je een plannetje zat uit te broeden, toen schrok je ergens van, en toen was je... trots, denk ik. Wat jij denkt, dat staat op je gezicht te lezen.’ Hij grijnst naar me. ‘Gratis advies: ga geen poker spelen.’
‘Was ik ook niet van plan,’ zeg ik, en hoewel ik het bijdehand wil laten klinken, komt het er helemaal niet zo uit. Eerder een beetje kleintjes. ‘Wat ga je doen met die viool, in dit weer,’ zeg ik dan maar, zo schamper als ik kan, omdat ik toch iets moet zeggen.
‘Nou,’ zegt Sjaak, weer helemaal ernstig, ‘mijn viool is vrij oud, nog van mijn grootvader geweest, en hij schijnt nogal veel waard te zijn. Stel dat dat huisje in elkaar zakt, dan heb ik liever niet dat mijn viool onder het puin ligt. Die gitaar zou niet zo vreselijk zijn, die is nog wel vervangbaar, maar... Weet je wel, het was heel even wat rustiger met de wind en de regen, dus ik dacht: ik ren even snel terug naar het huisje en haal hem hiernaartoe.’
Ik zie nu pas dat hij ook een zwart sweatvest heeft aangetrokken, met een woeste print van monsters met veel haar, grote tanden en ogen zonder pupillen. Ik zal er wel een beetje verbijsterd naar staren, want hij zegt plagend: ‘Vind je het mooi? Is nog uit mijn vorige leven. De drummer van mijn oude band kan heel goed tekenen; hij is intussen ook fulltime illustrator geworden, en hij heeft dit gemaakt. Volgens mij tekent hij intussen wel wat minder monsterig dan vroeger, maar ja, we worden allemaal volwassen hè?’
‘Hoe oud ben jij eigenlijk?’ flapt er meteen uit mijn mond.
‘Vijfentwintig. Jij?’
‘Negentien.’
Hij knikt. Zegt even niets en kijkt zoekend in het rond, alsof hij probeert iets te verzinnen om het gesprek aan de gang te houden. ‘Net van school?’ vraagt hij dan.
Ik knik.
‘Wat ga je doen?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, een intelligente meid als jij, je ging toch de een of andere vervolgopleiding doen in Amsterdam? Ik kan me ook niet voorstellen dat je bij je broer in de patatzaak gaat staan, of zoiets. Niet dat je broer nou niet slim is, want die gast weet volgens mij precies waar hij mee bezig is, maar jij... bent wel van een iets andere orde, denk ik.’
‘Ik ga naar de toneelschool in Amsterdam,’ zeg ik dan, met nauwelijks ingehouden trots. ‘Ik ben door de voorselecties heen. In september gaat het allemaal beginnen. Ik vind het superspannend, maar tegelijk ook helemaal geweldig, want dat is echt wat ik wil. Actrice worden. Of, eigenlijk, dat is niet eens zozeer wat ik wíl, maar meer wat ik denk dat ik moet doen, snap je? Als een roeping. Heb jij dat ook zo, met muziek maken?’
Hij kijkt me peilend aan. ‘Good for you,’ zegt hij dan, met ineens iets afstandelijks in zijn stem. ‘Ja, dat heb ik ook met muziek maken. Het is niet alleen wat ik doe; het is wie ik ben. Als ik speel, besta ik.’ En dan, heel abrupt, keert hij zich om en loopt van me weg. Hij gaat alleen aan een tafeltje in de hoek zitten, legt zijn vioolkist voor zich op tafel, opent hem met zorg en begint het instrument dat erin zit geconcentreerd te poetsen.
Op dat moment gaat de deur open en komen mijn broer, Tjerk, Greetje en Vincents vriendin, die ik eigenlijk niet zo goed ken, naar binnen gedromd en is het meteen volle bak in de Vis.