Hoofdstuk 6 - Hoogtij
By Jackie van Laren
De opstelling is eigenlijk een beetje bizar. Tjeerd en Sjaak aan de ene kant van de tafel, de twee meiden wier naam ik niet weet aan de andere kant, en Greetje en ik ieder aan een kop van de tafel. Ik kan niet anders dan grinniken; het ziet er bijna uit alsof het een soort krachtmeting moet worden.
‘Ik speel op dit moment liever alleen,’ zegt Sjaak tegen de donkere. ‘En hoe heet jij eigenlijk? Dat heb je je vast eerder herinnerd dan hoe ik heet.’
Zo, bam, die is hard! Ik weet dat ik vol goede voornemens zit, maar ik moet er toch om lachen.
‘Sorry,’ zeg ik, zachtjes proestend.
Het meisje kijkt verongelijkt; ze heeft volgens mij wel door dat er iets is gezegd wat eigenlijk best cru is, maar ze snapt hem zo te zien niet helemaal.
‘Hoe bedoel je, dat ik me moet herinneren hoe ik heet? Ik wéét toch gewoon hoe ik heet? Swaantje, heet ik.’
‘Ik ben Akke,’ zegt de andere ongevraagd, en Greetje zegt: ‘Ja! Zie je wel, ik wíst wel dat jij Akke heette!’
Akke kijkt helemaal blij dat iemand haar naam weet. Naast me hoor ik een soort gegnuif van die Sjaak.
‘Swaantje? Echt waar?’ weet hij uit te brengen, en dan schiet hij in de lach. ‘Sorry,’ zegt hij, ‘je ziet er gewoon helemaal niet uit als een zwaantje.’
‘O? Hoe zie ik er dan uit?’ Swaantje leunt met een frons naar voren in haar stoel.
‘Rustig, Swaan,’ zegt Tjeerd, met die vriendelijke kalmte in zijn stem die mij vroeger altijd tot wanhoop dreef. ‘Sjakie hier zit je gewoon een beetje te sarren. Laat je niet gek maken, hoor.’
Swaantje knippert met haar ogen naar mijn broer en kijkt hem vervolgens zo amechtig aan dat ik bijna weer in de lach schiet, maar tegelijk heb ik wel bewondering voor Tjeerd, die het toch maar mooi voor elkaar krijgt om met een minimum aantal ingrepen het gesprek weer in min of meer goede banen te leiden.
We praten een beetje heen en weer, het gaat over niks, zoals de meeste van die voortkabbelende gesprekken in het café. Akke en Swaantje spannen zich in om de aandacht van mijn broer te vangen, Greetje doet zo veel mogelijk het tegenovergestelde, mijn broer is aardig tegen iedereen. Ik zeg niet zo veel. Ik vind het kijken naar dat hele spel wel leuk, en ik vind ook eigenlijk dat ik niet zo veel te melden heb. Plus, die stuurse gast naast me zegt ook bijna niks, dus ik bevind me in goed gezelschap.
‘Waar ken jij mijn broer eigenlijk van?’ vraag ik op een gegeven moment dan toch maar; ik heb het gevoel dat ik een poging moet wagen om met hem te praten omdat het anders wel erg onbeleefd is.
‘Van de patat,’ zegt hij. Even lijkt het alsof hij zich meteen weer in zo’n humeurig stilzwijgen wil hullen, maar hij besluit toch nog wat te zeggen. ‘Op een gegeven moment, toen ik hier een week of zo zat, stelde hij voor een biertje te pakken. Aardige vent, je broer.’
Ik knik. Écht heel vervelend kan deze Sjaak toch niet zijn, als hij mijn broer aardig vindt? ‘Hoe lang ben je hier al, dan?’ vraag ik dan maar.
‘Drie weken. Ik blijf zolang ze plek voor me hebben; ik zit in zo’n huisje bij Grote Vis. Nu zit het nog helemaal niet vol, maar als het hoogseizoen wordt natuurlijk wel.’
‘En dan? Ga je weer naar huis?’
‘Mpf,’ zegt Sjaak, en hij neemt een slok bier.
Er komt verder niets, dus ik zeg dan maar: ‘Ik ben hier alleen voor het weekend, bij mijn ouders langs. Ik woon eigenlijk bij mijn tante in Leeuwarden, maar na de zomer ga ik naar Amsterdam voor de studie. Ik heb nog geen woonruimte.’
‘Nou, good luck met wat vinden,’ bromt Sjaak sarcastisch, maar dan komt er toch nog, bijna onwillig, iets achteraan. ‘Ik woon eigenlijk ook in Amsterdam, ik heb een hele tijd in het huisje van mijn vader gezeten toen hij er niet was. Nu zit hij er zelf in, met zijn nieuwe vriendin, te wachten tot de onderhuurders van zijn andere huis eruit gaan. Dat is ergens in september. Dan kan ik weer in Amsterdam terecht. Ik heb nog een tijd bij vrienden gelogeerd, maar die staan op het punt om een kind te krijgen, dus ik kon maar beter maken dat ik wegkwam. Ik was hier wel eens eerder komen spelen, bij de Vis bedoel ik, dus ik had al contact met Wende. Gelukkig had ze plek. Voor nu zit ik wel goed.’
‘Vincent zei dat hij een beetje mot had gehad met mijn vader in de eilandraad over die livemuziek bij de Vis. Maak je te veel lawaai of zo?’
‘Doe normaal,’ mompelt Sjaak.
Ik wacht op meer tekst, maar er komt niks. Ik kijk maar eens opzij en zie dat Sjaak geërgerd zijn bier naar binnen zit te gieten. Hij geeft me over de rand van het glas zo’n ‘wat moet je nou?’-blik, dus ik haal mijn schouders op en kijk demonstratief de andere kant op. Recht in het gezicht van Swaantje, wat ik nou ook weer niet echt inspirerend vind.
‘Wacht, ik weet waar ik steeds aan moet denken als ik jou zie!’ roept die ineens veel te hard naar Sjaak; ik val bijna van mijn stoel van schrik, zo’n brul is het. Precies ook in zo’n stilte in het gesprek, het galmt nog net niet door de ruimte.
‘Jij lijkt sprekend op Daan, van Nout en Daan! Volgens mij ben je hem ook gewoon, ik heb jullie gezien op Pinkpop vorig jaar, en ook nog een keer in de Oosterpoort. Ik stond toen heel dicht bij het podium, dus ik heb je echt wel goed kunnen zien. Jezus, wat doe jij nou hier, het lijkt wel stiekem, je staat helemaal niet aangekondigd of niks. En waar is Nout?’
Ik voel meer dan dat ik hoor dat Sjaak diep zucht. Echt vanuit zijn tenen, alsof hij dit gesprek al duizend keer heeft moeten voeren en het hem iedere keer meer moeite kost. Hij zet zijn lege bierglas overdreven voorzichtig op tafel, alsof het van kerstballenglas is, laat zijn hoofd even hangen en kijkt dan op. Ik zie ineens dat hij groenige ogen heeft; ik dacht in dat vage licht van de Boei dat ze blauw waren.
‘Ik heet Sjaak,’ zegt hij getergd, ‘en ik ben met vakantie. Dat gezeik over die Daan en Nout, dat komt me de strot uit. Ik ben Sjaak, j-a-c-q-u-e-s, en ik wil gewoon met rust gelaten worden. Hoe moeilijk is het, verdomme?’
‘Maar je zit de hele tijd te spelen! Bij de Vis! Dan ben je toch niet met vakantie?’
‘Ik hóú van spelen,’ zegt Sjaak, met zo veel ergernis dat het me zal verbazen als Swaantje hierna nog iets durft te zeggen. ‘Ik mag zeker toch wel doen wat ik leuk vind in mijn vakantie?’
‘O... o,’ pruttelt ze naast me.
Nog een diepe zucht aan mijn andere kant.
‘Je hebt het wel zwaar, hè?’ zeg ik sarcastisch tegen Sjaak.
‘Je hebt geen idee,’ bromt hij. ‘Mijn beste maat is bij de liefde van zijn leven ingetrokken, mijn logeeradres zit straks vol met barende vrouwen en blèrende baby’s, mijn vader is op zijn ouwe dag zo verliefd dat er geen woord meer met hem te wisselen valt... Ik wil gewoon even dat iedereen oprot. Zijn bek houdt. Me met rust laat.’
Ik knik en zwijg ook. Jeetje wat is die gast intens, en ook best vervelend, eigenlijk.
Sjaak kijkt kort naar me, met iets van verwachting, maar als ik nog steeds niets zeg staat hij abrupt op.
‘Ga je bier halen?’ zegt Akke hoopvol.
‘Ben je gek of zo?’ vraagt hij, en dan steekt hij zijn hand op naar Tjeerd en loopt naar de deur.
Tjeerd kijkt hem na en roept nog: ‘Volgende keer beter, man.’
Sjaak haalt zonder zich om te keren zijn schouders even op en heft zijn handen een stukje, als om te zeggen: you win some, you lose some. En dan is hij door de deur, en weg.
‘Is hij altijd zo?’ vraag ik aan Tjeerd, die – ik had dat helemaal niet zo door – in een redelijk geanimeerd gesprek met Greetje verzeild is geraakt. Goed zo, broer.
‘Meestal is hij wel oké, hij zegt niet zo veel, maar het is wel een goeie gast, hoor. Op een gegeven moment, toen het regende, kon hij niet op het terras spelen, en er waren ook helemaal geen mensen. Toen is hij meegereden naar de groothandel aan de wal, heeft hij me geholpen met sjouwen.’
Ik denk er nog even over na; ik heb echt sterk het idee dat er meer achter die Sjaak zit dan je op het eerste gezicht zou zeggen.
Als ik mijn bier opheb ga ik ook maar naar huis, ik ben eigenlijk doodmoe. Dat ene biertje heeft me precies zo veel ontspanning bezorgd dat ik ineens bijna niet meer recht uit mijn ogen kan kijken van vermoeidheid, na alle opgebouwde spanning van de dag.
‘Ik ga wel mee, zus,’ zegt Tjeerd ridderlijk, hoewel ik uit alle macht probeer hem bij Greetje achter te laten. Dat lukt natuurlijk niet; als mijn broer eenmaal iets in zijn kop heeft zitten, dan zit het niet in zijn kont, dus even later fietsen we door de donkere nacht naar huis. De regelmatige flitsen van Vlamkop komen vertrouwd over onze hoofden en hij zegt, een beetje treurig: ‘Wilde je me nou echt met die drie haaien laten zitten?’
‘Greetje is toch niet zo’n haai?’
Hij haalt al fietsend zijn schouders op. ‘Zij valt wel mee, daar heb je gelijk in. We hadden best een leuk gesprek; ik dacht eigenlijk dat ze veel... kinderachtiger zou zijn. Maar die andere twee...’
‘Mam zei dat je er een gezoend hebt.’
‘Swaan, ja. En zij zoende mij, ik niet haar. Groot verschil. Ik was er niet blij mee. Heb je die tanden gezien?’
Ik moet grinniken. Mijn broer is inderdaad een stuk minder een hork dan ik al die tijd heb gedacht.
‘Dus dat was niet voor herhaling vatbaar?’
‘Doe normaal zeg,’ pruttelt hij, als een echo van Sjaak, ‘ik zoen nog liever een aalscholver.’
* * *
De volgende dag sta ik op onder een grauwe lucht, en het ziet er niet naar uit dat het beter zal worden. Geen zonnige zondag; mijn vader voorspelt al aan het ontbijt dat de dagjesmensen het vandaag wel zullen laten afweten.
‘Had ik net zo goed in mijn bed kunnen blijven liggen,’ moppert Tjeerd verstoord, druk bezig een boterham netjes glad te stuken met chocopasta.
‘Ga jij vandaag nog iets doen voordat je op de boot stapt?’ vraagt mijn moeder aan mij.
‘Ik wilde nog bij een paar mensen langs,’ zeg ik, ‘bij mevrouw Boersma, en de De Langes, en even bij de winkel, als hij vandaag tenminste opengaat. Anders loop ik wel even aan bij meneer en mevrouw Ferwerda thuis. En ik moet nog naar de Vis, ik moet even met Mayke Ferwerda praten.’
‘Nou, wat een programma,’ zegt mijn moeder.
‘Wil je al die mensen gaan vertellen dat je spijt hebt van je wandaden?’ Mijn vader zegt het op een niet zo heel ernstige toon, en ik weet eigenlijk niet of ik boos moet worden op hem omdat hij zo weinig respect voor mijn goede bedoelingen heeft, of dat ik moet grinniken omdat hij het allemaal niet zo serieus neemt.
‘Zoiets,’ zeg ik dus maar, half lachend.
‘Kind, die mensen zijn toch al lang alles vergeten? Wat haal je je niet op de hals; ik zag gisteren aan je dat het je ontzettend veel moeite kostte om zo door het stof te gaan, en in alle eerlijkheid: voor ons was het niet nodig geweest. We hadden zo ook wel geloofd dat je bent veranderd, en dat je de dingen nu wat beter in perspectief ziet. Wat denk je, andere mensen gaan dat toch ook vinden? Die maken zich er heus niet zo heel druk om, hoor, dat jij je een beetje hebt misdragen als puber, een paar jaar geleden.’
Tjeerd zit me aan te kijken. Ik draai op mijn stoel, friemel ongemakkelijk met de boterham op mijn bord en zucht nog maar eens diep. Ik kan me maar moeilijk voorstellen dat het allemaal zo onbelangrijk is, mijn gedrag in die tijd. Tante Rimi heeft zo op me ingepraat, erop gehamerd, me naar mezelf laten kijken totdat ik er gek van werd; het kan toch niet waar zijn dat ze me heeft opgezadeld met een veel te groot schuldgevoel voor wat er echt aan de hand is?
‘Volgens mij helpen we je echt helemaal niet door te zeggen dat het allemaal niet zo belangrijk is, hè?’ zegt mijn broer dan.
‘Ik geloof het niet,’ beken ik kleintjes. ‘Ik bedoel niet dat ik nou denk dat al mijn gedoe zo vreselijk belangrijk is, want dat denk ik helemaal niet, maar ik heb gewoon het gevoel dat ik iets moet doen om het goed te maken. Dat ik iets... ik weet niet, dat ik een beetje moet lijden, of zo, om de balans weer te herstellen? Ja sorry hoor, ik weet dat het onzinnig klinkt.’
‘Helemaal niet,’ zegt mijn vader, nu gelukkig wel serieus. ‘Ik begrijp het wel. Ik weet alleen niet of je gaat krijgen wat je zoekt als je bij al die mensen langsgaat, vandaag.’
‘Misschien alleen Mayke,’ zegt Tjeerd, kauwend en nadenkend. ‘Haar een beetje kennende zou het nog wel eens kunnen dat zij nog steeds flink pissig is over hoe je je hebt gedragen. Kijk, mevrouw Boersma gaat natuurlijk zeggen: geeft niet dat je aardbeien hebt gepikt; je bent niet de eerste en je zal ook niet de laatste zijn. Meneer Ferwerda zal misschien een beetje boos op je worden, maar die repen die jij jaren geleden uit de supermarkt hebt, eh, ontvreemd – ja, natuurlijk weet ik waarom je daar langs wilt, wat dacht je, ik ben toch niet gek? – daar zal hij echt niet failliet door gaan. De burgemeester wil volgens mij op dit moment liever niet eens aan zijn zoon herinnerd worden, dus daar heb je ook al niks aan. Volgens mij kan je het beste naar de Vis gaan straks. Ga gewoon vroeg, dan heb je nog kans dat Mayke het niet te druk heeft, en met een beetje geluk heeft zij er wel behoefte aan om je je flink ellendig over jezelf te laten voelen.’
Tjeerd kijkt innig tevreden met zichzelf en zijn analyse van de situatie de tafel rond. Mijn ouders verbijten een lach, dat zie ik heus wel, en als Tjeerd niet zo gloeiend gelijk had, zou ik ook moeten lachen. Verdorie, mijn broer is niet alleen veel minder een kneus dan waar ik hem voor aanzag, hij is ook nog een heel stuk slimmer dan ik dacht.
Bah.