Hoofdstuk 22 - Hoogtij
By Jackie van Laren
We rennen lachend het strand op als het wassende water ons zo uit onze kus spoelt; Daan heeft kleddernatte All Stars en mijn sneakers – oude tennisgympen van mijn moeder, die vies mogen worden op het strand – maken soppige geluiden. Mijn spijkerbroek is tot aan de knieën doorweekt van het rennen door het water. Gelukkig heb ik een soort tuniekachtig zwart shirt aan; ik trek maar gewoon meteen de hele kledderboel uit, en sta dan, een beetje verlegen, met mijn blote benen en mijn tenen in het zand naar Daan te kijken, broek en schoenen in mijn hand.
Hij hopt mal heen en weer om die plakkerige katoenen dingen van zijn voeten te trekken – wat heeft hij toch lange benen – maar dan staat hij ineens weer rechtop. Ook met zijn schoenen in zijn hand, en zo’n lieve, gekke grijns op zijn gezicht dat ik ongeveer ter plekke smelt tot een plasje verliefdheid.
‘Ik mag je denk ik niet zoenen van de zee,’ zegt hij, met twinkelende ogen.
‘Zou je denken? En, eh, ga je je daar iets van aantrekken dan?’
Hij haalt zijn schouders op en kijkt even om zich heen. ‘Zullen we daar even in zo’n holletje gaan zitten, dan kunnen we onze schoenen laten drogen,’ zegt hij, wijzend naar de duinenrij.
‘Moeten we wel een beetje uitkijken, het zit hier echt vol met teken. We hebben niks om op te zitten. Geen kleedje of zo, of een handdoek.’
‘En als we er dan eentje nemen zonder gras? Met alleen zand? Of heb je die hier niet?’
‘Jawel, een beetje daar, die kant op, daar heb je een stuk met heel weinig gras, maar gek genoeg is het een hele hoge. Daar gingen we als kinderen wel eens naartoe om eraf te rollen. Ik heb me altijd afgevraagd waarom dat duin niet gewoon helemaal wegwaait, maar volgens mijn broer was hij vroeger juist heel erg begroeid, en onder het zand zitten nog allemaal wortels en zo. En daardoor blijft hij zo hoog. Dat zanderige is maar een laagje, en dat waait er steeds af, en ook weer erop, afhankelijk van de wind.’
‘Ik heb dat altijd zo gek gevonden, dat zand zo over de aarde kan wandelen. Dat de wind in de Sahara wat zand oppakt, en hier weer naar beneden laat regenen, dat idee...’
Daans stem sterft een beetje weg, en als ik naar hem omhoogkijk zie ik dat zijn gezicht dromerig staat. Hij pakt zonder omhaal mijn vrije hand, en we lopen in een soort innige stilte verder, allebei in onze eigen gedachten, totdat we bij het duin zijn.
Het is nog even een werkje om boven te komen; het gaat het beste om een aanloopje te nemen en dan zo goed mogelijk door het mulle zand naar boven te ploegen. Soms haal je het, soms val je om, en dan rol je weer naar beneden. Dat was natuurlijk voor ons kinderen precies de grap, maar ik merk wel dat ik er een stuk minder handig in ben om zo’n hoge, steile zandhelling op te klimmen nu ik volwassen ben. Ik moet echt iets aan mijn conditie gaan doen. Ik dacht het al eerder, maar nu weet ik het zeker.
Daan heeft er minder moeite mee; als een soort sprinkhaan ploegt hij met zijn lange benen zo naar boven, en het laatste stukje trekt hij me aan mijn hand over de rand. Maar goed ook, anders had ik intussen weer beneden gelegen.
‘Mooi,’ zegt hij, uitkijkend over strand en zee. Het is toch best hoog.
‘Vind ik ook. Het is gek, maar nu ik een tijd van het eiland weg ben geweest, zie ik het weer helemaal met nieuwe ogen. Hoe mooi het is, en hoeveel ik ervan hou.’
‘Ja, dat snap ik wel,’ zegt Daan. Hij struint even rond en strekt zich dan verzaligd uit op een prachtig stukje goudgeel zand, dat er heerlijk zacht uitziet. Zijn schoenen staan boven op een polletje duingras, iets verderop. Ik zet mijn schoenen ernaast en leg mijn broek in het zand om ook te drogen, en dan ga ik voorzichtig naast hem zitten.
‘Wil je dan wel naar Amsterdam, voor je opleiding?’ vraagt hij, starend naar de blauwe lucht. ‘Ga je het hier niet te veel missen?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Weet ik eigenlijk niet. Ik wil ook wel echt heel graag naar de theaterschool. Kan ik toch in de weekends altijd nog hiernaartoe?’
‘Maar, eh, je wilt niet hier gewoon, nou, weet je wel, wonen? Je hele leven? Zoals je broer?’
Ik keer me naar hem toe en zie zijn ogen op me gericht. Die groenige blik die niets mist, die dwars door me heen kijkt. Zijn ogen zijn een beetje als de zee, bedenk ik me ineens: oneindig diep en groen.
Zijn hand komt omhoog en streelt zachtjes mijn arm, mijn rug, nodigt me woordeloos uit om ook te gaan liggen. Bij hem, tegen hem aan. Ik heb geen aanmoediging nodig en strek me uit langs zijn lange, warme lijf, in het zachte, warme zand. Mijn hoofd op zijn schouder, zijn arm beschermend om me heen; ik heb denk ik nog nooit van mijn leven zo lekker gelegen.
‘Tjeerd zou volgens mij doodgaan als hij hier weg moest. Ik hou van het eiland, en dat zal ik mijn hele leven doen, maar ik hoef hier niet altijd te zijn. Als ik maar weet dat ik op elk moment weer terug kan. Toen ik in Leeuwarden zat had ik een tijdlang het gevoel dat ik hier niet meer hoorde; dat ik me zo had misdragen dat mensen hier me niet meer zouden moeten. Dat ik niet welkom was. Dat was wel een heel naar gevoel.’
‘Maar het viel uiteindelijk wel mee?’ Ik hoor de lach in zijn stem.
‘Je moet me daar niet mee plagen, Daan, het was écht heel naar!’ Ik richt me een stukje op en kijk naar zijn gezicht. ‘Ik schaam me gewoon heel erg voor hoe ik vroeger deed.’
Zijn hand streelt me verontschuldigend. ‘Ik wil je niet plagen, Nynk,’ zegt hij zachtjes, ‘en ik wil ook niet dat je je ooit nog ergens ongewenst voelt. In ieder geval bij mij niet. Bij mij ben je gewenst, altijd.’
Ik keer me nog een beetje naar hem toe, zodat ik half over hem heen kom te liggen, en leg mijn hand op zijn borstkas; mijn kin op mijn hand. Hij legt een arm achter zijn hoofd, zodat zijn hoofd een stukje omhoogkomt en we elkaar aan kunnen kijken. En dat doen we; we kijken en kijken, in een soort dromerige verwondering. Hij is het, en hij vindt volgens mij ook dat ik het ben; hoe geweldig is dat? Ik spat bijna uit elkaar van een zo puur en onverdund geluksgevoel; het is een wonder dat het allemaal in me past.
‘Het is alsof we al heel lang zo zijn,’ mompelt hij.
‘Ja, alsof het niet anders kan, hè?’ zeg ik.
‘Alsof het zo moet zijn. Meteen toen ik je zag, ik dacht dat ik je misschien ooit ergens eerder had gezien of zo, alsof ik het wist; ik voelde zo’n, ik weet niet, een soort band, een soort... Alsof ik iets herkende.’ Daan bijt even op zijn lip.
‘Ik dacht alleen maar: wat een humeurige jongen,’ zeg ik met een grijns, maar ik meen er natuurlijk niks van. Als ik terugdenk aan onze eerste ontmoeting, en het gevoel dat ik kreeg bij Daan; ik kon het op dat moment nog niet benoemen, maar dat wil nog niet zeggen dat het er niet was. Ik had natuurlijk precies zo’n soort gevoel bij hem. Alsof ik iets herkende. ‘Ik vind het eigenlijk zo idioot dat we elkaar pas een week geleden hebben ontmoet,’ zeg ik zachtjes, en ik streel zijn wang met mijn vingertoppen. Zijn ogen gaan er even dicht van; wat lief, hij is net een groot, zacht beest.
‘Ja,’ zegt hij.
Voorzichtig rolt hij om, zodat ik op mijn rug kom te liggen en hij mysterieus en glimlachend boven me uittorent, de zon verborgen achter zijn hoofd, zijn gezicht in de schaduw. Zijn ogen glanzen. Hij legt zijn knie over de mijne; ik voel zijn haartjes kriebelen. Ik smelt alleen maar meer, en niet alleen van dat heerlijke warme vertrouwde, dat voelt alsof het er altijd al was en ook altijd zal zijn, maar ook van iets anders. Van iets dat maakt dat ik door hem gekust wil worden, heet en wild en diep, iets oers, iets instinctiefs.
‘Nynk,’ mompelt hij, op zo’n toon als een liefkozing, en dan schuift hij mijn bril omhoog op mijn hoofd, en komt die kus. Verborgen achter het gordijn van zijn haar vinden onze lippen elkaar en vertellen ze zonder woorden over de diepte van ons gevoel.
Ik trek hem dichter naar me toe, totdat hij als een deken over me heen ligt en ik met twee handen zijn haar naar achteren kan strijken, zijn nek kan strelen, zijn schouders kan voelen. Alles is zo goed, zo warm en lief en veilig, ik wil alleen maar nog dichter bij hem, nog meer naar hem toe, ik wil hem overal voelen, en vasthouden en alles wat we maar kunnen verzinnen om uit te drukken wat we voelen, nu, op dit bijzondere moment.
Zijn handen glijden langs mijn zij, naar beneden, weer omhoog, hij maakt een zacht, urgent geluidje en rolt dan zomaar in één keer weer om, terwijl hij me meeneemt. Nu lig ik boven op hem, ook heerlijk, we stoppen niet met zoenen, dat zou ook echt niet kunnen, ik voel de zon mijn rug verwarmen en sla mijn armen en benen zo goed mogelijk om hem heen. Zijn handen glijden over mijn rug, mijn billen, mijn bovenbenen, trekken me dichterbij, en ineens voel ik hoe vreselijk opgewonden hij is.
Dat ben ik zelf ook.
Ik ben nog nooit van mijn leven zo opgewonden geraakt van een jongen.
Die gedachte verbaast en ontnuchtert me een beetje; ik verbreek de zoen en kijk naar zijn gezicht. Zijn ogen gaan langzaam open, zijn normaal zo doordringende blik is helemaal wolkig van hoe lekker alles is.
‘Alles goed?’ kraakt hij. ‘Ga ik te snel?’
‘Nee, ja, nee,’ zeg ik, een beetje verward, ‘je doet niks verkeerd, ik ben alleen... ik heb dit nog nooit zo gehad, met een jongen. Het voelt zo goed, ik bedoel, ook voor mij. Ik weet heus wel wat ik moet doen om een jongen... nou ja, weet je wel? Maar, eh, ik heb zelf eigenlijk nog nooit meegemaakt dat ik het ook zo ontzettend fijn vond om met iemand zo, nou ja, wat wij nu doen, zeg maar.’
Daan fronst, en laat tegelijk zijn vingers voorzichtig over mijn dijbeen naar boven glijden. Onder mijn shirt. Ik hou het bijna niet van de spanning.
‘Heeft nog nooit iemand jou laten klaarkomen, dan?’ zegt hij verbaasd en helemaal niet gehinderd door enige gêne.
Ik schud mijn hoofd, een beetje beschaamd, en sluit mijn ogen, terwijl zijn vingers voorzichtig aan het werk gaan.
‘Ontspan je, en hou lekker je ogen dicht,’ zegt hij zachtjes en liefdevol. ‘Vertrouw me maar, je hoeft alleen maar te voelen.’
Ik doe wat hij zegt, ik ontspan me, boven op hem, helemaal slap, totdat ik dat niet meer kan en er niks anders op zit dan een beetje tegen zijn hand aan te bewegen, omdat het gewoon te lekker is. En dan wordt het nog veel lekkerder, en gaat mijn ademhaling er met me vandoor en roep ik ineens zijn naam terwijl er een soort vuurwerk afgaat achter mijn oogleden.
Dan ben ik pas echt ontspannen.
‘Goed zo, Nynk,’ zegt hij tevreden, twee armen om me heen. Hij rolt op zijn zij, zodat hij naar me kan kijken met de warmste, liefste blik die ik ooit heb gezien. ‘Was het lekker?’
‘O, Daan,’ mompel ik dazig, mijn ogen maar half open. ‘Lekker is echt niet het goeie woord. En, eh, en jij dan?’
‘O, ik kom vanzelf wel aan de beurt,’ bromt hij. ‘Het is gek, ik heb dat nog nooit zo sterk gehad, maar ik vind het op dit moment eigenlijk veel belangrijker dat jij je zo lekker voelt, dan ikzelf. Dat ik nou zo nodig klaar moet komen, of zoiets. Doen we dat toch de volgende keer? Ik wil gewoon alles rustig aan ontdekken, bij jou, en de hele tijd lekker bij je zijn, en zo. Of vind je dat weird?’
‘Nee,’ fluister ik. ‘Dat wil ik ook. Bij jou zijn.’
‘Ik wil, ik wil... dat je veilig bent, ik wil je beschermen voor, nou ja, zo’n beetje alles,’ zegt Daan, met een verbaasde klank in zijn stem. ‘Ook zoiets geks. Heb ik nog nooit zo gehad. Niet dat ik nou denk dat je een of andere hulpeloze miep bent, of eh, onzelfstandig of zo, daar heeft het eigenlijk niks mee te maken. Je bent wie je bent, en dat is helemaal goed, maar ik wil er gewoon voor je zijn. Zorgen dat je niks overkomt, dat je je veilig voelt, dat je gelukkig bent, dat je heel lekker klaarkomt... dat soort dingen, allemaal. Niet al die rare shit van voordat ik hier kwam, maar góéie shit. Weet je wel?’
‘Ik wil ook dat jij gelukkig bent,’ zeg ik zachtjes, ‘ik wil alles wel voor je doen. Vroeger, met jongens, was ik ook best bereid om van alles te doen, hele stomme dingen zelfs, maar dat was dan eigenlijk altijd voor mezelf, omdat ik iets wilde regelen, of gewoon, omdat ik het gevoel wilde hebben dat ik mijn zin had gekregen... Maar met jou, ik wil gewoon alles voor jou doen. Zodat je je gelukkig voelt. Alles wat ik maar zou kunnen.’
Hij grinnikt zachtjes. ‘Je hoeft niet zo veel te doen, hoor. Dat je er bent is eigenlijk al genoeg. Dat je niet wegrent. Dat we, nou, sámen...’
‘Ja, sámen,’ zeg ik, en dan kruip ik dicht tegen hem aan en knuffelen we elkaar.
* * *
Ik weet niet hoe lang we daar lagen, maar op een goed moment zijn we samen een beetje ingedommeld. We schrokken wakker toen er een wolkje voor de zon schoof en het ineens wat koeler was, keken elkaar verschrikt aan en stonden snel op. Onze schoenen waren al bijna droog en mijn broek was ook droog, dus ik trok alles maar weer aan, met een beetje een schaapachtig lachje.
Ik keek snel even op mijn mobiel. Het was al over vijven; waar was de tijd gebleven?
‘Daan, ik moet naar huis, we eten echt altijd strak om zes uur. Mijn ouders zijn niet ouderwets, behalve met het avondeten. Nu mijn vader niet meer naar de wal hoeft voor zijn werk wil hij “eindelijk op een normale tijd eten”,’ ik maakte aanhalingstekens naast mijn oren, ‘dus mijn moeder houdt zich heel precies aan die zes uur.’
‘Doet hij het nooit?’ vroeg Daan. ‘Koken, bedoel ik. Ik moest altijd voor mezelf zorgen, ik kan best lekker eten maken, hoor.’
‘Nee, joh. Mijn moeder kookt. Mijn vader moet zorgen dat alles werkt, dat het dak niet lekt, dat de vakantiehuisjes netjes blijven, en de tuin. Mijn moeder doet het eten en de was, en ze houdt het huis schoon. Ze vinden het zelf best een goeie deal zo.’
Ik had wel even geaarzeld, want misschien zijn mijn ouders in de ogen van zo iemand als Daan wel gewoon ongelooflijk ouderwets, en oncool, en weet ik wat je er allemaal van zou kunnen denken, maar toen dacht ik: boeien ook. Het is wat het is; als hij mij wil, dan krijgt hij hen er ook bij, of hij dat nou leuk vindt of niet.
‘Daan...?’ zei ik dus.
‘Nynk?’ zei hij grinnikend.
‘Wil je... Heb je soms zin om bij ons te eten? Straks? Of eh, heb je al plannen, ga je in de Vis, of, nou ja, wil je, eh, misschien vind je het hele idee wel stom...’ Ik begon van pure onzekerheid toch nog te hakkelen.
‘Ik wil wel,’ zei Daan zachtjes. ‘Ik ben nog nooit aan de ouders van een meisje voorgesteld. Ik heb ook nog nooit zin gehad om de ouders van een meisje te leren kennen, moet ik toegeven, maar dit is andere koek, hè? Met jou en mij. Dus, ja, graag.’
Ik kon alleen maar stom knikken. Ja, het is andere koek, met hem en mij. Helemaal waar. Ik belde mijn moeder en het was natuurlijk geen probleem, en daarna liepen we terug naar de Vis, pakte ik mijn fiets en hij die van Vinnie, en nu zitten we aan tafel.
In mijn ouderlijk huis.
Daan zit tegenover mijn vader, die hem best schaamteloos zit te observeren, maar volgens mij raakt het Daan niet zo heel erg. Of hij kan heel goed doen alsof. Hij prikt in zijn doperwtjes en worteltjes en snijdt zijn karbonaadje in ieder geval alsof er niets aan de hand is, en hij geeft netjes antwoord op iedere vraag.
Of hij zijn school heeft afgemaakt. (Ja, het vwo, in Wassenaar.)
Of hij is gaan studeren. (Ja, bedrijfskunde, maar daar is hij na twee jaar mee gestopt. Te saai, en er moest brood op de plank komen.)
Wat voor werk hij deed voordat hij van de muziek kon leven. (Modieus bier en bijzondere wijn rondbrengen bij restaurants in Amsterdam en omstreken, zodat hij de bus ook als bandbus kon gebruiken voor de band waar hij toen mee bezig was.)
Mijn vader fronst en vraagt na een korte aarzeling waarom er ineens ‘brood op de plank moest komen’. Als hij uit Wassenaar kwam dan waren zijn ouders toch vast niet armlastig?
Arme Daan. Hij zucht ervan.
‘Papa, laat hem in godsnaam met rust, je bent toch niet van de FBI?’ zeg ik, maar Daan kijkt me even aan.
‘Het geeft niet, Nynk,’ zegt hij zachtjes, ‘ik kan het net zo goed vertellen.’ En dan tegen mijn ouders: ‘Mijn moeder is overleden toen ik nog jong was. Kanker, ze was al jaren meer in het ziekenhuis dan thuis. Ze was wel lief, maar ik had er niet echt een moeder aan, zeg maar. Mijn vader zat in het entertainment, theaterproducties en dat soort dingen. Hij was veel van huis, en hij had altijd van die piepjonge vriendinnen die dan ster wilden worden, of zo. Ik kon al vroeg voor mezelf zorgen, en gelukkig maar ook, want er was niemand om het voor me te doen.’ Hij zegt het een beetje schamper. ‘Geld genoeg, maar niet echt familie om me heen. Niet zoals dit.’ Hij gebaart er even bij met zijn vork.
‘En dan zijn we nog niet eens compleet, met Tjeerd nog in zijn zaak aan het werk,’ zegt mijn moeder. Ik hoor aan haar stem dat ze het naar vindt voor Daan als ze zich voorstelt hoe hij moet zijn opgegroeid. Wat zeg ik; ík vind het naar voor hem! Als ik voor me zie hoe hij als jonge jongen voor zichzelf moest zorgen, zijn eigen broodje smeren ’s morgens, alleen naar school, alleen weer naar huis, dan krijg ik het koud om mijn hart en snap ik des te beter dat hij er zo’n behoefte aan heeft om samen te zijn.
‘Nou, en toen draaide mijn vader dus de bak in, omdat er fraude was gepleegd in zijn bedrijf en hij niet goed genoeg kon aantonen dat hij er niks van wist, en vanaf dat moment stond ik er dus echt alleen voor. Was ik een jaar of negentien, denk ik. Heb ik het grote huis in Wassenaar verhuurd, zodat me dat in ieder geval niks kostte, maar ja, die kast heeft zo veel onderhoud nodig dat het me nou ook weer niet echt wat opleverde. Mijn vader heeft ook nog een pied-à-terre in Amsterdam, daar woonde ik dan zolang, maar goed, daarvoor moest ook hypotheek betaald worden. Dus ik scheurde rond met die drankbus, en we speelden met de band. En ik deed, eh, nog wel wat dingen, als ik niet rondkwam. Geen tijd meer om nog te studeren. Maar tegen die tijd wist ik al wel dat ik de muziek in moest, niet het bedrijfsleven. Dat beetje bedrijfskunde dat ik heb meegekregen, daar heb ik nog best wat aan gehad, maar voor mij was het wel duidelijk dat ik verder moest met het spelen.’
Ik zie mijn vaders blik verscherpen bij Daans ‘nog wel wat dingen’, maar voordat hij verder kan vragen, en die arme Daan zal moeten bekennen dat hij heeft gedeald om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen, horen we de voordeur opengaan, en met een klap weer dicht.
‘Hoi,’ klinkt het hol vanuit de hal. Tjeerd komt onverwachts binnen, en ik ken hem goed genoeg om aan zijn hoi te horen dat er iets mis is. Maar zodra mijn broer een stap over de drempel heeft gezet, zie ik dat ‘iets mis’ zo’n beetje het understatement van de eeuw moet zijn. Er is een ramp gebeurd, dat kan niet anders.
En niet alleen ik zie het; mijn vader trekt zijn wenkbrauwen op tot in zijn haargrens (als hij dat doet zie ik altijd ineens hoeveel mijn broer eigenlijk op hem lijkt) en mijn moeder schiet uit haar stoel om een bord en bestek voor Tjeerd te pakken. Binnen geen tijd zit hij op zijn vertrouwde plek achter een bord met een karbonaadje, een berg dampende aardappelen, wortels en erwten.
‘Jus,’ zegt mijn vader, terwijl hij de juskom richting zijn zoon schuift. ‘Nu is het nog een beetje lekker warm.’
Tjeerd zegt niks, laat zijn hoofd hangen en begint zijn eten mechanisch naar binnen te werken.
Even was ik nog bang dat hij iets zou zeggen over Daan, die hier zomaar pontificaal en zonder aankondiging aan de eettafel zit, maar Tjeerd zegt niks. Hij eet alleen maar. Ik maak me intussen ernstige zorgen; als hij zo doet, dan is er echt iets aan de hand.
‘Wat ben je laat, jong,’ bromt mijn vader, maar ik zie dat er direct daarna een waarschuwende blik van mijn moeder over tafel flitst.
‘Ik moest nog even ergens langs,’ zegt mijn broer langs een mond vol erwtjes.
‘Nou, Daan, je was net zo lekker aan het vertellen,’ zegt mijn moeder dan enthousiast, omdat de stilte aan tafel een beetje beklemmend begint te worden. ‘Vertel eens hoe dat ging, toen je dacht dat je de muziek in wilde? Dat is toch ook niet iets wat je zomaar even doet, nietwaar? Je kunt niet gaan solliciteren voor een baantje en klaar is Kees.’
‘Alleen als je in een musical wilt gaan werken,’ zegt Daan met een grijns. Hij heeft wel in de gaten wat mijn moeder doet: een beetje afleiding creëren waar Tjeerd achter kan schuilen totdat hij zich goed genoeg voelt om te zeggen wat er met hem aan de hand is. En Daan is lief genoeg om het spel mee te spelen; mijn hart gloeit op in mijn borstkas als hij me even een blik geeft, een slok water neemt en vervolgens uitgebreid begint te vertellen over zijn eerste band. Zijn vader vond het initiatief van zijn zoon wel aardig en had nog gezorgd dat ze een of andere demo-cd konden opnemen, maar verder moesten ze het zelf doen, en het ging ook wel redelijk; alleen hadden ze een zanger op wie ze niet konden rekenen.
‘O?’ zegt mijn vader, geïnteresseerd. ‘Wat deed hij dan, die zanger? Kwam hij niet opdagen?’
‘Dat,’ zegt Daan, ‘of hij kwam wel maar hij was zo wasted dat we niks aan hem hadden. Of hij had een of andere meid opgedoken in de pauze en dan moesten we weer verder met spelen en was hij ineens onvindbaar. Eigenlijk was de bassiste zijn vriendin, maar hij deed het met iedereen die lang genoeg stilstond. Hij wilde dat iedereen hem als een enorm beest zag, en zo gedroeg hij zich ook, alleen als ik er nu op terugkijk denk ik dat die gast zo gek als een deur was. Kan een therapeut lekker zijn tanden op stukbijten. Op school waren we beste vrienden, maar aan het eind herkende ik hem bijna niet meer. Dat kan dope met je doen, hè? Je verandert helemaal.’
Mijn ouders kijken verbijsterd. Daan beschrijft een wereld die ontzettend ver van ze af staat; wat zeg ik, hij beschrijft een wereld die ontzettend ver van míj af staat!
Tjeerd heeft intussen zijn bord al bijna leeg; hij zit op zo’n geconcentreerd-methodische manier zijn eten naar binnen te schoffelen dat ik alleen maar medelijden met hem kan hebben. Normaal gesproken is hij zo gezellig aan tafel, en zie hem nou zitten.
‘Wat een verhalen,’ zegt mijn moeder. ‘Daan, wil je nog wat?’ Ze houdt een opscheplepel in de lucht.
‘Geef maar aan Tjeerd,’ zegt Daan goedmoedig, ‘die heeft het harder nodig dan ik op het moment.’
Tjeerd kijkt op en schuift zijn bord naar voren, en voor het eerst lijkt hij te registreren dat Daan hier aan tafel zit.
‘Hé, gast,’ zegt Daan goedmoedig tegen hem. ‘Gaat het al een beetje?’
Hij kijkt even nadenkend, maar schudt dan zijn hoofd, trekt zijn intussen bijgevulde bord naar zich toe en begint opnieuw te schoffelen.
‘Dus jullie zaten in de drugs,’ zegt mijn vader, met een ondertoon waar ik niet heel gelukkig van word.
‘Nah,’ zegt Daan. ‘Ik dealde soms wel een beetje, als ik het geld echt nodig had, en onze drummer blowde nogal, maar verder niet zo, hoor. Ja, alleen Ferdi zat er zwaar in, dat was dus de zanger, maar de rest van ons viel allemaal reuze mee. En toen kwam Nout erbij, die jongen is echt zo straight dat je je eraan openhaalt, en toen veranderde alles eigenlijk. Toen werd het serieus, en toen had ik een maat waar ik wat aan had. Waar ik wat mee kon opbouwen. Maar ja, Nout werd verliefd op Leia, onze bassiste, dus dat was een soort onduidelijke toestand in het begin. Hij werd daar gek van, logisch ook, dus op een goed moment wilde hij gewoon helemaal weg uit die situatie. Toen zijn we samen op reis gegaan, we hebben de band gelaten voor wat die was, en we zijn gaan rondreizen en spelen. En omdat we steeds filmpjes maakten zijn we opgepikt door het grote publiek. Als een soort vloggers. Gek eigenlijk hoe dat gegaan is. Het werd gewoon langzaam steeds groter, en meteen ook overal. We hebben niet eens een platenmaatschappij of zo, we doen alles zelf. Gaat prima, de nieuwe wereld, weet je wel?’
Mijn vader knikt maar een beetje, maar ik zie hem nog kauwen op het hele verhaal.
‘En doe je dat nu nog steeds dan? Al die drugs, en dealen en zo?’ vraagt mijn moeder voorzichtig.
‘Nee, natuurlijk niet!’ Daan grinnikt. ‘We hadden wel duizend keer gepakt kunnen worden als we met iets op zak hadden rondgereisd; we zijn wel gek, maar niet zó gek. Nout is trouwens ook niet zo, en voor mij hoeft het als ik heel eerlijk ben eigenlijk ook niet zo nodig. Het kan iets hebben als je in een bepaald sfeertje zit, maar ik ben toch te veel een regelaar, ik wil de boel op orde hebben, snap je? Controleverlies staat niet heel hoog op mijn verlanglijst.’
‘Gelukkig maar,’ zegt mijn moeder, en ik zie dat mijn vader er ook meteen een stuk geruster uitziet.
‘Ze hebben wel van alles over me gezegd in de media,’ zegt Daan nog, zachtjes, ‘maar daar was dus echt niks van waar, hè. Ik ben daar nog nijdig over. Heb ik eens een keer een pilletje geslikt toen ik negentien was, word ik nu weggezet als een soort industriële cokestofzuiger, en wat ze me nog allemaal meer aan mijn broek hebben proberen te hangen. Stelletje eikels.’
‘Hmpf,’ zegt Tjeerd, terwijl hij zijn laatste hap inslikt. ‘Het was vast meer dan één pilletje.’
‘Ja, oké, het waren er twee. Dank je voor de aanvulling, mattie. En wat is er nou met jou aan de hand? Ik heb je lang genoeg uit de wind gehouden met mijn verhalen.’
Tjeerd snuift ondertussen hoorbaar, en zegt dan één woord. ‘Greetje.’
‘Wat dan?’ vraag ik meteen. ‘Ging het niet met haar bij de VVV?’
‘O, nee, dat ging prima, alleen: ik ging vanmiddag even kijken of het allemaal lukte, hoorde ik van Rie dat ze naar huis was. Dus ik dacht, ik loop even langs, op weg hiernaartoe, krijg ik een heel gesprek met Thé Boersma. Ik kwam niet meer van die man af. Daarom was ik zo laat. Maar Greet is dus naar huis. Echt helemaal naar huis, naar Groningen. Al haar spullen gepakt, zo weggegaan. Ze heeft verder niks gezegd tegen haar grootouders, niks uitgelegd of zo, ze zei alleen dat ze weg moest.’
Hij kijkt erbij alsof hij nog steeds hol vanbinnen is, ondanks die twee borden Hollandse kost die hij naar binnen heeft gewerkt. Arme Tjeerd. Volgens mij is mijn wens dat er iets tussen hem en Greetje zou ontstaan, iets te goed uitgekomen.
* * *
Na Tjeerds ontboezeming zijn we allemaal stil geworden. We hebben de laatste happen genomen en toen iedereen klaar was hebben we afgeruimd, ik heb mijn moeder geholpen de vaatwasser in te ruimen en Tjeerd en Daan zijn de tuin in gelopen met een kop koffie uit de pot die mijn moeder op een geheimzinnig moment eerder al had gezet, zodat er vrijwel direct na het eten koffie beschikbaar was.
Ik vul een mok en loop even naar mijn vader, die op de houten bank voor het huis is gaan zitten. Zijn lievelingsplek voor ’s avonds: hij kijkt uit over het veld en ziet het zonlicht langzaam die gouden kleur krijgen waardoor het lijkt alsof de hele wereld met honing is overgoten.
‘Dank je wel, meid,’ zegt mijn vader met een glimlach. En dan: ‘Die Daan.’
‘Ja?’ Het is stom, maar ik hoop toch dat hij niet al te veel bezwaren bij Daan heeft.
‘Ik moest even wennen aan hoe hij eruitziet, maar hij maakt geen verkeerde indruk. Lijkt me een zelfredzame jongeman, die het behoorlijk ver heeft geschopt, ook al heeft hij geen ideale start gehad.’
‘Is ook zo. Je zou het misschien niet zeggen als je hem zo ziet, maar hij is heel goed georganiseerd. En slim. Best wel zeldzaam bij zo’n creatief iemand, volgens mij; meestal zijn creatieve mensen juist chaoten. Maar Daan niet, je zou moeten zien hoe netjes het bij hem in zijn huisje is, bij de Vis.’
‘Allemaal niet zo belangrijk, Nynke; al was hij de grootste chaoot van de wereld. Het enige wat telt is: wat voel je voor hem, en wat voelt hij voor jou.’ Mijn vader neemt een grote slok koffie en staart in de verte. ‘Toen ik je moeder zag, wist ik het meteen. Ik ben niet zo impulsief, maar ik heb eigenlijk nooit getwijfeld.’
‘O,’ zeg ik enthousiast, ‘dat heb ik nou ook bij Daan. Ik wist het bijna direct, er is iets aan hem, ik voel zo’n soort band, zeg maar; alsof we elkaar al ik weet niet hoe lang kennen. Dat is natuurlijk niet zo, maar zo voelt het wel. Heel vertrouwd, eigenlijk.’
‘En heeft hij dat ook zo bij jou?’
‘Ja. Dat zegt hij in ieder geval wel. En hij is zo lief, we voelen elkaar echt aan, ik weet ook niet hoe ik het moet omschrijven, maar...’
‘Kind, het is simpel: je bent gewoon verliefd. Voor het eerst van je leven ben je echt verliefd. En als ik die jongen zo zie, is hij ook verliefd op jou. Nou, ga nou maar gauw naar hem toe, volgens mij heb je wel een goeie te pakken. Ik heb af en toe mijn hart vastgehouden toen je een jaar of vijftien, zestien was, maar hier kan ik echt niet over klagen, al ziet hij er nog zo, zo... nou ja, muzikanterig uit.’ Mijn vader grijnst, een tikje ondeugend. ‘Ik ben geen gekke Henkie; daar kan ik heus wel doorheen kijken, hoor.’
Ik klink mijn koffiemok even tegen de zijne en loop buitenom naar achteren, waar Tjeerd en Daan met hun koffie ieder in een tuinstoel zonder kussen zitten. Ik laat me ook in een stoel zakken en kijk ze om beurten aan.
‘Greetje is naar huis, dus,’ zegt Daan.
‘Boot van vier uur,’ bromt Tjeerd, nog steeds met die holle wanhoop in zijn stem.
‘Waarom in hemelsnaam,’ zeg ik verbijsterd, ‘dat was ze toch helemaal niet van plan? Vond ze het niet leuk bij de VVV? Ik dacht toch, ik bedoel, jullie waren nou net...’
‘Akke en Swaan zijn even bij haar langs geweest, toen ik nog aan het helpen was met die windmolen,’ zegt Tjeerd. ‘Ik weet niet wat ze tegen haar hebben gezegd, want ik heb haar natuurlijk niet meer gesproken, en Rie weet het ook niet, want die zat denk ik even op de plee of zo, maar in ieder geval... Ze vond het blijkbaar erg genoeg om meteen naar huis te willen. Weg. Weg van het eiland; weg van, eh, nou ja, van mij, dus.’
‘Ik probeer hem ervan te overtuigen dat hij die meiden gewoon meteen moet ontslaan,’ zegt Daan ernstig tegen mij, ‘want hij kan ze niet vertrouwen. Het is vast een soort aanval van die twee geweest, van dat wijvenvenijn, dat wij als mannen gewoon nooit helemaal zullen snappen. Kijk, als zoiets tussen kerels speelt, dan gaan ze even naar buiten. Geven ze elkaar een beuk of twee, drie, en klaar. Meiden gaan dan dingen tegen elkaar zeggen, en op zo’n speciale manier naar elkaar kijken, zo op en neer, en vreselijk zuigen, elkaar helemaal gek maken; mijn theorie is dat mannen de naam hebben, maar vrouwen uiteindelijk tien keer zo wreed zijn. En dan hebben we het alleen nog maar over woordgebruik.’
‘Ik kan ze niet ontslaan, want wie moet er dan in Beppes Keuken staan? Ik kan die tent niet in mijn eentje openhouden in het hoogseizoen. Het is nu net een mooie proefperiode, een soort voorhoogseizoen, en ik zie nu al dat als het twee maanden lang doorbuffelen is op deze manier, ik wel een prima omzet maak, maar dat je me ook kan opvouwen en in de kast leggen als ik die uren in mijn eentje moet draaien. Plus de voorraad, plus de administratie... Dat trek ik niet, man. En waar haal ik zo gauw twee nieuwe krachten vandaan?’
‘Advertentie?’ zegt Daan praktisch. ‘En je hoeft het ook niet meteen morgen te doen, dat ontslaan; als je maar weet dat je niet zo door kan. Nog los van het feit dat ze misschien wel denken dat ze jou hebben gered van het een of ander.’
‘Ja, dat is nog het ergste,’ verzucht Tjeerd, ‘ze denken waarschijnlijk serieus dat ze me uit de klauwen van Greetje hebben gered. Ze kunnen zich blijkbaar niet voorstellen dat ik interesse in iemand als Greetje zou kunnen hebben, of, nou ja, dat ik dus gewoon interesse in Greetje heb.’
‘Zeg het nou maar gewoon, gast,’ bromt Daan. ‘Als er iemand is die zich in je kan inleven, dan ben ik het wel, op het moment.’
‘Nou ja, dat ik Greetje, dus gewoon, eh, wel echt heel leuk vind.’
‘Was er nog wat gebeurd, toen Daan en ik naar huis waren gegaan gisteren?’ Ik grijns naar mijn arme broer. Als het voor hem maar een klein beetje net zo voelt als voor mij, dan is er in de afgelopen vierentwintig uur zo’n beetje een mensenleven aan emoties voorbijgekomen. Het voelt niet als vierentwintig uur, in ieder geval, het voelt als een maand of drie.
‘Ik heb haar naar huis gebracht. Naar Boersma. En toen, eh...’
‘Ja?’
‘Nou ja, toen hebben we elkaar een afscheidskus gegeven. Van twintig minuten.’
‘Ha! Goed zo, broer,’ zeg ik, nog net niet juichend. ‘En het was zeker een stuk lekkerder dan met Swaan met die tanden?’
Tjeerd knikt miserabel.
Daan zit intussen peinzend naar de tafel te staren, maar staat dan abrupt op.
‘Wat ga jij nou doen?’ vraag ik verbaasd.
‘Praatje met je vader maken,’ bromt hij, en hij loopt naar binnen.