Hoofdstuk 12 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Ik heb eigenlijk geen tijd meer om nog verder met Sjaak te praten, want terwijl ik lege soepkommen ophaal komt Axel ineens naar me toe.
‘Luister, Nynke, ik rij naar de benzinepomp, voor de heli. Ik breng je meteen even thuis; het is al half negen.’
Verbaasd kijk ik naar hem op. Zo laat al? De lucht is al sinds de middag zo donker dat ik alle besef van tijd ben kwijtgeraakt. ‘De pomp is toch al lang dicht,’ zeg ik, een beetje verward. Het lijkt me heerlijk om naar huis te gaan, ik merk dat ik eigenlijk doodmoe ben, maar tegelijk wil ik ook helemaal niet weg. Ik hoor Sjaaks viool zachtjes zingen, hij zit in zijn hoekje te spelen, ik vind het prachtig, en alleen al om te luisteren zou ik willen blijven. Ik zou... Langs Axels brede schouder gluur ik even naar Sjaak, die me niet ziet, want hij zit veel te diep in zijn spel.
‘Ik heb gebeld,’ bromt Axel, ‘tuurlijk zijn ze voor mij open. Ik neem je broer en Greetje ook meteen mee. En maak je niet druk over Sjaak, ik hou hem wel voor je in de gaten.’ Hij grijnst alwetend naar me, maar niet op een onvriendelijke manier, en ik heb het gevoel dat mijn hoofd zo ongeveer ontploft van de snel op gang komende bloedtoevoer.
Boven mijn hoofd hoor ik een diepe, rommelende grinnik. Ik voel me vreselijk betrapt, dus ik breng maar snel mijn stapeltje vuile vaat naar de keuken.
‘Tjeerd en Greet staan al bij de deur,’ zegt Mayke tegen me. ‘Wat ben je rood!’
‘Axel zit me te plagen,’ mompel ik, nu dubbel beschaamd.
‘Trek je maar niks van hem aan,’ zegt Wende, die bezig is de afwasmachine in te ruimen. ‘Doet hij bij mij ook altijd. Trouwens, dank je wel, Nynke, voor je hulp vandaag. Dat had je niet hoeven doen; je kwam hier ook maar gewoon als gast binnenstappen.’
Ik haal mijn schouders op. ‘Je laat elkaar toch niet in de steek als er iets ernstigs aan de hand is?’
‘Nou, ik weet niet of je vroeger ook zo zou hebben gereageerd, hoor,’ zegt Mayke, toch nog een klein beetje schamper. ‘Maar fijn dat je er was, vandaag.’
Ik haal diep adem en kijk naar de grond. ‘Zijn we weer goed, dan?’ vraag ik haar voorzichtig, en als ik opkijk zie ik hoe ze haar theedoek neerlegt en op me af stapt om me een knuffel te geven, wat me, tot mijn eigen verrassing, ontzettend raakt.
‘Tuurlijk zijn we goed, malle meid,’ zegt ze in mijn oor. ‘Nou, ga gauw lekker naar huis.’
* * *
Een half uur later zit ik in de woonkamer, samen met Tjeerd, terwijl we een paar boterhammen met kaas wegwerken (we hebben tenslotte het avondeten gemist) en om beurten aan onze ouders vertellen wat we allemaal hebben meegemaakt. Van hen krijgen we te horen wat er allemaal in het dorp is gebeurd tijdens de storm: de schuur van Boersma en de wankelende kerktoren, maar dat wisten we al, en mevrouw De Lange, Leons moeder, die omver is geblazen door een bijzonder krachtige windstoot.
‘Och jee,’ zeg ik, ‘was ze gewond?’
‘Alleen haar kapsel,’ zegt mijn moeder met twinkelende ogen; ze heeft het niet zo op de parelkettingdamesstijl van de burgemeestersvrouw.
Nog wat later lig ik in mijn bed, terwijl de wind nog steeds om het huis raast. Toch voel ik me absurd goed. In mijn eigen bed, in het holletje van mijn dekens, bij mijn ouders, en Tjeerd, op het eiland. Ik heb bijna niks bij me, mijn laptop en een setje schone kleren en toen zat mijn rugzak vol, maar dat geeft helemaal niks. Ik heb niks nodig. Al moet ik hier nog een week blijven totdat de storm is geluwd, het komt allemaal goed; ik ben hier veilig, ik ben hier thuis. Het is bijna met geen woorden te beschrijven hoe blij ik ben dat ik hiernaartoe ben gekomen; als tante Rimi me had weten te overtuigen van haar geloof dan was dit het moment geweest om God op mijn blote knieën te danken.
Die gedachte doet me grinniken, en met de vioolmuziek van Sjaak in mijn oren, en zijn gezicht uitgelicht door een eenzame zonnestraal voor mijn ogen, val ik in slaap.
* * *
De volgende morgen, veel te vroeg, wordt er op mijn deur gebonkt.
‘Zus, wakker worden, ogen open!’
‘Wuh,’ zeg ik slaperig. ‘Wat is er? Tjeerd?’
Mijn broer komt mijn kamer binnen, al helemaal aangekleed. Ik til met een nog lome hand een puntje van het gordijn op om een idee te krijgen van hoe laat het daarbuiten is (mijn kamer voelt nog als middernacht) en ik zie al licht, maar van de bleke, veel-te-vroeg-in-de-morgen-variant.
‘Hoe laat is het in vredesnaam?’
‘Half zes,’ zegt mijn broer, waarna hij mijn verontwaardigde gepiep negeert om vrolijk door te tetteren in mijn slaperige oor: ‘Je moet opstaan, de vloed is weg en er is van alles aangespoeld vannacht. Van dat schip natuurlijk. We moeten schoonmaken, en wie weet valt er nog wel wat te jutten ook.’
Ik ga moeizaam rechtop zitten. ‘Moet dat?’
‘Ja, dat moet. Kom nou; Axel appte me net dat hij een half uur geleden een belletje kreeg van Martin. Die was pas echt vroeg wakker en was toen even op het duin geklommen, en toen zag hij dat het hele strand bezaaid ligt met spullen. Er zijn natuurlijk containers opengegaan, de hele boel is aan het drijven geslagen. Wij zijn vast niet de enigen met troep op de kust; alle eilanden, tot in Duitsland aan toe, zullen er wel mee te maken krijgen. Het was wel niet het allergrootste containerschip dat op zee rondvaart, maar toch echt wel groot genoeg om een hoop rommel op de kust achter te laten.’
‘Waarom moet dat zo vroeg? Over een uur ligt het er toch ook nog?’
‘Nee, suffie, zal je zien, het hele dorp staat straks op het strand, want als de boot van tien uur binnenkomt, dan komt de rest van Nederland. Blijkbaar is er iets op het nieuws geweest over het schip, en allerlei deskundigen hebben van alles geroepen over schade aan onze kust, en de schade verhalen op de rederij van dat containerschip, weet ik het. En dan krijg je natuurlijk dat iedere welwillende natuurfreak en iedere goedbedoelende vogelaar in zijn regenlaarzen schiet om te komen helpen.’
Ik stap met gezonde tegenzin uit bed. ‘Maar dat is toch juist goed, als mensen komen helpen?’
‘Ja, natuurlijk is dat goed, maar dan moeten wij dus een beetje vroeg zijn, als we toevallig nog iets leuks willen vinden!’
Ik duw mijn broer mijn kamer uit met de opdracht om koffie te gaan zetten beneden, schiet de badkamer in met mijn weinige schone kleren onder mijn arm en begin maar eens met mijn hoofd onder de kraan te steken.
Pas als ik even later buiten sta, nog zachtjes naklotsend van twee te snel opgedronken koppen koffie, bedenk ik me dat mijn fiets nog bij de Vis staat.
‘Kom maar bij mij achterop. Moet je wel duwen bij de hoge duintjes.’ Tjeerd grijnst vrolijk naar me en ineens zie ik weer waarom iemand als Greetje hem wel zou zien zitten. Er borrelt een raar en onverwacht gevoel van trots bij me omhoog: mijn broer! Kijk nou wat een leuke broer ik eigenlijk heb! Vroeger kon ik alleen maar op hem afgeven en balen dat hij niet bij de coole jongens hoorde. Dat hij dat helemaal niet belangrijk vond, dat hij daar niet zijn best voor wilde doen. Maar hij heeft zijn eigen soort van cool, en dat is eigenlijk veel beter. Wat een onvolwassen sukkel was ik toch, dat ik dat toen nog niet kon zien.
‘Zou Mandy het niet erg vinden dat haar kleren nog bij ons in de droger zitten?’ vraag ik terwijl ik hem opduw tot hij hard genoeg gaat, zodat ik schuin achter op de bagagedrager kan springen.
‘Welnee,’ roept Tjeerd zorgeloos over zijn schouder, ‘dan breng je die toch morgen?’
‘Ja, maar ik dacht dat ik dan vandaag de boot van vier uur...’ pruttel ik nog, maar ik geloof niet dat mijn broer luistert.
Hij moet ook iets te hard fietsen; bij de hoge duintjes spring ik er braaf af om hem aan te duwen, en dan hijgt hij: ‘Je bent dan wel minder kattig en een stuk volwassener dan vroeger, je bent ook een stuk zwaarder. Of zijn dat die grote schoenen die je de hele tijd aantrekt?’
‘Nee, het zijn mijn hersenen,’ geef ik terug, en dan zijn we boven en spring ik weer achterop.
‘O, dus nu heb je twee hersencellen, in plaats van één,’ komt er over zijn schouder.
‘Wel mooi een toename van honderd procent!’ brul ik enthousiast terug, en dan moeten we allebei zo hard lachen dat hij ervan slingert.
Bij de fietsenparkeerplaats staan veel meer fietsen dan toen ik hier gisteren aankwam, en het is nu belachelijk veel vroeger. Volgens mij is het nog niet eens half zeven. Er ligt tot mijn verbazing ook al een berg volle, blauwe vuilniszakken.
‘Zie je wel,’ zegt Tjeerd tevreden, ‘meteen hartstikke druk. Mensen willen natuurlijk weten of er wat te halen valt. Kom, we lopen meteen het duin op, kijken we even op het strand, en dan checken we daarna wel hoe het bij de Vis is. Ze zijn natuurlijk nog niet open, maar als ze nog meer schade hebben gehad vannacht, dan kunnen ze misschien ook nog wel wat extra handen gebruiken.’
‘Wat ben je toch een hulpvaardige doedel,’ zeg ik goedmoedig tegen hem, met een volkomen ineffectieve duw tegen zijn stevige schouder.
Maar dan, boven op het duin, blijven we allebei abrupt stokstijf staan.
De surfkeet ligt op zijn kant in het zand: een paar van de palen waarop hij stond zijn gebroken als luciferhoutjes. Verrassend genoeg is de keet zelf nog heel. De boosdoener ligt een stuk verderop, net voor de waterlijn: een hele zeecontainer, gekreukeld alsof hij een kneep van een reuzenhand heeft gekregen. Er staan tientallen mensen omheen. Het strand is verder bezaaid met rare dingen: ik zie bureaustoelen, kasten, tafels, en lang niet allemaal kapot, zo op het eerste oog. Maar ook vreemde roze en lichtblauwe dingen, het lijken wel pluche knuffels, en ondefinieerbare troep, en veel, heel veel plastic. Het wappert en fladdert en waait over het zand, samen met brokken piepschuim in allerlei soorten en maten.
‘O!’ komt er uit mijn mond, mijn hand vliegt naar mijn gezicht en de tranen rollen uit mijn ogen. Wat een bende, wat moeten we nou, ons mooie strand!
‘Shiiiiit,’ zegt Tjeerd zachtjes.
‘Hoe krijgen we dat weg?’
‘Opruimen? Met z’n allen? Iets anders zit er niet op.’
‘Maar dat is toch veel te veel?’
‘Ik weet niet, zus, maar misschien moet je nog even wachten met terug naar Leeuwarden rennen? Totdat het hier een beetje beter onder controle is? Want de hele kustlijn is natuurlijk zo, en als het zo’n hoog water is geweest zal er ook wel allemaal rotzooi de gloppen in zijn gespoeld, en... Shiiit,’ eindigt hij zachtjes, terwijl hij grip probeert te krijgen op de omvang van de ramp.
Terwijl we daar zo staan komen er een paar mensen aan. Ik zie Dieke, die de bieb runt, en die rare vrouw die altijd fladderkleren draagt en van die hele vage schilderworkshops aan het strand organiseert. En de meiden van de bakker, en Jonas, de kok van Hotel Burema. Ze hebben rollen vuilniszakken onder hun arm en een vastberaden trek om de mond.
Van de andere kant komt Martin juist omhoog gestampt, vier overvolle vuilniszakken in zijn handen alsof ze niets wegen.
‘Hoi, mensen,’ zegt hij in het voorbijgaan, en we kijken hem na totdat hij de vuilniszakken bij de andere zakken bij de fietsenparkeerplaats heeft gedumpt. Dan beent hij weer omhoog totdat hij bij ons is.
‘Wat een bende, hè?’ zegt hij. ‘Ik ben al een uurtje of twee bezig, ik doe vooral het plastic. Maar er ligt zo veel, en er komt elke keer nieuw aangewaaid, en aangespoeld natuurlijk. Ik wilde het eigenlijk weggewerkt hebben, in ieder geval tussen paal 6 en paal 8, voordat de vloed weer opkomt, maar ik heb me er een beetje op verkeken. Axel heeft volgens mij intussen het halve dorp geappt om te komen opruimen, voordat de boot van tien uur komt.’
‘Wilde je dit allemaal schoon hebben? In een dag? Lijkt me wel, ja, dat je je erop hebt verkeken,’ zegt Tjeerd, een beetje schamper. ‘Hoe is het met jouw huisje, geen stormschade?’
‘Alles staat nog. Lieuwe kon niet slapen van de storm, dus Mandy zat de hele tijd met hem in de woonkamer; nu zijn ze allebei in slaap gevallen, dus ik dacht: ik ga vast aan de slag.’
‘En de Vis? Nog meer stukgewaaid dan het terras?’
‘Volgens mij niet. Axel en Wende zijn binnen blijven slapen, voor de zekerheid, maar ik heb behalve een paar appjes van Ax nog geen beweging waargenomen daarbinnen, dus misschien liggen ze nog op één oor. Volgens mij is er verder niks kapot, maar die terrasoverkapping is al erg genoeg; ik baal als een stekker. Dacht ik toch dat ik het een beetje stormproof had ontworpen, maar nee hoor. En de windmolen, heb je gezien hoe die rotor eraan toe is? Gaat me wel even kosten voordat ik dat weer allemaal goed heb, ik zal een lasapparaat moeten huren, denk ik.’
‘Kan jij dat dan, lassen?’
‘Boh,’ zegt Martin met een schouderophalen, alsof het allemaal stikeenvoudig is.
‘Ik kan alleen maar patat bakken,’ zegt Tjeerd peinzend, ‘volgens mij doe ik toch iets verkeerd.’
‘Maar dat kan je dan wel weer enorm goed,’ spring ik gauw bij, nog vol van die eerder ontdekte trots op mijn broer.
‘Precies,’ zegt Martin, ‘ieder zijn ding, hoor. Ik kan ook van alles niet, ik bedoel, Mandy, die is handig met computers, een beetje zoals Vin, en daar kan ik niks van. Ja, architectonische programma’s begrijp ik, maar als ik heel eerlijk ben teken ik eigenlijk nog steeds het allerliefst met de hand.’
Intussen zijn we zoetjesaan terug richting de ingang van de Vis gelopen. Martin gluurt schaamteloos naar binnen.
‘Zijn ze wakker?’ vraag ik.
‘Ik weet het niet.’