Loading...
Skip to content
Readers Treasury

Hoofdstuk 24 - Hoogtij

By Jackie van Laren

Als een droom gaat het voorbij, in een soort poëtische slow motion, maar tegelijk ook met een beangstigende sneltreinvaart. Mijn eerste keer. Mijn eerste keer met Daan. We waren het niet van plan, maar als we eenmaal onder het dekbed liggen neemt iets het stuur over; intuïtie, instinct, de natuur; het is niet tegen te houden.

‘Ik wil langzaamaan doen,’ zegt hij nog zachtjes, verontschuldigend, maar dan verliezen we ons in elkaar en is wat begon als een soort wanhopig zoeken naar troost en nabijheid ineens iets heel anders. Iets urgents, iets noodzakelijks, iets rauws en onstuitbaars en heerlijks.

Het doet geen pijn.

Ik heb me altijd een beetje zorgen gemaakt dat het de eerste keer pijn zou doen, maar het enige wat ik voel is een soort totale vervulling, letterlijk; een volheid, een soort juichend opspringen van mijn hart dat dit is hoe het moet, dit is wat de bedoeling is. En dan wordt het al snel zo oer en wild dat nadenken helemaal niet eens meer mogelijk is, totdat we in elkaars armen liggen uit te hijgen en na te trillen.

‘Wow, dat ging hard,’ mompelt Daan dromerig.

‘Deed ik het goed?’ vraag ik, ineens toch een beetje onzeker.

‘Vond je het lekker?’

‘Heel lekker,’ geef ik toe, schuilend onder zijn oksel, ‘belachelijk lekker.’

‘Ik ook. Belachelijk lekker. Beste seks van mijn leven, eigenlijk,’ zegt hij; hij klinkt ondanks zijn hoorbaar opkomende slaperigheid helemaal verbaasd.

Ik moet er een beetje van lachen; ik voel me los, en warm, en zacht, en zweverig-gelukkig. Dat hij zei dat hij weg zou gaan, dat lijkt nu onmogelijk, nu we hier zo liggen; een nare angstdroom uit een ver verleden. We zijn zo dicht bij elkaar; niets kan dat toch verstoren?

Met dat gevoel val ik in slaap, diep en droomloos, mijn hoofd op Daans schouder, een glimlach op mijn lippen.

* * *

Ik word een klein beetje wakker als we gaan verliggen, als Daan zijn arm van me af haalt, maar ik doe mijn ogen niet open en keer om, en voordat ik iets heb kunnen merken zak ik weer weg.

Pas de volgende ochtend, nog heel vroeg, de zon is net op, word ik opnieuw langzaam wakker, en pas dan merk ik dat hij toch echt weg is.

Hij is weg.

Ik weet ook meteen dat hij mijn bed uit is geglipt toen ik even aan de oppervlakte kwam, eerder; hij zal het huis wel uit zijn geslopen en snel naar de Vis zijn gefietst, in het donker. Als hij de eerste boot wilde halen.

Mijn slaperige brein krijgt het voor elkaar om erover na te denken alsof het twee verschillende dingen zijn: Daan die hier naast me, bij me, ligt te slapen, en Daan die hier niet meer is en op het punt staat het eiland te verlaten. Ik voel hem nog, ik ruik hem nog, het is hier om me heen nog warm en veilig voor twee mensen.

Maar langzaam word ik echt wakker.

Het zijn geen twee verschillende dingen.

Daan is niet hier.

Hij is weg.

Ik ga rechtop zitten en haal een hand over mijn gezicht, terwijl de kille wanhoop zich in mijn borstkas nestelt. Wat moet ik nou zonder hem? Ik heb hem nodig, ik ben zo verliefd op hem, ik heb – een ouderwetse formulering kruipt zomaar naar de voorkant van mijn brein – me aan hem gegeven, helemaal, hart en ziel, en nu kan ik toch niet meer zonder hem bestaan?

Opstaan, naar de badkamer, even een paar praktische dingen, alleen al om te weten of de aarde nog gewoon draait zoals hij hoort te draaien. Het voelt allemaal zo wereldschokkend dat het goed is om te weten dat de wereld niet echt heeft geschokt, dat alles nog is wat het is en staat waar het staat.

Ik sluip naar beneden.

Misschien kan ik even een koekje pikken, of zo, iets kleins. Ik weet niet wat ik daarna ga doen; het is nog te vroeg om op te staan, maar ik geloof dat ik ook niet meer terug kan in mijn bed, in mijn eentje.

In de keuken vind ik mijn broer, met een klein lichtje aan en een kop koffie voor zich op tafel. ‘Hé, zus,’ zegt hij mat, maar helemaal niet verbaasd om me te zien. Hij staat op en schenkt koffie voor me in; hij heeft een hele pot gezet.

‘Hoe lang zit jij hier al?’

‘Lang genoeg om Daan naar beneden te hebben zien komen. Hij gaat naar de wal, hè?’

Ik knik, ineens kan ik bijna niet praten.

‘Ik begrijp hem wel, hij wil je uit de wind houden, maar ik vraag me wel af of het allemaal echt zo erg is als hij denkt.’

‘Dat vraag ik me natuurlijk ook af,’ kraak ik zachtjes, terwijl ik bij hem kom zitten. ‘Hij zou hier toch makkelijk kunnen blijven? Wie maalt er nou om, hier? Het interesseert niemand een bal wat hij heeft gedaan, of met wie, en wat er allemaal wel of niet van waar is.’

‘Zelfde als met Greet,’ verzucht die arme Tjeerd. ‘Ze had echt niet weg hoeven gaan. Als ze het tegen me had gezegd, had ik die twee rotmeiden zo, zonder aarzeling, eigenhandig van het eiland gegooid.’

‘Ben je echt zo gek op haar?’

‘Denk het wel,’ zegt hij, zo droevig dat ik het gat in mijn eigen hart even vergeet.

‘Ik kom wel bij je werken, hoor,’ zeg ik maar gauw. ‘Ook al vind ik het misschien saai, ik zet mijn tanden wel op elkaar. Ik laat je toch niet alleen? Ontsla ze gewoon alsnog, en dan help ik je wel totdat je wat nieuws hebt. Dat duurt vast niet zo lang, toch? En ik heb nu toch niks te doen.’ Zonder Daan, bedoel ik natuurlijk. Zonder Daan staart de dag me leeg en onoverkomelijk in het gezicht.

Tjeerd geeft me een holle blik en legt even een hand op mijn arm. ‘Hij komt wel terug,’ zegt hij zachtjes, troostend. ‘Jij weet tenminste zeker dat hij terugkomt voor je. Ik heb niet eens dat.’

* * *

De dag ontvouwt zich vreemd. Tjeerd en ik hebben de hele vroege ochtend daar gezeten, samen, soms een beetje pratend, soms in stilte, totdat de koffie op was. Toen gingen we ons aankleden, en aan de slag.

Hij belde Akke en Swaan, zodra dat met goed fatsoen kon. Het zal wel een uur of zeven zijn geweest. Ze zitten samen in een of ander huurhuisje; niet zo’n vakantiehuisje voor badgasten, maar een huisje speciaal voor jonge mensen die in het zomerseizoen op het eiland komen werken bij de bakker, of bij de Boei, of waar dan ook. Hij liep de gang op met zijn mobiel, maar ik hoorde aan de klank van zijn stem wat hij te zeggen had, en ik hoorde ook dat er een soort ongelovig schapengeblaat uit zijn mobiel kwam, nadat hij zijn boodschap had overgebracht.

Goed zo, Tjeerd. Laat je niet kisten.

Daarna belde hij meteen Greetje, maar ze nam haar mobiel niet op.

Ik had natuurlijk ook al geprobeerd Daan te bellen, maar zijn mobiel stond zeker nog uit; misschien had hij de kans niet gehad om hem op te laden voordat hij wegging. Op dat moment dacht ik er nog niets raars van, in ieder geval.

Daarna aten Tjeerd en ik ieder met lange tanden een boterham; we hadden natuurlijk allebei helemaal geen honger. Nog een kop koffie, en we gingen samen naar de Vis; hij kon me onderweg op de fiets uitgebreid vertellen dat ze nogal achterliepen met het opnieuw opbouwen van de surfkeet, omdat Martin nog de hele zondag bezig was geweest met de windmolen. Ze hadden het hijskraantje alleen voor het weekend gehuurd, dus het was nog even een gedoe om te zorgen dat ze het nog een paar dagen langer konden houden.

Mijn broer kan levendig vertellen. Gelukkig maar, want zo kon hij me mooi afleiden van dat afschuwelijke rotgevoel ter hoogte van mijn hartstreek, dat zich steeds opnieuw kenbaar maakte met een venijnige steek, juist als ik dacht dat het misschien een beetje begon te zakken.

Ik heb nog niet eerder in mijn leven meegemaakt dat ik iemand zo miste. Zo fysiek, zo acuut. Ik heb natuurlijk mijn ouders en mijn broer gemist toen ik van het eiland af moest, en ik heb het eiland zelf eigenlijk ook vreselijk gemist, maar dat was toch iets heel anders dan wat ik nu voel. Alsof er een stuk van mezelf weg is, zo voelt het. Alsof ik weer terug ben naar hoe incompleet ik was voordat ik Daan kende, en nu ik hem eenmaal wel ken, is dat teruggaan gewoon echt helemaal geen optie. Ik ga dit niet lang volhouden, dat voel ik aan alles.

Tjeerd is er al niet veel beter aan toe, hoewel hij en Greetje natuurlijk niet zo veel tegen elkaar hebben uitgesproken als Daan en ik. Bij mijn broer is het allemaal zo mogelijk nóg priller. Maar niet minder heftig, volgens mij; hij is niet zo van de dramatische emotionele uitingen, maar hij is wit om zijn neus en heeft een gezicht alsof stiekem alles pijn doet, dus volgens mij is hij al veel verliefder dan hij aan zichzelf wil toegeven.

* * *

Bij de Vis is het, ondanks de vroegte, een drukte van belang. Het halve dorp is uitgelopen om te zien hoe het kleine hijskraantje de verschillende onderdelen van de surfkeet weer op hun plaats gaat hijsen; het ding heeft blijkbaar de gemoederen in beweging gebracht toen de rotor van de windmolen ermee op zijn plaats werd gehesen, omdat bijna niemand geloofde dat het zou gaan lukken. Het hijskraantje is een heel modern, absurd klein inklapbaar ding, een soort blok dat bij iedereen zo in de schuur past. Als je hem klaarzet om iets te gaan hijsen, moet je vier lange poten uitklappen, en een hijsarm van alles bij elkaar een meter of tien uitschuiven, en dan ziet het ding eruit als een soort ijzeren insect met een lange nek. Daar kan je dan veel zwaardere dingen mee omhoog krijgen dan je in eerste instantie zou denken.

Martin bedient het kraantje, en je ziet aan alles dat hij er echt plezier in heeft.

‘Gisteren heb ik een paar van die palen de grond in getrild,’ zegt Tjeerd, wijzend naar het keurig rechthoekige bos van palen waarop de surfkeet opnieuw opgebouwd moet worden. ‘Martin had het me uitgelegd; het was helemaal niet zo lastig.’

‘Hadden ze al dat bouwmateriaal nog liggen?’ vraag ik. ‘Het lijkt wel alsof er meer palen staan dan wat erop moet.’

‘Ze zijn meteen na de storm van alles gaan inslaan, en het is de bedoeling dat er een groter platform op komt dan eerst. Dat de surfkeet een groter, eh, balkon heeft dan eerst?’ Tjeerd krabt zich op het hoofd terwijl hij nadenkt over de juiste terminologie.

‘Ik snap hem,’ zeg ik gauw.

‘Mandy wil een benefietconcert organiseren, op heel korte termijn, om geld in te zamelen voor de schoonmaak van het strand. En dan is het de bedoeling dat de surfkeet als een soort podium kan dienen. Dat balkon dan. Snap je?’

Ik knik en denk er even over na. ‘Hebben we dat nodig dan, denk je? Een benefietconcert? Ik bedoel, hebben we niet genoeg geld in de gemeentekas? Of, eh, er zijn toch ook potjes voor de Wadden, of rampenfondsen van de regering, dat soort dingen? Ik weet dat allemaal niet zo goed.’

‘Ik ook niet,’ zegt mijn broer ernstig, ‘maar ik heb gisteren dus wel van Vincent gehoord dat ze in de eilandraad helemaal niet blij zijn met hoe burgemeester De Lange heeft gereageerd op de ramp. Of eigenlijk, hoe hij niet heeft gereageerd. Want die slapjanus heeft dus helemaal niks gedaan. Niemand gebeld, nergens naartoe geschreven, of gemaild, of wat je dan ook moet doen bij zo’n ramp als er hier is gebeurd, geen formulier ingevuld, niks. We kunnen nergens aanspraak op maken, omdat hij degene is die het voortouw had moeten nemen, en dat heeft hij dus niet gedaan. Waar we die man voor hebben is mij een raadsel; we hebben er in elk geval niks aan. Hij kost ons alleen maar geld. Vin vertelde dat Ons Sociaal Belang hem het liefst zou afzetten, of hoe dat dan ook heet bij een burgemeester, en Siets zit nou iedereen op te stoken zodat de hele raad zich tegen hem keert.’

‘Jee,’ zeg ik verbaasd, ‘ik had niks in de gaten.’

‘Nogal wiedes,’ zegt mijn broer, met een hint van plagerij in zijn stem, ‘jij zat met je hoofd in de roze wolken.’

Ik duw nep-boos tegen zijn schouder. ‘Jij niet dan?’

‘Hm,’ zegt hij, ‘in ieder geval niet zo erg dat ik niet doorhad dat de raad begint te muiten. Ik had het er gisteravond nog over met heit; nou, je weet hoe hij en mem over de De Langes denken; de opstand kan hem niet groot genoeg zijn.’

‘Jeeh, revolutie,’ zeg ik, halfhartig zwaaiend met een vuist.

Tjeerd kijkt me uilig aan, maar schiet dan toch in de lach. Ik moet zelf eigenlijk ook wel lachen, al doet het nog steeds pijn vanbinnen.

* * *

Als ik de zoveelste mand patat uit het vet til en uitschud, lach ik niet meer. Dat komt niet van het patat bakken, dat veel makkelijker is dan ik had gedacht. Kroketten, frikadellen, kaassoufflés en loempia’s; allemaal gaan ze probleemloos het vet in en ik vis ze er na de juiste baktijd weer uit, goudbruin, gloeiend heet en heerlijk.

Geen probleem.

Snackbarwerk, ik kan het. Zelfs als het druk is.

Dat is dus niet de reden waarom het lachen me is vergaan.

De reden is dat ik intussen wel vijf keer naar Daan heb gebeld, en hij nog steeds niet heeft opgenomen.

Ik gluur naar de klok boven de deur. Kwart over vier ’s middags. Zal ik het nog een keer proberen? De vorige keer was een half uur geleden. Intussen moet hij zijn mobiel toch wel hebben opgeladen? Hij is natuurlijk al lang thuis. Bij zijn vader, of waar hij dan ook naartoe is gegaan. We hebben niet de kans gehad om zijn plannen uitgebreid te bespreken, het gebeurde allemaal zo snel. Zo abrupt. Het is bijna, terwijl ik hier sta te buffelen naast mijn broer, alsof het niet echt was. Alsof ik de hele afgelopen week, en gisteren, en gisternacht, heb gedroomd. Alsof Daan misschien wel helemaal niet bestaat. Zou dat kunnen? Zou ik het me allemaal ingebeeld hebben?

Mechanisch reken ik af en glimlach ik vriendelijk naar de klanten die intussen drie rijen dik en hongerig aan de andere kant van de toonbank staan.

Tjeerd staat al net zo hard te werken; hij krijgt dan altijd van die rode wangen. Hij tapt softijs en mixt milkshakes in een noodtempo, en af en toe kijken we naar elkaar als we even moeten checken of we nog op schema liggen met onze bestellingen. We hebben geen woorden nodig; als de omstandigheden niet zo ellendig waren geweest, had ik misschien zelfs wel kunnen genieten van hoe goed we hier staan samen te werken.

Als kind kon ik al goed met Tjeerd opschieten, hij was echt een lieve, geduldige grote broer. Het begon pas mis te gaan toen ik naar de middelbare school ging, zo’n beetje; toen vond ik hem een sukkel omdat hij niet hard genoeg zijn best deed om op die snelle, stoere surfboys te lijken, waardoor ik, in ieder geval in mijn eigen, puberale beleving, me minder cool voelde met zo’n slome broer.

Nu is dat natuurlijk niet meer aan de orde. Terugkijkend op die tijd komt het me belachelijk, overspannen en kinderlijk voor. Nu hebben we een soort volwassen versie van hoe goed we met elkaar konden opschieten in onze kindertijd; ik vind dat eigenlijk enorm waardevol. Als alles dan een droom is geweest, als ik nooit meer wat van Daan hoor, als ik het me allemaal heb ingebeeld, dan heb ik in ieder geval nog dit: dat mijn broer en ik elkaar weer hebben teruggevonden zoals we vroeger waren.

Het wordt even wat rustiger aan de balie, en Tjeerd trekt verstolen zijn mobiel uit zijn broekzak. Hij belt, houdt het toestel aan zijn oor, maar geeft het na een paar keer overgaan op. Zijn gezicht staat zo verdrietig dat ik het vanbinnen voel.

De deur gaat open en ik kijk snel even wie er binnenkomt; ik hoop geen gezin met vijf kinderen met genoeg honger voor een weeshuis.

Gelukkig, het is Rietje maar, die blijkbaar de VVV iets te vroeg heeft dichtgedaan en nu op weg naar huis even komt kijken hoe het er hier aan toe gaat.

‘Dag Rie!’ roep ik over de balie.

‘Dag meid, heb je een lekker ijsje voor me?’

‘Tjeerd?’ roep ik; hij is de ijscoman vandaag. Morgen ruilen we, als ik de afdeling gebakken dingen helemaal onder controle heb.

Rie krijgt van mijn broer een extra goed gevuld bakje softijs met nootjesdip.

‘Van mij,’ zegt hij genereus, ‘omdat ik je hulpje heb ingepikt.’

‘Nou, ik heb haar wel gemist vandaag, hoor!’ zegt Rie, en dan hapt ze gretig in haar ijsje. Als het hapje is verwerkt gaat ze verder: ‘Gelukkig was het niet zo druk met de opruimers vandaag, en Tjerk is nog langs geweest om het me nog een keer uit te leggen nadat hij vanmorgen had gebeld. Wat is er nou precies gebeurd? Die meiden die je had werken, Tjeerd, die heb je eruit gegooid, omdat ze lelijk zijn geweest tegen Greetje van Boersma? Zie je wel, ik wist het wel!’ Ze tikt tegen haar neus en neemt nog een hapje ijs. Haar ogen glinsteren van de intriges.

Ik zie vanuit mijn ooghoek Tjeerd wanhopig kijken; hij heeft vanmorgen bij de Vis het hele verhaal van Greetje heel beknopt aan Tjerk verteld, die zei dat hij het helemaal snapte en beloofde dat hij het verder zou regelen met de VVV en de coördinatie van de eventueel vandaag nog aankomende helpers, zodat ik met mijn broer bij Beppes Keuken kon gaan werken. Nou is het natuurlijk maandag vandaag, een stuk rustiger dan in het weekend, dus Tjerk kon dat makkelijk beloven, maar blijkbaar heeft hij vrolijk het hele verhaal zonder enige filter aan Rietje doorgebriefd. Of ze heeft het uit hem gepeuterd, ik zie haar er zo toe in staat. Volgens mij kan zelfs Tjerk niet tegen haar nieuwsgierigheid op.

‘Dus, Tjeerd, jij en Greetje van Boersma,’ zegt Rie nu, nog steeds met twinkelende ogen, ‘ik wist het wel, ik dacht het al, dat zei ik toch ook? Goeie keus, hoor; beter dan die twee haaibaaien. Als je zo doorgaat word je nog de donjuan van het eiland, met al die dames met gebroken harten die je als een hekgolf achter je laat. Ik heb trouwens gehoord,’ ze leunt vertrouwelijk over de toonbank, ‘dat Akke en Swaantje zo’n beetje het hele eiland af zijn geweest vandaag, op zoek naar ander werk, maar let maar op: niemand zal ze willen hebben. Iedereen heeft gehoord dat ze Greetje hebben laten ontslaan op de boot, en als ze het vandaag niet weten, dan weten ze het morgen wel. Die grieten kunnen het wel schudden hier. Jongen, je bent honderd keer beter af met Greetje, neem dat maar van mij aan.’

‘Nou,’ zegt mijn broer treurig, ‘dat kan je nou wel zeggen, Rie, maar Greet neemt haar mobiel niet op als ik bel, dus ik ben helemaal niet beter af, ik heb helemaal geen keus. Ik heb niks.’

‘Jongen,’ zegt Rietje ernstig, ‘je pakt het ook helemaal verkeerd aan. Natuurlijk neemt ze niet op; ze is zich doodgeschrokken.’

‘Wat moet ik dan doen?’ vraagt mijn broer; de wanhoop hoorbaar in zijn stemgeluid.

Rietje kijkt hem aan alsof hij dom is. ‘Je moet een ander laten bellen,’ zegt ze, heel eigenwijs, en dan steekt ze haar hand in de lucht en wandelt ze de zaak uit, met haar ijsje.

‘Oké, wat is haar nummer,’ zeg ik meteen, zodra de deur achter haar is dichtgevallen. ‘Kom op, broer, het is nu even leeg. Straks komen de avondeters, dan lukt het voorlopig niet meer.’

‘Heb jij Daan nou al gesproken?’ vraagt Tjeerd, terwijl hij me het nummer van Greetje appt.

Ik schud mijn hoofd.

‘Bel ik hem voor jou, als jij Greet voor mij belt.’

‘Goeie deal,’ zeg ik, terwijl ik op het nummer druk. Hij gaat over; Greetje weet natuurlijk niet dat ik het ben, dus ik hoop maar dat ze uit nieuwsgierigheid opneemt. Maar mijn mobiel belt, en belt, en niks. Ik spreek niet in en druk dan ook maar weg.

‘Niks, sorry,’ zeg ik tegen Tjeerd.

Hij belt naar Daan. Daan kent zijn nummer natuurlijk wel, maar zou dat uitmaken? Zou hij Tjeerd wel opnemen, maar mij niet? ‘Ook niks,’ zegt Tjeerd na een veel kortere periode dan ik. ‘Zijn mobiel staat volgens mij gewoon helemaal uit.’

‘Nog steeds?!’ barst ik uit. ‘Dat is ook gek! Je zou toch denken dat hij hem nu wel eens een keer zou hebben kunnen opladen!’

‘O, was hij leeg dan?’

‘Ja, daarom hield het gesprek met de tv zo abrupt op, weet je nog? Wij hebben allemaal Android, dus hij kon zijn iPhone niet opladen. Toen zijn we even naar boven gelopen omdat we nog steeds geen nummers hadden uitgewisseld, en dat ging natuurlijk niet als die van hem leeg was. Ik kon hem wel bij mij erin zetten, maar hij wilde mijn nummer op zijn hand zetten, dus we gingen even een pen –’

‘Ja ja,’ zegt mijn broer veelbetekenend.

Ik word volgens mij knalrood.

‘En toen kwamen jullie meteen niet meer naar beneden. Ik zag heit en mem wel kijken, maar ze hebben jullie maar even gelaten. Je bent tenslotte een volwassen vrouw, ik bedoel, wat moeten ze zeggen? Handjes boven de deken, klappen en fluiten?’

Ik proest het uit, ondanks alles, en geef Tjeerd een volkomen ineffectieve stomp. Als ik uitgegiecheld ben, zeg ik, een beetje beschaamd: ‘Maar goed, in het licht van, eh, alles, zeg maar, had ik toch wel gedacht dat ik nu wel al van hem zou hebben gehoord.’ Meteen voel ik weer die leegte, en die vage pijn, en, tja, angst? Heb ik het me toch allemaal ingebeeld? Maar als ik me dan even voorstel hoe we samen waren, in mijn bed, hoe dicht bij elkaar we waren, dan voel ik het weer helemaal, als een elektrische schok door mijn hele lichaam. Hoe hij bij me was, hoe hij in me was. Hoe geweldig. Hoe ik hem mis, alsof hij aan me vastzat, en nu plotseling met bruut geweld is losgescheurd. Ik kan me dat toch niet allemaal hebben ingebeeld? Hij moet dat toch ook gevoeld hebben?

‘Gisteravond is hij met heit gaan praten,’ zegt Tjeerd. ‘Om te zeggen dat hij het goed met je voorhad. Heit zei dat hij een hele intentieverklaring kwam afsteken; hij was er een beetje ontroerd van, volgens mij, die ouwe van ons.’

‘Nee!’ zeg ik ongelovig. ‘Dat meen je toch niet?’

‘Ja hoor. Het had echt nogal indruk gemaakt. Nou, ik kan me toch niet voorstellen dat –’

Precies op dat moment begint mijn mobiel lawaai te maken. Ik kijk snel: Greetje! Ik steek mijn vinger op naar mijn broer, als om te zeggen: hold that thought, en neem op.

‘Hoi Greetje, met Nynke, waar ben je nou? Ik mis je, Rietje mist je, wat moeten we nou zonder jou?’ Ik zeg het half grappend, hopend dat ze niet meteen ophangt.

‘O, ben jij het? Nynke, o, jee, ja, ik ben wel een beetje overhaast vertrokken, hè? Maar ik voelde me zo naar, ik had het gevoel dat ik niet meer welkom was op het eiland, toen ik eerst mijn baantje op de boot verloor, en daarna die twee nare meiden ook nog langskwamen; ze zeiden doodleuk tegen me dat zij hadden geregeld dat ik was ontslagen bij de veerboot, en dat ze ook zouden zorgen dat ik weg moest bij de VVV; dat ze net zo lang door zouden gaan totdat ik met hangende pootjes het eiland zou verlaten. Ik dacht: ik gun het ze niet. Ik ga wel gewoon meteen.’

‘Maar Greet!’ zeg ik verontwaardigd. ‘Je hebt ons toch? Tjeerd heeft die twee heksen er intussen uit gegooid, en we hebben net van Rietje gehoord dat iedereen weet wat ze hebben gedaan met jou en je baantje op de boot, en dat niemand ze nu nog wil hebben. Dus wie gaat er nou met hangende pootjes van het eiland af? En, ik bedoel, mijn broer, hij is helemaal van de leg dat je ineens weg–’

Hier rukt Tjeerd plotseling mijn mobiel uit mijn hand. ‘Greetje?’ zegt hij haastig. ‘Is alles goed?’

Ik hoor dat het even stil blijft aan de andere kant, en ik loop maar even weg om een nieuwe baal friet uit de vriezer te halen. Als ze nou maar niet ophangt; als ze nou maar met Tjeerd wil praten. Misschien kan hij haar dan overhalen om gewoon weer terug te komen, of op z’n minst het contact te herstellen. Dat zou echt geweldig zijn.

Dat zou in ieder geval voor één van ons geweldig zijn.

Loading reader...