Hoofdstuk 8 - Hoogtij
By Jackie van Laren
Even later staan we allemaal buiten: Axel, Martin, Vincent, Cam, Mayke en ik. En Sjaak, die is ook meegelopen, en onderweg heeft hij zijn broekriem, een dik, zwart, leren geval, uit de lusjes van zijn jeans getrokken.
De wind is guur, de donkergrijze wolk is intussen zo dichtbij en hangt zo laag dat we hem bijna kunnen aanraken. Het ziet er allemaal behoorlijk dreigend uit, zelfs voor op het eiland, waar we toch best het nodige gewend zijn qua weer.
Vincent kijkt even omhoog naar de snel draaiende windmolen – het swoosh, swoosh-geluid van de wieken is niet erg geruststellend – en verdwijnt dan in een soort schuur aan de keukenkant van de Vis.
‘Wat gaat hij nou doen?’ vraag ik aan Mayke, maar ze haalt haar schouders op. Vrijwel meteen komt Vin weer naar buiten met een paar bossen touw, klimtouw misschien, of schoten voor een zeilboot, ik weet het niet precies. Hij knoopt handig de einden aan elkaar en bost het touw weer op tot een rol die Martin over zijn schouder kan hangen, over de riem van Sjaak heen, die daar al losjes ligt. Brede gast, die Martin; minstens net zo breed als Axel.
‘Moet ik niet omhoog?’ vraagt die laatste.
‘Jij bent een betere klimmer, maar ik weet waar die riem moet,’ roept Martin tegen de intussen gierende wind op, zijn voet al op de eerste sport. En dan klimt hij met verrassend gemak omhoog langs de voetsteuntjes, die als nietjes uit de mast van de windmolen steken.
‘Ik dacht dat dat touw bedoeld was om hem te zekeren,’ zegt Mayke tegen me, terwijl ze omhoogkijkt naar Martin. ‘O, als zijn zus het hoort dan legt ze hem om; hij moet van Wende een kooi om dat laddertje heen bouwen, maar hij doet het maar niet. Altijd zo, hup, naar boven, die waaghals.’ Mayke praat gedachteloos tegen mij; ik zou bijna denken dat ze haar boosheid op mij is vergeten.
De wind zet nog een tandje bij, de wieken zoeven bijna zingend door de lucht, en het begint te regenen. Eerst een paar spetters op onze opgeheven gezichten, maar dan steeds dikkere druppels, terwijl Martin, die boven is aangekomen, een luik opent en tot zijn middel in de gondel verdwijnt.
Plotseling valt het touw naar beneden. Even denk ik dat het een ongelukje is, dat Martin het per ongeluk heeft laten vallen, maar dan zie ik dat het uit het luik in de gondel naar beneden hangt, in twee bijna gelijke einden. Ze halen de grond net niet, en worden meteen door de wind opgepakt.
‘Pak die lijnen!’ brult Martin naar beneden, terwijl hij het laddertje af klimt zo snel hij kan. ‘En dan trekken, iedere kant evenveel gewicht, en zo recht mogelijk naar beneden.’
Axel springt meteen verrassend hoog op en grijpt een rondzwiepend eind touw uit de lucht; Sjaak heeft het andere eind al in zijn handen. Mayke pakt Axels touw, dus ik pak dan maar het eind waar Sjaak mee in zijn handen staat. Vincent kijkt even heen en weer en kiest samen met Cam onze kant, en roept dan tegen Martin: ‘Jij bij Ax, voor het gewicht.’
‘Bedankt, man,’ roept Martin grijnzend terug. Hij springt de laatste anderhalve meter uit de mast van de windmolen en grijpt het touw dat Axel en Mayke vasthebben.
Het giet intussen van de regen, en volgens mij staat er zeker windkracht negen; het is een wonder dat mijn bril niet van mijn neus waait. Ik zie bijna niks meer, ik hoor alleen Martins stem als hij roept: ‘Trekken, jongens, zo hard je kan; als het te lang duurt brandt die riem nog door van de frictie.’
‘Leer brandt niet zo snel,’ hoor ik Sjaak vlak naast me nog zeggen, maar dan hangen we als een soort trosje mensen aan twee touwen, zo goed als we kunnen met ons volle gewicht. Het is ongelooflijk zwaar en vreselijk onhandig, het touw glipt steeds door je handen en alles is nat en glad en vies, maar het lijkt te helpen, want de wieken vertragen. Ze vertragen! Het zingen verandert in zwiepen, in brommen en dan in bijna geen geluid meer als ze nog heel langzaam voorbijkomen, totdat ze vrijwel stilstaan. We geven nog één grote ruk en dan knapt er iets in de gondel, onhoorbaar met die harde wind, en liggen we allemaal op de grond te spartelen. Ik hoor hoe Martin van alles roept, van verder weg, hij zal wel opnieuw naar boven klimmen, maar ik zie niks, ik kan bijna niet meer ademen, want zal je altijd zien: ik lig natuurlijk helemaal onderop. Half op een drijfnat schelpenpad, de andere helft in het prikkende, druipende duingras, mijn hoofd in het zand, mijn bril verdwenen. ‘Uuurgh,’ is het enige wat ik nog kan uitbrengen; ik kan bijna niet meer ademen, ik weet niet eens welke ledematen allemaal van wie zijn.
De druk wordt minder; ik open mijn ogen en zie dat ik bijna helemaal onder Sjaak lig, die nu ook probeert op te krabbelen. Vincent en Cam staan al. Dan staat Sjaak ook, en hij steekt, een beetje schaapachtig, een hand naar me uit. Ik grijp hem, wat moet ik anders, en laat me overeind hijsen, zijn hand onverwacht warm in al die kou en wind en nattigheid.
Tot mijn verrassing trekt hij me meteen helemaal tegen zich aan, slaat hij zijn armen om me heen en houdt hij me even stevig vast. ‘Leef je nog?’ vraagt hij in mijn oor, terwijl hij probeert mijn rug een beetje schoon te vegen. Dat heeft natuurlijk helemaal geen zin; ik ben tot op de draad doorweekt, ik voel me koud en rillerig en geschrokken, en ook overweldigd en raar en ademloos, en ik kruip instinctief weg bij die lange warme humeurige jongen die me nu ineens zo lief vasthoudt. En dan begin ik, tot mijn eigen schrik, een beetje te huilen.
Heel even sta ik mezelf toe om in de veilige haven van Sjaaks armen te schuilen, maar dan word ik plotseling overweldigd door schaamte. Ik kan wel door de grond gaan, het is nog erger dan tijdens de toelatingsdagen, ik voel me zo rauw, zo naakt, zo kwetsbaar. Ik weet niet wat er nu allemaal uit komt, wat er allemaal gebeurt, maar ik verdraag het gewoon niet, ik verdraag het gewoon echt niet dat ik zo kapotga waar iedereen bij is. Waar Sjaak bij is. Onder zijn neus, in zijn armen nog wel. Ik weet niet waarom het belangrijk is, waarom het extra belangrijk is dat hij me niet zo ziet, maar het is zo, dus ik duw hem van me af en ren naar de ingang van de Vis, waar ik bibberend, mezelf zo goed mogelijk bijeenhoudend, schuil onder het afdak bij de ingang.
Ik kijk niet, maar Sjaak moet meteen achter me aan zijn gelopen, want hij is als eerste bij me. ‘Heb je je pijn gedaan, gaat het wel?’ vraagt hij bezorgd. Hij steekt mijn bril naar me uit, die ik aanpak maar niet opzet. Hij is veel te vies.
‘Ja, ik bedoel nee, ik heb me niet bezeerd, ga weg,’ snotter ik, mijn armen om mezelf heen geslagen.
‘Ik vermoed dat je niet op een bijdrage mijnerzijds zit te wachten,’ klinkt de stem van Cam, ‘maar Sjaak, even serieus. Als het je bedoeling is om indruk te maken op een vrouw, dan moet je dat niet zo letterlijk nemen. Dit was geen indruk, dit was niet eens een afdruk, dit was je reinste platdruk. Het schoot zijn doel voorbij; ver voorbij. Ik kan niet anders zeggen.’
Even is het stil. Cams gortdroge, bekakte toon hangt nog een beetje in de lucht, terwijl we allemaal naar binnen drommen, de droge, warme Vis weer in. Maar dan opeens klinkt er een proest.
Van mij.
Ik proest, ik kan er niets aan doen, het gebeurt al net zo buiten mij om als die rare jankaanval.
Indruk, afdruk, platdruk; Cam is niet goed bij zijn hoofd. Wat een idiotie, en ook het idee alleen al dat een jongen als Sjaak indruk op mij zou willen maken. Je reinste gekkigheid.
Mijn rare gehik is nog een halve huil, maar de lach wint hand over hand. Het maakt de anderen ook aan het lachen, en voordat ik het weet staan we met z’n allen als idioten te grinniken bij de bar.
‘Koffie, iedereen?’ zegt Cam opgewekt, terwijl hij zichzelf achter de bar manoeuvreert.
‘Nou, dingetje kan wel even een douche gebruiken,’ zegt Martin mijn kant op. ‘Sorry, ik weet niet hoe je heet. Bedankt dat je zomaar mee kwam helpen, by the way.’
‘Is toch normaal,’ mompel ik, ‘als er iets aan de hand is, dan help je even, dat doet toch iedereen op het eiland? En ik heet Nynke.’
‘De zus van Tjeerd,’ zegt Sjaak behulpzaam.
‘O,’ zegt Martin nadenkend, ‘jij was toch met Leon aan het rotzooien, tegelijk met –’
‘Ja, hou maar op,’ valt Mayke hem in de rede. ‘Water under the bridge, Martin.’
‘Je praat al helemaal als Cam,’ zegt Martin grinnikend, en dan tegen de hele groep: ‘Horen jullie dat? Ze begint steeds meer als Cam te klinken.’
Axel bromt en Vincent ratelt en Cam zegt iets bekakts, terwijl hij van achter de bar theedoeken uitdeelt waar iedereen zijn natte gezicht en haar mee kan drogen.
‘Hé,’ protesteert Axel, ‘die waren net schoon!’
Mayke lacht alleen maar wat, terwijl ze haar haar losmaakt en dat droog begint te wrijven, en Martin zegt vervolgens op vertrouwelijke toon tegen mij: ‘Wil je even bij ons douchen? Je kan echt niet in die vieze natte kleren blijven zitten, met al dat zand en die schelpjes. Kom, je kunt vast wel even iets van Mandy lenen.’
Ik loop achter hem aan, nog steeds een beetje bibberig, maar blij dat ik een excuus heb om even weg te gaan.
Even uit die hele groep, die tegen me doet alsof er niks aan de hand is. Even tot mezelf komen.
* * *
Een half uur later ben ik fris gedoucht en zit ik bij Martin en Mandy op de bank in een joggingbroek en een sweater van Mandy, die ontzettend aardig blijkt. Ze is vaker op het eiland geweest, voordat ze met Martin ging, en ze vertelt sappig en vol zelfspot hoe ze vroeger smoorverliefd was op Vincent, omdat ze nog niet beter wist. Op de grond, tussen de blokken en de autootjes, zit een klein mannetje met witte krullen. Hij heet Lieuwe, en ineens legt hij een auto op zijn schoot en schuift op zijn kontje naar me toe totdat hij het autootje naar me uit kan steken. ‘To!’ zegt hij blij, zijn eenzame ondertand fier in zijn dreumesgrijns.
‘Hallo Lieuwe,’ zeg ik tegen hem, en ik pak het autootje aan.
‘To! Tototo!’
‘Au-to,’ zegt Mandy tegen haar zoon, maar hij kijkt niet eens naar zijn moeder.
Ze zucht, met gespeelde ergernis. ‘Hij wordt al net zo’n eigenheimer als zijn vader,’ zegt ze, innig gelukkig. ‘Wil je nog een kopje thee? Het is echt vreselijk weer hè, buiten! Misschien kan Mart je dadelijk even naar huis brengen met een van onze karretjes, dan haal je je fiets gewoon morgen op. Toch, Mart?’
Hij bromt iets instemmends.
‘Ik wilde eigenlijk de boot van vier uur terug nemen,’ zeg ik, terwijl ik dankbaar nog een kop thee van Martin accepteer. Het smaakt heerlijk, na zo’n natte, koude ervaring; ik zou er nog helemaal rozig van worden in het gezellige, warme huisje van Martin en Mandy. En Lieuwe, die me intussen een blok gebracht heeft.
‘Bo!’ zegt hij, en ik pak zijn blok aan.
‘Dank je wel, Lieuwe,’ zeg ik, ‘wat een mooie,’ en Mandy zegt langzaam: ‘Blok.’
Martin komt erbij zitten op de stoel tegenover de bank waar Mandy en ik op zitten. ‘Moet je horen hoe het tekeergaat, buiten,’ zegt hij, toch wel een tikje bezorgd. ‘Ik ben echt maar blij dat we de windmolen stil hebben kunnen zetten; dit was nooit goed gegaan. Als de overkapping boven het podium op het terras het maar houdt; het ziet er leuk uit, maar er hoeft maar één stevige windvlaag onder te komen...’
‘Dat zal toch wel?’ zegt Mandy. ‘Je hebt het toch heel stevig ontworpen?’
‘Ja, maar het staat precies verkeerd ten opzichte van de windrichting nu. O, en de surfkeet, als het heel hoog water wordt, met die storm...’
‘We hebben alles gisteravond nog binnen gelegd, dus de spullen zijn veilig.’
‘Zolang hij niet wegspoelt.’
‘Mart, je bent een doemdenker.’ Mandy grinnikt goedmoedig naar haar vriend.
Ik vind ze een leuk stel, met hun kindje, ze hebben het echt gezellig hier. Alles straalt warmte uit, hun huisje, hoe ze tegen elkaar doen... Als ik ooit echt met iemand zou zijn, dan zou ik dat ook zo willen.
Niet dat ik per se in zo’n huisje op het eiland zou willen wonen. Ik zou het denk ik in Amsterdam willen, waar ik mijn opleiding kan doen en waar ik kan werken, als het me lukt om werk te vinden in het theater. Of op de televisie, of waar dan ook.
Ineens lijkt het een idioot idee dat het me zou kunnen lukken, dat ik inderdaad actrice zou kunnen worden. Ja, oké, ik ben toegelaten tot de opleiding. Maar dat is nog maar het begin. Wie zegt dat ik hem ook echt kan afmaken? Wie zegt dat ik het dan ook goed genoeg kan om aan het werk te kunnen? Wie zegt dat iemand überhaupt met me zal willen werken?
Ik kan een mismoedige zucht niet binnenhouden.
De wind trekt nog wat verder aan en het begint te hagelen. Martin kijkt bezorgd uit het raam naar Grote Vis. ‘Ik dacht dat we het ergste al hadden gehad,’ zegt hij fronsend, ‘maar blijkbaar had ik het mis. Ik ga nog even naar de overkant, voor het geval er iets misgaat en ik moet helpen. Zitten jullie hier goed?’ Hij kijkt naar Mandy en mij.
‘Ik ga wel mee,’ zeg ik meteen; ik voel me gesterkt door de douche en de schone kleren en de thee, en ik wil graag iets terugdoen.
Hij kijkt me even aan. ‘Zeker weten?’
Ik knik. ‘Wat kan ik hier doen behalve wachten tot de wasmachine en de droger klaar zijn met mijn kleren?’
Er is iets raars aan de hand: daarnet, toen ik vies en bibberig en ellendig was, wilde ik niets liever dan weg uit die hele groep, waar ik altijd al zo graag bij had willen horen en die me nu ineens, tja, bijna als een van hen behandelde. Het was allemaal gewoon te veel, op de een of andere manier. En nu wil ik juist weer terug. Ik wil niets liever dan terug naar binnen bij de Vis, kijken wat er gebeurt, kijken wat de groep...
Of, nee. Het gaat eigenlijk niet om al die mensen, het gaat helemaal niet om Axel en Vincent en Mayke en Cam. Het gaat om, het gaat natuurlijk om...
Om...
Shit.
Het gaat natuurlijk om Sjaak. Er is iets aan die jongen waardoor ik heel hard bij hem weg wil hollen, maar als ik dat eenmaal heb gedaan wil ik weer terug, om te kijken of ik nog steeds heel hard bij hem weg wil hollen, of juist niet. Zoiets. Iets jojo-achtigs.
Ik sta op, bedank Mandy, geef Lieuwe een aai over zijn krullenbol en loop achter Martin aan. Hij haalt ergens bij de voordeur een grote paraplu vandaan, steekt hem net buiten de deur op en gebruikt hem bijna als een schild tegen de intussen diagonaal vliegende, kogelgrote hagelstenen.
Het is maar een klein stukje, maar we worden toch nat en vlak voor de serre van de Vis klapt de paraplu binnenstebuiten.
‘Ah, shit,’ gromt Martin hartgrondig terwijl we de warmte in stappen, ‘dit was juist zo’n lekkere.’
‘O, kom maar hier, broer, ik kan hem misschien wel redden,’ zegt Wende goedmoedig. Ze moet ondanks het vieze weer zijn gekomen terwijl ik aan het douchen was bij Martin en Mandy. ‘Ha, Nynke, ik moet Nynke zeggen, toch? Ik hoor dat je zo goed hebt geholpen daarnet, wat fijn!’ zegt ze tegen mij.
‘Hoi,’ zeg ik, stug en onhandig. ‘Hoe kom jij nou hier?’
Wende worstelt even met de paraplu, buigt de omgeklapte baleinen in de juiste richting en doet hem voorzichtig dicht. En weer open, en weer dicht, en dan geeft ze hem terug aan haar broer met een komisch gezicht dat zegt: was dat nou zo moeilijk?
‘Met de LaRo,’ zegt ze dan tegen mij, ‘Ax heeft me opgehaald. Ik voelde me niet lekker vanochtend, ik dacht dat ik buikgriep had of zo, maar nu is het wel weer gezakt.’
‘O, gelukkig,’ zeg ik zachtjes. ‘Is in het dorp alles nog goed?’
‘Nou, de kerktoren staat wel heel erg te wiebelen, en er is een stuk dak weggewaaid van de werkplaats van Thé Boersma. Het ligt gewoon in de tuin, het heeft verder geen schade aangericht, maar het is wel vervelend.’
Ik knik. Gelukkig hebben ze Greetje over de vloer; meneer en mevrouw Boersma zijn ook niet meer de jongsten. En wie weet kan ik het nog wel gebruiken om Tjeerd... Wacht eens even: als ik nou tegen hem zeg dat hij daar moet gaan helpen... Ik kan een grijnsje niet onderdrukken, terwijl ik in de zak van de joggingbroek grabbel naar mijn mobiel.