Hoofdstuk 9 - Hoogtij
By Jackie van Laren
‘Hé, Dingetje. Wat sta jij stiekem te grinniken.’
O jee. Daar heb je hem. Sjaak. Hij heeft zijn haar losgemaakt; het is weer zo goed als droog. Je kunt nu wel heel goed zien dat het ooit wit geblondeerd was, maar dat hij van zichzelf veel donkerder is. Er zit een uitgroeigrens ter hoogte van zijn oor. Toch staat het hem wel. Gek is dat, maar ik denk dat alles hem wel goed zou staan; ik kan maar niet vergeten hoe hij er ineens uitzag met dat zonlicht op zijn gezicht. Hoe mooi. Zijn ogen zijn ook heel mooi: heel intens, en groen. Zijn mond vind ik ook mooi, vooral zijn onderlip. Zacht, ziet die eruit, ik kan bijna niet stoppen met staren.
‘Halloooo?’ zegt hij zachtjes en plagerig, terwijl hij dichterbij stapt.
Ik kom met een klap uit mijn rare hypnose en stotter: ‘O, eh, ja, eh, ik wilde mijn broer, eh, omdat Wende zegt dat het dak eraf is gewaaid bij de werkschuur van Boersma, dus ik dacht: dan bel ik Tjeerd, misschien kan hij even helpen, omdat, weet je wel, de Boersma’s, dat zijn Greetjes opa en oma, en, eh, dus...’ Ik stop met ratelen en kijk vertwijfeld op, in zijn groene ogen.
‘Dus je wilt je broer aan die Greetje koppelen,’ zegt hij bedachtzaam.
‘Nou ja, dat is altijd beter dan die twee dombo’s die bij hem werken,’ zeg ik, onaardiger dan ik had gewild.
‘Wie weet zijn dat heel lieve meisjes, met een hart van goud,’ plaagt hij. ‘Wie weet kan je broer met een van die twee dolgelukkig worden, kan ze elke avond heerlijke patat voor hem bakken... Wie weet kan hij ze wel allebei nemen; meiden die het niet van hun uiterlijk moeten hebben, zijn vaak geweldig in bed. Hebben tenminste zin om er een beetje moeite voor te doen. Van die mooie snoepjes van meiden, die verwachten natuurlijk dat de man al het werk doet. Ook best aardig hoor, op zijn tijd, maar twee lelijkerds kan ook leuk zijn.’
Ik kijk hem verschrikt aan.
‘Of is je broer niet zo’n type, dat hij met twee tegelijk...?’ vraagt hij onschuldig.
‘Nee. Jij wel dan?’
‘O, je wilt niet weten wat ik allemaal heb meegemaakt...’ mompelt hij, en ineens heeft hij zo’n verwegge blik in zijn ogen. Zijn stemgeluid wordt anders, klinkt niet meer stoer of plagerig, maar eerder afstandelijk en misschien een beetje droevig.
Ik stap nog iets dichterbij en raak even zijn arm aan, alsof ik hem wil troosten, en hij maakt een beweging alsof hij me tegen zich aan wil trekken, maar op het laatste moment besluit dat toch maar niet te doen.
Hij staat heel dichtbij, met zijn hoofd een beetje schuin.
‘Sorry dat ik op je viel, hoor,’ mompelt hij, ‘dat was niet de bedoeling. Ik zal het nooit meer doen.’
Hij ruikt lekker. Zo dichtbij is hij, dat ik hem kan ruiken.
Ik heb me daar nooit zo mee beziggehouden; ik weet natuurlijk dat mannen een andere lichaamsgeur hebben dan vrouwen, en dat zal ook wel ergens goed voor zijn, maar echt bewust aan een man ruiken omdat hij zo’n lekker luchtje heeft? Van zichzelf?
Ieuw.
Maar niet bij Sjaak.
Geen ieuw, Sjaak ruikt heerlijk. Fris, en een klein beetje peperig, heel lekker. Ik moet me inhouden om niet heel brutaal aan zijn nek te snuffelen, en tegelijk voel ik me heel raar verlegen en zelfs een beetje beschaamd. Ik kan wel door de grond zakken.
Hij ruikt ook aan mij, ik voel het, ik hoor het ook: zijn neus zit bij mijn haar in de buurt en hij snuft hoorbaar.
‘Ik weet niet wat voor shampoo je hebt gebruikt, maar dat moet je vaker doen,’ zegt hij, blijkbaar zonder een spoortje van gêne. Misschien ruikt hij aan de lopende band aan vrouwen, wie zal het zeggen?
‘Ik heb het alleen maar uitgespoeld,’ beken ik, en ik zet toch maar een stapje bij hem vandaan.
Meteen zet hij ook een stap naar achteren, waardoor er gevoelsmatig een soort gapend gat tussen hem en mij ontstaat dat veel groter lijkt dan het is. Maar voordat ik daar al te hard van heb kunnen balen, klinkt er een enorme SWOOOSH van buiten en vliegt een punt van de terrasoverkapping de lucht in alsof hij van papier is. Ergens buiten klinkt er ook nog een enorm gekraak, gevolgd door een paar dreunen; de hele Vis staat te schudden.
‘Mijn dak,’ gromt Axel.
‘De windmolen!’ roept Martin.
Ik geef een gil van schrik en Sjaak slaat volledig intuïtief, dat voel ik, zijn armen alsnog om me heen en trekt me beschermend tegen zich aan, terwijl een stuk hout van het stukgewaaide dak onder luid geraas van brekend glas door de ramen van de serre naar binnen wordt geblazen.
Meteen is de storm ook binnen. De wind waait door de Vis en het is direct een enorme chaos; menukaarten vliegen door de serre, overal liggen glasscherven. De paar gasten die toen ik aankwam nog binnen zaten zijn allemaal terug naar hun huisjes, dus er zat niemand meer. Een geluk bij een ongeluk.
‘Bouwzeil,’ zegt Axel, en hij beent naar de deur.
‘Waar ga je heen?’ vraagt Wende een beetje angstig. ‘Pas nou op, zo dadelijk krijg je nog iets op je hoofd.’
‘Aggregaathok; zo kan het niet blijven.’ Axel is de deur al uit, en in een oogwenk staat hij ook weer binnen, met een groot blauw bouwzeil, een schroeftol en een doos schroeven. ‘Gondel zit er nog op, propeller ligt in tweeën in het duin,’ zegt hij zonder verdere inleiding, maar we weten natuurlijk allemaal waar dat over gaat. Die harde klappen van daarnet. Axel lijkt zich er nu niet meteen extreem druk om te maken; hij verheft zijn stem iets, om boven het geloei van de wind uit te komen, en roept: ‘Cam, Mart, help me even met dat gat.’
Wende heeft intussen eerst een heleboel foto’s gemaakt van de ravage, en vervolgens heeft ze twee bezems en een stoffer en blik tevoorschijn getoverd. Mayke en zij beginnen te vegen; ik zie een open vuilnisbak half achter de bar staan, sleep hem dichterbij en begin met stoffer en blik de bijeengeveegde bergen glas en zand en houtsplinters op te vegen en weg te gooien.
Vanuit mijn ooghoek zie ik dat Sjaak, hoewel het hem niet is gevraagd, ook hard meehelpt met het op zijn plaats krijgen van het bouwzeil.
De wind in de Vis neemt af, het zeil klappert wel een beetje, maar we kunnen al weer normaal tegen elkaar praten.
‘Nou,’ zegt Vincent, ‘het zal mij benieuwen of de boot nog gaat. De mensen die vandaag uit hun huisjes zouden gaan, die moeten we nog maar even laten zitten, hè?’
Axel geeft hem een blik die blijkbaar boekdelen spreekt, en Vincent grijpt meteen zijn telefoon. Ik hoor dat hij even later Siets aan de lijn heeft: de veerbootkapitein heeft zo’n specifiek stemgeluid dat je het dwars door een mobiel aan andermans oor nog kunt herkennen.
‘Nee, hè? Dachten we al,’ zegt Vincent in zijn mobiel, en ineens besef ik dat ik dan dus ook niet weg kan. Ik hoef me over een onderkomen geen zorgen te maken natuurlijk, maar... het is niet hoe ik het had gepland.
Ik werp nog een snelle, schuine blik op Sjaak.
Is het heel erg, als ik nog een nacht hier blijf? Vind ik dat eigenlijk echt heel erg?
Vervelend genoeg kijkt hij terug, terwijl ik naar hem kijk, en meteen voel ik weer die aandrang om te maken dat ik wegkom, terwijl ik ook weet dat ik daarna meteen weer terug zou willen.
Wat is dit toch?
En nou komt hij ook nog op me af.
‘Zo, Dingetje,’ zegt hij tegen me, ‘dus jij zit hier ook vast. Interesting.’ Hij wiebelt met zijn wenkbrauwen in een zo ongelooflijk onbeschaamde flirtpoging, dat ik in de lach zou schieten als het me niet ook deed bevriezen. Waar is ineens die beschermerige, lekker ruikende jongen gebleven van een half uur geleden?
Ik zie nu ook aan hem dat hij echt wel een doorgewinterde muzikant moet zijn; hij heeft die uitstraling. Dat loopje. Die rare, inherent lijkende belangrijkheid die mensen in de entertainmentindustrie kunnen hebben.
Ik moet er niet aan denken dat hij me gewoon alleen maar als het eerstvolgende schatje in het eerstvolgende stadje zou zien. Vreselijk lijkt me dat; ik heb toch verdorie niet voor niets mijn haar afgeknipt en die bril genomen? Ik wilde dat mensen me niet zouden zien als een leeghoofdig, inhoudsloos mooi meisje, een meisje van wie je eerst ziet dat ze mooi is, waarna je meteen vergeet om nog verder te kijken of er toevallig nog iets origineels, iets eigens onder de mooie buitenkant zit.
Ja, nou ja, in alle eerlijkheid wil ik natuurlijk vooral dat mannen me niet als een sekspop met één werkende hersencel zien; van vrouwen heb ik eigenlijk liever dat ze me gewoon niet meteen bij de eerste kennismaking al als aartsvijand wegzetten.
‘Ik héét geen Dingetje,’ zeg ik dus scherp, en ik keer me met een ruk om om weg te lopen, naar de wc’s.
‘O, nou nou, rustig aan maar, ik plaag je alleen maar,’ zegt Sjaak nog, maar ik doe net of ik niks hoor.
Vreselijke gast, die Sjaak. Al ruikt hij nog zo lekker.
Als ik uit de wc’s kom, zit de hele Visploeg plus Sjaak een beetje mismoedig rond een tafel. Wende heeft een opengeklapte laptop voor zich staan en mompelt af en toe iets; zo te horen zit ze een verzekeringsformulier in te vullen. Daar was ze natuurlijk ook al die foto’s voor aan het maken.
Vincents mobiel begint te rinkelen. Of eigenlijk komt er een soort reggaemuziek uit. Alweer Siets aan de andere kant van de lijn; even springt mijn hart op. Misschien later vanavond toch nog een afvaart, als de storm een beetje is geluwd? Maar nee, het gaat over iets anders; ik zie Vincents wenkbrauwen bijna zijn haargrens in schieten terwijl hij zegt: ‘Meen je niet!’
Druk gepraat aan de andere kant van de lijn.
‘Moeten wij iets doen, hier?’ Vincents stem klinkt bezorgd. ‘Nee, eigenlijk zou ik ook niet weten wat; we hebben hier wel een rubberboot liggen, maar daar ga je natuurlijk in dit weer ook de open zee niet mee op. Is de kustwacht al ingescha–’
Vincent heeft zijn zin nog niet afgemaakt of er ratelt een helikopter over, zo laag dat de glijders bijna over het dak schrapen. Daardoor schudt de Vis even zo mogelijk nog harder dan door de stormwind.
‘Ah, daar heb je de kustwacht,’ zegt Vincent droog. ‘Momentje, Siets, ik praat de mensen hier even bij.’ Hij legt zijn mobiel tegen zijn schouder en kijkt de kring rond, bijtend op zijn lip.
‘Ja, nou,’ zegt hij uiteindelijk, ‘volgens Siets is er dus een containerschip in de problemen, ongeveer ter hoogte van ons, maar wel echt op volle zee. Het lijkt erop dat we een enorme opgestuwde vloed gaan krijgen; die wind blaast alles zo het land op, dus als het nou misgaat met dat schip en de bemanning moet van boord in zo’n opblaasbaar vlot, weet je wel, dan kan het zomaar zijn dat ze hier aanspoelen. Als er lading van het schip af slaat, ook grote kans dat we dat hier krijgen. Het is bloedgevaarlijk allemaal; niemand weet precies, op zo’n moment, wat zo’n schip vervoert, hoeveel stookolie erin zit...’ Hij kijkt even snel de kring rond en houdt dan zijn mobiel weer aan zijn oor. ‘Ja hallo, Siets? Heb je nog iets gehoord, of hebben jullie iets op de radar?’
Axel is nog voordat Vincent helemaal is uitgesproken opgesprongen uit zijn stoel en rommelt wat achter de bar. Hij komt terug met een krat vol technisch uitziende spullen, waarvan Wende verzucht: ‘O, Ax, ik heb je nou al zo vaak gevraagd om die troep op te ruimen!’
‘Hm,’ zegt Axel. Hij zet de krat op een ander tafeltje en begint er dingen uit te halen.
‘Wat ga je doen?’ vraagt Cam nieuwsgierig.
‘Ontvanger,’ bromt Axel, terwijl hij een onduidelijk ding met een bos draden eraan omhooghoudt. ‘Maritieme frequenties,’ komt er daarna, en: ‘Kijken of we kunnen horen wat er gebeurt.’
‘Cool,’ zegt Sjaak, die tot dan toe eigenlijk opvallend stil was. Al zijn branie van eerder lijkt ineens weer verdwenen; dat komt toch niet omdat ik op een blijkbaar cruciaal moment naar het toilet ben gegaan? Hij kijkt natuurlijk wel precies op als ik probeer verstolen naar hem te gluren; ik voel een rare bonk vanbinnen.
‘Ik... ben ook wel redelijk handig met techniek,’ zegt hij, even knipperend met zijn ogen, en dan staat hij op om met Axel mee te kijken. Cam bemoeit zich er ook tegenaan, maar Vincent blijft zitten.
‘Ik bel zo dadelijk gewoon nog een keer naar Siets,’ zegt hij, alsof alle moeite die Axel, Cam en Sjaak zich getroosten en het mannengejuich dat opklinkt als het onduidelijke, draderige bouwsel op tafel ineens krakend tot leven komt, allemaal volkomen verspilde energie zijn.
‘Antenne,’ hoor ik Axel mompelen, terwijl hij zoekend langs het plafond kijkt. Dan ziet hij plotseling iets, klimt op een stoel en haakt een eind metaaldraad rond een metalen buis. Direct wordt de ontvangst veel beter. ‘Zit nog op het dak, heeft Fredo nog gebouwd,’ zegt hij tegen niemand in het bijzonder.
‘Fredo was Axels oom, Ax heeft Grote Vis en alles wat hij hier op het eiland heeft van die oom geërfd,’ ondertitelt Vincent behulpzaam als hij Sjaaks vragende blik ziet. ‘Ik heb hem ook nog gekend, oom Fredo. Toffe gast was dat, helemaal buiten the system, weet je wel? Niets raakte hem. Axel lijkt ontzettend op hem.’
‘Onzin,’ zegt Axel, ‘van alles raakt me. Als er iets met Wen zou gebeuren, wat zeg ik, als er iets met jóú zou gebeuren, Vin, ouwe rukker, dan ben ik nergens meer.’
‘Awkward,’ zegt Vincent grinnikend, maar we kunnen allemaal wel zien dat Axel het meent, en dat het eigenlijk iets heel liefs is om te zeggen. Wende geeft hem een bepaald soort blik, er spreekt iets van milde ergernis uit, maar veel meer nog innigheid en liefde, en ik bedenk me dat ik dat nou nog nooit heb gevoeld voor een jongen of een man.
Zoiets dieps. Zoiets waardoor je bij diegene wilt zijn, omdat je het gevoel hebt dat dat nu eenmaal moet; dat dat zo hoort. En dat die ander dat dan ook heeft.
Nog nooit meegemaakt.
Ik heb toch flink gerotzooid met zowel jongens als mannen, in mijn vorige leven, maar zoiets, het concept alleen al, is echt nieuw voor me. Eerst zag ik vrijwel alles waar een piemel aan zat als veel te makkelijk te manipuleren, hersenloze beesten: als ze denken dat er seks te halen valt, al is het nog zo weinig, dan krijg je bijna alles van ze gedaan.
Toen zag ik mannen als dommig, misschien zelfs wel een beetje viezig, maar in ieder geval wezens die je je maar beter ver van het lijf kunt houden.
En nu? Nu zie ik om me heen jonge stellen, Axel en Wende, Mayke en Cam, Martin en Mandy, die overduidelijk dol op elkaar zijn, van elkaar houden, die echt voor elkaar kiezen, en die zo onverklaarbaar, onbereikbaar, heerlijk sámen zijn. Ik wil dat eigenlijk ook, geloof ik. Ik dacht het al toen ik Martin en Mandy zag, maar nu weet ik het zeker.
Mijn blik kruipt bij die gedachte als vanzelf weer even richting Sjaak, en verdorie, hij kijkt alweer precies naar mij op het moment dat ik naar hem kijk. Hoe kán dat toch? Buiten loeit de stormwind om Grote Vis, we maken ons collectief zorgen om die zeelui op die boot voor de kust en ik zit hier een beetje naar een of andere jongen te loeren.
Ja, oké, hij is blijkbaar een ervaren muzikant, wat wel iets interessants heeft. Maar dat is eigenlijk helemaal niet zo belangrijk. Veel belangrijker is dat ene, dat maakte dat ik zijn gezicht zo zag in het zonlicht, dat ik hem even écht zag. Zo knap. Zo mooi, gewoon. Zo... ja, waarschijnlijk is hij helemaal niet zo knap, maar ik vínd hem knap. Hij doet me iets.
Jee, ik krijg volgens mij ongewild een rood hoofd, als ik me bedenk dat ik stiekem eigenlijk wel met zo’n soort jongen als Sjaak naar bed zou willen. Waarschijnlijk. Denk ik. Ik heb het nog nooit gedaan, hoeveel ik in het verleden ook heb uitgevreten met jongens om mijn zin te krijgen. Echte seks is er tot nu toe niet bij geweest. Het was altijd zo dat ik iets bij hen deed, zodat ze vervolgens deden wat ik wilde, maar ik voelde er zelf niet echt iets bij. Het was een handeling, means to an end, niet meer.
Maar dit is iets anders.
Met zo’n jongen als Sjaak kan ik me voorstellen dat... ik zou willen dat hij ook iets bij mij zou doen. Met mij zou doen. Maakt bijna niet eens uit wat precies. En dat ik wat hij dan zou doen, echt heel erg fijn zou vinden.