Hoofdstuk 4 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Als ik uit de bus stap bij de haven krijg ik meteen een schok. Ik zie een van de jongens van Grote Vis met de havenmeester staan praten. Ik ken ze allebei, hoewel ze beiden geen eilander zijn: hij heet Vincent en de havenmeester heet Willem. Ik kruip snel in een hoekje in het havengebouw in de hoop dat ze me niet hebben gezien.
Ik ben sinds ik ben weggegaan niet meer terug geweest op het eiland. Niemand weet dat ik nu dit haar heb, en deze bril. En dat ik een ander soort kleren draag dan vroeger. Zouden ze me herkend hebben? Ik hoop het niet. Ze keken in ieder geval niet naar me. Maar aan de andere kant: ik zie er nou ook niet echt uit als een reguliere toerist, bedenk ik me als ik om me heen kijk in het havengebouwtje. Het is nog voorseizoen: allemaal mensen van boven de vijftig met hondjes, nordic walking-stokken en hele lelijke rolkoffers. Een paar van die macrobioten die willen vogelkijken of zoiets. En ik, met een Herschel-rugzak, in mijn zwarte spijkerbroek met gaten op de knieën, mijn Doc Martens met extra dikke zolen en mijn shirt met een of andere rare provocerende tekst erop. Kan me eigenlijk niet schelen wat erop staat, als ik er maar niet uitzie alsof ik liefjes ben. Alsof ik een meisje-meisje ben, want dat ben ik niet meer.
Wat ik dan wel ben weet ik ook nog niet precies. Een actrice, hoop ik, op termijn. Op dit moment voel ik me bijna een indringer, ik zou niets liever doen dan naar Vincent en Willem toe lopen en hoi zeggen, en ook even over het weer praten, zoals je doet als je eilander bent. Maar dat durf ik niet.
Ik krimp nog iets verder in elkaar; straks denken ze nog van me dat ik geen praatje kom maken omdat ik me er te goed voor voel, o jee, dat is toch wel het laatste wat ik wil.
Een snelle blik op mijn mobiel: geen antwoord van mijn ouders. Ik heb mijn moeder geappt dat ik zou komen; ze deed nooit moeilijk met eten als er ineens een paar mensen extra aanschoven, dus ik ga er maar van uit dat het niet erg is als ik, toch een beetje zomaar vanuit het niets, aan kom waaien. Eigenlijk moest ik opbellen van tante Rimi, maar eerlijk gezegd was mijn moed helemaal op nadat ik mevrouw Miedema had gebeld; ik durfde gewoon niet ook nog naar huis te bellen en te zeggen: ‘Hoi mam, ik kom langs om het goed te maken, zie je morgen,’ of zoiets.
Ik zeg geen mem en heit tegen mijn ouders, nooit gedaan ook. Ik vond dat altijd zo boers en plat. Mijn broer wel, en volgens mij alle andere kinderen ook, maar ik niet. Gek eigenlijk.
Het is ook niet zo dat ik mijn ouders helemaal niet meer heb gezien sinds ik vijftien was, al was de afspraak met tante Rimi dat ik in ieder geval de eerste tijd niet terug zou komen naar het eiland. Voor mijn verjaardag kwamen ze naar Leeuwarden, en als tante Rimi jarig was ook, en met kerst kwamen ze ook altijd. En soms kwamen ze gewoon even langs als ze toch op de vaste wal moesten zijn, want zo lang is het nou ook weer niet rijden vanaf de haven.
De eerste paar keer was het verschrikkelijk ongemakkelijk. Ik voelde me verraden door mijn eigen ouders, ik wilde ze eigenlijk niet zien of spreken, ik wilde gewoon dat ze weggingen. Als ze me dan zo nodig wilden dumpen bij de ergste tante die ik had, dan moesten ze verder ook maar oprotten. Echt van die bokkige pubergedachten. Dat was natuurlijk helemaal niet hoe ik me vanbinnen voelde: vanbinnen was ik verdrietig en een beetje bang, en ik miste mijn ouders en mijn broer, mijn slaapkamer, mijn huis. Ik had me dan wel altijd overal tegen afgezet en me gedragen als een onmogelijk kreng, ik miste alles toch maar mooi.
Tante Rimi was ongelooflijk streng, dus ik kwam er niet mee weg als ik nukkig in mijn kamer ging zitten, en naarmate de tijd vorderde kreeg ze steeds meer grip op me. Dat kon ook niet anders: avond aan avond hebben we zitten praten, heeft ze samen met mij mijn gedrag geanalyseerd, en steeds opnieuw, totdat ik er zo ongeveer ziek van werd, vroeg ze me: en wat vind je daar nu eigenlijk zelf van? Vind je dat goed, als je je zo gedraagt?
Vreselijk vond ik het. Of nee, dat is ook weer niet helemaal waar: ik vond het verschrikkelijk confronterend, maar tegelijk had het ook iets fijns om zo veel onverdeelde aandacht te krijgen. Waar mijn tante natuurlijk mee bezig was, dat zie ik nu pas, was het aanscherpen van mijn moreel kompas. Dat bij mij toen nog zo onderontwikkeld was.
Soms vraag ik me af of ze het niet iets te hard heeft aangescherpt: ik zou op dit moment willen dat ik nog net zo schaamteloos was als vroeger, want dan zou ik met opgeheven hoofd de veerboot op lopen, in plaats van met opgetrokken schouders. Ik probeer me zo klein mogelijk te maken bij het aan boord gaan en schuif binnen snel in een hoekje van een bank, in de hoop dat iedereen boven gaat zitten om van de zonneschijn, de waddenwind en de capriolen van de meeuwen te genieten. In de hoop dat er niet nog meer eilanders op deze vaart meegaan.
Als de boot eenmaal vaart krijg ik dorst; ik heb mevrouw Miedema’s voedselpakketje puur van de zenuwen al lang opgegeten, ondanks dat ik eigenlijk geen honger had. Ik trek toch de stoute schoenen maar aan en loop langs het buffetje om een flesje chocomel te kopen. En een gevulde koek; als ik ze zie liggen krijg ik ineens zo’n trek, zo’n nostalgisch gevoel, dat ik er al een heb gepakt voordat ik er goed over heb nagedacht.
‘Hé, Yvonne!’ zegt het meisje achter de kassa. Ze is denk ik iets jonger dan ik, maar veel zal het niet schelen. ‘Wat zie jij er anders uit, zeg! Ik dacht dat je in Leeuwarden woonde tegenwoordig.’
‘Huh, eh, hé,’ schutter ik. ‘Jij... bent toch de kleindochter van Thé Boersma?’
‘Ja, Greetje, heet ik,’ zegt ze blijmoedig. ‘Ik kwam altijd de hele zomervakantie bij mijn opa en opoe logeren, weet je nog, en dan gingen we met z’n allen naar het zwembad? We wonen in Groningen, maar als ik mocht kiezen, dan zou ik de hele tijd op het eiland zijn. Ik ben er zo graag! Ik heb dit als zomerbaantje, in het weekend; ik heb ein-de-lijk eindexamen gedaan, wat een traject was dat, maar nu kan ik lekker op het eiland logeren, opoe helpen met de aardbeienjam en de honing, hoewel ik die bijen wel een beetje eng vind,’ ratelt ze.
O ja, mevrouw Boersma heeft een bijenkorf en een tuin vol aardbeien, en ze maakt altijd eilandhoning en eilandjam, die toeristen dan in de supermarkt kunnen kopen, want meneer Ferwerda heeft een speciaal plankje voor haar ingericht. Wij kopen dat natuurlijk gewoon aan de deur – ik voel dat ik op mijn lip bijt. Wat nou ‘wij’.
‘O ja, nu weet ik het weer,’ zeg ik beleefdheidshalve tegen Greetje, terwijl ik in mijn portemonnee graaf en haar een tientje geef, hopend dat mijn gedachten niet van mijn gezicht af te lezen zijn.
‘Ik keek altijd zo tegen je op, je had zulk mooi haar,’ krijg ik terug met het wisselgeld. ‘Wel zonde, hoor, dat je het hebt afgeknipt. Jij was sowieso altijd heel knap, vond ik.’ Ze grijnst ontwapenend. ‘Nog steeds, trouwens, ook al zie je er nu wel anders uit. Stoerder.’
‘O... dank je wel,’ zeg ik, met een blik achter me. Er staat verder niemand in de rij, dus ik hoef me niet weg te haasten. Ik kan best nog even praten met Greetje, ik herinner me haar nu wel weer. Ik vond haar een meeloper, een kneus, een sukkel, toen, maar soms was ik nep-vriendelijk tegen haar, gewoon om daarna achter haar rug om haar te kunnen lachen. Ze ziet er een stuk beter uit nu ze geen beugel meer hoeft, en ze heeft leuke kleren aan, een beetje jarenvijftigstijl. Volgens mij is ze eigenlijk ontzettend aardig.
‘Jij bent ook niet verkeerd opgedroogd, hoor,’ zeg ik tegen haar, ‘en weet je: sorry als ik lullig tegen je heb gedaan, vroeger. Trouwens, eigenlijk heet ik Nynke, dat is mijn eerste naam, en Yvonne mijn tweede, maar ik wilde nooit Nynke heten omdat ik dat zo truttig vond, zo’n boerenmeidennaam, weet je wel?’
Greetje begint te grinniken. ‘Wat leuk dat je dat allemaal zegt! Ik was best een beetje bang van je, dat mag je wel weten; jij was echt zo leader of the pack. En ik vind Nynke veel mooier dan Yvonne.’
‘Ik eigenlijk ook,’ zeg ik, een beetje verlegen nu.
‘Zullen we... anders een keer wat drinken ’s avonds? Even bijpraten, of zo?’ Greetje vraagt het schoorvoetend. ‘Hoe lang blijf je?’
‘Ik denk alleen het weekend,’ zeg ik, ‘maar het lijkt me wel gezellig. Ik, eh, heb iets ernstigs te bespreken met mijn ouders, maar als dat achter de rug is kan ik denk ik wel een drankje gebruiken. Is de Brulboei al open?’
‘Ja, maar nog niet tot laat. Half tien daar, vanavond?’
‘It’s a date,’ zeg ik met een welgemeende glimlach.
Ik voel me al een klein beetje beter, en de rest van de overtocht geniet ik langzaam van mijn chocomel en mijn gevulde koek, en probeer ik zo goed mogelijk mijn moed bijeengeraapt te houden.
* * *
Als ik, nog net niet struikelend over de nordic walking-stokken, de aanlegsteiger af loop, heb ik de keuze tussen de bus nemen of gaan lopen. Ik heb toch alleen mijn rugzak en zo ver is het niet, misschien een half uurtje of zo, dus lopen kan makkelijk; het zonnetje schijnt. Maar ik heb buiten het dorp gerekend: ik ben nog niet langs de taxistandplaats of Doede Boonstra, die net een paar oudere mensen met veel te veel spullen staat in te laden in een van zijn taxi’s, roept: ‘Hé, daar gaat er eentje van Menno Olivier! Vinnie! Hé, Vinnie!’
Vincent, die jongen van Grote Vis, is blijkbaar op weg naar die ouwe hippiebus van hem, die hij schaamteloos op een van de taxiplekken heeft gezet, en kijkt op.
‘Als je nou zo bijdehand bent om je bus op mijn plekken te zetten, dan mag je ook iemand meenemen, jong. Hier, die meid van Olivier, geef haar even een slinger naar huis, anders gaat ze dat hele eind nog lopen.’
Vincent verandert van koers als hij mij in het oog krijgt, loopt op me af en steekt zijn hand uit. ‘Hoi,’ zegt hij, ‘jij heette toch... Yvonne? We kennen elkaar niet echt, geloof ik, maar ja, iedereen kent elkaar wel een beetje hier, hè? Ik ken je vader wel, van de eilandraad. Ik was het vorige week nog gloeiend met hem oneens, maar daarna hebben we gezellig een biertje gepakt. Kom, klim in Louise, dan breng ik je naar huis.’
‘Louise?’ zeg ik met een weifelende blik op de aftandse bus.
‘Hé, hé, hé,’ bromt Vincent nep-in zijn wiek geschoten, ‘niet mijn bus dissen. Ze ziet eruit alsof ze wel een likje verf kan gebruiken, maar ik wil al die vredestekens en zo niet overschilderen, want het is wel authentiek. Maar de motor is goed, Axel heeft hem helemaal uit elkaar gehaald van de winter, en alles wat ik kon tectyleren heb ik getectyleerd. Niks is doorgeroest, dus je bent helemaal veilig bij mij. Nou kom op, live a little, ik dacht dat jij zo’n wilde was? Klim erin.’
‘Was, ja,’ mompel ik, ‘was. En eigenlijk heet ik Nynke.’
Ik denk dat Vincent dat laatste niet heeft gehoord, want hij zegt pas weer iets als we naast elkaar in de bus zitten en hij de sleutel heeft omgedraaid. De bus komt verrassend soepel tot leven; ik had inderdaad gerekend op gekuch en geschud, gesputter en rookwolken. Maar nee: één keer rond met de startmotor en hij loopt als een naaimachientje.
‘Zeg ik toch,’ bromt Vincent tevreden. ‘En hoezo heet je eigenlijk Nynke?’
Hij had me dus toch gehoord.
‘Yvonne is mijn tweede naam. Maar ik vond dat altijd zo veel moderner klinken, zo veel, hè, god, ik voel me belachelijk als ik het hardop zeg, maar zo veel grootstedelijker, zeg maar. Nynke is zo boers.’
‘Onzin,’ zegt Vinnie hartgrondig, terwijl hij vlak voor Doede de veerdam op scheurt. Dat doet hij vast om te pesten, want ik zie hem grinniken vanuit mijn ooghoek. Wat een pestkop is die vent, zeg. Maar op een leuke manier, dat wel.
‘Zo. Eat my dust, dat zal hem leren,’ zegt hij als we de enige asfaltweg die het eiland rijk is op draaien. En zonder overgang komt erachteraan: ‘Nynke is helemaal niet boers, hoe kom je daar nou weer bij. Als je nou Bertha Drieëndertig zou heten, ja, dan had je wat te klagen, maar Nynke, daar is toch niks mis mee?’
Ik proest het uit, ik kan het niet helpen.
‘En waarom heb je eigenlijk zo’n enorme statementbril op je snufferd staan? Waren de lenzen op? Jij was toch altijd zo’n mooi prinsesje? Kan wel zien dat je een paar jaar ouder bent geworden en dat je in de stad hebt gewoond; je lijkt helemaal niet meer op hoe je er vroeger uitzag.’
Ik haal diep adem, terwijl mijn ogen de vertrouwdheid van het eiland indrinken met een gretigheid die ik zelf helemaal niet had zien aankomen. Ik wist wel dat ik het miste, ik wist wel dat ik graag terug wilde kunnen gaan zonder me daar zo slecht over te voelen, maar ik had niet door dat ik echt heimwee heb gehad naar wat ik nu zie: de dijk, de huisjes, de velden, een vlucht ganzen die met veel lawaai opstijgt, een paar koeien, paarden, bomen, duinen in de verte... De betrekkelijke leegte, de heerlijk ruikende lucht. Het gevoel van... van rust, van overzichtelijkheid, onaanraakbaarheid ook; het gevoel van eiland. Het is gewoon niet in één woord te omschrijven. Hier is gelukkig nog niets veranderd, terwijl ik het gevoel heb dat bij mij zo’n beetje alles is veranderd.
‘Ik voel me ook niet meer zoals vroeger,’ zeg ik dus tegen Vincent, terwijl hij de straat in rijdt. Het past maar net; hij moet geen tegenliggers krijgen. ‘Vroeger gedroeg ik me als een idioot.’
‘Dat zal toch wel meevallen? Nou, we zijn er, dat is dan zevenenveertig euro drieënzestig.’
‘Grapjas,’ zeg ik tegen hem terwijl ik de deur openmaak.
‘Zien we je nog in de Vis? Het is nog vroeg in het seizoen, maar we hebben al livemuziek, iedere middag als het lekker weer is op het terras. Ik lig in de clinch met je pa, die is denk ik bang dat we straks een halve Lowlands in de duinen gaan organiseren als we af en toe bandjes op het terras hebben, net als vorig jaar, maar op dit moment is het maar één jongen met een gitaar. Hij is echt heel goed, hij heeft vorige week ook een keertje met ons meegedaan en we gingen er meteen een stuk beter van spelen.’
‘Ik heb al afgesproken met Greetje om vanavond iets te drinken in de Boei,’ zeg ik, een beetje defensief, al weet ik niet waarom. ‘Greetje, van Boersma?’
‘Die achter de balie staat op de boot, bedoel je? Ik wist niet dat jullie elkaar kenden.’
‘Van de zomers, alleen,’ mompel ik; ik heb het intussen Spaans benauwd van alleen al het zicht op de voordeur van mijn ouderlijk huis. ‘Nou, dank je wel voor de lift, Vincent, doe de groetjes aan iedereen, en eh, o! Wacht, ik zal wel langs móéten komen, morgen, om met Mayke te praten. Ze werkt toch nog wel bij jullie?’
‘Jazeker; beste kok van het eiland. Je klinkt alsof het een enorme straf is om bij ons langs te komen, meid, zo erg is het toch allemaal niet? Zal ik tegen Mayke zeggen dat je komt?’
‘Nee!’ roep ik veel te hard. ‘Nee, nee, doe maar niet,’ zeg ik er gauw achteraan, op iets normalere toon, ‘ik weet nog niet hoe laat en zo, ik moet bij een heleboel mensen langs morgen en ik weet gewoon niet...’ Ik haal diep adem en blaas langzaam uit. Potverdikke, wat vind ik dit moeilijk. ‘Nou, in ieder geval, dank je wel dus, voor de lift,’ zeg ik nog maar een keer, en nu stap ik echt uit.
Ik kijk de bus na als die het straatje uit rijdt, en keer me dan naar de voordeur.
Loop ernaartoe.
Twijfel of ik mijn sleutel moet gebruiken of toch maar moet aanbellen, en besluit dan allebei te doen: eerst maak ik de deur open en dan bel ik even kort aan om te laten weten dat ik er ben.
‘Mam?’ roep ik naar binnen.
Als ik niet meteen iets hoor na mijn aanbellen, stap ik voorzichtig de hal in. We wonen in een betrekkelijk modern huis, uit de jaren zestig; toen is er aan de rand van het dorp een wijkje van een stuk of tien huizen gebouwd. Er zit een grote tuin omheen die helemaal tot in een soort duinrand loopt en mijn vader is nogal handig, dus hij heeft een heleboel aan het huis veranderd. Er is een ruime serre aan de achterkant en helemaal achter in de tuin staan drie appartementen voor de verhuur. Mijn vader heeft een enorme wilde rozenheg aangeplant die onze tuin min of meer doormidden snijdt: zo hebben de appartementen ook een stukje tuin om in te zitten en hebben wij een beetje privacy. En ieder jaar potten met rozenbotteljam, want mijn moeder is intussen bijna net zo handig met jam maken als mevrouw Boersma.
Ik vind vooral dat die struiken zo heerlijk ruiken als ze bloeien. Zoals nu. Ik rook ze al toen ik nog voor de deur stond, maar nu ik voorzichtig verder het huis in kom ruikt het hele huis naar wilde rozen.
‘Nynk, ben jij dat?’
‘Ja!’ roep ik als ik de stem van mijn moeder uit de keuken hoor komen. ‘Heb je mijn appje niet gezien?’
‘Ja, natuurlijk wel! Ik ben in de keuken,’ roept ze terug, geheel overbodig. ‘Waarom kom je niet gewoon door de achterdeur?’
En dan sta ik in deuropening van de keuken en voel ik me ineens weer zestien. Mijn moeder heeft een schort voor en is druk in de weer met een monchoutaart.
‘Met eigen jam van vorig jaar,’ zegt ze terwijl ze haar handen aan haar schort afveegt en naar me toe loopt, ‘omdat je dat zo lekker vindt.’
‘O, mam,’ zeg ik alleen maar, en dan lig ik in haar armen en moet ik toch zo geweldig hard huilen dat ik er helemaal van tril.
Mijn moeder zegt niks, ze slaat alleen haar armen om me heen en houdt me vast. Pas als het een beetje is gezakt, laat ze me precies genoeg los om mijn tranen weg te vegen en te vragen: ‘Was het zo spannend voor je om weer thuis te komen?’
Ik knik, en moet eerst een paar keer slikken voordat mijn stem het weer normaal doet. ‘Ik dacht dat iedereen me raar aan zou kijken, en dat het allemaal heel weird zou zijn, dat ik een soort paria zou zijn of zoiets, maar het enige wat ik tot nu toe heb gemerkt is hoe erg ik het hier heb gemist. Ik vind het zo stom, ik had natuurlijk veel eerder terug moeten komen, zelfs al had tante Rimi duizend keer gezegd dat ik maar beter kon wachten. Ik heb het zo gemist, ik heb het eiland gemist, en jou, en ons huis, en alles, eigenlijk!’
‘Och kind,’ zegt mijn moeder, intussen ook ontroerd, ‘ik heb jou ook vreselijk gemist, hoor. Maar we wisten zeker dat dit het beste voor je was, dus ik heb mijn kiezen stijf op elkaar gezet. Rimi zei steeds dat het vanzelf wel goed zou komen, dat je vanzelf terug zou komen als je zover was, dus toen ik ineens je appje zag... Ik wist niet zo goed wat ik terug moest zeggen, maar ik was wel heel blij.’
Er stromen nog wat tranen, zowel bij mijn moeder als bij mij, dus we geven elkaar nog een knuffel en een kus, en scheuren dan heel praktisch ieder een stuk keukenpapier af om ons gezicht droog te deppen.
‘Zo,’ zegt mijn moeder, een beetje beverig. ‘Het is me wat.’ Dan keert ze zich naar het aanrecht om thee te zetten. ‘Je broer zal zo ook wel komen,’ zegt ze over haar schouder. ‘Hij heeft twee jonge meiden erbij voor de zomer, dus dan hoeft hij niet iedere avond tot laat te werken en kan hij gewoon lekker hier komen eten. Anders eet hij iedere avond friet, dat is ook niet goed voor hem. Die meiden zijn allebei smoor op hem. Zo grappig om te zien, hij weet helemaal niet hoe hij zich moet gedragen.’
Ik begin te grinniken, door de vers opgedroogde tranen heen. Mijn broer is een schat, maar wel een beetje een hork. Hij hoorde er nooit bij, bij al die snelle surfjongens die het ’s zomers met alle meiden deden, hoewel hij wel ongeveer even oud was. Hij deed daar trouwens ook nooit zijn best voor, als ik eerlijk ben: het was gewoon niks voor hem. Ze pestten hem ook niet – in ieder geval niet zoals ik die arme Greetje af en toe pestte. Ze lieten hem gewoon met rust. Hij deed zijn ding en zij deden het hunne, en iedereen kon altijd wel goed met hem opschieten omdat hij lekkere patat kon bakken en, in ieder geval buiten het hoogseizoen, nooit te beroerd was om op zijn fiets te springen en het even langs te brengen, als hij je kende.
Precies het tegenovergestelde van mij, eigenlijk. Ik was altijd alleen maar bezig met ruzie en rotzooi maken, met zorgen dat mensen juist niet met me op konden schieten. Wat was dat toch? Ik heb nou niet echt ouders tegen wie je je als een gek moet afzetten, als puber: mijn ouders zijn gewoon, ouders; niet te lief en ook niet te streng, ze houden van ons maar zijn verder zo gemiddeld als het maar kan. Mijn vader heeft heel lang op de wal een garage gehad: iedere morgen ging hij met de eerste boot, en met de laatste kwam hij weer terug. Gelukkig was het niet ver rijden vanaf de veerhaven. Een jaar of acht geleden heeft hij alles verkocht, en van dat geld leven mijn ouders nu, plus de inkomsten van de huisjesverhuur. We zijn niet arm en niet rijk, niet saai maar ook niet raar, niet dom maar ook niet intellectueel. Alles gemiddeld. Misschien was dat het: misschien verzette ik me daartegen. Tegen hoe gewoon alles was.
Ik weet het niet. Ik kan me alleen maar rot voelen als ik eraan terugdenk, en me voor de kop slaan dat ik me zo heb misdragen.
‘Heeft Tjeerd al iets gedaan met die twee meiden die smoor op hem zijn, dan?’ zeg ik maar, eigenlijk vooral om mezelf een houding te geven. Ik kan me niet voorstellen dat mijn broer überhaupt wat dan ook met meisjes zou doen.
‘Ik geloof dat hij er eentje heeft gezoend, vooral omdat ze zo aandrong, maar ik denk niet dat dat een doorslaand succes was,’ zegt mijn moeder peinzend, terwijl ze theekopjes en taartschoteltjes op een dienblad laadt. ‘Heb jij eigenlijk intussen een leuke jongen in het vizier? Of heb je wat leuks gezien toen je naar Amsterdam ging?’
Ik voel mezelf rood worden. ‘Mam, daar was ik echt helemaal niet mee bezig, hoor! Het was al moeilijk genoeg om door die toelating heen te komen, laat staan dat ik ook nog tijd had om naar mannen te kijken. En daarnaast: ik wil eigenlijk helemaal niks met ze te maken hebben. Die willen toch allemaal maar één ding, en ik wil daar helemaal niet mee bezig hoeven zijn. Ik zou het wel oké vinden als een jongen mij leuk vond, echt om wie ik ben, bedoel ik, niet als een wandelende vagina met blond haar en borsten waar je ook nog mee kan pronken bij je vrienden. Niet dat ik mezelf nou zo’n schoonheid vind, hoor, mam, maar ik weet gewoon hoe het gaat.’
Mijn moeder begint te grinniken. ‘Nynk – o, ik ben zo blij dat ik je weer gewoon Nynke kan noemen – je bent wél een schoonheid. Zelfs met je haar afgeknipt en die malle bril op: een beetje jongen kijkt heus wel door die vermomming heen, hoor.’
‘Jij bent partijdig, mam,’ zeg ik nep-mopperig, en dan loop ik achter haar aan naar de woonkamer, waar mijn vader net door de serredeur naar binnen komt, zijn tuinhandschoenen nog aan.