Hoofdstuk 19 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Mijn broer is een masochist, echt waar.
Ik zit al weer veel te vroeg op de fiets.
Ik was gisteren tegen elven thuis, na een paar biertjes, en Daan heeft me heel lief naar huis gebracht. Op Vincents oude fiets, die hij had geleend. Dat ding maakt zo veel herrie als je erop rijdt dat het hele dorp weet dat je voorbijkomt. Ik schaamde me ervoor, maar hij kon er alleen maar om grinniken.
‘Het is toch mooi gelukt om Tjeerd achter te laten bij Greetje? Leuke meid, wel, aardig, en slim, en praktisch; lijkt me echt iets voor hem,’ had hij gezegd, en daarna, toen we bij het huis van mijn ouders waren, had hij even zijn hand op de mijne gelegd. ‘Nou, welterusten, Nynk,’ zei hij zachtjes, en hij keek me even op die speciale manier van hem aan. Alsof hij dwars door me heen kon kijken.
Ik hoopte natuurlijk eigenlijk dat we misschien nog een beetje zouden gaan zoenen, of zoiets. Iets om onze connectie te bekrachtigen, om mijn hysterische wegloopactie nog een beetje goed te maken. Maar dat gebeurde niet; hij legde zijn hand even op de mijne, gaf me die blik en fietste gewoon weg. Ik bleef staan kijken; hij keek nog één keer om en stak zijn hand in de lucht.
Ik heb nog even in mijn bed liggen woelen, piekerend over of hij het nou echt meende toen hij zei dat het nooit meer ging gebeuren, dat zoenen, tussen hem en mij. En hoe erg ik dat zou vinden.
Heel erg, dus eigenlijk.
Veel erger dan ik ooit had gedacht. Ik moest er bijna van huilen, zo erg; alleen het idee al dat ik misschien zo stom ben geweest om het voor mezelf te verpesten. Door dat idiote wegrennen van mij.
Verpest.
Met een jongen als Daan.
Shit.
Ik heb verdorie niet eens zijn mobiele nummer. Zoals we de hele avond in de Boei hebben gezeten, en aan de bar stonden, zo zou ik altijd met hem willen zijn. Ik vind het zelfs leuk als hij zit te zwijgen; hij kan eigenlijk heel goed luisteren. Ik kan me des te beter voorstellen dat hij dan gek wordt van een vrouw die alleen maar over zichzelf wil praten, want hij heeft natuurlijk veel meer diepgang dan dat. Hij is veel interessanter, hij heeft ook al zo veel meegemaakt, o, en zijn gezicht! Zijn ogen! Helemaal eigenlijk, hoe hij eruitziet, hij is lang, en best wel gespierd, eerder tanig dan beefy zoals Axel, maar ik vind hem precies goed. Echt precies, helemaal goed. En af en toe dan ruik ik zo’n vleugje van hem, en dat is dan zo ontzettend lekker! Ik zou eigenlijk wel zo’n beetje ín hem willen kruipen, zo–
‘Hallo, aarde aan Nynke. Ground control to Major Tom! Ben je eigenlijk al wakker?’
‘Tjeerd! Doe normaal. Ik was gewoon even in gedachten! Dat jij nou de idiote gewoonte hebt om iedere dag om vijf uur ’s ochtends op te staan, en dat je blijkbaar vastbesloten bent om mij mee te sleuren in dat onheil, dat wil nog niet zeggen...’
‘Het is half acht! Zo idioot vroeg is dat toch niet? En wat voor onheil, je zei zelf dat je mee wilde naar de Vis als ik Martin ging helpen met die windmolen. Nou, dat is dus nu. Vanochtend met de vroege boot is er een lasapparaat meegekomen, en een klein hijskraantje, volgens Mart, en nou gaan we hem fixen, en de wieken weer ophangen. De surfkeet moet ook weer terug op zijn palen: hij schijnt ook een ding te hebben gehuurd om die nieuwe palen die klaarliggen het zand in te heien. Of te drillen, of hoe dat dan ook moet. Jij weet dat natuurlijk niet, want jij zat de hele tijd bij de VVV, maar die surfkeet ligt intussen uit elkaar. Je kunt hem als een soort bouwpakket uit elkaar schroeven, dan heb je een dak, de muren en de vloer. Daar heb ik ook bij geholpen. Kan het hele ding met het hijskraantje weer opgebouwd worden. Dat moet ook dit weekend gebeuren, want anders moeten ze dat ding nog langer huren, dus er is een hoop te doen. Je kunt net zo goed bij de Vis je handen uit de mouwen steken als bij de VVV, hoor; werk zat.’
‘Ja, maar ik kan Rietje toch niet laten zitten?’
‘Wacht even, mijn mobiel.’
‘Je moet niet fietsen en bellen tegelijk, broer. Straks lig je nog op je gezicht. Plus, het is strafbaar, al denk ik niet dat iemand je op dit moment gaat betrappen.’
‘Ja, nee, wacht nou, eh, hallo? Greetje?’
Shit. Zij heeft wel Tjeerds nummer, en ik heb niet Daans nummer. Ik ben niet jaloers aangelegd, maar nou baal ik toch even. Hoe graag ik ook wil dat mijn broer háár gaat zoenen, in plaats van die twee die bij hem werken en op hem azen.
‘Nee, dat meen je niet,’ hoor ik mijn broer zeggen. ‘Hoe kan dat nou? Zomaar ineens?’
Het is een tijdje stil, terwijl we gezamenlijk opfietsen.
‘En nu? Ga je nu terug naar Groningen?’
Ik ken Tjeerd door en door. Als ik hem niet zo goed had gekend, had ik het vast niet gehoord. Dan had ik alleen maar gezien dat hij zo vriendelijk is, en zo goedmoedig. Maar ik hoor aan zijn stem dat hij zich rot is geschrokken, en dat hij als de dood is. Greetje heeft iets waardoor ze misschien weg moet, blijkbaar. Net nu het wat begint te worden. Verdorie.
‘Shit, wat ontzettend vervelend, Greet. Ik... ben met Nynke op weg naar Grote Vis, we gaan helpen de windmolen te repareren... Je kunt natuurlijk altijd nog deze kant op komen, als je vandaag verder niks... O, je oma helpen. Ja, oké, dat snap ik. Voorzichtig met die bijen, hè?’
Hij hangt op zonder poespas. Geen gemompel, gefluister, kooswoordjes, niks. Dat is geloof ik ook niet zo zijn stijl, maar toch vind ik het een beetje jammer; misschien is het toch nog niet zo ver tussen hem en Greetje als ik had gedacht. Of, nou ja, gehoopt.
‘Wat was er nou?’
‘O, ze is haar baantje op de boot kwijt. Zo, van het ene moment op het andere. Ze zou op de eerste afvaart vanaf hier opstappen, maar ze kreeg een belletje dat ze niet meer hoeft te komen. Ze snapt er niks van, ze had niks gemerkt van dat ze niet tevreden met haar... Wacht eens even.’
We zijn intussen bij de fietsenparkeerplaats aangekomen en slingeren geroutineerd onze fietsen tegen een van de houten hekken.
‘... wacht eens even?’ vraag ik nieuwsgierig, in de hoop dat hij de rest van zijn gedachte gaat afmaken.
Tjeerd kijkt me aan met een gezicht alsof hij het gespreksonderwerp alweer was vergeten, maar ik zie natuurlijk meteen dat dat nep is. Gelukkig maar dat hij geen auditie voor de toneelschool heeft gedaan; hij was denk ik niet erg ver gekomen.
‘O,’ zegt hij dan, met bijna tastbare tegenzin, ‘Swaan heeft me wel eens verteld dat haar oom iets hoogs is bij de EVD.’
‘Bij de rederij? En... denk je nou dat Swaantje haar oom heeft gebeld, en dat die dan opdracht heeft gegeven om Greetje te ontslaan, alleen omdat jij iets met haar ging drinken, gisteravond?’
Tjeerd geeft een soort half knikje. ‘Ik zie haar er wel voor aan. Ze kan iets nietsontziends hebben waar ik het een beetje koud van om mijn hart krijg, af en toe. En dat vind ik nog onaantrekkelijker dan die tanden van haar.’
Ik kan niet anders dan het met hem eens zijn en loop achter hem aan het duin op. Het lage, onmiskenbare gebrom van Axels auto komt ons achterop; we hoeven niet eens om te kijken om te weten wie er achter ons zit. Hij heeft die enorme LaRo in een mum van tijd geparkeerd en met zijn lange benen haalt hij ons zo in: tegen de tijd dat we bij de gehandicapte windmolen zijn aangekomen, waar Martin met Vincent en Cam staat te overleggen, staat hij naast ons.
‘Vroege vogel,’ zegt Tjeerd tegen hem.
Axel grijnst een beetje moeilijk. ‘Ik kom toch maar even kijken, voor de windmolen,’ bromt hij. ‘En ik ga wat eerder open; ik hoor van de VVV dat er gisteren veel mensen zijn gekomen die het hele weekend blijven.’
‘Hoe is het met Wende?’ vraag ik. ‘Is ze alweer helemaal opgeknapt? Vorige week zag ze er zo beroerd uit toen we kwamen aankloppen.’
‘Gaat goed,’ zegt hij, en hij lijkt wel een beetje verlegen met zichzelf. ‘Ik ga haar om een uur of tien halen. Kan ze nog even uitslapen.’
Uitslapen? Ik dacht dat Wende misschien nog wel een hardere werker was dan Axel zelf, als ik mijn moeder tenminste mag geloven. Die heeft me wel eens verteld over Axels vroegere vriendin, van voor Wende: een heel mooi meisje dat absoluut niet in staat was om haar handen te laten wapperen, en het verhaal gaat dat ze het dan ook heeft uitgemaakt omdat ze het leven op het eiland niet trok. Te hard werken in de zomer, te weinig te doen in de winter. Nou, daar heeft Wende geen last van, die is altijd met iets bezig. Alles waar Axel niks van kan, of waar hij geen zin in heeft, dat pakt zij op, en nog een heleboel andere dingen ook. Dus dat ze nou ineens ligt uit te slapen op een zaterdag terwijl het eiland vol mensen zit... Ik kijk Axel extra scherp aan. ‘Zeker weten dat alles goed met haar is?’
Hij knikt, en bijt even op zijn lip. ‘Zeker weten. Vraag maar aan haar, als je haar ziet. Ik weet niet of je hier blijft, of ga je terug naar de VVV, straks?’
Ik wil net iets terugzeggen als Daan via het paadje aan de achterkant van de Vis aan komt lopen. Hij ziet er echt geweldig uit: met een hele oude spijkerbroek, die vast ooit blauw was maar nu bijna wit, met grote slijtgaten op de knieën en rafels aan de onderkant. Je ziet zo dat dat bij hem echte gaten en echte rafels zijn, van ouderdom, niet van die stomme voorbewerkte modegaten waarbij je broekspijp vanaf de knie naar beneden nog aan zo’n beetje één draadje hangt. Daans broek heeft zelfgesleten gaten; geen twijfel mogelijk dat hij deze spijkerbroek gewoon heel lekker vindt zitten, ook al is het ding eigenlijk al lang en breed rijp voor de vuilnisbak.
Daarop draagt hij zo’n mannenhemd, grijs, en dat zit ook best wel strak, waardoor ik nu pas echt goed kan zien dat hij heus wel behoorlijk gespierd is. Zijn haar hangt los, zijn voeten zitten in versleten All Stars. Geen sokken. Ik heb dit allemaal gezien in een soort flits van één milliseconde, en kijk maar even snel ergens anders naartoe, omdat ik bijna niet meer kan ademen.
‘Hoi,’ zegt Daan tegen iedereen tegelijk.
Martin, Axel, Tjeerd, Vincent, Cam en ik maken allemaal een of ander begroetgeluid terug.
‘Ha, heer Jacques, kom je het team ondersteunen?’ zegt Cam olijk.
‘Yep. Vinnie vroeg gistermiddag of ik ook kwam helpen, dus hier ben ik,’ zegt Daan, die voor zover ik kan zien niet echt van zijn stuk is dat hij mij hier ineens ziet staan. In ieder geval niet zoals ik van mijn stuk ben, want hoewel ik echt verschrikkelijk mijn best doe om niks te laten merken, sta ik zo ongeveer te trillen op mijn benen.
Ik ben echt zo walgelijk verliefd op hem.
Het is niet te geloven.
Het is ook echt, echt helemaal niet leuk; wat al die liedjes en gedichten en weet ik veel wat ook beweren, over hoe geweldig het is. Nou, als dit het is, dan weet ik niet of ik er zo blij van word. Zeker als het onderwerp van al mijn gevoelens twee meter verderop met Cam staat te praten alsof ik er helemaal niet ben, terwijl we gisteravond zowat handje stonden vast te houden aan de bar.
‘Ha, fijn dat je er bent, Tjeerd,’ zegt Martin terwijl hij op ons af stapt. ‘En je hebt nog meer versterking meegenomen! Nynke, ga je niet in de VVV staan bij Ria vandaag?’
‘Nou,’ zeg ik, ‘ik was eigenlijk van plan om voor de boot van tien uur weer naar beneden te gaan. Die broer van mij heeft me vanochtend uit bed gesleurd omdat hij wilde dat ik mee kwam kijken, omdat jij had beloofd dat je hem gaat leren lassen. Of zoiets.’
Het komt er allemaal een beetje stuurs uit, maar vanuit mijn ooghoek heb ik wel gezien dat Daan even mijn kant uit keek terwijl ik stond te praten, en ik weet bijna zeker dat hij precies heeft gehoord wat ik zei.
Tjeerd naast me maakt ineens een soort sprongetje. Dat betekent dat hij een plotselinge inval krijgt; het is vast iets wat hij zelf een verschrikkelijk goed idee vindt. Dat deed hij als kind al, zo opspringen, en het is nooit echt overgegaan. Daarom was het voor hem ook altijd onmogelijk om iets geheim te houden: je ziet het meteen aan hem als hij ergens enthousiast over is.
‘Nynk! Waarom vragen we niet aan Greetje om Rie een dagje te helpen? Dan, eh, dan heeft ze toch iets leuks te doen, want ze klonk niet zo heel enthousiast bij het idee dat ze haar oma ging helpen met de bijen, en, eh, dan kan jij hier blijven, een beetje in de buurt bij, eh, weet je wel? Bij ons, als we de windmolen gaan fixen. Als je dat wilt, tenminste. Ik kan wel even bellen?’
Hij staat al met zijn mobiel in zijn hand. Net een golden retriever, mijn broer.
‘Ja maar, wacht nou even,’ zeg ik snel, ‘dat wil ze vast niet. En ze verdient ook niks. Ik bedoel, Rie geeft me af en toe een paar tientjes, niet officieel, want ik werk daar natuurlijk niet echt, ik help haar alleen maar. Ik neem toch aan dat Greetje op de boot wel meer verdiende als ze een dag in de koffiehoek stond.’
‘O ja,’ zegt mijn broer, en hij kijkt naar zijn schoenen.
‘Ik wil wel sponsoren, als het een kwestie van geld is,’ zegt Cam ineens. Hij stapt op ons af, met Daan in zijn kielzog. ‘Kijk, we hebben er allemaal veel aan als het opruimen goed wordt gecoördineerd. Maar zoiets zit natuurlijk niet in de begroting van de VVV. Ik regel wel wat. Als het zo druk is op het eiland, dan is het des te belangrijker dat de mensen goed worden geïnstrueerd en naar de juiste locaties worden gezonden. Tjerk deed tot nu toe zo veel mogelijk aan die instructie, maar hij kan niet drie grote strandopgangen in zijn eentje beheren. Als jij nu hier blijft, Nynke, om vuilniszakken uit te delen en uit te leggen aan de mensen wat waarin moet, en waar de volle vuilniszakken naartoe moeten, dan kan Tjerk bij de Badweg gaan staan. Dat is de grootste opgang. Hebben we alleen nog iemand nodig voor bij Vlamkop. Desnoods ga ik daar zelf naartoe. Kijk eens aan, als je het over de duivel hebt, dan trap je hem op zijn staart. Daar heb je Tjerk.’
‘Môge, met z’n allen,’ bromt Tjerk slaperig, terwijl hij de laatste passen het duin op stampt. Zijn gezicht zit nog vol vouwen. Hij heeft de afgelopen week ontzettend hard gewerkt en dat is hem wel aan te zien. ‘Kom ik netjes op tijd, word ik meteen uitgemaakt voor de duivel. Mooi is dat.’
Axel legt in zijn telegramstijl, zonder een woord te veel, aan Tjerk uit wat we hebben bedacht. Tjerk knikt, loopt weg en belt naar Rietje. Tjeerd grinnikt, loopt weg en belt Greetje. Cam, Axel, Tjerk en Vinnie kuieren op hun gemak samen met Martin naar het bescheiden hijskraantje, dat als een soort bizar insect min of meer naast de verbogen rotor van de windmolen langs de kant van de weg staat.
Daan en ik blijven staan waar we stonden, een paar passen van elkaar vandaan, ineens met zijn tweeën achtergebleven en een beetje verdwaasd door al die plotselinge ontwikkelingen. Hij kijkt me even aan – zo’n blik die ik tot in mijn tenen voel – en zet twee, drie stappen mijn kant uit. ‘Dus... je blijft de hele dag hier?’ zegt hij zachtjes.
Ik knik. ‘Blijkbaar wel.’
* * *
Alles heeft binnen een paar minuten zijn beslag gekregen. Ik heb mijn instructies van Tjerk, alsmede een flinke verzameling vuilniszakken in twee kleuren, ik heb een klein tafeltje om achter te staan en ik heb een geel hesje aan met INFO op de rug geschreven met een dikke zwarte marker.
Mijn post is op de duinweg, vlak voor de top. Jammer genoeg kan ik vanaf waar ik sta net niet zien wat er gebeurt rondom de windmolen, hoewel ik wel allerlei lawaai hoor. Ik heb dus ook geen idee of mijn broer inderdaad lasles krijgt van Martin, of dat ze iets anders aan het doen zijn. Er klinkt een soort jankend zaag- en slijpgeluid, motorgeronk, gebonk en af en toe ingehouden gevloek, dus volgens mij gaat het niet helemaal goed.
Maar in mijn gedachten ben ik voornamelijk met iets anders bezig. Het is zo’n één meter negentig lang, met halflang, uitgegroeid blond haar, een spijkerbroek met gaten en een strak hemmetje, en het loopt me met grote regelmaat voorbij met een paar volle vuilniszakken in zijn handen. Even later komt het dan weer terug, zonder vuilniszakken. Rara, wat is dat?
Daan, dus.
Die me iedere keer als hij langskomt zo’n half glimlachje geeft waar mijn hart van door mijn borstkas stuitert.
Hij heeft zichzelf tot taak gesteld om gevulde vuilniszakken van de mensen op het strand te verzamelen aan het begin van de opgang, om ze op zijn gemak naar boven over de duintop en aan de andere kant weer naar beneden te sjouwen, en ze netjes op een berg te leggen langs de weg bij de keerlus. De vuilophaalwagen moet vol zijn om met de boot van twaalf uur het eiland te verlaten, want dan komt er een nieuwe. We hebben al een hele week vier, soms zes vuilniswagens per dag die leeg komen en vol weer vertrekken: het is zelfs zo erg dat de eilanders die hun auto mee willen nemen op de boot, dit van tevoren moeten overleggen met de rederij om te zien of het wel past.
Daan is vastbesloten om de vuilniswagen helemaal vol te krijgen, alleen al met zijn zakken. Ik had geen idee dat die jongen zo hard kon werken, dat hij zo kon sjouwen. Hij gaat gaandeweg wel wat langzamer lopen; ook aan zijn uithoudingsvermogen zit natuurlijk een einde.
Tegen de tijd dat de wagen in zicht komt om zijn vracht op te halen, staat Daan licht hijgend naast mijn tafeltje, voorovergebogen met zijn handen op zijn bovenbenen.
‘Gaat het nog een beetje?’ vraag ik; we hebben het eigenlijk allebei te druk gehad om meer te doen dan naar elkaar kijken als hij voorbijkwam. Dan gaf hij me zo’n glimlachje, en ik deed mijn best om hem zo bemoedigend mogelijk aan te kijken.
Soms was ik dan een beetje bang dat mijn blik mijn hart zou weerspiegelen.
Zou hij dat ook hebben gezien?
Hij zegt toch de hele tijd dat je aan mijn gezicht kunt zien wat ik denk? Wie weet staat er voor hem wel met chocoladeletters op te lezen: Hé! Jij daar! Ik ben ontzettend verliefd op je! Dat zou eigenlijk wel idioot beschamend zijn, denk ik, knabbelend op mijn lip, terwijl ik voel dat ik bloos.
‘Pff,’ zucht Daan, nog half voorover geleund maar met zijn hoofd een stukje opzij gedraaid om naar me te kijken. ‘Ik heb een conditie van lik m’n reet. Wat zit je nou te blozen, Nynk?’
‘V-volgens mij heb je een beestachtige conditie,’ stamel ik snel, ‘moet je zien wat een berg zakken je hebt versleept! Ik denk dat behalve misschien Axel de jongens van de Vis het je niet nadoen, hoor.’
‘Pff,’ zegt hij nog een keer, maar dan bagatelliserend: ‘Ik moest toch wat.’
‘Nou ja, je had ook gewoon binnen kunnen gaan zitten. Koffiedrinken, of zo.’
Hij schudt zijn hoofd, komt weer rechtop staan en haalt een keer zijn handen door zijn haar. ‘Jij bent toch hier?’ zegt hij dan, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Ik moest toch iets verzinnen om, nou ja, om...’ Hij maakt een vaag gebaar mijn kant uit.
Zou hij nou... Bedoelt hij dat hij... nee. Dat kan toch niet? Dat hij speciaal voor mij, om iets te doen te hebben dat bij mij in de buurt is, de hele ochtend heeft gesjouwd als een bouwvakker? Alleen maar zodat hij voor mijn neus heen en weer kon lopen?
‘Ik moet even douchen,’ bromt hij dan zachtjes, ‘ik loop te zweten als een otter. Ik zal morgen mijn spieren wel voelen. Wil je... met me lunchen? Dan gaan we wel in de Vis zitten, hoor, ik bedoel, bij mij in het huisje... is misschien niet zo’n goed idee.’
‘Want dan vergrijp je je nog een keer aan me?’ zeg ik, in een poging tot een grapje, maar ik hoor meteen dat het onhandig klinkt, en ook dat het niet grappig is.
‘Nee, jezus, nee!’ zegt hij, oprecht geschrokken. ‘Natuurlijk niet! En dat was toen natuurlijk ook niet gebeurd, shit, dacht je echt dat ik...?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Tuurlijk niet. Ik dacht... ik weet niet precies wat ik dacht, ik vond het fijn en griezelig tegelijk, je was zo rauw, zo... woest, denk ik op een bepaalde manier. Maar ik dacht zeker niet dat je me iets aan zou doen; ik bedoel meer, eh, je... emoties? Ik weet niet hoe ik het moet zeggen,’ eindig ik verlegen.
‘Ik wist daarnet ook niet wat ik moest zeggen, toen je hier ineens stond. Had ik niet op gerekend.’
Ik glimlach naar hem. Het klinkt vast onaardig, maar het doet me echt goed om van hem te horen dat hij dus heus wel iets voelde toen hij me zo onverwachts zag. ‘Ik vond het ook raar. Weird is dat, hè?’
Hij knikt, en snuift. Veegt zijn haar achter zijn oren. Geeft me zo’n typische Daan-blik. ‘Maar, eh, dus. Heb je dan toch, eh... zin om nog een keer een boterham bij me te eten? Ik beloof je dat ik niet zomaar ineens als een sukkel kapotga, en ook dat ik je niet plotseling als een idioot ga zoenen.’
‘Je bent toch geen sukkel,’ zeg ik zachtjes. Ik durf hem niet aan te kijken.
‘Wel als ik het zo verlies, weet je wel? Ik stond verdomme te janken als een meid.’
‘Nou, dat mag toch wel? Als je je verdrietig voelt?’ Ik kijk op, recht in zijn gezicht, die blik van hem; mijn hart staat zowat stil.
Hij knippert met zijn ogen. ‘Je bent echt heel lief,’ zegt hij zachtjes en verwonderd. ‘Heeft iemand je ooit wel eens verteld hoe lief je eigenlijk bent?’