Hoofdstuk 17 - Hoogtij
By Jackie van Laren
We lopen zwijgend achter elkaar aan over de kronkelpaadjes rond de toren. Het is net te smal om naast elkaar te lopen, dus dat met die vingers kan hier niet.
Jammer.
Ik zou wel iets willen zeggen, willen praten, maar ik weet niet wát ik moet zeggen. En toch, hoewel dit samenzijn zo ongemakkelijk voelt als een stuk schuurpapier onder je oksel, wil ik niet dat het ophoudt.
We bereiken een bankje waar een gemoedelijke zonnestraal overheen strijkt. We kijken elkaar even aan en gaan dan woordeloos zitten. Niet dicht tegen elkaar aan, maar zeker ook niet mijlenver van elkaar verwijderd.
‘Ik vind eigenlijk...’ zeg ik op een goed moment, als het schuurpapier echt te hard begint te schuren.
‘Het is gewoon dat...’ zegt Daan op exact hetzelfde moment.
We houden ook precies tegelijk weer op met praten. Het is eigenlijk een beetje grappig, en dus proest ik het uit, deels natuurlijk ook van de zenuwen.
Daan kijkt me even verbaasd aan en moet dan ook lachen, een soort langzame, luie grijns die opbloeit op zijn gezicht en die hem echt waanzinnig goed staat.
‘Jij kan echt zo onverwachts ontzettend om dingen lachen,’ zegt hij grinnikend, ‘ik kan mijn gezicht dan bijna niet strak houden, zo aanstekelijk is het.’
‘Je hoeft je gezicht toch ook niet strak te houden?’ zeg ik, nog nahikkend. ‘Lachen is goed voor je, dat vindt zelfs mijn strenge tante in Leeuwarden. Wat wilde je nou zeggen?’
‘Jij eerst,’ zegt hij, met zo’n gemoedelijk duwtje van zijn schouder tegen de mijne.
Ik frons, ik ben prompt de draad kwijt. ‘Ik wilde... eigenlijk zeggen dat ik achteraf vind dat ik echt zó stom heb gereageerd! Toen ik, eh, wegging. Bij jou. Uit je huisje, bedoel ik. Er gebeurde niks, je deed niks, en ik reageerde als een, nou, als een doos, zeg maar. Ik weet niet wat het was. Het kwam ineens allemaal heel dichtbij, of zo? Superstom. Ik schaam me dood. En dat Tjeerd je daarna nog ging bellen ook, toen ging ik helemaal door de grond, hoewel het wel lief bedoeld was van hem, dat snap ik dan ook wel weer.’
‘Ridder Tjeerd,’ zegt Daan zachtjes, ‘hij verdedigde de eer van zijn zus.’
‘Pff. Sorry, Daan. Ik had niet zo weg moeten rennen, je deed niks.’
‘Nietwaar, ik deed wel wat. Ik lette niet op. Ik dacht alleen maar aan mezelf. Ik weet niet wat er gebeurde, maar ik wilde gewoon... iets, ik wilde je dichtbij, zo dicht mogelijk bij me; je was echt heel lief tegen me, zo, zo tróóstend, en ik weet ook niet waarom ik ineens zo kapotging, dat heb ik anders nooit, ik ben normaal gesproken van een soort teflon, weet je wel?’
‘Iedereen gaat toch af en toe wel eens kapot?’ Ik fluister het bijna en leg mijn hand, handpalm naar boven, tussen ons in op de zitting van het bankje. Vrijwel direct landt zijn hand op de mijne en vervlechten onze vingers zich met een vanzelfsprekendheid alsof ze het al duizenden malen hebben gedaan.
Ik leun een beetje tegen zijn schouder.
‘Ik niet,’ mompelt hij, ‘ik ga niet kapot. Ik fix het, hoe dan ook. Maar ik ben gewoon een beetje de weg kwijt sinds Marita, ik weet ook niet hoe het kan. Zo gek was ik helemaal niet op haar; zo bijzonder was het nou ook weer niet, uiteindelijk, toen de eerste lust eraf was. Het was volgens mij uiteindelijk alleen het idee. Het idee dat ik gewoon niet weer alles alleen hoefde te doen, weer helemaal opnieuw beginnen, weet je wel; eerst deed ik de hele shit in mijn eentje, toen kwam Nout erbij, toen gingen we de band pas echt opbouwen met z’n tweeën, en toen werden we een duo, gingen we rondreizen; deden we ook samen. Ik had het niet zo in de gaten op het moment zelf, maar het was gewoon best lekker om het niet de hele tijd allemaal alleen te moeten doen. Dus toen ging Nout bij Leia zitten, en mijn pa had het druk met zijn nieuwe vriendin, en Wes en Nina leefden al helemaal naar hun nieuwe kindje toe, dus toen dacht ik: dat moet ik ook. Dat ik ook met iemand sámen... Dat ik niet meer helemaal in mijn eentje zit, weet je wel. Hoe moeilijk kan het zijn. Nou ja. Het was natuurlijk ook een idiote gedachte.’ Hij eindigt met een lange zucht.
Ik knijp even zachtjes in zijn hand en leg mijn hoofd tegen zijn schouder. Mijn hart stroomt zowat over; arme Daan, hij voelt zich alleen, hij kuste me zo en hij hield me zo vast omdat hij zich alleen voelde. O, wat ben ik stom geweest!
Hij legt even zijn wang tegen mijn kruin en zegt zachtjes: ‘Ik had geen enkel recht om hoe ik me voel zo de overhand te laten nemen. Je was heel lief tegen me, uit vriendschappelijkheid, dat zie ik nu ook wel, en ik maakte er veel te veel van, met mijn wazige kop. Het spijt me verschrikkelijk en ik beloof dat het niet meer zal gebeuren. Vanaf nu ben je honderd procent veilig bij me. Echt waar.’
Ik blijf stil zitten, en doe mijn best nog maar even te genieten van het gevoel zo dicht bij hem te zijn. Ik hoor wel wat hij zegt, en ik begrijp het ook wel, maar toch voelt het niet goed vanbinnen. Ik wíl helemaal niet dat het niet meer zal gebeuren, ik wil juist heel graag dat het wél gebeurt! Ik weet niet eens precies wat, maar iets. Misschien dat hij me nog een keertje zo kust. Misschien zelfs wel nog iets meer. Maar vooral wil ik dat hij voelt wat ik voel. Dat hij mij net zo aantrekkelijk vindt als ik hem, net zo interessant, net zo bijzonder, net zo mooi en, nou, gewoon net zo onontkoombaar. Ik wil dat hij de hele tijd aan me denkt, net zoals ik de hele tijd aan hem denk. Want als het echt zo is dat hij me alleen maar kuste omdat hij zich zo eenzaam voelde, en omdat er eens een keer een of ander random meisje lief tegen hem deed... dan denk ik dat ik degene ben die helemaal kapotgaat. Hoe hard ik ook schrok op het moment zelf. Hoezeer ik het ook naar vind voor hem dat hij zich zo voelde. En misschien nog wel voelt.
Als vanzelf begint mijn mond te bewegen, en zeg ik: ‘Ik weet heus wel dat ik veilig bij je ben, hoor, Daan. Dat was ik in je huisje ook. Dat wist ik denk ik ook wel, toen. Maar ik was gewoon, eh, ik deed gewoon enorm dozig; ik vond het zo heftig, maar tegelijk vond ik het ook, eh, nou ja, wél heel erg fijn. Zeg maar. Ik heb misschien nog wel het hardst gehuild om mezelf, omdat ik zo stom had gereageerd; ik snapte er echt niks van. En toen had mijn broer je opgebeld, ja, toen wist ik natuurlijk dat ik het verder wel kon vergeten. Nog los van dat ik me kapot schaamde, en, eh, nog wel eigenlijk... Wie wil er nou zoenen met iemand met zo’n broer? En dan aan de andere kant was het ook heel lief van hem dat hij zo voor me opkwam, weet je wel?’ Ik haal diep en nogal bibberig adem. ‘Het is gewoon zo verschrikkelijk ingewikkeld allemaal,’ zeg ik, misschien wel tegen de wereld in het algemeen.
‘Ja,’ zegt Daan, zijn neus in mijn haar, zijn lippen tegen mijn hoofdhuid. ‘Het is tering ingewikkeld. En je haar ruikt echt zo lekker.’
Het is ongelooflijk fijn om hier zo met hem te zijn. Heel rustig, in het zonnetje, zijn neus in mijn haar, zijn arm intussen om me heen. Ik zou voor mijn gevoel dagenlang zo kunnen zitten, met mijn ogen dicht, wegdromend op de lome golven van zijn ademhaling. Zijn geur rondom me, zijn warme lijf dichtbij. Ik kan me niet meer voorstellen dat ik ook maar een seconde heb gedacht dat ik bij hem weg wilde; ik wil nooit meer weg, ik wil het liefst...
Plotseling laat mijn interne klok van zich horen, dwars door dat heerlijke, dromerige gevoel heen. ‘O... o jee, Daan, hoe lang zitten we al hier? Volgens mij moet ik terug om Rie te helpen,’ zeg ik, terwijl ik overeind schiet.
‘Ik weet niet...?’ zegt hij glazig; hij lijkt even overdonderd. Maar wat kan die jongen lief kijken, zeg, het is niet te geloven. De warmte stroomt bijna tastbaar uit zijn ogen; zou hij zelf weten hoe zacht zijn blik nu is?
Ik voel mezelf glimlachen als antwoord.
‘Nynke,’ zegt hij zachtjes, en dan legt hij een warme handpalm tegen mijn wang. ‘Ik ben zo blij dat je niet boos op me bent, weet je dat? Heb je... misschien zin om een keertje te komen kijken als ik op het terras bij de Vis speel?’
‘Misschien,’ zeg ik verlegen, ‘als ik weg kan bij Rie... Dat hele coördineren van die opruiming kost echt zo veel tijd. Wil je wel... ik bedoel, er zijn de hele tijd allemaal mensen van de vaste wal op het eiland, het lijkt wel hoogseizoen; wat nou als je gaat spelen en je wordt herkend?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Gebeurt niet; maak ik me niet druk om. Ik zet wat op mijn hoofd, en ik doe toch alleen maar covers, en plus, ik zing gewoon bij lange na niet zo goed als Nout. Ik kan naast hem echt prima een tweede stem doen, maar in mijn eentje... nou, ik kom er maar net mee weg. Kom, laten we maar teruglopen, volgens mij zijn we nog geen uur weg, maar dan weet je het zeker.’
Ik laat mijn gezicht even een beetje tegen die heerlijke handpalm leunen die nog om de ronding van mijn wang ligt, en ik sluit mijn ogen. Heel eventjes maar – het valt niet mee om die bubbel waar we samen in zitten door te prikken en terug te keren naar de realiteit.
Ineens voel ik Daans neuspunt tegen mijn wang: een verrassend zachte streling. Hij maakt een tevreden geluidje en legt dan zijn lippen even tegen mijn mondhoek. Het is geen kus; meer een tedere aanraking, heel zacht, heel voorzichtig.
Ik open mijn ogen en zie zijn gezicht, dichtbij, zijn blik zo warm, zijn mond een klein glimlachje; mijn hart bonkt er helemaal van in mijn borstkas. Jeetje, wat vind ik hem ontzettend lief! Ik wil eigenlijk mijn armen om zijn nek slaan en hem zoenen, en tegen me aan trekken, en zijn haar aaien, en hem stevig vasthouden, en alles, o, alles!
Maar dat doen we niet.
We staan op, hij steekt zijn hand naar me uit, ik pak hem, we lopen terug over de smalle paadjes, achter elkaar aan. Achter de huizen lopen we naast elkaar; we vergeten nog bijna om los te laten en net te doen alsof er niets aan de hand is, als we bijna pal tegenover de VVV de Dorpsstraat weer bereiken. Er staan al wat mensen voor de deur – hebben zeker een taxi van Doede genomen – en de bus stopt juist bij de halte vlak voor het VVV-kantoor.
Daan en ik kijken even snel naar elkaar, en als op afspraak scheppen we een klein beetje meer afstand tussen ons beiden.
We steken over terwijl de bus leegloopt.
‘Hé, Nynke!’ hoor ik; ik kijk een beetje betrapt om me heen.
‘Greetje! Ik had geen idee dat je op deze boot zou zitten!’
‘Ja, normaal kom ik ’s morgens vroeg al, zodat ik vandaag ook nog kan werken, maar we hadden een verjaardag in Groningen, en ik kon het echt niet maken om niet te komen. Jij bent toch...’ ze kijkt naar Daan, ‘Sjaak, heet jij toch?’
Hij knikt.
‘Wat hebben jullie zo met z’n tweetjes uitgevoerd?’ Ze geeft ons een olijke blik en wiebelt met haar wenkbrauwen.
‘O, niks,’ zeg ik iets te snel, ‘Er was, eh... iets met Tjeerd, hij was een beetje pissig ergens over, en D-eh, Sjaak wilde mijn advies vragen. Over hoe hij het weer goed kan maken, zeg maar.’
‘O, echt?’ Greetje kijkt verbaasd. ‘Ik dacht niet dat Tjeerd het in zich had om ergens boos over te worden.’
‘Nou, reken maar van yes,’ bromt Daan naast me. ‘Hij kan het, en dan ben je ook meteen goed de sj... eh, nou ja, je weet wel.’ Hij rolt even met zijn ogen, wat er onverwacht grappig uitziet, en Greetje en ik schieten in de lach.
‘Ik weet het goedgemaakt,’ zegt ze samenzweerderig tegen ons. ‘Wat als we nou vanavond een biertje pakken in de Boei? Dan neem jij Tjeerd mee, Nynk; je zegt verder niks, en ik neem Sjaak mee. Dan kan hij er toch niet meer omheen? Wedden dat het allemaal zo weer goed is?’
‘Goed plan,’ zegt Daan tot mijn verrassing vrijwel direct.
Greetjes gezicht betrekt even. ‘Of... zouden die dames die bij Beppes Keuken werken dan ook meteen komen?’
‘Nee, nee,’ zeg ik, ‘nu het zo druk is met mensen van de wal blijft hij open tot elf uur, hoogseizoentijden. Volgens mij heeft hij alle afgelopen dagen ’s avonds gewerkt, dus nou mag hij best een keertje een vrije avond hebben, nietwaar? Ik... weet alleen niet zeker of het echt zo makkelijk zal gaan als jij denkt, hoor, Greet, hij kan ontzettend stijfkoppig zijn.’
Misschien is het wel helemaal niet goed voor Tjeerds gemoedsrust als hij Daan en mij tegelijk aan één tafel ziet zitten. Maar aan de andere kant: misschien is het wel goed voor zijn eigen gemoedsrust als hij gezellig met Greetje aan diezelfde tafel kan zitten. Ik vind in ieder geval het idee om vanavond nog even iets te drinken met Daan, al is het niet met z’n tweetjes, zo aantrekkelijk dat ik er geen nee tegen kan zeggen. Ik moet ontzettend veel moeite doen om niet naar hem te kijken, maar hoewel ik zijn gezicht niet kan zien, voel ik aan hem – ja, het klinkt gek, maar het is echt zo: ik voel het aan hem – dat hij er precies dezelfde gedachten bij heeft als ik.
* * *
Het valt ontzettend mee: zo moeilijk blijkt het niet te zijn om Tjeerd zover te krijgen dat hij meegaat naar de Boei. Ik had al allemaal rampscenario’s bedacht, maar uiteindelijk hoef ik maar een heel klein beetje aan zijn hoofd te zeuren.
Hij is thuis komen eten, maar is nog wel van plan vanavond terug te gaan naar Beppes Keuken. Hij heeft eerst van tien tot twaalf op het strand gestaan om mensen de goede kant uit te sturen, toen heeft hij gewerkt tot half zes, en na het eten (gelukkig wilde hij thuis even uitrusten) had hij dus nog van acht tot elf tussen de patatten in gedachten, maar dat heeft hij de afgelopen dagen nu al steeds gedaan.
‘Doe even rustig, jongen,’ zegt mijn moeder tegen hem, op een toon alsof hij nog zeven is. ‘Ga lekker met je zus naar de Boei, neem een drankje, ontspan even een beetje. Je werkt je drie slagen in de rondte, je wordt er nog helemaal sikkeneurig van.’
‘Ik? Ben ik sikkeneurig?’ Hij kijkt langs zijn borstkas naar beneden, alsof zijn humeur aan de buitenkant zichtbaar zou zijn.
‘Nou,’ doe ik een duit in het zakje, ‘ik vind je sinds maandag wel mopperig, hoor. Voor jouw doen.’
‘Wat was er maandag dan?’ bromt hij verstoord, en ik zie hem nadenken. ‘O ja, toen was jij huilend thuisgekomen,’ zegt hij uiteindelijk duister.
‘Ja, wat was er toch, meid,’ zegt mijn vader, ‘je hebt er niets meer over gezegd.’
Tjeerd wilde zich er dan wel tegenaan bemoeien met Daan, ik heb hem er in ieder geval van kunnen weerhouden mijn ouders van alles en nog wat te vertellen. Als dat was gebeurd, en mijn vader had zich er ook nog in willen mengen, dan denk ik dat ik van pure schaamte van het eiland af was geslopen met de vroegste boot, de volgende ochtend.
‘Ach, het was helemaal niks, ik was gewoon, eh, hormonaal of zo,’ doe ik het gauw af, al zie ik Tjeerd nog fronsen. ‘En, eh, broer, Greetje was terug naar de wal, weet je nog? Op maandag.’ Ik doe mijn best om het een beetje plagerig te zeggen, in de hoop dat ik hem afleid, en dat lukt ook nog. Een stuk beter dan ik verwachtte.
‘Wat heeft dát er nou mee te maken!’ zegt mijn broer geërgerd en veel te hard, waardoor het voor ons allemaal duidelijk is dat dat er waarschijnlijk van alles mee te maken heeft. Tjeerd krijgt van schrik een rood hoofd. ‘Ik dacht gewoon dat ze de hele tijd bij Boersma zat,’ pruttelt hij er nog achteraan. ‘Liep ik even langs om te vragen of alles goed was, was ze weg!’
Och, arme Tjeerd. Hij zal zich wel verschrikkelijk verlegen hebben gevoeld. Mevrouw Boersma is ook niet van gisteren; die zal hem wel zo hebben aangekeken met een blik van ‘ik weet heus wel hoe de vork aan de steel zit’.
‘Ga nou gewoon even mee, straks,’ dring ik aan, en met een gekweld ‘hhhh-oké’, dat voor zeker vijfennegentig procent zo ongeveer Oscarwaardig acteerwerk is, stemt hij in.