Hoofdstuk 5 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Eigenlijk was het veel minder erg dan ik van tevoren had gedacht. De thee ging goed, en toen Tjeerd thuiskwam en er ook bij kwam zitten, ging het ook nog goed – hij vond het fijn om me thuis te zien, dat blije ei, hij gaf me zelfs een knuffel.
Zelfs tijdens het avondeten ging het beter dan verwacht, toen ik eindelijk de moed bijeen had geraapt om te zeggen wat ik vond dat ik moest zeggen. Hoezeer het me speet, het boetekleed dat ik aan moest trekken, et cetera, et cetera; ik kon alles zeggen zonder dat ik in een soort snotterende, bibberende massa veranderde, en mijn ouders en Tjeerd luisterden rustig.
En toen ik was uitgepraat, en een beetje zenuwachtig heen en weer keek van de een naar de ander, net zo lang totdat ik niet anders kon dan ‘Eh, nou...?’ zeggen, in de hoop dat ze zouden reageren, toen zei mijn vader: ‘Nynk, lieve schat, ik ben ontzettend blij dat je het zo ziet. We hebben ons verschrikkelijk veel zorgen over je gemaakt.’
‘We waren er gewoon niet op voorbereid,’ viel mijn moeder in, ‘een kind dat zo heftig puberde; bij jou, Tjeerd, was er geen vuiltje aan de lucht. Maar gelukkig ben je eroverheen gegroeid, Nynke, lieve schat, ik ben zo ontzettend blij om te horen dat je nu op een punt in je leven bent dat je beter kunt overzien wat wat is, en dat je aanvoelt dat daden gevolgen kunnen hebben.’
‘Dat wist ik altijd wel al, hoor, ik trok me er alleen zo min mogelijk van aan,’ zei ik, toch wel een beetje aangedaan van de hartelijkheid en de acceptatie van mijn ouders en mijn broer.
Ik heb toen ik met tante Rimi mee moest zo mijn best gedaan om hen als vijanden te zien, als verraders, en ik heb toen gezworen dat ik het ze nooit zou vergeven. Maar dat is natuurlijk klinkklare onzin. Dat zie ik nu ook wel in. Bovendien, ik hou gewoon veel te veel van ze om zo’n gevoel heel lang vast te houden.
‘Tante Rimi is denk ik wel verantwoordelijk voor, nou ja, alles, denk ik, zo’n beetje,’ zei ik dus, kleintjes. ‘Alles wat er bij mij veranderd is en zo, bedoel ik. En dat ik school heb afgemaakt, en dat ik nu weet wat ik wil gaan doen...’
‘Nee hoor, meid,’ wierp mijn vader kordaat tegen. ‘Als volwassene kun je sleuren aan een kind tot je blauw ziet, maar als het kind niet wil meewerken, dan krijg je het niet voor elkaar. Je hebt het zelf gedaan, je bent zelf tot je inzichten gekomen, je hebt zelf bedacht wat je wilt gaan doen met je leven en je hebt er zelf voor gewerkt en gevochten. Bravo, je bent volwassen geworden. Gelukkig, het is een pak van mijn hart.’
* * *
En nu sta ik buiten, in het vroege donker, nog na te piekeren over alles wat er is gebeurd. Alles wat er is gezegd. Ik zet mijn fiets op slot naast de Brulboei en voel me nog een beetje daas. Ik heb alles wat ik kwijt wilde eruit gegooid; is nu alles dus ook opgelost? Ik vind nog steeds dat ik iedereen die ik ooit voor het hoofd heb gestoten of heb geschoffeerd persoonlijk mijn excuses moet aanbieden, maar dit, het belangrijkste, het gesprek met mijn ouders, voelt eigenlijk wel als een soort anticlimax. Of, nee, dat klopt ook niet helemaal: het was verschrikkelijk moeilijk om te zeggen wat ik op mijn hart had, en het luchtte me enorm op, maar ik verwachtte wel een soort straf; een of andere boetedoening van epische proporties. Dat ze alleen maar zouden zeggen: nou nou, hè hè, eindelijk ben je volwassen, ben ik even blij – daar had ik niet op gerekend.
Net als ik het sleuteltje van mijn fiets – die stond dus gewoon nog in de schuur; Tjeerd heeft heel lief zelfs nog even mijn banden opgepompt – in de zak van mijn zwarte spijkerjasje laat glijden, komt Greetje aangefietst.
‘Hé, Yvonne,’ roept ze, gevolgd door, een stuk minder hard, ‘o nee, Nynke! Ik moet er wel even aan wennen, hoor, net als aan je haar en je bril. Maar het staat je eigenlijk geweldig; volgens mij staat alles jou goed. Je zou zo model kunnen worden; als je een prullenbak op je hoofd zet staat het nog leuk.’
‘Niet met inhoud, mag ik hopen,’ zeg ik een beetje meesmuilend. ‘Ik zie het meteen voor me dat ik dan met zo’n bananenschil over mijn hoofd gedrapeerd onder die prullenbak vandaan kom.’
Greetje proest het uit. ‘Zelfs daar kom jij nog mee weg, wedden? Die bril ook; als ik zoiets opzet zie ik er meteen uit als een sneue kneus, maar bij jou is het stoer.’
We lopen naar binnen; het bekende geurtje van bier-van-gisteren slaat me in het halletje al tegemoet. In het hoogseizoen is het tegen deze tijd al bommetjevol en ruikt het meer naar zweet en restjes zonnebrand, maar nu ruikt het in de hele Boei nog naar het begin van de avond. Oud bier, dus. Er zitten misschien tien mensen, allemaal van mijn leeftijd of iets ouder, en er staat een meisje achter de bar dat ik niet ken.
‘Wie is dat in godsnaam?’ vraag ik Greetje.
‘O, die is ingevlogen, net als ik. Volgens mij heet ze Marie-Louise; ze logeert bij dokter Ellen, geloof ik. Een nichtje of zoiets, je weet wel, zomerbaantje. Ook raar, dat ik dat nou aan jou zit te vertellen; jij hoort dat te weten, als eilander. Toch?’
En voordat ik het weet heb ik mijn hele verhaal verteld aan Greetje, met een kleine onderbreking waarin we naar de bar lopen om wat te drinken te halen. Greetje neemt appelcider, dat is ook nieuw. Hadden ze vroeger nooit in de Boei.
Ze kan verrassend goed luisteren. En verstandige vragen stellen.
‘Ben je dan nu klaar, voor je gevoel?’ zegt ze, als ik zo’n beetje uitgepraat ben.
Prik; vinger midden in de zere plek.
‘Ja, dat weet ik dus niet. Het voelt eigenlijk van niet; het voelt als de anticlimax van de eeuw. Alsof ik eerst nog drie onmogelijke opdrachten zou moeten doen, als in zo’n sprookje, weet je wel, voordat ik mezelf weer recht in de spiegel kan aankijken. Onzin natuurlijk, maar ik had me er helemaal druk om gemaakt en alles.’
‘En nu voelt het een beetje alsof het met een sisser afloopt?’
‘Ja, precies. Hoewel ik nog bij allerlei mensen langs wil om mijn excuses aan te bieden, onder andere bij jouw oma, omdat ik altijd aardbeien pikte uit haar tuin. Ik denk dat ze dat wel weet, maar ze heeft nooit iets gezegd.’
‘Ik weet wel zeker dat ze het weet: toen ik vertelde dat ik iets met jou ging drinken zei ze nog: “O ja, dat mooie dametje, dat precies van over de heg de dikste aardbeien wegplukte. Nou, gelukkig kreeg dat kind nog een beetje vers fruit binnen, want ik geloof nooit dat ze goed at. Ze was mij veel te bleekneuzig en veel te opstandig. Zat altijd maar binnen, en als ze niet binnen zat was ze kattenkwaad aan het uithalen.”’
Ik proest bijna mijn slok bier over de tafel. Kattenkwaad, zouden ze het echt allemaal zo zien? Zou het zo eenvoudig zijn, eigenlijk? Misschien zie ik het zelf wel gewoon veel te zwaar in; misschien was het ook niet veel meer dan gepuber en stoutekinderengedrag. Wie weet heb ik het in mijn hoofd veel groter gemaakt dan het is, en heb ik gewoon veel te veel belang gehecht aan mij, mijn persoontje en al mijn gedoetjes.
Beschaamd buig ik mijn hoofd. Hubris, heet dat toch? Van die overmoed, zo’n grenzeloos geloof in je eigen belangrijkheid. Wie weet is dat de les die ik moet leren: dat mijn puberzonden niet meer dan vervelend waren, en zeker niet zo wereldschokkend als ik zelf geloofde.
‘Je zit wel te piekeren, hè?’ zegt Greetje. ‘Moet je kijken, even om je gedachten te verzetten: daar, onder de spiegel, zie je die twee meiden?’
Ik knik.
‘Die zijn dus bij je broer in dienst. Die linkse heet volgens mij Akke en van die andere weet ik niet hoe ze heet, maar dat doet er ook niet echt toe; iedereen lacht zich slap, want ze zijn allebei helemaal gek van hem. En ze doen dus alles samen, waarschijnlijk omdat ze allebei bang zijn dat als ze elkaar uit het oog verliezen, de ander precies op dat moment een privéontmoeting met je broer zal kunnen regelen, en hem aan de haak zal weten te slaan.’
Nu moet ik echt hardop lachen. ‘Aan de haak, Tjeerd is toch geen vis? Hij is mijn broer! Een beetje een ui, absoluut een lieve jongen, maar nou echt niet de coolste die hier rondloopt, hoor. Absoluut niet.’
Greetje geeft me een bedenkelijke blik.
‘Wat?’ zeg ik ongelovig.
‘Je broer is volgens mij een stuk leuker dan jij denkt. Oké, hij is niet zo’n surf-bad boy, en hij laat zich ook niet de hele tijd vollopen en staat dan met iedereen die lang genoeg stilstaat te zoenen, of meer, maar dat is ook niet per se het type waar iedereen op valt. Sommige vrouwen houden van meer serieuze mannen, en Tjeerd ziet er echt niet verkeerd uit.’
Ik rimpel mijn neus. Natuurlijk; het is godsonmogelijk om je eigen broer te zien als de spetter van de week. Tegelijk moet ik lachen: Greetje zit hier zo serieus te praten over vrouwen en mannen dat ik me bijna oud ga voelen.
‘Wacht eens even,’ zeg ik, als een toneeldetective tikkend tegen de zijkant van mijn neus. ‘Volgens mij vind jíj mijn broer dus ook leuk! Ja, je wordt rood, geef het nou maar toe, jij ziet hem ook wel zitten.’
‘Je kunt in dit licht helemaal niet zien of iemand rood wordt of niet,’ bromt Greetje betrapt, maar gelukkig grinnikt ze wel mee.
Als je over de duvel spreekt, dan trap je hem op zijn staart: de deur van de Boei gaat open en wie komt daar binnen? Mijn broer. Met in zijn kielzog een lange jongen die ik zeker weten niet ken, maar die tóch iets bekends heeft.
Ik steek mijn hand op en wuif. ‘Daar zal je hem hebben, hoor. Zijn oren zullen wel gegloeid hebben, toen we het over hem hadden. En wie is die andere gast nou weer? Ook een zomerbaantje, ergens?’
Greetje zit bijna meteen achterstevoren in haar stoel, maar als ze Tjeerd eenmaal gespot heeft, draait ze ook meteen weer terug. Bewust nonchalant, dat zie ik natuurlijk meteen. Nou hoopt ze zeker dat mijn broer haar intrigerend vindt, omdat ze hem negeert. Zo werkt het helaas niet: mijn broer is blind en doof op dat gebied. Hij heeft nog niet door dat een meid op hem valt als ze zich voor zijn neus uitkleedt. Hij doet dan vast zijn eeuwige spijkerjasje uit om dat aan haar te geven, zodat ze het niet koud krijgt. Zoiets. Nee, als Greetje indruk op hem wil maken, zal ze zo subtiel als een sloopkogel te werk moeten gaan. Misschien moet ik haar wat flirtlessen geven, want zo gaat het natuurlijk niks worden.
Ik kijk nog even naar het tafeltje waar de twee meiden zitten die bij Tjeerd in de patatzaak staan. Hm. Die Akke – als ze zo heet – is veel te dik, met vlassig haar en een gezicht als een platgeslagen pannenkoek; de ander heeft donker haar met leuke krullen, maar een soort paardengebit waardoor haar lippen bijna niet dicht kunnen. Ook niet goed. Ja, ik weet dat dit soort gedachten meer bij mijn oude dan bij mijn nieuwe ik horen, maar het gaat hier wel over mijn broer. Als hij dan aan de vrouw moet, en ik kan er iets aan bijdragen, dan wil ik dat best doen, maar liefst wel met een leuke.
Greetje is eigenlijk wel een leuke. Ze ziet er goed uit, ze heeft smaak en gevoel voor humor, en ook gewoon, ik weet niet, iets gezelligs. Met iedere minuut dat ik hier met haar zit schaam ik me meer dat ik zo lullig tegen haar heb gedaan in het verleden.
Mijn broer en die andere gast staan intussen aan de bar om iets te bestellen, en ik zie dat zijn twee werkneemsters Tjeerd met vier argusogen in de gaten houden. Maar wie is toch die andere jongen? Ik heb het gevoel dat ik het zou moeten weten, maar dat mijn hersenen er net niet bij kunnen.
‘Greetje, wie is nou die jongen met wie mijn broer binnenkwam?’
Ze schudt haar hoofd.
‘Ik geef je flirtles als je het zegt, kom op, doe niet zo lullig.’
‘Flirtles? Waarvoor in godsnaam?’
‘Om mijn broer te pakken te krijgen natuurlijk, wat denk jij? Nou, zeg op, wie is het? Ik denk dat ik hem ergens van ken, maar ik kan het niet uitstaan dat ik het me niet kan herinneren. Kwam hij vroeger al op het eiland, met vakantie, net als jij?’
Greetje zit intussen zo’n beetje te sterven voor mijn neus. ‘Nee hè, ligt het er zo dik bovenop dat je vindt dat je me flirtles moet geven? Ik zeg er geen nee tegen, hoor, dat mag je best weten; jij moet wel een soort ervaringsdeskundige zijn. Jij wond vroeger alle jongens zo om je vinger, dus, eh...’
‘Shit, ja, dat deed ik, hè? Ik geneer me kapot als ik eraan terugdenk, hoe schaamteloos ik eigenlijk was. En hoe respectloos, ook. Sorry, nogmaals, voor alle keren dat ik ongetwijfeld vreselijk naar tegen je heb gedaan, ik was jong en stom, zal ik maar zeggen. Ik ben blij dat we hier nu zo zitten, want je bent echt veel leuker dan ik toen dacht, en hoe idioot zou het zijn als ik daar nooit achter was gekomen?’
Greetje geeft me een brede grijns. ‘Wat aardig van je om dat te zeggen! Jij bent ook veel leuker dan ik toen dacht; ik vond je toen eigenlijk voornamelijk nogal eng. Bang voor je scherpe tong, was ik. Maar ja, ik wilde er zo graag bij horen, weet je wel, en daar ga je je over het algemeen heel raar van gedragen, dus nogal wiedes dat je me af en toe afstrafte.’
‘Nee ík was lekker bezig,’ zeg ik schamper. ‘Maar vertel me nou van die andere gast; die flirtlessen krijg je sowieso wel. Ik ga dat toch nooit meer doen, zelf, dat geflirt, dus misschien dat jij dan in ieder geval nog iets hebt aan mijn praktijkkennis op dat gebied.’ Ik grijns ondeugend.
Greetje kijkt een beetje tersluiks over haar schouder naar de bar, waar Tjeerd en die andere jongen intussen aan de praat zijn geraakt met het meisje dat bardienst heeft. Ze staat te gebaren naar het podium, maar de jongen schudt zijn hoofd.
‘Hij doet iets met muziek bij Grote Vis, hij speelt op het terras als het niet regent. Hij schijnt goed te zijn; ik heb steeds maar geen tijd om een keer te gaan luisteren, omdat ik elk weekend op de boot werk, maar ik hoor van andere mensen dat hij heel goed speelt, en dat hij er ook heel grappig bij vertelt tussen het spelen door. Hij schijnt zelfs op tv te zijn geweest. Ik weet dat ik zijn naam een keer heb gehoord, maar ik ben het meteen weer vergeten.’ Ze glimlacht een beetje verlegen naar me. ‘Maar ja, ik ben ook niet zo’n popmuziekfiguur; ik luister nooit naar de radio. Ik hou meer van jazz, eigenlijk.’
Dat zou het dus best kunnen zijn. Als die jongen wel eens op tv is geweest, zou dat kunnen verklaren dat ik hem ergens van denk te kennen. Hij is lang, een beetje pezig, en hij heeft zijn haar in een staart. Dik, steil haar heeft hij; hij zal het wel een keer geverfd hebben, want de onderkant lijkt veel lichter dan de bovenkant. Het ziet eruit alsof het tot net over zijn schouders komt als hij het los zou laten hangen.
Hij heeft iets humeurigs, iets ongezelligs, waardoor ik op een bepaalde manier wou dat hij gewoon wegging, zodat Tjeerd bij ons kwam zitten. Maar aan de andere kant: mijn broer schijnt hem wel te mogen, genoeg in ieder geval om een biertje met hem te gaan pakken, en Tjeerd is nooit zo gek op zuurpruimen. Heeft hij maar weinig geduld mee. Die broer van mij is een onverbeterlijke optimist; hij kan zo verwachtingsvol en blijmoedig uit de hoek komen dat het glazuur zo’n beetje van je tanden springt. Gek werd ik vroeger van hem; al die positiviteit is nou net wat je niet wilt hebben als je als puber vastzit in de hel van je eigen weltschmerz.
Dus, kortom, conclusie: als die jongen net zo chagrijnig is als hij van een afstandje overkomt, dan is de bromance tussen hem en mijn broer hoogstwaarschijnlijk een kort en tragisch leven beschoren, dat durf ik wel te voorspellen.
‘Hé, zus, hoe gaat het?’ Tjeerd staat ineens naast ons tafeltje. Hij wijst nadenkend naar Greetje. ‘Ehhh... Jij werkt op de boot en je logeert bij... Boersma, toch?’
‘Ja, dat zijn mijn opa en opoe, ja,’ zegt Greetje, een beetje stuurs.
Nee, nee, nee, zo moet dat dus niet, zou ik wel willen roepen: je moet juist vriendelijk naar hem lachen en zo’n beetje van onder je wimpers naar hem kijken. Alsof je hem de hunk van de eeuw vindt, zo moet je naar hem kijken. Alsof de hartjes uit je ogen stromen. Zodat hij zich twee meter breed gaat voelen, en ongelooflijk belangrijk. Als je ongenaakbaar doet, denkt hij alleen maar dat je hem niet aardig vindt, en dat is nou net niet de bedoeling.
‘Ik zit me net uitgebreid bij Greetje te verontschuldigen voor wat voor ongelooflijk lelijke bitch ik vroeger was,’ zeg ik dus maar blijmoedig, ter compensatie van Greetjes stuursheid en om het gesprek aan de gang te houden.
‘Vroeger?!’ zegt Tjeerd. Natuurlijk; hij zal eens niet zijn kans pakken.
‘Ja, ja,’ brom ik, maar hij grijnst alweer.
‘Ik plaag je, zus, ik zie heus wel dat je nu niet meer zo bent als een paar jaar geleden.’ Tjeerd keert zich naar de mysterieuze onbekende, die half in de schaduw achter hem staat.
‘Greetje, die volgens mij altijd al wel lief is geweest, en mijn zus, Nynke. Vroeger een enorme kattenkop, nu een stuk beter te pruimen.’
‘Hé,’ bromt de onbekende, gevolgd door: ‘Sjaak.’
Blijkbaar is dat zijn naam.
‘Hallo, Sjaak, heb je ook nog een achternaam?’ vraag ik.
‘Ja, heb ik,’ zegt hij. ‘Jij?’
Ik knik. ‘Zelfde als mijn broer,’ zeg ik, met – ik voel ze – pretlichtjes in mijn ogen. Ja, hallo, wat hij kan, kan ik natuurlijk ook.
Ineens komen Tjeerds werkneemsters aanzetten, helemaal ongevraagd. Ze hebben hun bier in de hand, pakken allebei een stoel, en schuiven bizar synchroon aan ons tafeltje aan.
‘Ja, hé, hallo,’ zegt de bleke. ‘We komen er even gezellig bij zitten, hoor! Tjeerd, waarom sta je daar nou, pak toch ook een stoel.’
‘En jij ook,’ zegt die met de krullen tegen Sjaak, maar dan ineens kijkt ze nog eens echt goed naar hem. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes en draait haar hoofd een beetje; het is een heel gek gezicht en ze wordt er absoluut niet charmanter van.
‘Jij bent toch...’ zegt ze nadenkend tegen hem. ‘Ja, jij bent die jongen die bij de Vis op het terras speelt.’ Ze steekt een vinger naar hem uit en zwaait er een beetje mee, alsof hij iets ondeugends heeft gedaan en tot de orde moet worden geroepen. ‘En vorige week heb je meegespeeld met Big Fish. Hoe heet je nou toch ook alweer.’
‘Schuldig,’ zegt Sjaak, die geïntrigeerd lijkt door haar moeizame mentale zoektocht naar zijn naam. Hij pakt een stoel en schuift aan ons tafeltje aan, gelukkig aan mijn kant, zodat Tjeerd aan de kant van Greetje moet gaan zitten. Misschien dat het nog wat kan worden, als ze tenminste een beetje stopt met zo afwerend doen.