Hoofdstuk 25 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Als ik ’s avonds uitgeput in mijn bed lig – het is inderdaad godvergeten hard werken in zo’n snackbar, en het valt nog niet mee om die baklucht uit je haar te wassen – dan kan ik alleen maar piekeren. Het kussen, het hele bed, ruikt nog een klein beetje naar Daan. Of, dat denk ik in ieder geval. Ik beeld het me in, want dan is het net alsof hij nog een beetje bij me is. Waarom neemt hij nou niet op? Waarom staat zijn mobiel uit? Ik dacht dat hij naar Amsterdam ging als afleidingsmanoeuvre, maar dat we gewoon contact zouden houden; ik had nooit gedacht dat hij meteen helemaal uit mijn leven zou verdwijnen. Dat kan toch niet waar zijn?
Het is er ook niet beter op geworden nadat Wende na het avondeten even langsliep om te vragen of wij al iets van Daan hadden gehoord: blijkbaar probeert Mandy ook contact met hem te krijgen, omdat ze wil dat hij en Nout komen optreden op het benefietconcert. Zou er iets met hem zijn gebeurd? Iets ernstigs?
Ineens voel ik bijna fysiek hoe weinig ik eigenlijk van hem weet; ik weet niet hoe ik zijn vader moet bereiken, ik weet niet waar hij in Amsterdam zou verblijven, ik weet niet eens of hij wel veilig is aangekomen! Wat nou als hem iets is overkomen, onderweg?
Op de een of andere manier lukt het me om in slaap te vallen, ondanks mijn zorgelijke gedachten, maar ik droom dat ik Daan wanhopig aan het zoeken ben en steeds net niet kan vinden. Soms zie ik, in mijn koortsige slaapgedachten, een pluk geblondeerd haar net om de hoek verdwijnen, maar dan kom ik weer vast te zitten in een mensenmenigte die me de verkeerde kant uit stuwt. Soms denk ik dat ik hem hoor roepen, maar dan plotseling ben ik ergens anders, op een kronkelige trap waarop ik naar boven ren terwijl het trappenhuis zich met iedere bocht nauwer om mijn schouders sluit totdat ik bang ben dat ik vast kom te zitten. Ik pak iedere telefoon die ik zie, in mijn droom, maar ze zijn allemaal ouderwets en met ieder toestel is wel iets mis. Er zit geen draaischijf op, of geen snoer aan, of ik draai het nummer maar kies steeds het laatste cijfer verkeerd.
Zwetend word ik wakker, met het gevoel alsof ik net vijf seconden geleden mijn ogen heb dichtgedaan, terwijl Tjeerd aan mijn arm trekt.
‘Wakker worden, zus, of ga je niet mee naar de Vis vanochtend?’
Met moeite ga ik rechtop zitten. Ik voel meteen, slaperig of niet, dat Tjeerd mij net zo hard nodig heeft als ik hem. De nieuwe dag kijkt ons allebei ongenadig in het gezicht.
* * *
Na een haastig ontbijt en een kop koffie zitten we samen op de fiets naar de Vis, als een kopie van gisteren. Misschien zijn we nu nog iets ellendiger zelfs, omdat er gisterochtend, in ieder geval voor mij, nog hoop was dat ik in de loop van de dag Daan aan de lijn zou krijgen. Maar laat ik mezelf niet voor de gek houden; mijn broer is er ook niet best aan toe.
‘Wat zei ze nou,’ zeg ik tegen Tjeerd, zonder verdere inleiding. Gisteren, na zijn telefoongesprek met Greetje, op mijn mobiel, wilde hij er niets over zeggen. Hij gaf me mijn mobiel terug en keek zo stuurs en gesloten dat ik maar niet verder heb gevraagd, maar de vraag heeft natuurlijk al die tijd op mijn lippen gebrand. Nu heeft hij geen enkele inleiding of aanmoediging nodig.
‘Ze wil dat ik haar niet meer bel,’ zegt hij, op een toon waarin vijftig procent ongeloof klinkt, en vijftig procent verdriet. ‘Ik snap het gewoon niet, dat ze dat zei, ik begrijp er niks van, ik bedoel, we hadden toch, het was nou net, wat hebben we nou helemaal gedaan, we hebben één keer gezoend! Dan hoeft ze toch niet meteen heel dramatisch te zeggen dat ik haar niet meer moet bellen? En ik heb die rotmeiden weggestuurd. Wat moet ik nou nog meer doen? Ze kan toch gewoon terugkomen?’
‘Echt, zei ze dat?’ Ik kan het al even moeilijk geloven als hij. ‘Moet ik haar nog een keer voor je bellen? Misschien kan ik haar op andere gedachten bre–’
‘Nee, laat maar,’ zegt Tjeerd, met zo’n verslagenheid in zijn stem dat ik er nog net niet van volschiet.
We zeggen niets meer; in een soort grimmig stilzwijgen fietsen we naar de Vis, parkeren onze fietsen geroutineerd naast elkaar, lopen het duin op en weer af, op weg naar de surfkeet, die wonderlijk genoeg alweer half is herbouwd.
‘Dat gaat hard,’ mompel ik.
‘Vele handen, hè,’ mompelt Tjeerd.
‘Hé, Nynke!’ hoor ik achter me, en als ik omkijk zie ik Wende daar staan, met Mandy vlak achter haar. Mandy heeft Lieuwe op haar heup zitten; hij zwaait met een mollig handje.
Wende wenkt me, dus ik tik even tegen de schouder van mijn broer om aan te geven dat ik ga kijken wat er aan de hand is en loop terug het duin op.
‘Heb jij al contact gehad met Daan, intussen?’ vraagt Mandy. ‘Het is toch aan, tussen jullie?’
Ik schud mijn hoofd.
‘O, echt? Ik dacht dat het hartstikke aan was,’ doet Wende er nog een schep bovenop.
‘Ik dus ook,’ zeg ik verdrietig, en ineens voel ik de tranen branden. ‘Maar hij neemt niet op, of eigenlijk, hij heeft de hele tijd zijn mobiel uit staan. Die was leeg toen hij bij ons was, en wij hadden geen lader. De volgende ochtend vroeg is hij naar de wal gegaan, maar in de tussentijd zou je toch wel verwachten dat hij hem weer heeft opgeladen? Toch?’
Mandy en Wende knikken, en Lieuwe knikt van de weeromstuit ook een beetje mee. ‘Ba,’ zegt hij tegen mij.
‘Nee, lieverd, dat is geen bal, dat is Nynke.’
‘Nnnie!’ probeert hij enthousiast, met een klein grijpknuistje mijn kant uit.
Ik steek een vinger naar hem uit, die hij stevig vastgrijpt. ‘Goed zo, Lieuwe,’ zeg ik, knipperend tegen mijn vochtige ogen.
‘Lie,’ zegt Lieuwe.
‘Ik ben zo bezorgd,’ mompel ik zachtjes, ‘ik vind het gewoon niks voor hem. Of, eh, misschien was het gewoon niet zo aan als ik dacht, dat kan natuurlijk ook. Misschien heeft hij me geblokt. Dat klinkt dan toch ook alsof iemand zijn telefoon uit heeft staan?’
‘Nynke, doe normaal. Daan is helemaal gek van je,’ zegt Wende streng.
‘En wij krijgen ook geen contact met hem, Wen en ik hebben het allebei geprobeerd, dus het ligt in ieder geval niet aan jou.’ Mandy schudt een beetje met Lieuwe, die intussen mijn vinger weer heeft losgelaten, totdat hij kraait van plezier. ‘En voor mij is het dubbel vervelend, want ik wilde Daan eigenlijk inschakelen om nog wat artiesten voor onze benefiet te regelen. Hij kent al die mensen; hij zou het gewoon zo kunnen vragen.’
‘Wacht eens even,’ zegt Wende ineens, met een gezicht alsof ze een plan heeft. ‘Wacht eens even. Misschien heb ik Nouts nummer nog wel ergens. Daan is wel de regelneef van de twee, en ik had altijd contact met hem, die paar keer dat ze hier zijn geweest, maar het zou heel goed kunnen dat Nout zijn mobiele nummer heeft achtergelaten voor noodgevallen. Dan zit dat denk ik ergens in de administratie van de huisjes, ik weet alleen niet meer precies in welke huisjes ze allemaal hebben gezeten.’
‘O, maar daar kom ik wel achter,’ zegt Mandy voortvarend, ‘al moet ik er de hele dag op gaan zitten puzzelen.’
‘Goed. Moet je horen, Nynke: als jij het nu vandaag in de loop van de dag ook blijft proberen met Daan, en als je hem dan aan de lijn krijgt, zeg dan tegen hem dat hij Mandy even moet bellen. Dan proberen wij Nout te pakken te krijgen. Als dat lukt sturen we je wel een berichtje, of we bellen je even. Is dat een deal?’
Ik knik bedrukt, maar toch ook wel blij dat er ineens een soort van plan is. Dat ik er niet helemaal alleen voor sta, ook.
‘Maak je nou maar niet zo’n zorgen; ik weet dat iedere dag een soort eeuwigheid duurt als je net heel erg gek op iemand bent, en je bent niet bij elkaar, maar er is vast een hele simpele reden voor.’ Wende aait even over mijn arm. ‘Ach, arme ziel, je hebt het echt te pakken van hem, hè?’
‘Martin heeft hem nog gezien vlak voordat hij wegging; Mart is soms zo achterlijk vroeg wakker, vooral als hij ergens aan werkt,’ zegt Mandy. ‘Hebben ze nog samen een kop koffie gedronken. Daan wilde echt helemaal niet weg, hij vond het vreselijk, maar hij had het gevoel dat hij het moest doen om je te beschermen. Hij was op Boulevard, dat hij hier zat te spelen, toch? Iemand had dat gefilmd. Ik heb het niet gezien op het moment zelf, maar Martin zei het, en toen hebben we het gisteren teruggekeken. Zou wel goeie marketing voor de Vis zijn; mag ik het op de Facebookpagina zetten? Dat duetje met jou? Je zong echt hartstikke goed!’
Mandy is zo ongefilterd enthousiast dat ik geen nee durf te zeggen, hoewel ik er niet aan moet denken dat allerlei mensen me zomaar kunnen horen zingen, en dat iedereen dan kan zien hoe gek ik ben op Daan, en...
Wacht even. Als ik actrice word, dan ziet iedereen altijd alles wat ik doe. Sterker nog, dan is dat ook echt de bedoeling. En als het er goed uitziet, al vind ik zelf van niet, en als het de Vis vooruithelpt...
‘Oké,’ zeg ik aarzelend, ‘als Daan het ook goed vindt. Als we ooit nog de kans krijgen om het hem te vragen...’
Mayke steekt haar hoofd om de hoek van de deur. ‘Zeg, komen jullie nou nog ontbijten, of... O. Hoi Nynke, ik wist niet dat jij er ook al was. Kom binnen.’
Ik weet nog steeds niet zeker of Mayke me echt heeft vergeven; ze kan zo abrupt zijn, zo rechtdoorzee, dat ik me soms bijna aangevallen voel. Maar dan grinnikt ze naar me, en zakt het gevoel meteen.
Achter Mandy en Wende aan loop ik naar binnen, waar een grote tafel vol broodjes, beleg en potten koffie en thee klaarstaat.
‘Als wij nu even eerst wat eten, dan komen die jongens straks wel. Als er niet genoeg voor ze over is bak ik nog wel wat eieren,’ zegt Mayke. ‘Heb ik het nou goed gehoord dat jij bij je broer in de zaak staat, omdat hij die lelijke meiden eruit heeft gewipt?’
Ik knik en schuif aan aan tafel.
‘Goed van je,’ zegt Mayke. ‘Je bent echt veranderd.’
‘Mijn broer is er behoorlijk kapot van,’ zeg ik, blozend.
‘Van dat hij die meiden heeft ontslagen?’
Wende geeft Mayke een ongelovige blik. ‘Hallo, jij hebt ook niet opgelet,’ zegt ze rondom een hap brood. ‘Omdat die meiden Greetje Boersma de stuipen op het lijf hebben gejaagd, en nu is ze naar huis vertrokken. Gisteravond zat het halve eiland weer hier – de mannelijke helft dan welteverstaan, ik begrijp soms niet dat ze hier zo ouderwets zijn dat er niet meer vrouwen zijn die zich met de politiek bemoeien – en Thé Boersma heeft het hele verhaal in geuren en kleuren verteld. Het moest natuurlijk over burgemeester De Lange gaan, en hoe de eilandraad van hem af komt, maar ze hebben toch zeker twee bierglazen lang zitten praten over die Akke en die Swaan. Nou, ik kan je wel vertellen: die krijgen geen baantje meer hier op het eiland. Rotmeiden.’
‘Gisteren zei Rie van de VVV ook al zoiets,’ zeg ik. ‘Die kwam natuurlijk even kijken hoe het ging, in Beppes Keuken. We hebben best goed gewerkt, Tjeerd en ik. Ik ga hem natuurlijk nu niet laten zitten. En bovendien, hij is er écht kapot van dat Greetje weg is, en toen we hiernaartoe fietsten zei hij dat ze niet wil dat hij haar nog een keer belt. Hij vindt het echt heel erg. En ik dus ook, want ik heb hem zitten aanmoedigen en alles. Tjeerd is helemaal niet zo makkelijk met die dingen; hij denkt daar lang over na, en als hij eenmaal iemand leuk vindt, dan meent hij het ook. Nou zitten we allebei met de gebakken peren; het minste wat ik kan doen is hem in ieder geval nog even helpen in de zaak, totdat hij wat anders heeft geregeld.’
Mandy, die Lieuwe op haar schoot een broodkorstje geeft om aan te kluiven, knikt ernstig. Wende heeft een denkrimpel in haar voorhoofd en Mayke zegt: ‘Het is natuurlijk niet jouw schuld, Nynke, maar ik snap dat je je zo voelt. Maar goed, als Greetje Tjeerd echt leuk vindt, dan zal ze zich toch wel bedenken? Net zo goed als dat Daan wel wat van zich zal laten horen?’
‘Ik weet het niet,’ zeg ik, ‘ik vind het allemaal steeds moeilijker te geloven. Dat het nog goed komt. Met mij en Daan ook, ik bedoel, we hadden net tegen elkaar gezegd dat, nou ja, weet je wel, dat we met elkaar wilden, dat het zeg maar aan was, en de volgende dag was hij weg. En nu is het twee dagen later, niks meer van hem gehoord... Ik kan bijna niet geloven dat het echt is gebeurd.’
Er rolt een traan uit mijn oog.
En nog een.
‘Och Nynk,’ zegt Wende troostend, en ze geeft me een servet. ‘Rustig maar; we gaan Nouts nummer vinden, en we komen er wel achter wat er aan de hand is. En wat Greetje betreft: Thé Boersma vindt het ook heel jammer dat ze weg is, en mevrouw Boersma al helemaal, want die is echt dol op haar kleindochter. Kunnen we haar niet teruglokken met een of ander verhaal dat we haar nodig hebben voor de organisatie van het benefietconcert? We komen straks natuurlijk handen en voeten tekort om alles geregeld te krijgen; het was al zo’n heisa om al die mensen die wilden helpen met het strand opruimen een beetje te coördineren met genoeg eilanders die wisten wat de bedoeling was. Zo’n groot dorp is het nou ook weer niet, en iedereen heeft natuurlijk wel al een baan.’
‘Hmmm,’ zegt Mandy nadenkend. ‘Ik hoef natuurlijk geen kitesurflessen te geven, in ieder geval tot na het concert, dus ik had gedacht dat ik het leeuwendeel van de organisatie wel op me zou kunnen nemen, maar nu je het zegt kan ik eigenlijk best een assistent gebruiken. Hebben we daar budget voor?’
Mayke grinnikt. ‘Budget? Hou toch op. Cammie heeft een of ander slimmigheidje uitgehaald met zijn aandelenportfolio, en volgens mij is hij nu eindelijk ook van de laatste bitcoins af – ik weet er het fijne niet van, dus hou me ten goede – maar in ieder geval staat er een bedrag op de rekening waar je steil van achterover kukelt. Zijn vader wil geloof ik dat hij het in die helikopterbusiness investeert waar ze samen mee bezig zijn, maar nu met die milieuramp heeft hij er nog eens goed over nagedacht waar hij zijn geld aan wil uitgeven. Hij heeft een speciale pot ingericht om van alles uit te kunnen voorschieten, omdat de burgemeester niks heeft geregeld. Als Cam niet oppast is het straks allemaal op, maar dan hebben we in ieder geval wel weer een schoon eiland. Ik hoop maar dat het benefietconcert wat oplevert, want dat zou wel zo eerlijk zijn naar Cam toe, hoewel hij het zelf helemaal niet erg lijkt te vinden, allemaal. Rare jongen is het toch.’ Ze glimlacht toegeeflijk; je ziet zo dat ze nog steeds smoorverliefd op hem is.
‘Goed,’ zegt Wende. ‘Ik ben eruit. Dit is wat we volgens mij moeten doen: we zoeken Nouts nummer op in de administratie, en bellen hem om te vragen wat er in godsnaam met Daan aan de hand is. En we vragen Greetje of ze assistent-organisator wil zijn voor het benefietconcert, wat we betalen uit Cams noodpotje. Met een beetje geluk verdient ze zichzelf dubbel en dwars terug. Als straks de jongens komen moeten we het toch even over wat praktische zaken hebben, wanneer die keet af is, wat we nou precies voor datum zullen nemen –’
‘Over twee weken, toch?’ valt Mandy haar in de rede.
‘Als die keet af is, en als we transport en beveiliging hebben kunnen regelen, nog los van de artiesten, want het is natuurlijk wel heel erg kort dag. Maar goed, alle beren op de weg ten spijt: ik weet één ding zeker.’
Het blijft even stil, Wende en Mayke kijken elkaar met twinkelende ogen aan, en dan precies tegelijk zeggen ze: ‘Ondine komt niet zingen,’ waarna ze het uitproesten alsof ze nog zestien zijn.
Mandy buigt zich een stukje mijn kant op en ondertitelt: ‘Dat was een meisje dat hier altijd kwam in de zomer. Ze wilde heel graag zangeres worden, maar ze kon er niks van, en ze was heel onaardig. Ik heb het hele verhaal van Martin gehoord; ik was hier toen nog niet, maar Ondine die niet komt zingen is intussen een soort running gag geworden. Iedere keer als we iets verzinnen komt Ondine die niet komt zingen weer voorbij.’
‘O, wacht, ik weet wie dat is!’ roep ik uit. ‘Die altijd zo veel make-up op had, zelfs als ze in haar bikini op het strand lag? Met dat hele steile haar? Een bloedmooi meisje, maar heel onaardig, en een verschrikkelijke sloerie? Jij werkte toch in de Boei, Mayke? Daar woonde ze volgens mij zo ongeveer. Ik wilde eigenlijk ook bij dat groepje horen, natuurlijk, maar ik was nog veel te jong.’
We lachen allemaal, en Mayke zegt: ‘Wees eigenlijk maar blij, Nynk, dat je er niet bij hoorde. Zo’n feest was het volgens mij uiteindelijk allemaal niet.’
‘Nou, hoe dan ook, Ondine komt dus niet,’ zegt Wende, nog nagrinnikend, en tegen mij: ‘En gelukkig lijk jij werkelijk helemaal in niets op Ondine. Je bent een stuk mooier, zelfs met je haar afgeknipt en die dikke bril op je neus, en je zingt duizend keer beter.’
* * *
Later op de dag, als ik ijsjes sta te scheppen en milkshakes sta te mixen in Beppes Keuken, speel ik de hele ochtend nog een keer af in mijn hoofd. Ik heb nog niets tegen Tjeerd gezegd, op uitdrukkelijk verzoek van Wende, maar ik heb haar wel het nummer van Greetje gegeven. Ik krijg een appje als het gelukt is om Greetje te strikken als assistent voor het benefietconcert, en ik krijg ook een berichtje als ze Nout aan de lijn hebben gehad. Ik moet me dan op mijn beurt bij Wende melden als ik Daan heb gesproken.
Ik heb het nog drie keer geprobeerd, maar zijn mobiel staat nog steeds uit. En vanuit de Vis heb ik ook nog niets gehoord.
Tjeerd zegt niet zo veel, die staat met zijn kop op storm patatten te bakken, maar ergens heb ik het gevoel dat het voor hem nog wel goed zou kunnen komen. Als Greetje nou maar eerst weer op het eiland is, dan hoeven we alleen maar te zorgen dat ze elkaar tegen het lijf lopen, liefst ergens waar het rustig is.
Voor mezelf... ik geloof er steeds minder in. Met ieder belletje naar Daans nummer dat op niets uitloopt neemt mijn geloof in de goede afloop af. Ik kan me nauwelijks nog voorstellen dat het echt was, hij en ik, die innigheid, die verbondenheid. Dat we tegen elkaar zeiden dat we elkaar wilden, en nodig hadden. Dat hij met mijn vader ging praten. Mijn eerste keer. Dat was toch allemaal een droom?
De deur gaat open en Tjerk komt binnen. Buiten ziet het ineens groen van de grote, brede mannen: er staat een halve legereenheid op de stoep. Letterlijk.
‘Ik heb hier vijftien hongerige klanten waar een vette hap in moet,’ zegt Tjerk tegen mijn broer, ‘wat kan je op korte termijn voor ons doen? De factuur kan naar de Vis, naar Cams onkostenpotje. Ik heb die jongens geregeld, een belletje naar mijn oude commando-eenheid. Als ik nog een keer bel staan er meteen nog vijftig, maar ik dacht, eerst eens kijken hoe dit gaat. Ze hebben een hoop werk verzet en morgen komt er groot materieel: een zandzuiger die op de kazerne speciaal is verbouwd om die plastic bolletjes eruit te kunnen zeven. Maar voordat het zover is hebben we nog wel wat metertjes strand te gaan, dus eerst moet er bikkesement in.’ Hij grijnst; volgens mij heeft Tjerk het enorm naar zijn zin. Hij klinkt in ieder geval meteen heel legerachtig.
Tjeerd knikt woordeloos, vult snel alle manden met patat en laat ze in het borrelende vet zakken.
‘Zegt ook niks, hè,’ zegt Tjerk, met een knipoog en een knik richting mijn broer.
‘Hij heeft veel aan zijn hoofd,’ zeg ik maar gauw. ‘Lusten ze anders vast een softijsje, die jongens? Dat gaat lekker snel.’
Tjerk knikt en ik begin te tappen, en even later verdwijnt er een blad vol ijsjes de deur uit.
Als Tjerk er vijf minuten later weer staat, nu vergezeld van een hele lange, hele dunne militair met een extreem hongerige blik in zijn ogen, zeg ik: ‘Tjerk, kan je ook niet iets regelen voor het benefietconcert, als je zo makkelijk zo’n grote ploeg soldaten kan laten komen? We hadden het er vanochtend over en Wende maakt zich geloof ik meer zorgen over beveiliging en transport, voor alle bezoekers, dan over een goed programma met artiesten.’
‘Komt er een concert?’ vraagt de dunne militair. ‘Wat een goed idee. Ik zit bij het tamboerkorps van de genie; als we nou mogen komen spelen, kunnen we vast ook wel iets regelen met beveiliging, en boten hebben we ook nog wel ergens liggen.’
Tjerk begint te grinniken. ‘Pas maar op; straks staan ze nog echt met z’n allen hier.’
‘We houden van de Wadden,’ zegt de militair met een vriendelijke grijns, ‘we komen hier altijd graag. En dit is een mooie klus; de vrijwilligers vliegen je om de oren, let maar op.’
Ik moet ook glimlachen, maar tegelijk voel ik een steek in mijn hart. Ging alles in het leven maar zo makkelijk.