Hoofdstuk 26 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Minstens één keer per uur probeer ik Daans nummer, maar zonder resultaat. Het wordt een soort mechanische handeling; ik verwacht intussen ook niet eens meer resultaat, geloof ik. Ik doe het gewoon, omdat ik het heb afgesproken met Wende en Mandy.
Voor het eten bel ik nog een keer, en na het eten ook. Of, nou ja, eten is een groot woord; Tjeerd en ik schuiven ieder al werkend een patatje naar binnen. Daarna valt het ineens zo stil met de klanten dat Tjeerd om half acht vindt dat we de zaak wel kunnen sluiten.
We ruimen op en fietsen naar huis.
‘Mandy en Wende willen Greetje vragen om te komen helpen met de organisatie van het benefietconcert,’ zeg ik tegen hem, als we onze fietsen in de schuur zetten. Ik heb eerder niet de kans gehad om hem dat te vertellen.
Hij stopt even in zijn bewegingen. ‘Denk je dat ze daar dan wel op ingaat, als ze voor mij niet terug wil komen?’ De treurigheid in zijn stem doet bijna pijn, zozeer dat ik wou dat ik niets had gezegd.
‘Ik weet het niet, Tjeerd, ik weet het echt niet, maar in ieder geval is het een leuke klus, en het lijkt alsof het uit een heel andere hoek komt. Als ze dan eenmaal weer hier is, en jullie zien elkaar weer...’
Tjeerd haalt zijn schouders op. ‘Dan zien we elkaar weer. En dan niks, zal je zien.’
‘Weet je niet. In ieder geval neemt ze haar mobiel nog gewoon op.’ Ik probeer iets bemoedigends te zeggen, maar hoor dat ik al net zo hol en ellendig klink als hij.
‘Ha, kinderen, daar zijn jullie,’ zegt mijn moeder als we binnenkomen. Alsof we nog op school zitten. ‘Ik heb koffie, kom gauw zitten, want de herhaling van Boulevard begint bijna.’
‘Je vrijer zit erin,’ zegt mijn vader met twinkelende ogen. ‘Zo te zien is zijn afleidingsmanoeuvre gelukt.’
Ik heb niet aan mijn ouders verteld dat ik niets meer van Daan heb gehoord, de afgelopen twee dagen; ik zou eigenlijk niet weten hoe ik het moest zeggen. Wat ik zou moeten zeggen. ‘Het leek allemaal zo mooi maar er was niets van waar’, of misschien meer: ‘Ik ben voor het eerst van mijn leven met iemand naar bed geweest, die me vertelde dat hij helemaal gek van me was, maar het was allemaal een leugen: hoe kon ik zo stom zijn’?
Want dat is de kant die mijn gedachten intussen uit gaan: zou Daan me gewoon om de tuin hebben geleid? Belazerd, besodemieterd, een loopje met me hebben genomen? Zichzelf een lolletje hebben beloofd? Ik dacht wel dat ik hem kende, liefde op het eerste gezicht en alles, maar ik ken hem natuurlijk niet écht. Misschien is hij wel een briljant acteur. Vond hij het leuk om zo’n meisje van het eiland helemaal gek te maken, en zit hij nu in Amsterdam te grinniken om hoe naïef ik was. Mijn hart wordt kouder en kouder, maar dan stop ik ineens met denken als het item in beeld komt waar Daan in zit. Het is niet te missen: een grote foto van hem, een of andere vrouw en nog een vent die ik niet ken. Beide mannen hebben een arm om de vrouw heen. Zij kijkt vrolijk, die andere vent grinnikt, maar Daan ziet er heel gek uit. Zijn ogen staan raar, hij is vuurrood; zijn hele gezicht is een soort grimas.
‘Zo, die was ver heen,’ zegt mijn broer ernstig. ‘Ik weet niet wat hij gisteren allemaal heeft gedronken, of geslikt of wat dan ook, maar hij zal vanochtend wel koppijn hebben gehad.’
De presentator meldt dat de foto is genomen op het verjaardagsfeestje van dj Duckface, de hipste vrouwelijke hardstyle-dj van het moment, en grapt smeuïg dat Daan blijkbaar de mooie dames van de Wadden al lang weer is vergeten en weer helemaal op het spoor zit waarvan iedereen hem kent.
Ik bestudeer de foto zo goed ik kan. Daan ziet er vreselijk uit, maar die vrouw, die dj Duckface, juist niet. Ze ziet er vrolijk uit; ze lacht en heeft een aardig gezicht, niet belachelijk mooi, maar ook niet lelijk. Gewoon aardig, met juist helemaal geen duckface. Gelukkig maar. Die andere jongen ziet er ook best oké uit.
Mijn ouders maken allerlei ongetwijfeld goed bedoelde opmerkingen over even uit de band springen en je bent maar één keer jong, maar ik weet niet wat ik ervan moet denken. Ik hoor Daans stem nog in mijn oor, dat ik niet moet luisteren naar wat ze allemaal over hem hebben gezegd en vast nog gaan zeggen, dat ik het allemaal niet moet geloven. Maar dat wordt moeilijker en moeilijker.
Mijn mobiel gaat over.
Ik kijk snel: het is Wende.
Gelukkig, dan heb ik een excuus om even de kamer uit te rennen, want ik hou het zowat niet meer, en tegelijk begint ook mijn hart te bonzen in mijn borstkas. Zou ze iets hebben gehoord?
‘Hoi, met Nynke,’ neem ik haastig op, in de hal, terwijl ik de deur naar de woonkamer dichtduw.
‘Ja, hoi, Wende hier, ik neem aan dat jij ook niks meer van Daan hebt gehoord?’
‘Nee, anders had ik je wel gebeld,’ zeg ik, mijn stem een vlakke veeg geluid in mijn eigen oren.
‘Nou, we hebben dus het nummer van Nout gevonden. We hadden vanmiddag bij hem ingesproken, maar pas net een klein uurtje geleden belde hij me terug. Hij zit in Parijs; hij had zijn mobiel in zijn hotel laten liggen, daarom duurde het even. Hij zei dat hij wel even rond zou gaan bellen, dus we hingen weer op, en een kwartier geleden belde hij opnieuw. Had hij eerst Daan gebeld, maar hij kreeg dus ook geen gehoor, en toen is hij naar al zijn andere vrienden gaan bellen, om te kijken of die wisten waar hij zat. En nou blijkt dat hij bij de drummer van hun oude band logeert, en dat hij dus vreselijk in de weer is geweest met de politie en –’
Wende stopt even als ze mijn scherpe inademing hoort.
‘Nee, rustig, Nynk, er is niks ernstigs gebeurd. Wel iets ontzettend vervelends, met name voor hem: in de trein naar Amsterdam is zijn tas gestolen. Met zijn laptop erin, en zijn mobiel, en zijn portemonnee. En hij was bezig om aangifte te doen, en bij de verzekering op te geven wat er allemaal kwijt was, en hij moest zijn pasjes blokkeren en de hele boel opnieuw aanvragen bij de bank, je kent het wel, en dan kom je erachter wat er allemaal wel niet in je portemonnee zit: je zorgverzekeringspasje, je rijbewijs, je ID-kaart, je OV-kaart, je bibliotheekpas, je creditcard, en al die kaartjes die je tegenwoordig bij supermarkten en zo moet hebben om korting te krijgen; dat is natuurlijk een ongelooflijke berg gedoe om dat allemaal te regelen. Nout zei dat Daan intussen bloedchagrijnig is, en hij kan geen kant op. Hij heeft geen telefoon, hij heeft zijn nummers niet meer omdat zijn laptop ook weg is, hij heeft geen geld om nieuwe te kopen totdat hij weer nieuwe bankpasjes heeft...’
Ik adem uit met zo’n tot in mijn tenen doorvoelde zucht dat ik ineens op de onderste trede van de trap zit, mijn benen recht voor me uitgestrekt. Ik ben letterlijk duizelig van opluchting. Dus dát was het! Arme Daan, wat een doffe ellende voor hem!
‘Ik heb Nout jouw nummer gegeven, ik hoop niet dat je dat erg vindt?’
‘Nee, nee, natuurlijk vind ik dat niet erg,’ zeg ik haastig en bibberig.
‘Dan kan hij dat aan Daan doorgeven, en dan kan Daan je even een belletje geven met de telefoon van die vriend van hem waar hij nu zit.’
‘Als hij daar zin in heeft, tenminste,’ zeg ik, ineens toch nog een klein beetje onzeker, maar dan begint mijn mobiel te schudden in mijn hand en zie ik na een snelle blik op het scherm dat ik nog een beller heb. Onbekend nummer.
‘Wende, ik word door iemand gebeld.’
‘Nou, daar zal je hem hebben, dan hang ik op. O, en zeg maar tegen je broer dat Greetje komt, hoor. We hebben wel op haar in moeten praten, maar morgen pakt ze de boot.’ En dan is Wende weg en belt mijn mobiel opnieuw. Ik weet niet hoe snel ik op moet nemen.
‘–verdegodver, zal je zien dat het niet –’
‘Daan?’ zeg ik ademloos.
‘Nynk?’ Hij houdt meteen op met vloeken en we zijn allebei even stil aan de lijn, te blij dat we elkaar te pakken hebben om ook maar iets te doen behalve luisteren naar elkaars ademhaling.
‘Wende belde me vlak voordat jij belde, en ze zei dat al je spullen gejat zijn,’ zeg ik na een tijdje.
‘Godver, ja, en je nummer op mijn hand was tegen de tijd dat ik thuis was echt volkomen onleesbaar, en je wilt niet weten wat voor gezeik ik heb gehad op Amsterdam Centraal toen ik eruit moest en ik niet kon uitchecken, want mijn OV-kaart zat natuurlijk ook in mijn portemonnee, en toen moest ik dat uitleggen, maar ik was nou niet echt op mijn allerkalmst, dat snap je, en ik kon niemand bellen om te vragen of ik daar kon maffen, en ik had geen geld meer, dus ik ben gaan lopen naar Lee’s huis, en dat was mooi meer dan een uur lopen, hè, vanaf het station. Hij woont ergens in Oud-West, ik dacht dat het wel mee zou vallen maar het duurde echt een eeuwigheid voordat ik er was. Met die gitaar en die viool op mijn nek. Je wilt niet weten hoe blij ik was dat hij gewoon thuis was, dat hij de deur opendeed!’
‘O, Daan!’ is het enige wat ik kan zeggen.
‘Nynk, jezus, ik had nooit weg moeten gaan, dan waren ze maar gekomen met hun camera’s, dan hadden we wel wat verzonnen; ik kan er zelfs niet van slapen!’
‘Je zag er wel nogal weird uit op die foto bij Boulevard...’ zeg ik voorzichtig.
‘Ja, vind je het gek,’ zegt hij hartgrondig, ‘al mijn zooi kwijt, geen oog dichtgedaan, ik kon je niet bereiken; Lee en Naomi, dat is dus zijn vriendin, zeg maar dj Duckface, die namen me mee naar haar feestje in Bitterzoet, ze dachten dat het me misschien een beetje zou afleiden of zo, maar ik zat daar met een kwaaie kop, stijf van de stress, ik nam twee bier en ik was meteen van het padje. Toen kwam die fotograaf, ik wilde het liefst zijn kop eraf trekken, ik zag al precies voor me wat voor item ze ervan zouden maken. En ja hoor.’
‘Ik ben zo blij om je stem te horen,’ zeg ik maar gauw, ‘en zo blij dat alles goed is. Met jou, en ook met, eh, nou ja, ons. Ik haalde me natuurlijk van alles in mijn hoofd.’
‘Ja, daar was ik nou juist zo bang voor,’ bromt hij, ‘dat je je dingen in je hoofd zou halen, en dat ik niks tegen je kon zeggen om je gerust te stellen.’
‘Maar nu kunnen we toch bellen? Wiens nummer is dit?’
‘Lee’s mobiel. Ik zit hier nog wel even; als het aan mij lag sprong ik straks in een of andere nachttrein naar het noorden, en zat ik morgenochtend op de eerste boot naar je toe. Maar ik moet verdomme wachten tot ik van de politie heb gehoord, en de verzekering, en totdat ik nieuwe bankpasjes heb, en dit en dat en zus en zo, ik word er helemaal niet goed van.’
‘Ik kan wel wachten, hoor,’ zeg ik zachtjes. ‘Ik ga nergens heen. Als ik maar weet dat alles goed met je is. En dat het echt is, ik bedoel, jij en ik, en alles. Dat ik het me niet heb ingebeeld.’
‘Nee. Je hebt het je niet ingebeeld. O, verdomme, ik zou wel door de telefoon willen kruipen, zo graag wil ik naar je toe!’
Ik moet lachen van het beeld van Daans lange lijf dat hier uit het microfoontje van mijn mobiel kruipt. Als een geest uit een lamp. ‘Ja, dat zou leuk zijn, hè, als dat kon,’ zeg ik grinnikend, ‘maar Daan, we bellen gewoon tien keer per dag, en je komt zodra je kan, goed? En anders kom ik wel naar jou toe, zodra mijn broer iets voor Beppes Keuken heeft geregeld.’
‘O, heeft hij die twee eruit gegooid? Good for him,’ zegt Daan tevreden. ‘Ik dacht even dat hij het niet in zich had. En nu help jij hem; nou, ik vind het goed van je, hoor. Je bent ook een lieverd. Blijf maar lekker daar, help je broer, en ik kom gewoon zodra ik kan naar je toe.’
‘O, en je moet Mandy helpen met het benefietconcert!’
‘Ja, ik heb het al van Nout gehoord. Hij is onderweg naar huis; we gaan wel even een rondje bellen. We hebben de laatste tijd met allerlei verschillende mensen op podia gestaan, op festivals, maar ook bij een of andere televisieshow voor een goed doel; volgens mij heb ik van de meeste mensen wel de contactgegevens bewaard. Je weet nooit waar het goed voor is, hè?’
‘O, dat vind ik dan ook echt weer iets voor jou, om zo vooruit te denken en alles,’ zeg ik, alweer grinnikend. ‘Je bent belachelijk goed georganiseerd, jij. Je bent nog erger dan mijn broer. O, trouwens, Greetje was toch het eiland af gevlucht, vanwege die meiden? Heeft Mandy haar gevraagd om te komen helpen met het organiseren van die benefiet, op voorwaarde dat ze dan wel terugkomt. En dat gaat ze doen ook, gelukkig; Wende zei het net. Ik zal het zo dadelijk even tegen mijn broer zeggen, al geloof ik dat hij er niet veel vertrouwen meer in heeft.’
‘Komt ook wel goed,’ zegt Daan vol zelfvertrouwen. ‘Als die elkaar maar een klein beetje net zo leuk vinden als jij en ik elkaar leuk vinden, dan komt het helemaal goed. O, en Nynk? Wat moet ik nou, als er geen plek meer is bij de Vis? Want die willen natuurlijk die huisjes allemaal verhuren met dat benefietconcert en alles.’
‘Daan. Doe normaal. Dan kom je toch bij mij?’
‘Bij jou?’
‘Ja, natuurlijk, we zijn toch samen?’
Ik hoor een tevreden zucht aan de andere kant van de lijn.
‘Samen,’ zegt hij, en het klinkt als de vervulling van al zijn dromen.
* * *
Het duurt al met al nog twee dagen. Twee dagen van een heleboel whatsappjes, zo veel mogelijk verstolen belletjes, een heleboel gezucht aan de telefoon en een steeds hoger opgeschroefd Gevoel met een hoofdletter G. Die arme vriend van Daan is zowat permanent zijn mobiel kwijt, en ik denk dat die mobiel nog nooit van zijn leven zo veel onverdund verlangen heeft moeten doorgeven.
Want mijn hemel, wat verlang ik naar Daan. Ik wist niet eens dat een mens dat kón, zo ontzettend hard verlangen. Het is niet leuk meer; ik ben continu helemaal slap, alleen al als ik aan hem denk. Aan iets anders kán ik bijna niet eens denken; het is nog een wonder dat het me lukt om de bestellingen in Beppes Keuken een beetje netjes af te ronden zonder het ijs in de frituur te gooien en de bevroren frietjes in een ijsbakje te steken. Ik kan vrijwel nergens mijn aandacht langer dan twee seconden bij houden.
Mijn broer wordt ook helemaal gek van me, zo gek dat hij op het moment dat de boot aan komt varen waar Daan op zit, de tent dichtgooit en met me meefietst naar de veerhaven. Wat ik superlief van hem vind, want ik ben natuurlijk doodzenuwachtig.
Tot mijn stomme verbazing staan Wende, Axel, Vincent, Milena, Cam en Martin er ook. Allemaal in Vincents bus gepropt, en zo naar de veerhaven gereden.
‘Wat komen jullie doen? Is er nog wel iemand in de Vis, als jullie hier allemaal staan?’
‘Hm,’ zegt Axel, met een goedmoedige grinnik, wat Wende ondertitelt met: ‘Mandy en Mayke zijn er nog, en het is best rustig nu, dus we dachten: het kan wel even. We komen Daan natuurlijk verwelkomen, wat dacht je? We vinden het zo rot voor hem dat hij al zijn spullen kwijt was, en je hebt zo in de rats gezeten om hem, en, nou ja, hij is ons echt ontzettend goed aan het helpen met het boeken van artiesten en dergelijke, we dachten dat het wel leuk was om even naar de boot te komen.’
Mijn glimlach valt bijna van mijn gezicht af, zo breed is hij. Wat een schatten zijn het. Mijn hart zit natuurlijk in mijn keel, ik kan bijna niet stil blijven staan nu ik weet dat het écht niet lang meer gaat duren, dat ik Daan straks eindelijk écht weer zal zien, en als ik met mijn ogen die godvergeten slome, door de vaargeul kruipende veerboot dichterbij kon trekken, dan zou ik het doen. Dat bijna de hele Visploeg hier zo staat is zo ontzettend fijn, het doet me zo goed, dat ik plotseling de tranen voel branden.
Wende slaat een arm om me heen. ‘Wat is er, Nynk, vind je het zo spannend?’
Ik knik, en snuf een beetje. ‘En ook zo fijn dat jullie hier allemaal zijn,’ mompel ik waterig.
‘Ik dacht al dat je op de fiets zou komen,’ zegt Vincent met zijn beste smart ass-grijns. ‘En hoe denk je je vrijer dan mee naar huis te nemen?’
‘Achterop,’ zeg ik snel, ‘of hij moet even de bus pakken.’
‘Dat kan toch helemaal niet, achterop, met zijn tas en zijn gitaar en zijn viool? Ik hoor het al, logistiek is niet jouw forte, Nynk. Luister, we stoppen hem in Louise, hij kan er nog makkelijk bij, en dan kunnen we hem zo meenemen naar de Vis, en dan kan hij weer in zijn huisje, zodat –’
Hij zal mijn verschrikte blik wel zien, want hij stopt meteen met praten.
‘Ik ging er eigenlijk van uit dat hij bij ons...’ mompel ik, ineens een beetje beschaamd. Zouden ze nu iets raars van me denken, iets wat ze misschien vroeger van me dachten, omdat ik wil dat Daan bij ons logeert? Bij mij? In mijn kamer? In, nou ja, in mijn bed, natuurlijk. Bij de gedachte alleen al aan mijn bed plus Daan word ik meteen weer zo warm en slap dat ik bijna niet kan blijven staan; ik kan alleen maar hopen dat het me niet is aan te zien.
Milena geeft Vincent een nogal meisjesachtige boks op zijn schouder, waar hij zo te zien niet al te veel hinder van ondervindt. ‘Vin, doe niet zo vervelend, natuurlijk gaat die jongen bij haar,’ zegt ze streng tegen hem, en hij grijnst toegeeflijk.
‘Nou ja, ik dacht dat Menno Olivier daar wel moeilijk over zou doen, aangezien hij in de partij ook zo dwars kan li–’
Nog een stomp op zijn arm, en hij houdt weer zijn mond, kijkt berouwvol vanonder zijn wenkbrauwen eerst naar zijn vriendin en dan naar mij, en grinnikt ontwapenend.
‘Mijn vader vindt het oké, of eigenlijk heeft mijn moeder gezegd dat het goed is, en nou kan hij er niet meer onderuit. Maar hij mag Daan ook graag, hoor.’
‘Aha, dus dát is de truc,’ roept Vincent uit, ‘ik moet het via je moeder spelen! Goed om te weten, goed om te weten...’
Iedereen lacht, duwt elkaar een beetje, plaagt elkaar. Ik voel me, samen met mijn broer, op een heerlijke, natuurlijke manier deel uitmaken van deze groep mensen tegen wie ik nog maar een paar jaar geleden met een ongezond soort jaloezie opkeek. Alles is anders. Ongelooflijk eigenlijk.
Ongemerkt is de boot naderbij gekomen en begonnen aan zijn aanlegmanoeuvre.
‘Jongelui,’ klinkt het als groet van achter aan de groep, en tot mijn verrassing komen Rietje van de VVV en Tjerk samen aanlopen.
‘Komen jullie ook voor Daan?’ vraag ik ongelovig.
Tjerk grijnst en Ria knikt en begint, nu ze er toch is, links en rechts vragen af te vuren. Hoe gaat het met het concert? Hebben ze een beetje goeie bezetting van de huisjes? Vergadert Ons Sociaal Belang nog steeds stiekem bij de Vis? Of is het intussen de hele raad?
‘Mens, dat hoor jij helemaal niet te weten,’ bromt Tjerk, maar Rie haalt haar schouders op en vraagt onbeschaamd verder. Of Greetje nog terugkomt; ze zou toch komen helpen met het concert?
‘Over een paar dagen komt ze naar het eiland,’ zegt Wende goedmoedig. ‘Ze is al van alles voor ons aan het doen op social media, maar dat kan ze natuurlijk gewoon vanuit haar huis in Groningen doen.’
Ik gluur even verstolen naar mijn broer en zie zijn oren bijna groeien om maar niets van dat nieuws te missen. Ik heb hem natuurlijk wel verteld van Wendes en Mandy’s plannetje, en dat Greetje heeft ingestemd, maar aan de andere kant heeft Tjeerd haar zeker nog twee keer gebeld de afgelopen dagen, en beide keren heeft ze niet opgenomen. En zij heeft niet zo’n goeie reden als Daan bleek te hebben. Ik ben een beetje bang dat mijn broer de moed al bijna heeft opgegeven.
‘Komt wel goed, meid,’ hoor ik ineens in mijn oor. Tjerk is onmerkbaar om me heen gelopen – die man kan echt sluipen als een professional. ‘Maak jij je nou maar geen zorgen over je broer.’ Gedachtelezen kan hij blijkbaar ook.
Ik ga even op mijn tenen staan om over de hoofden heen te kijken naar hoe ver de boot is met aanleggen.
Tjerk kijkt op zijn horloge, zo’n ingewikkeld duikding met heel veel extra metertjes. ‘Nog vijf minuutjes,’ zegt hij zelfverzekerd, ‘dan staat je vrijer weer voor je neus.’
‘Waarom ben je eigenlijk helemaal hiernaartoe gekomen?’ vraag ik zachtjes. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat Tjerk die moeite zou nemen, en wat kent hij Daan nou? Of mij?
‘Rietje was zo nieuwsgierig, ze wilde naar de haven komen lopen. Ze kan eigenlijk niet meer fietsen, ze is gewoon te dik. Zo’n eind lopen kan ze natuurlijk ook niet, dan zakt ze halverwege door haar hoeven. Ik dacht: ik geef haar wel even een lift,’ bromt hij zachtjes.
Ik kijk even opzij en grijns, en zie plotseling dat Tjerk, stoere, stugge Tjerk, voor wie ik altijd een beetje bang ben geweest, eigenlijk best wel een klein hartje heeft.
‘Wat lief van je,’ zeg ik zachtjes. Ik wil natuurlijk niet dat anderen dat horen, want dat is niet best voor zijn stoerheid.
‘Rie en ik hebben bij elkaar in de klas gezeten op de lagere school,’ mompelt hij, ‘het is toch een kleine moei– o kijk. Daar komt hij, hoor.’
Ik zie een lange jongen uit de boot komen, met een gitaar op zijn rug, een grote sporttas over zijn schouder en een vioolkist in zijn hand. Dat is hem.
Dat is hem!
Hij ziet er even vreemd voor me uit, maar toch ook weer niet, en ik zie opnieuw, nu hij met lange passen dichterbij komt, hoe ongelooflijk mooi hij eigenlijk is. Niet knap (of, ja, eigenlijk ook knap) maar mooi. Alles aan hem is mooi. Zoals een zonsopgang mooi is, of de weerspiegeling van een wolk op het kalme water. Zoals een storm mooi kan zijn, of een regenboog. Als een natuurverschijnsel, zo is hij mooi, en ineens kan ik niet blijven staan en ren ik op hem af, en hij rent op mij af, tot we vlak bij elkaar zijn, boink, zo tegen elkaar aangerend, midden tussen de mensen staan we, tegen elkaar aan geplakt, te verbijsterd om maar iets te doen behalve naar elkaar kijken.
‘Wow,’ zegt hij zachtjes. ‘Wow, je bent gewoon echt. Ik dacht af en toe dat het allemaal maar een droom was geweest. Ook al hingen we de hele tijd aan de telefoon en alles, ik dacht soms toch: nee, dit kan gewoon niet waar zijn...’
‘Had ik ook,’ zeg ik ademloos, volgestroomd met een onbenoembaar groot en veelomvattend gevoel. Het zal wel geluk zijn, en liefde, denk ik, als ik een piepklein stapje achteruit doe zodat hij zijn tas neer kan zetten, zijn viool erop kan leggen en zijn armen om me heen kan slaan.
En dan zoent hij me, met zijn gitaar nog op zijn rug, terwijl de mensen die van de boot komen lachend langs ons heen stromen.
* * *
Even later, of misschien is het een half uur later, ik weet ook niet hoe dat zit met tijd als Daan bij me in de buurt is, zitten we met z’n allen in Louise gepropt. Tjeerd en ik hebben onze fietsen achter in Tjerks terreinwagen gegooid – hij heeft ook zo’n ding met vierwielaandrijving, een stuk moderner dan die middeleeuwse Land Rover van Axel, en ook niet zo achterlijk groot, maar wel groot genoeg voor twee fietsen. Tjerk gaat eerst Ria naar huis brengen en komt dan nog even bij mijn ouders langs met de fietsen. Ria was het liefst mee de bus in gegaan, maar dat had echt niet gepast. Het is nu al krap genoeg – ik zit bij Daan op schoot gevouwen op de voorstoel naast Vincent, die natuurlijk rijdt. Achter ons horen we een hoop gepruttel en gelach, en hoewel het me bijna niet lukt om te stoppen met diep in Daans ogen staren, gluur ik toch maar even over zijn schouder. Wende, Milena, Tjeerd, Cam en Martin hebben zich naast elkaar op de achterbank weten te proppen, en Axel ligt overdwars over iedereen heen. Hij is het breedst, dus hij moet liggen, maar hij is ook te lang, dus uiteindelijk rijdt Vincent met de schuifdeur open en Axels voeten naar buiten stekend voorzichtig weg.
‘Mart, hou die deur tegen!’ gilt Wende. ‘Als hij dicht glijdt heb ik straks een man zonder voeten!’
‘Welnee,’ bromt Axel, ‘blauwe plekken, verder niks.’
‘Komt goed!’ roept Martin, en: ‘Hou die grote effe vast!’ brult Vincent als hij de bocht maakt.
‘Hooooo!’ klinkt het in oplopende sterkte uit zes kelen van de achterbank, als bij een wave in een voetbalstadion, en ik verstop hikkend van de lach mijn hoofd in Daans nek. Ik voel aan hem dat hij ook moet lachen, al is dat onhoorbaar in een bus vol vrolijk lawaai.
* * *
Nog even later staan we bij mijn ouders voor de deur. Daan en ik zijn betrekkelijk snel uitgeladen, maar voordat de rest zich naar buiten heeft gelepeld zijn mijn ouders al op de stoep verschenen. Mijn vader geeft Daan een stevige hand en een klap op zijn schouder en mijn moeder slaat haar armen om hem heen en knuffelt hem, zoals ze bij Tjeerd en mij ook zou doen. Ik zie aan Daan dat zo’n ontvangst hem diep raakt, al doet hij zijn best om het niet te veel te laten merken. Arme Daan, hij weet niet wat hem overkomt, opgegroeid zonder moeder, altijd voor zichzelf gezorgd, en nu krijgt hij niet alleen mij, maar ook mijn ouders er meteen gratis bij. En blijkbaar de hele Visploeg ook, want iedereen gaat mee naar binnen, en aan de achterkant weer naar buiten, en voordat ik twee keer met mijn ogen heb kunnen knipperen staat de tuin vol lachende mensen met een drankje in hun hand.
Mijn moeder heeft binnen vijf minuten een grote schaal met warme miniworstenbroodjes geregeld, van die dingen die ze altijd op voorraad heeft liggen omdat iedereen die altijd lekker vindt, en ze wordt met gejuich onthaald.
‘Je kunt wel zien waar Tjeerd zijn snackgenen vandaan heeft,’ zegt Vincent brutaal, en dan komt ook Tjerk de hoek om gewandeld. Hij duikt ogenblikkelijk in iets wat eruitziet als een eilandpolitiekgesprek met mijn vader en Vincent, krijgt een biertje en een worstenbroodje en ziet er totaal niet bedreigend uit.
‘Vroeger was ik een beetje bang van hem,’ zeg ik zachtjes tegen Daan, met een hoofdknik naar Tjerk. We hebben ons een klein stukje afgezonderd van de groep en staan half verscholen achter een van mijn vaders wilde rozenstruiken, zodat we lekker tegen elkaar aan kunnen hangen en elkaar af en toe stiekem een beetje kunnen zoenen zonder voor klefbekken te worden uitgemaakt.
‘Tjerk?’ bromt Daan. ‘Straffe gast, echt zo’n ex-militair, maar volgens mij niks mis mee.’
‘Nee, er is ook niets mis met hem, hij is eigenlijk juist wel... nou ja, lief, denk ik. Vanbinnen.’
Daan grinnikt en trekt me nog iets dichterbij. ‘Jíj bent lief,’ zegt hij zachtjes in mijn oor.
‘Nee, jíj bent lief.’
‘Nee, jij.’
‘Nee, jij,’ zeg ik, giechelig en slap in de knietjes van die heerlijke warme hand op mijn onderrug, die zachtjes rondjes draait.
‘Kunnen we niet gewoon wegsneaken en naar je kamer gaan?’ Daan trekt een wenkbrauw op.
Nee, natuurlijk kan dat niet. Wat zal iedereen wel niet van ons denken, ik zou me doodschamen, jeetje nee zeg, en ik begin al mijn hoofd te schudden.
Maar dan hoor ik een stemmetje fluisteren dat ik lang niet heb gehoord. Het is het opstandige stemmetje uit mijn puberteit, het stemmetje dat me heeft aangezet tot al die domme dingen waarvoor ik heb geprobeerd me te verontschuldigen de afgelopen weken, het stemmetje dat door tante Rimi tot zwijgen is gebracht.
Ga dan, zegt het stemmetje dringend, doe dan. Je wilt het toch zo graag? Je bent een volwassen vrouw, wie maakt je wat?
En ineens begrijp ik dat dat stemmetje onderdeel is van mij, van mijzelf; dat het mij maakt wie ik ben. Ik zal altijd wel af en toe een risico willen nemen, of iets willen doen wat eigenlijk een beetje stout of opstandig is, maar ik ben intussen verstandig genoeg om ermee om te gaan. Ik zal het stemmetje misschien, als ik straks aan mijn opleiding ga beginnen, nog hard nodig hebben. En voor nu...
Ik pak Daans hand, kijk op in zijn ogen vol liefde en fluister ondeugend: ‘Kom mee, dan!’