Intermezzo 11: Daan en Menno Olivier - Hoogtij
By Jackie van Laren
‘Meneer Olivier.’
‘Daan, jongen. Zeg maar Menno. Ik ben meer van de je en jou dan van de u, hoor, voor u-zeggen moet je bij mijn zuster zijn. Ga zitten.’
‘Ik... wilde eigenlijk even praten over... nou ja, je dochter. Nynke. En eh, mij. Ja. Nynke en mij. Ik snap natuurlijk dat het er niet al te best uitziet, maar, weet je wel...’
‘Jongen, haal even een paar keer adem. Wat wil je nou eigenlijk. Ga je me vertellen dat je met haar wilt trouwen?’
‘...’
‘Dat dacht ik al.’
‘Nee, nee wacht, maar ik wil dus wel zeggen, nou ja, dat ik het goed met haar voorheb. We kennen elkaar nog maar net, maar dat lijkt niet zo, ik bedoel: er is iets tussen haar en mij, een connectie. We hebben allebei het gevoel dat dit tussen haar en mij echt iets anders is. Niet gewoon verliefd, weet je wel, maar echt. The real thing, en zo.’
‘Hm.’
‘Ik zal me wel belazerd uitdrukken, ik heb ook nou niet echt ervaring hiermee.’
‘Ik zit me nou net te verwonderen dat een jongen als jij zo makkelijk, zo openlijk, over zijn gevoel praat. Misschien is dat een generatieding; het was niet in me opgekomen om op jouw leeftijd met de vader van mijn vrouw dit gesprek te gaan hebben.’
‘Weet je wat het is, eh, Menno: ik heb al jong geleerd dat als je iets nodig hebt, je het moet zeggen. Als je gaat zitten wachten, dan komt er niks. En hoe duidelijker je kan zeggen wat er volgens jou moet gebeuren, hoe meer kans je maakt om het voor elkaar te krijgen.’
‘Daar zit wel wat in, ja.’
‘Nou, ik heb Nynke dus nodig. En zij mij ook. Dus ik zeg het gewoon tegen je, want we kennen elkaar nog maar net, ook al voelen we het zo sterk, en ik wil niet dat jullie, haar ouders, zich zorgen om haar gaan zitten maken. Ik heb het goed met haar voor. Ik zal haar niks laten gebeuren, ik zal voor haar zorgen. Al die dingen. Misschien denk je dat ik een niksnut ben, of dat ik foute vrienden heb of zo, maar dat is helemaal niet zo. Ze hebben van alles over me gezegd wat niet waar is, ik heb het ook allemaal aan Nynk verteld, ze weet alles, maar jullie moeten het ook weten. Ik, ik... het is gewoon, zo ben ik dus niet.’
‘Rustig aan, jongen. Alleen al dat je de moeite neemt om dit allemaal te zeggen pleit enorm voor je.’
‘En ik ben ook echt niet armlastig, hoor; vroeger moest ik wel hosselen, maar nu niet meer! Ik heb geen profvoetballerssalaris, maar we kunnen er lekker van rondkomen op het moment, de muziek, en omdat we bijna alles in eigen hand hebben, houden we er ook het meeste aan over. En ik ben niet zo’n luxegast, weet je wel? Ik hoef geen klokje van een ton om mijn pols, of zoiets idioots.’
‘Gelukkig niet.’
‘Ik, eh, ik wil dus dat je weet dat, nou ja, ik heb het nog niet tegen haar gezegd, maar als Nynke dat wil, dan mag ze in Amsterdam gewoon bij mij komen wonen. Het is zo verdomd moeilijk om woonruimte te vinden in Amsterdam, en bijna niet te betalen... Ik kan over een week of twee weer in het huisje van mijn pa, want dan zit hij weer in het grote huis met zijn vriendin; ik kan de hypotheek nu toch makkelijk opbrengen. Ik heb veel liever dat ze lekker bij mij komt dan dat ze in een of ander gribushok in de Bijlmer moet gaan zitten of zo, omdat er niks anders te krijgen is.’
‘Vind je dat niet... een beetje snel?’
‘Hmm, ja, nou ja, eh...’
‘Jullie kennen elkaar nu, wat, een week?’
‘Ja, zoiets ja.’
‘Dan ken je elkaar toch nog helemaal niet?’
‘Op zich niet. Met je voorhoofd ken je elkaar niet, nee, ik bedoel, als je puur logisch nadenkt. Maar dat zei ik toch, er is iets anders tussen ons. Alsof het er altijd al is geweest. Alsof we elkaar juist wél al heel lang kennen. Wij snappen het ook niet. Maar het is wel zo.’
‘Ik... denk dat ik wel begrijp wat je bedoelt, jongen. Soms wéét je gewoon wat je moet doen, dan hoor je een stemmetje in je hoofd, of zoiets. Ik heb dat nooit tegen haar gezegd, want dat deed je niet in onze tijd, maar ik had dat ook toen ik Nynkes moeder voor het eerst zag. Ik wist gewoon: die moet ik hebben. Poot erop. Van mij. Moest ik wel nog even flink moeite doen, maar ik heb haar, en ik laat haar niet meer gaan, natuurlijk. Dat wil trouwens niet zeggen dat alles dan daarna heel makkelijk gaat, want dat is niet zo. Wij hebben ook moeilijke momenten gehad. Maar toch, ik denk dan altijd dat mensen die zo’n soort gevoel bij elkaar hebben, minder snel opgeven als het even tegenzit in hun relatie dan anderen, die dat niet hebben. En nu ik weet dat jij zoiets bij mijn dochter voelt, ben ik er meteen een stuk geruster op. Je leek me al best een goeie jongen, ondanks je uiterlijk: slim, ondernemend, zelfstandig, maar –’
‘Wat is er mis met hoe ik eruitzie?’
‘Nou, je mag best een keer naar de kapper.’
‘Vroeger had ik mijn haar tot hier.’
‘O, dus je wilt zeggen dat ik blij moet zijn dat het nu maar tot daar hangt?’
‘...’
‘Ik plaag je maar, jongen. Je bent een apart geval, dat zie ik meteen, met of zonder lang haar. Een eigenheimer, ben je. Maar zorg je goed voor mijn dochter, dan interesseert het me geen klap hoe je eruitziet. Al heb je haar zo lang dat je erop kunt zitten, en een gezicht vol tatoeages als een Maori, je gaat je gang maar. Als jullie gelukkig zijn, als Nynke gelukkig is, dan zal je me niet horen klagen.’
‘Zij mag ook niet klagen, vind ik, met zulke ouders. Ik wou dat ik dat had gehad, als kind.’
‘Je krijgt ons er gratis bij, jong. Het is een, hoe heet dat, een packagedeal.’