Hoofdstuk 21 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Als Daan en ik alles ophebben, en we hebben nog een koffietje extra genomen, alleen om nog even lekker zo samen te kunnen zitten, dan begint toch langzaamaan het schuldgevoel bij mij te knagen, en neem ik afscheid van hem om mijn tafeltje aan de weg weer op te zoeken.
Het is idioot, maar het voelt alsof iets wordt afgerukt, bij mij, alleen al door bij hem weg te lopen. Een arm, of een been. Iets essentieels, waardoor ik niet meer normaal kan functioneren. Ik moet er bijna van janken, zo veel zeer doet het, en het duurt echt een hele tijd voordat het is gezakt.
Ik sta op mijn post, deel nog wat vuilniszakken uit, verstrek wat informatie, maar er komen niet zo heel veel mensen meer. Steeds minder, eigenlijk; er komen veel meer mensen terug van het strand dan dat erop gaan. Ik krijg van een paar mensen wat ongebruikte vuilniszakken terug, en als het een lange tijd stil blijft, loop ik maar eens van achter mijn tafeltje vandaan om de duintop over te klimmen en te kijken hoe het strand erbij ligt.
Het eerste wat ik zie is de windmolen. De rotor zit er weer op, maar hij draait nog niet; het hijskraantje staat er niet meer. Een klein stukje verder kan ik zien dat het hijskraantje nu op het strand naast de opgang staat, op een paar een beetje slordig neergelegde houten vlonderplaten. Het is tot een handig pakketje ingeklapt, ik had geen idee dat het zo klein kon worden. Verderop ligt de gedemonteerde surfkeet, precies zoals mijn broer al had gezegd. Het is nu meer een stapel, geen keet meer, en er liggen nieuwe houten palen naast. Nog verder weg ligt nog steeds de zeecontainer die er verantwoordelijk voor was dat de keet van zijn palen is geslagen. Het blijkt flink lastig te zijn om zo’n loodzwaar gevaarte van het strand te halen; in een haven heb je natuurlijk allerlei hijsapparatuur, en vrachtwagens, maar hier ligt het ding twee keer per dag in de vloed, en twee keer per dag op zand waar een stevige vrachtwagen waarschijnlijk meteen tot zijn assen in zou zakken. Als hij nou wat verder het strand op kon, dan...
Maar voordat ik kan gaan piekeren over de oplossing voor de zeecontainer blijft mijn oog hangen aan een enorme berg vuilniszakken, die blijkbaar niet door de opruimers meegenomen zijn over de duintop heen. Dat komt vast doordat Daan vanochtend als sjouwer aan de slag is geweest: blijkbaar dacht iedereen dat het verzamelpunt voor de vuilniszakken voor het duin was in plaats van erachter.
Het strand ziet er op het moment verder redelijk opgeruimd uit, en er zijn al bijna geen mensen meer. Het zal een uur of drie ’s middags zijn; Daan had wel gelijk dat ze het niet tot zo heel laat volhouden. Ik hoor een flard muziek mijn kant op waaien vanaf het terras: hij is vast begonnen met spelen. Ik zou dolgraag even gaan kijken, maar ik kan die vuilniszakken niet zo laten staan. De tweede ronde vuil ophalen is al bezig; met de laatste boot gaan de vuilniswagens er weer af, dus voor die tijd moeten al die zakken wel op de juiste plek liggen. Ik grabbel mijn mobiel uit mijn zak en bel Axel.
‘Hm? Axel hier,’ hoor ik vrijwel meteen in mijn oor, alsof hij zijn toestel al in zijn hand had.
‘Hoi, Axel, met Nynke, zeg, moet je horen: er staat nog heel veel op het strand. Zakken die mensen niet meegenomen hebben. Ik hoopte eigenlijk dat je even een paar keer op en neer zou kunnen rijden, want ik krijg dat in mijn eentje natuurlijk niet over het duin heen...’
‘Tuurlijk niet. Jij mag het ook wel doen; kun je rijden?’
‘In die Land Rover van jou? Ja, ik heb mijn rijbewijs wel gehaald in Leeuwarden, maar ik weet niet hoor, dat enorme monster... En ik dacht dat je er nooit iemand in liet rijden?’
‘Ben ik wat makkelijker in geworden, de afgelopen tijd. Moet soms ook wel. Ik kom wel even kijken.’
En weg is hij alweer. Ik heb mijn mobiel nog niet in mijn zak weggestopt of ik zie hem al aan komen struinen, in een verwassen donkergrijs T-shirt dat misschien ooit zwart was, met zijn lange benen in een hele oude korte broek en zijn voeten in een paar surfschoenen, zijn haar achter op zijn hoofd in zo’n soort mannenknotje. Ik grijns; Daan past qua uiterlijk eigenlijk wel bij die jongens hier. Hij is ietsje, tja, meer hardcore, denk ik, maar verder had hij hier zo vandaan kunnen komen.
‘Ik zie wat je bedoelt,’ zegt Axel, op het moment dat hij de berg vuilniszakken op het strand in het oog krijgt. ‘Maar goed dat we de hijskraan hebben weggezet, anders had ik er niet langs gekund met m’n LaRo. Loop jij vast naar beneden, dan haal ik hem even. Laden we in, rijden we het naar boven, laden we weer uit. Twee keer rijden, gok ik, en daarna krijg je wat te drinken van me. Kan je even bij Daan gaan luisteren; die zit maar rond te kijken waar je blijft.’
Axel geeft me een goedmoedige grijns en beent dan met grote passen weer naar boven; vergis ik me nou of maakt hij een huppeltje, onderweg? Hij heeft in ieder geval voor zijn doen volgens mij een stralend humeur. Zou ik ook hebben, als ik een tent had en ik draaide zo’n omzet als hij vandaag heeft, maar om de een of andere reden denk ik toch dat het van iets anders komt dan dat.
* * *
Binnen een half uur is de klus geklaard en zit ik met een groot glas cola op een soort doosje van steigerhout, dat eigenlijk bedoeld was als voetenbankje, maar dat Axel ergens voor me heeft weten weg te snaaien. Het is tjokvol op het terras, mensen luisteren aandachtig, Daan zit, met zijn petje op, heel rustig van die zomerse luisterliedjes te spelen en te zingen. Jason Mraz komt voorbij, Ed Sheeran, James Blunt, en ook wat oudere liedjes, allemaal van die singer-songwriternummers. Ik vind dat hij echt geweldig is, hij zingt prachtig, hoe kan hij nou zeggen dat hij in zijn eentje niet goed is? Hij krijgt ook iedere keer een enorm applaus, en na ieder nummer – zo lief, ik smelt zowat van mijn krukje – kijkt hij heel even naar mij. Heel even maar, maar toch; alsof hij wil vragen of het goed was zo. Dat lieve, dat kwetsbare, dat vloert me zo ontzettend; ik zweef bijna, zo hard zit ik van hem te zwijmelen. Als een tiener van een popster, zo zwijmel ik van hem, en dan ineens realiseer ik me dat hij eigenlijk ook gewoon een popster ís. Als hij niet hier is, op het eiland, dan is hij, nou, zowat wereldberoemd. Wat een idiote gedachte is dat; het ontnuchtert me eigenlijk meteen weer.
Het kan toch niet waar zijn dat een jongen, een mán, die dat heeft bereikt, mij zou zien staan? Mij zou uitkiezen, mij het leukst zou vinden? Dat kán toch gewoon helemaal niet? Dat Daan, de jongen die hier in het huisje zit, mij leuk zou vinden is al een soort van onmogelijke gedachte, maar als ik me een voorstelling maak van hoe zijn leven er eigenlijk normaal gesproken uit moet zien...
Zoiets kán toch gewoon niet waar zijn?
Net als ik mijn cola opheb en zo’n beetje zit te sterven van pure ellende – ik weet ineens gewoon niet waar ik mezelf moet laten – kondigt Daan aan dat hij pauze neemt. Hij zet zelf het zangversterkertje uit (het kleine mengpaneeltje staat handig binnen handbereik voor hem), trekt de plug uit zijn gitaar, staat op met gitaar en al, pakt zijn stoel in zijn andere hand en komt vlak bij me zitten. Het gaat zo snel en soepel dat ik niet eens de tijd heb om ervan te schrikken: het ene moment zit hij nog te spelen, het volgende heeft hij ‘pauze’ gezegd en zitten we knie aan knie.
‘Wat is er, Nynk?’ zegt hij, met die onderzoekende blik op me gericht. ‘Je had een of andere wegtrekker, hè?’
‘Shit,’ mompel ik, ‘ik kan echt niks voor jou verborgen houden.’
Mijn knie krijgt een duwtje van zijn knie, en hij grinnikt naar me op zo’n lieve manier dat mijn hart er bijna van in de krul schiet.
‘Ik, ik dacht...’ begin ik, maar na een keertje diep ademhalen gooi ik het er maar gewoon uit. ‘Ik kon ineens gewoon niet geloven dat jij, ik bedoel, dat jij mij leuk zou kunnen vinden. Dat is toch heel weird?’
Hij buigt zich een beetje naar me toe. ‘Ik vind het ook heel weird dat jij mij leuk zou kunnen vinden. Ik bedoel mij, mijzelf. Ik bén volgens mij helemaal niet zo leuk. Ik bedoel, mensen zien meestal iets bij muzikanten, en zo; als jij straks actrice bent zal je dat ook wel krijgen, maar dat is iets wat ze zelf projecteren. Niet wat je echt bent. Vanbinnen, bedoel ik. Ik ben volgens mij vanbinnen best hard. Geworden, hoor, uit noodzaak. Ik ben niet zo’n lieverd.’
‘Ik vind je juist enorm lief,’ mompel ik met volgens mij een knalrood hoofd, midden op het volle terras. ‘Je bent heel oplettend. En zorgzaam. En intelligent, en creatief, en, nou, gewoon. Lief. Ik denk dat je eigenlijk niet hard bent. Je dóét soms wel hard, maar daaronder...’
Hij laat even zijn hoofd hangen en veegt met zijn hand over zijn lippen heen en weer, ik denk om zijn verlegenheid te maskeren. ‘Hmm,’ zegt hij dan, met ineens zo’n heel directe blik recht mijn ziel in. ‘Ik wou dat we dit gesprek op een andere plek hadden. Ergens waar niemand anders was.’
‘Anders dan... gaan we toch nog even langs het strand lopen,’ mompel ik zachtjes, ‘als je klaar bent met spelen? Nu is het er wel redelijk rustig. Er ligt nog wel troep, dat is natuurlijk niet erg, eh, romantisch, maar, eh...’
‘Fuck dat,’ bromt Daan. ‘Na hoeveel nummers kan ik stoppen? Drie? Vijf? Hoe eerder hoe liever.’
‘Minstens vijf, anders is het wel een beetje kort voor de tweede helft, denk ik.’
‘Shit. Vooruit dan maar. En zing je nog mee met “Sunshine”?’
‘Ah, nee, Daan, dat vind ik doodeng!’
Hij geeft me een taxerende blik. ‘Als je actrice bent moet je af en toe ook dingen doen die je doodeng vindt. Moet je toch doen, anders wordt het niks. Kom nou maar; doen we die als laatste. Ga jij met de microfoon, zing ik wel een beetje van de zijkant mee.’ Hij tokkelt het intro en kijkt even naar me op een manier waarvan hij denk ik precies weet hoe dat bij me binnenkomt.
‘O, oké dan, als je het zo zegt...’ geef ik schoorvoetend en verlegen toe.
Hij grinnikt naar me, staat dan op en gaat met zijn stoel weer bij de microfoon zitten.
‘Nog vijf liedjes,’ zegt hij in de microfoon, als hij alles weer heeft ingeplugd en aangezet.
‘Boeoe,’ roepen sommige mensen, die het blijkbaar heel mooi vinden. En één vent roept, vanaf een tafeltje achterin: ‘Kom op, Daantje, in je eentje ben je ook best leuk!’
Ik zie Daans hoofd omhoogschieten, en hij tuurt in de richting van waar het geluid komt. En dan ziet hij wie het is, steekt zijn hand in de lucht en zegt: ‘Florian! Wat goed dat Boulevard ook iemand heeft gestuurd om een handje te helpen bij het opruimen!’ De mensen rondom het tafeltje waaraan die Florian zit, grinniken allemaal; die Florian zelf zit intussen uitgebreid te filmen met zijn mobiel. Ik krijg zelfs af en toe het idee dat hij mij erbij in beeld neemt, waar ik een heel ongemakkelijk gevoel bij krijg. Maar dat is nog niks vergeleken met wat er bij Daan gebeurt. Hij lijkt wel compleet verstrakt. Ze klappen nog even hard voor hem en hij speelt en zingt ook nog even goed als eerst, maar toch, iets aan hem lijkt veranderd.
Tot het moment dat hij zegt: ‘Laatste nummer,’ en hij me wenkt. Dan ben ik natuurlijk degene die verstrakt; dan is hij vergeleken met mij plotseling zo extreem relaxed dat je je serieus kunt afvragen of er überhaupt nog wel een skelet in hem zit.
Ik sta op, trillend als een te strak opgedraaide bladveer, en til mijn krukje op. Loop dan op rubber benen naar hem toe en ga naast hem zitten, met het angstzweet in mijn handen.
Hij grijnst naar me, een beetje stout en uitdagend, maar tegelijk ook weer ontzettend lief, begint te tokkelen op zijn gitaar en ontspant voor mijn ogen als ik, bibberig maar gelukkig niet vals, inzet met ‘Sunshine’.
Gaandeweg het nummer, net als de eerste keer in zijn huisje, win ik aan zelfvertrouwen en wordt mijn stem minder dun. Minder trillerig. We klinken eigenlijk best oké samen; natuurlijk niet zo mooi als Nout en hij, maar ik geloof niet dat we ons ervoor hoeven te schamen.
Als het afgelopen is krijgen we een daverend applaus, ik krijg een belachelijk rood hoofd als het besef van wat ik heb gedaan een beetje bij me landt en Daan heeft een frons op zijn gezicht terwijl hij zijn zangversterker uitzet en de plug uit zijn gitaar haalt.
‘Ik breng de spullen naar mijn huisje,’ mompelt hij in mijn oor, ‘ik kom je zo halen om te gaan wandelen.’
Ik knik, sta op, en vlucht maar even de wc’s in.
* * *
Als ik mijn handen sta te wassen komt er een oudere mevrouw de wc’s binnen. Ze zegt enthousiast: ‘Meid, wat kan jij mooi zingen. Hadden jullie daar nou lang op geoefend?’
‘Vanmiddag even,’ geef ik maar eerlijk toe, ‘en ik vond het ontzettend eng! Maar ik ben wel blij dat het goed ging.’
‘Het was prachtig. Maar dat kan ook bijna niet anders, want die jongen is zo gek van je, hij zweefde nog net niet van zijn stoeltje af. Och, hoe hij naar je keek; ik zou wensen dat ik weer jong was, dat ik ook zo’n jongen zover kon krijgen om zo naar me te kijken als hij deed naar jou! Je gaat toch niet zijn hart breken, hè? Die jongens doen altijd wel heel stoer, maar vanbinnen zijn ze net zo gevoelig als de meiden, hoor, neem dat maar van mij aan. Ik heb er drie grootgebracht, en ze hebben alle drie huilend aan de keukentafel gezeten als zo’n rotmeid weer eens een keertje wat had uitgevreten.’ Ze geeft me een vette knipoog. ‘Maar zo ben jij toch niet?’
‘U bent vast een hele lieve moeder,’ zeg ik, ‘en het is vast wel goed gekomen met uw zoons. Maakt u zich maar geen zorgen, ik ben niet van plan om ooit welbewust iemands hart te breken, daar kunt u van op aan.’
‘Goed zo, kind,’ zegt de mevrouw met een klopje op mijn schouder. ‘Nou, ga nou maar gauw naar buiten, want je jongen staat al op je te wachten. Je moet wel tegen hem zeggen dat hij een keertje naar de kapper moet, hoor, want al die jongens met van die lange haren, dat vind ik maar niks. Dan kunnen ze nog beter zo’n baard hebben, wat mij betreft.’
Grinnikend kom ik de wc’s uit, waar inderdaad Daan al op me staat te wachten, met zijn petje nog op. Zijn zorgelijke frons heeft hij tot mijn schrik ook nog op, en ik loop snel achter hem aan de Vis uit, het duin over en de opgang naar het strand af, terwijl mijn grinnik verdampt.
Hij zegt de hele tijd niks; ik word er onzeker van.
‘Wat is er nou,’ zeg ik dan uiteindelijk, bitser dan ik wil.
‘Hmpf,’ zegt hij, en dan nog een hele tijd niks. Eindelijk gaat hij verder: ‘Die gast op het terras, die Florian.’
‘Ja, je zei iets over een boulevard? Of bedoel je Boulevard op tv?’
‘Ja, dat. Hij werkt op de redactie. Of althans, dat deed hij op een bepaald moment, ik heb geen idee wat hij nu doet. Maar hij herkende me.’
‘Ja, nou, ik geloof niet dat iemand ermee bezig was hoe je heet of wie je bent, dus misschien was dat niet zo’n drama? Ik bedoel, als jullie elkaar gewoon kennen. Het is nou niet dat er meteen een soort woest gedrang op gang kwam toen hij je naam zei. Je bent toch niet de Beatles, of zoiets? Ik heb wel eens zo’n heel oud zwart-witfilmpje gezien van allemaal gillende, flauwvallende meisjes, weet je wel?’
‘God bewaar me. Ik moet er niet aan denken om in mijn eentje de hele Beatles te zijn. Hoewel... puur voor de songschrijverij zou het wel wat zijn. Die lui hebben een hoop geweldige nummers gemaakt; ik mag wensen dat ik ooit nog zoiets goeds kan bedenken. Maar daar gaat het niet om. Die Florian. Ik bedoel: heb je gezien hoe hij zat te filmen? Volgens mij zat hij ons al te filmen toen ik in de pauze even bij je kwam zitten. Straks stuurt hij die hele shit naar de redactie, zijn we ineens een item op prime time tv, vanavond. Daar moet ik nog veel harder niet aan denken.’
‘En dan? Dan zien ze dat je hier zit, en dat je meehelpt, en een beetje muziek maakt; dat geeft toch niks? Iedereen hier op het eiland aan wie ze het vragen zal toch zeggen dat je hard hebt meegeholpen?’
‘Dacht je dat ze het aan iemand gingen vragen dan? Nynk, doe niet zo naïef. Met wat ik heb meegemaakt, waar ze me wel niet voor hebben uitgemaakt, daar was ook geen enkel bewijs voor. Dat was ook aan niemand gevraagd, in elk geval niet aan mij. En het stond heus niet alleen in die blaadjes. Er gebeurde natuurlijk nog veel meer online. Kijk, ik heb dus... wel geprobeerd om het een beetje te, te... nou, downplayen, naar jou toe; ik was natuurlijk ook, eh, bang dat je zou denken dat er een grond van waarheid in zou zitten, maar... het was niet mis.’
‘Maar het was dan toch gewoon, nou ja, fake news, als het niet waar was?’
‘Ja, dacht je dat mensen dat doorhebben? Mensen geloven alles wat je ze voorschotelt, en internet is helemaal een bitch op dat gebied, omdat berichten van alle kanten steeds opnieuw oppoppen. Na een tijdje kan je bijna niet anders dan denken dat het waar is, alleen al vanwege de herhaling.’
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Daans gezicht doet me bijna fysiek pijn, zo vertrokken, boos en verdrietig ziet het eruit. Ik doe dus het enige wat ik kan bedenken om hem het gevoel te geven dat hij niet helemaal alleen is op de wereld: ik pak zijn hand.
Hij geeft me een zijdelingse blik en trekt aan die hand, totdat ik zo’n beetje tegen hem aan val, en dan slaat hij zijn arm om me heen.
Ik doe snel hetzelfde, en dan lopen we, langzaam, tegen elkaar aan geplakt, over het intussen bijna verlaten strand, dicht langs de waterlijn.
Ik probeer maar niet te kijken naar hoeveel troep er nog ligt, want dat zou mijn gevoel verstoren. Ik ben zo graag bij Daan, dicht bij Daan, ik kan me gewoon niets fijners voorstellen.
Of, nou ja, misschien als hij me kust.
Ik kijk naar hem op, hij kijkt terug, alsof hij mijn gedachten heeft gehoord. Zijn gezicht staat nu meer peinzend, en dat is al een stuk beter dan eerst.
‘Wil je wel, eh...’ zegt hij aarzelend.
We stoppen met lopen. Ongemerkt zijn we best een eind van de opgang naar Grote Vis af geraakt; er is geen mens meer op het strand hier. Ik leun tegen hem aan, mijn voorhoofd tegen zijn kin, en hij slaat zijn andere arm ook nog om me heen. Heerlijk om elkaar zo vast te houden, buiten, met het geruis van de zee als begeleiding.
‘Wil je wel, met, eh, met mij...?’ probeert Daan nog een keer.
Ik hef mijn gezicht naar hem op en zie de kwetsbaarheid in zijn ogen; ik kan meteen niet meer praten. Alleen knikken.
‘Ondanks dat ik, nou ja, ik was vroeger niet echt een heilige, en dan ook nog al die dingen die ze over me zeggen...’
Ik leg mijn handpalm tegen zijn wang. ‘Ze weten toch niet hoe je echt bent,’ zeg ik zachtjes, en ik trek zijn gezicht voorzichtig een beetje naar het mijne.
Veel aanmoediging heeft hij niet nodig; hij vindt het blijkbaar net zo lekker om mij te zoenen als dat ik het vind om hem te zoenen. We vergeten alles om ons heen, we gaan er helemaal in op, in elkaar, in die kus, het is zo bizar, zo ongelooflijk lekker; ja, het is ook opwindend, heet, sexy, maar nog veel meer is het gewoon ontzettend fijn om zo dicht bij elkaar te zijn. Ik voel me alsof alles ineens klopt, alsof Daan het puzzelstukje is dat ik nodig heb om een compleet mens te worden. Alsof het zo moet zijn. Alsof iemand anders van tevoren heeft bedacht dat hij en ik bij elkaar horen; we moesten elkaar alleen nog even vinden.
En dan worden we verrast. Eén enthousiaste voorloper van de opkomende vloed sprint vooruit en golft om ons heen, en ineens staan we tot onze enkels in het koele Noordzeewater.