Hoofdstuk 18 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Zonder er al te veel woorden aan vuil te maken fietsen we samen op naar de Boei. Ik heb er een schoon T-shirt voor aangetrokken, eentje met zo’n rondje van een processende computer, en de tekst SARCASTIC COMMENT LOADING erop. Mijn vader moest in de afgelopen dagen een keertje op de wal zijn en toen is die schat doorgereden naar Leeuwarden om wat van mijn kleren op te halen. En ongetwijfeld om bij zijn zus verslag uit te brengen van alles wat er op het eiland gaande is; ik probeer er maar niet over na te denken wat ze zullen hebben gezegd over mij.
Ik heb mascara op, en een beetje lipgloss. Ik vond mijn oude make-uptasje in mijn kamer, weggestopt achter in een la, en eigenlijk uit nieuwsgierigheid maakte ik het open om te kijken of wat erin zat nog bruikbaar was. Het leek wel een soort tijdcapsule: ik waande me meteen weer terug in de tijd, terug op het eiland in de huid van wie ik vroeger was.
Yvonne, het zogenaamd ‘mooiste meisje van het eiland’.
Ik ben hondsdankbaar dat ik me niet meer zo voel als toen. Want onder al die branie zat iemand die dodelijk onzeker was, die schreeuwde om aandacht en erkenning. Erkenning waarvan, dat was eigenlijk volkomen onbenoembaar. Ik had geen idee in wat, voor wat of als wat ik erkend wilde worden, maar ik weet nog wel precies hoezeer die drang tot iets, wat dan ook, me aanzette tot de ene na de andere stomme keuze.
Tjerk had gelijk, natuurlijk. Ik had wel gegrepen en verkracht kunnen worden, en die keer in de reddingsboot was zeker niet de enige keer dat ik mezelf in zo’n situatie had gebracht. Op dat moment wist ik dat heus ook wel, maar het gevoel te spelen met vuur, en te winnen, gaf me zo’n high, zo’n gevoel van macht over mezelf en de situatie waarin ik zat, dat het volkomen verslavend was.
Even was ik bang dat het opendraaien van mijn oude mascara (gelukkig nog niet helemaal verdroogd) en het ritueel besmeren van mijn wimpers zo’n zelfde gevoel over me zou afroepen in het hier en nu, maar dat gebeurde gelukkig niet. Alleen de herinnering borrelde boven.
Plus het besef dat ik waarschijnlijk de afgelopen twee jaar helemaal niets aan cosmetische producten op mijn gezicht heb gesmeerd, met uitzondering van een Labello met een kleurtje en een pot supermarkt-eigen-merk dagcrème.
Ik was verrassend tevreden met het resultaat. Een likje mascara en een veegje gloss en ik voelde me opgemaakt als een jarenvijftigpin-up op een garagekalender. Mijn haar kreeg nog een extra kloddertje gel, zodat mijn stekels fier rechtop stonden, en mijn neus mocht even bijkomen, omdat ik mijn bril afzette en ergens van onder uit mijn tas nog twee verse daglenzen tevoorschijn toverde.
Nu ik eenmaal op de fiets zit – we zijn er al bijna – voel ik me een beetje idioot dat ik zo mijn best heb gedaan. Het is maar de Boei, natuurlijk. En Daan heeft me tot nu toe alleen maar zonder make-up en met dat enorme kijkijzer op mijn hoofd gezien, of nog veel erger, nat van de regen en onder het zand en de schelpjes toen we de windmolen hadden stilgezet. Dus waarom voel ik de drang om toch iets van mijn best te doen? Als ik nettere schoenen bij me had gehad dan mijn Docs-met-extra-dikke-zolen, dan had ik die vast ook nog aangetrokken, en heel even heb ik zelfs gebaald van het feit dat mijn vader geen jurkje had meegenomen uit Leeuwarden.
Het moet verdorie niet gekker worden. Toch voel ik mijn hart bonzen; hoe dichterbij we komen, hoe harder.
Het gaat tekeer als een heimachine tegen de tijd dat ik mijn fiets heb vastgezet.
Tjeerd geeft me een blik. ‘Alles goed, zus?’ vraagt hij. ‘Je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien.’
‘Shit. Is mijn mascara uitgelopen?’ vraag ik verschrikt.
Hij schudt zijn hoofd en grinnikt. ‘Ik dacht al dat je make-up op had. Gelukkig niet meer van die hele plakkaten, zoals vroeger, maar het staat je goed. Je was wel erg rigoureus omgeslagen, hoor, Nynk. Je haar eraf, en dan ook meteen zo’n zwarte-kleren-stijl met van die schoenen; je lijkt wel een halve punker af en toe. Vroeger wilde je niet dood gevonden worden in zwart.’
‘Nee, toen droeg ik allemaal idiote topjes en jurkjes die eigenlijk veel te ouwelijk en te bloot waren. Als ik nu foto’s van mezelf zie uit die tijd kan ik wel door de grond gaan. Wat een aansteller was ik toen, zeg. Bah.’
‘Nynk,’ zegt mijn broer ernstig, vlak voor de deur. Hij keert zich naar me toe en legt even een hand op mijn bovenarm. ‘Je moet niet zo streng zijn voor jezelf. Je bent zo hard, je ziet alles zo zwart-wit. Je was gewoon een beetje aan het puberen, en misschien hadden heit en mem wat meer moeten optreden tegen je, dat had misschien wel geholpen, maar zoiets gaat toch ook vanzelf weer over? Je bent slim, en als je wilt zie je er goed uit. Zelfs in deze kleren.’ Hij geeft me een plagerig duwtje, waardoor ik weet dat hij het goed bedoelt.
Grinnikend gaan we samen naar binnen. Ik ben echt zo blij dat ik weer thuis ben, en ik voel me intussen ook echt thuis. Alsof ik ben waar ik hoor, alsof ik gewoon vanzelfsprekend geaccepteerd word, zonder dat ik ook maar iets hoef te bewijzen. En nu ik dat gevoel een tijd heb gemist, waardeer ik het des te meer.
Ik kom achter Tjeerd aan naar binnen en ik voel hem op de drempel heel even verstrakken. Zijn ze er al?
‘Godver,’ gromt Tjeerd, ‘nou zit die eikel zeker achter Greetje aan? De groeten, ik ga hier niet zitten, hoor.’ En hij keert zich om en marcheert zo weer naar buiten.
Ik kijk even naar binnen. Het is niet druk, en ik zie een tafeltje met Greetje en Daan, ieder boven een biertje. Ze zien er niet uit alsof ze heel innig bij elkaar zitten; ze zien eruit alsof ze zitten te wachten. Allebei. Ze zien mij ook, en kijken ieder op hun eigen manier een beetje verschrikt.
Ik maak snel een paar gebaren, zo van ‘wacht even, komt goed, momentje’, ren achter mijn broer aan de deur weer uit en zie dat hij zijn fiets alweer in zijn hand heeft.
‘Tjeerd, zet die fiets weg,’ zeg ik, strenger dan ik wil. Ik hoor een echo van de toon van tante Rimi in mijn stem, en onder iets andere omstandigheden had ik daar denk ik wel om kunnen lachen. Maar nu even niet. Ik wil naar binnen. Ik wil naar Daan, ik wil dat Tjeerd lekker bij Greetje gaat zitten, ik wil dat Daan en Tjeerd hun beginnende vriendschap weer oppakken. Ik wil niet, o, ik wil ontzettend niet dat al die dingen mislukken.
Tjeerd kijkt me verbijsterd aan en schuttert dan: ‘Ja, nee, ik bedoel, ik ga niet, eh, ik ga er toch niet naast zitten, terwijl, nou ja... dat hij haar gaat zitten versieren, twee tafeltjes verder?’
‘Dat gaat ook helemaal niet gebeuren,’ zeg ik daadkrachtig. ‘Zet die fiets nou weg! Moet je horen. Ik kwam Greetje tegen toen ze vanmiddag uit de bus stapte, hier bij de VVV voor de deur. Ze had blijkbaar een verjaardag in Groningen, iets in de familie, waardoor ze nu pas weer hier is. Zij stelde voor om iets te gaan drinken. Want dan konden jij en Daan het misschien weer goedmaken, en ik dacht dat ze het ook wel een mooi excuus vond om jou meteen weer even te zien, zeg maar.’
‘Wat heeft Daan daar nou verdorie mee te maken?’
Ik heb ineens een rood hoofd en voel me ongelooflijk onhandig als ik me realiseer dat ik het hele verhaal zal moeten vertellen. Geen ontkomen aan. Ik haal adem. Kijk naar mijn tenen. Nog een keer adem.
‘Daan kwam vandaag langs bij de VVV,’ zeg ik dan uiteindelijk schoorvoetend.
‘Wat kwam hij doen?’ Tjeerd klinkt, voor zijn doen, enorm dreigend.
‘Niks. Of, nou ja, zich verontschuldigen. Dat hij me had laten schrikken. En hij baalt ervan dat je niet meer met hem wilt praten. Dat zei hij tenminste, dat je niet meer met hem wilt praten. Is dat zo? Dus, eh, toen waren we even een rondje gaan lopen, bij de watertoren, even naar buiten tussen twee boten in, weet je wel, het was toch rustig, en anders staat Rietje overal zo met haar neus bovenop, je weet hoe ze is. En toen kwamen we terug, stapte Greetje net uit de bus. Die vroeg wat er was, dus wij zeiden dat Daan bij mij advies kwam vragen hoe hij het weer goed moest maken met jou. Toen stelde zij voor om iets te gaan drinken, want zij dacht: als we nou met z’n vieren bij elkaar gaan zitten, dan komt het vast vanzelf weer goed. Ik zei nog, Tjeerd kan zo stijfkoppig zijn, maar –’
‘Ik ben niet stijfkoppig!’ zegt Tjeerd verongelijkt. ‘En Greetje weet toch niet wie Daan is, of wat er is gebeurd tussen jou en hem?’
‘Nee, weet ze ook niet, maar dat heeft hier toch helemaal niks mee te maken? Ze vindt het volgens mij leuk om iets met je te drinken, en ze vindt het ook leuk als je het weer goedmaakt met Daan, en dat vind ik ook allemaal leuk. Dus, eh, nou ja, zullen we niet gewoon weer naar binnen?’
‘Hm,’ zegt Tjeerd, en hij schraapt met de neus van zijn sneaker over de steentjes terwijl hij erover nadenkt. ‘En jij dan, wil jij nog wel iets met Daan drinken?’ vraagt hij uiteindelijk.
Ik knik. Maar goed dat het al een beetje donker is, anders zou hij meteen zien hoe hard ik bloos. ‘Ik wil graag nog iets met hem drinken,’ zeg ik maar eerlijk. ‘Ik vind hem, er is iets aan hem, ik weet niet precies, maar ik vind hem heel, eh, bijzonder.’
‘Bijzonder,’ herhaalt mijn broer omineus.
‘Ja, nou ja, hoe moet ik het anders noemen? Maar goed, daarom was ik denk ik ook zo van hem geschrokken. Hij is soms ineens zo heftig, weet je wel? Maar hij bedoelt het volgens mij niet slecht. Hij deed ook eigenlijk niet echt iets verkeerds, hij zoende me alleen maar, en het was vooral stom van mij om zo hysterisch te reageren. Hij had me heus wel losgelaten, ik had niet zo weg hoeven rennen. Heb ik ook allemaal tegen hem gezegd. We hebben ons zeg maar tegen elkaar verontschuldigd. Het... luchtte wel erg op.’
Tjeerd knikt ernstig. ‘Hij zei dat je op de een of andere manier dus ook, nou, bijzónder voor hem bent. Ik weet niet meer helemaal precies hoe hij het formuleerde. Aan het eind van het telefoongesprek. Ik zei dat hij bij je uit de buurt moest blijven, als je van hem moest huilen, en toen zei hij er iets over.’
Nu ben ik degene die knikt. ‘Voor mij is het dus ook bijzonder,’ zeg ik nog maar een keer zachtjes.
Tjeerd krabt op zijn hoofd en trekt een rare grijns. ‘Nou, zolang hij je niet aan het huilen maakt...’ zegt hij dan, nog wel een beetje onwillig.
‘Zullen we... weer terug naar binnen?’
Hij knikt, vastberadener nu. ‘Poging twee.’
Nu ga ik als eerste, en ik zie de opluchting zo’n beetje van de gezichten van Greetje en Daan afstralen als ze mijn broer achter me ontwaren. Zo neutraal mogelijk zeg ik ‘Hoi’, en kies de stoel die het dichtst bij Daan staat.
Hij ziet eruit alsof hij blij is me te zien. Hij ziet er ook nog steeds zo stuursig uit, alsof hij met rust gelaten wil worden, maar daar direct onder zie ik... Of hou ik mezelf voor de gek? Ik weet het even niet meer, ik ben eigenlijk helemaal raar en rauw vanbinnen, en in de war van dat gesprekje met Tjeerd daarnet. Het valt niet mee om echt, eerlijk te zeggen hoe je je voelt, zeker als het om zoiets wereldschokkends als verliefd...
Wacht even.
Met een harde ruk trek ik aan de noodrem van mijn gedachten.
Verliefd?
Op Daan?
Shit.
Dit is echt zoiets waarvan je gewoon weet dat het waar is, op het moment dat je het hebt gedacht. Je kunt het niet meer ont-denken, je kunt het besef niet meer ongedaan maken.
‘Zal ik even wat te drinken halen?’ zegt mijn broer hoffelijk. Hij ziet er toch wel blij uit nu we er eenmaal zijn; ik weet zeker dat dat komt door Greetje. Ze ziet er vanavond ook wel heel leuk uit; ze heeft een mooie, heel aparte jurk aan met schijfjes citroen erop die haar geweldig staat.
‘Ik loop wel even mee,’ zegt ze, en ze springt uit haar stoel.
‘Bier?’ vraagt Tjeerd aan Daan en mij.
We knikken, en dan ineens zijn we alleen.
‘Ik dacht, je komt niet meer terug,’ zegt Daan zachtjes. ‘Gaat het wel? Je ziet er piekerig uit. Nee, kijk nou niet zo verschrikt; ik zei toch dat je aan jouw gezicht precies ziet wat er vanbinnen gebeurt. En al helemaal als je je bril niet op hebt. Staat je goed, geen bril. Als je hem op hebt staat het eigenlijk ook goed. Ik bedoel –’
‘Ik heb, eh, aan Tjeerd verteld dat je langs was gekomen, vandaag,’ val ik hem haastig in de rede, ‘en dat we hebben gepraat, en zo, en dat we het weer goedgemaakt hebben, zeg maar. En dat je baalt dat hij niet tegen je wilde praten.’
‘Hebben we het goedgemaakt, dan?’
‘Ja toch?’ zeg ik, ineens geschrokken. ‘Of, eh, heb ik weer iets gedaan waar je van vindt dat, eh...?’
‘Wat, ben je bang dat ik nog een keer op je ga zitten afgeven omdat je naar de toneelschool wilt? Zal ik nooit meer doen. Beloof ik. Volgens mij deed ik dat ook alleen maar omdat ik me geen houding wist te geven, iedere keer als we met elkaar aan de praat raakten. Er is iets aan jou, ik weet ook niet wat het is.’
‘Er is ook iets aan jou,’ zeg ik snel, en ik hoop maar dat hij hetzelfde bedoelt als ik.
Ik bedoel volgens mij iets in de trant van: ik weet niet hoe het kan, maar in de afgelopen week, waarin ik je drie dagen heb gezien, één behoorlijk gesprek met je heb gehad, even heel heftig met je heb gezoend, vervolgens heel hard om je heb gehuild (en om mezelf, met mijn stomme reactie) en daarna vier dagen aan je heb gedacht, ben ik smoorverliefd op je geworden.
Zo verliefd als ik nog nooit op iemand ben geweest.
Sterker nog: als ik dit gevoel met iets uit mijn verleden zou moeten vergelijken, kan ik alleen maar concluderen dat ik nog nooit van mijn leven ook maar in de buurt van verliefd-zijn ben geweest.
‘Kijk, daar ga je weer,’ zegt Daan zachtjes, ‘je verdwijnt helemaal naar binnen. Deed je net ook al. Ik dacht even dat het juist helemaal nog niet goedgemaakt is, met jou en mij.’
Ik slik, en kijk hem in de ogen in het schemerige licht van de Boei. Ze glanzen; twee onderzoekende bakens waar ik mijn blik in vasthaak, omdat ik anders misschien wel verdrink in al die verwarring die me omspoelt.
Geen idee hoe lang we zo zitten, alleen maar te kijken. We zeggen niets, maar dat hoeft ook niet.
Het verse bier dat – iets te daadkrachtig – onder mijn neus wordt geschoven, haalt me uit die rare trance, en ik kijk op in het gezicht van mijn broer. Zijn wenkbrauwen zitten zo ongeveer boven op zijn hoofd, wat ik er zo grappig uit vind zien dat ik het meteen uitproest.
Naast me hoor ik een ingehouden gegrinnik, en Tjeerd zegt, verbijsterd: ‘Hé, wat doe ik, dat je zo moet lachen?’
‘Je keek gewoon zo verbaasd,’ hik ik slap, en ik neem snel een grote slok bier.
‘Rustig aan,’ zegt Daan zachtjes, ‘straks komt het door je neus weer naar buiten.’
Onder de tafel voel ik Daans knie de mijne aanraken, heel lichtjes, en ik trek de mijne niet weg; ik laat hem voorzichtig tegen de zijne rusten. Hij doet hetzelfde, tot we met onze knieën stevig tegen elkaar aan zitten en Daan me over de rand van zijn bierglas een korte, zijdelingse blik geeft, met een hint van een glimlach erin.
* * *
Ondanks het ongemakkelijke moment waar de avond mee begon hebben we het eigenlijk heel gezellig. Tjeerd vertelt enthousiast dat hij met Martin Freriks heeft afgesproken dat hij gaat helpen met het repareren van de windmolen bij Grote Vis, en dat Martin hem daarbij zal leren lassen – hij verheugt zich er enorm op, die rare broer van mij, en als het weer meezit en Martin vandaag nog een lasapparaat heeft kunnen huren aan de wal, gaan ze morgen beginnen.
‘Wie gaat er dan in Beppes Keuken werken?’ vraagt Greetje praktisch. ‘Er komen morgen natuurlijk alleen nog maar meer mensen van de wal.’
‘Akke en Swaan, en ik natuurlijk,’ zegt mijn broer verbaasd. ‘Wat had jij dan gedacht? Ik ga ’s morgens naar de Vis, en dan kan een van de meiden om elf uur de boel opengooien. Ik kom om een uur of een, kan zij lunchen, en in de loop van de middag komt die andere, en die werkt dan tot het einde. Zelf kijk ik wel, als het heel druk is blijf ik staan, en anders ga ik thuis eten.’
Greetje knikt, met iets berustends in haar blik. ‘Druk schema,’ zegt ze.
‘Je hebt toch wel tijd voor nog iets gezelligs, van het weekend?’ vraag ik verontwaardigd. ‘Of is dit het enige en is het verder werken werken werken?’
‘Nou ja,’ zegt mijn broer ernstig, ‘ik heb wel wat geld moeten lenen om die zaak over te kunnen nemen; dan kan ik toch niet op mijn gat gaan zitten en bier hijsen en anderen het werk laten doen? En ik moet ook nog zorgen dat ik in de toekomst wel een huis in het dorp kan kopen, want om nou tot mijn dood bij heit en mem te blijven zitten lijkt me ook niet echt een optie.’
Greetje kijkt naar mijn broer met een blik waar ik bijna van moet grinniken. Alsof hij, met al zijn serieuzigheid, een soort godswonder-plus is. ‘Ik ken geen jongens van onze leeftijd die zo in het leven staan,’ zegt ze als ze me ziet kijken. ‘Ze willen allemaal alleen maar drinken, lol maken, geen vastigheid, geen gedoe. En Tjeerd zit hier met een zaak die van hemzelf is en hij heeft het over een huis kopen in het dorp. Vind ik gewoon bijzonder, dat mag toch wel?’
‘Tuurlijk mag dat,’ zeg ik met een brede grijns. ‘Toch, D-eh, Sjaak?’
‘Ja, dat mag,’ zegt Daan, grinnikend om mijn bijna-verspreking. ‘Ik ben ook een serieuze gast, hoor. Vanbinnen. Ik ben dan wel muzikant, maar dat wil nog niet zeggen dat ik er maar een zooitje van maak. Ik moest al vrij jong voor mezelf zorgen, en ook voor nog wat andere dingen, dus dan leer je het vanzelf. Dat het handiger is om je zaakjes goed te organiseren. Om een beetje vooruit te denken, bedoel ik.’
‘Maar met relaties ben je toch wel wat losser?’ vraagt Greetje, heel ongeremd.
Daan kijkt op; verschrikt, en een beetje betrapt. ‘Wie heeft dat over me gezegd?’
De druk tegen mijn knie neemt toe.
‘O, dat las ik van de week in zo’n blaadje bij de kapper, ik moest van mijn moeder naar de kapper voor de verjaardag van mijn oom, weet je wel, dat feestje waardoor ik pas zo laat hier was vandaag. Ik vind die man helemaal niet eens zo aardig, maar hij is zo, weet je wel, zo’n model “succesvol zakenman”, en mijn moeder kijkt daar erg tegen op. Als hij een feestje geeft moeten we er altijd met de hele familie op ons paasbest naartoe. Ze baalt volgens mij dat mijn vader niet zo is, dat hij niet net zo veel geld verdient als haar broer, maar ja, mijn vader is meer als ik, ben ik bang. Meer, eh, relaxter over zulke dingen.’
Tjeerd glimlacht naar Greetje en zelfs in het halve licht van de Boei zie ik dat ze knalrood wordt. Ik zit me helemaal te verkneukelen over hoe goed het gaat tussen die twee.
Als ik even naar Daan kijk, zie ik dat zijn hele gezicht is verstrakt; ik voel er een bonk van in mijn hart.
‘Wat voor blaadje?’ vraagt hij aan Greetje, en ik hoor aan zijn stem dat hij echt moeite moet doen om rustig te blijven.
‘O, zo’n roddelblad, daar stond een artikeltje in over Marita van Duyne, dat ze een nieuwe vriend heeft, dat ze nu zo gelukkig is, na jou, omdat jij van alles en nog wat zou hebben uitgevreten toen je met haar ging... Kijk, ik geloof daar natuurlijk allemaal niet veel van. Ik denk altijd: als nou negentig procent verzonnen is, en tien procent is waar, dan zit je volgens mij goed.’
Daan slikt. ‘Dus... je weet gewoon wie ik ben,’ zegt hij dan. ‘Dat wist je de hele tijd al?’
‘Nou ja, ik twijfelde een beetje, maar toen ik eenmaal die foto’s van je zag, in dat blaadje, toen wist ik het zeker. En toen herinnerde ik me hoe je vorige week reageerde, toen Swaantje er iets over zei, weet je nog? Je werd behoorlijk boos. En ik snap ook heus wel dat je hier zit, dat je even rust aan je kop wilt als je zo iemand als Marita van Duyne als vriendin hebt gehad. Maar goed, vóórdat je met haar ging, bedoel ik ook eigenlijk te zeggen, toen was je toch, zeg maar, wat losser, met je relaties?’
Daan is er stil van. Hij draait zijn bierglas rond en rond op het viltje en drinkt het daarna in één teug leeg.
‘Het handige is wel dat we je dan, in ieder geval hier aan tafel, geen Sjaak meer hoeven te noemen,’ zeg ik maar snel.
‘Huh,’ zegt Daan. Hij zet zijn glas weer neer en veegt zijn biersnor af met de rug van zijn hand. ‘Voordat ik met Marita omging had ik gewoon helemáál geen relaties. Er waren wel vrouwen, en zo, maar dat waren geen relaties.’
‘Nou ja, zoiets bedoel ik geloof ik ook,’ zegt Greetje, een beetje kleintjes nu ze ziet dat het gespreksonderwerp best wel impact heeft op Daan.
‘Ik was maar een paar weken met dat idiote mens,’ zegt hij dan, zachtjes, half verontschuldigend, maar ook nog steeds behoorlijk bozig, ‘en zij heeft mij gedumpt, ik niet haar. Ik heb haar niet besodemieterd met een ander; zo zit ik niet in elkaar. Als het eenmaal wat is, dan is het ook wat. Zij ging ineens met een of andere ouwe kerel uit de filmwereld, goed voor haar carrière, dat soort shit, en toen ging ze mij in al die rotblaadjes afschilderen als een soort halve gangster-bad boy. Ik had even niks te doen, ik dacht: ik ga gewoon hier zitten, in de luwte, beetje pielen op het terras van de Vis, dan waait het wel over; als het hoogseizoen begint dan smeer ik hem wel weer. Maar nou komt de halve wereld hier opruimen, met cameraploegen en al, en zal je zien dat ik hier niet lang meer rustig zit. Ik wil meer bier. Jullie nog?’
Met een schraap van zijn stoel staat hij op, heel abrupt.
‘Zal ik meelopen?’ vraag ik, opkijkend vanaf mijn stoel, en hij geeft me weer zo’n miniem knikje, net als toen we in de VVV stonden en hadden besloten dat we naar buiten gingen.
Aan de bar staan we naast elkaar.
‘Ik bén helemaal niet “los” met relaties,’ zegt hij zachtjes tegen mij, alsof het belangrijk is dat ik dat weet. ‘Ik hád gewoon nooit relaties. Wel af en toe een meisje, maar gewoon, weet je wel, voor een nachtje. Heel soms twee nachtjes, als het echt goed ging. Heel vaak ook helemaal niet, als ik te veel aan mijn kop had. Toen mijn vader nog in de bak zat, voordat Nout bij onze oude band kwam, was ik alleen maar aan het werken, en een beetje dealen, gewoon om geld te verdienen. Toen had ik er niet eens tijd voor.’
‘Je hoeft je voor mij echt niet te verantwoorden, hoor,’ zeg ik zachtjes, terwijl ik een klein beetje tegen zijn schouder leun. Zijn hand hangt naar beneden, de mijne ook; ik voel zijn vingers en pak er snel een, onzichtbaar voor de rest van de wereld.
‘Ik wil gewoon niet dat je rare dingen van me denkt,’ bromt hij, en tegen Marie-Louise achter de bar zegt hij: ‘Doe nog maar vier bier.’
‘Hoi, Nynke,’ zegt Marie-Louise hartelijk terwijl ze tapt. ‘Ik schaamde me kapot om wat mijn tante over me zei, toen je van de week even was aangelopen!’
‘Och, welnee,’ zeg ik met een grijns, ‘hoeft toch helemaal niet. Ene oor in, andere oor uit, hoor. We hebben allemaal wel een moeilijke tante ergens in de familie, nietwaar?’
Ze grinnikt, ik zie dat ze gerustgesteld is, en ineens doorstroomt me zo’n warmte, zo’n geluksgevoel; ik zou hier wel een week willen blijven staan, hangend aan de bar, pratend met Marie-Louise, leunend tegen Daans schouder met mijn vingers om zijn wijsvinger gekruld.