Intermezzo 12: Tjeerd en Greetje, tien dagen later, de avond voor het benefietconcert - Hoogtij
By Jackie van Laren
‘Hé, Greet, ga je mee een stukje langs het strand lopen, of wil je meteen weer terug naar het dorp?’
‘Nou, ik ben net klaar, en...’
‘Ja, dat heb ik begrepen van Wende, daarom kom ik het ook vragen.’
‘Moet jij niet werken dan? Wie staat er nu in Beppes Keuken? Heb je je zus alleen laten staan daar, terwijl het etenstijd is?’
‘Nee, natuurlijk niet, Daan is er ook. Ze hebben me weggestuurd, samen, omdat ik zo graag even met je wil praten. Ik heb je de afgelopen dagen met rust gelaten, ook omdat je het natuurlijk superdruk had met het organiseren en zo, maar, eh...’
‘Waar wil je het dan over hebben?’
‘Ja, eh, laten we nou maar gewoon even een stukje langs het strand gaan, dat vind ik echt een stuk makkelijker praten.’
‘Oké, vooruit dan maar. Ik heb eigenlijk al gegeten, hier, dus ik hoef niet per se meteen terug. Het zal wel even gedoe worden om langs al die dranghekken te komen die bij de strandopgang staan, hoor; en al die soldaten natuurlijk, het is zo druk, en die jongens hebben natuurlijk allemaal vragen, zal je zien; voordat we het weten staan we uit te leggen waar ze een aanlegponton moeten bouwen, of zoiets.’
‘Ik vind het wel slim van jullie om het zo te doen, hoor! Dat je het grootste deel van de kaartcontrole aan de wal hebt, dat de bezoekers door die soldatenboten worden overgebracht, direct naar het strand, en dat ze gewoon meteen weer terug worden gebracht als het afgelopen is. Als iedereen met de gewone boot was gekomen, en iedereen had hier moeten overnachten, dan was het hele eiland vastgelopen.’
‘Er zijn dertigduizend kaartjes verkocht! Dat had natuurlijk nooit gekund als we niet met die jongens van de genietroepen al die dingen hadden kunnen regelen!’
‘Gelukkig is het strand groot genoeg...’
‘Ja, groot zat, het past er makkelijk op, en met die schermen kunnen mensen ook gewoon lekker verderop op het strand gaan zitten, of in de duinen, zelfs; niet iedereen hoeft voor het podium te gaan staan dringen. En we hebben vijf EHBO-posten, ook militairen, we zijn allemaal veilig.’
‘Je vindt het wel wat, hè, al die militairen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, niks.’
‘Nee, Tjeerd, niet niks; wat bedoel je.’
‘Hmpf. Nou ja, gewoon, je hebt het er de hele tijd over, je zit de hele dag tussen de stoere jongens, en ik, eh, nou ja, ik wilde natuurlijk graag een keertje met je praten omdat, nou ja, weet je wel, voordat je naar huis ging, na dat geklier van Akke en Swaantje, toen had ik toch het idee dat er tussen jou en mij, eh... Dat er iets... Je weet wel. Maar als je liever een militair hebt dan snap ik dat denk ik ook wel, ik bedoel, wat heb ik te bieden, hè, ik ben niet zo stoer.’
‘O, Tjeerd. Serieus?’
‘Wat bedoel je?’
‘Ik vind jou... Als ik zou moeten kiezen tussen al die militairen en jou dan weet ik het wel, hoor. Dan neem ik jou. Geen twijfel over mogelijk. Maar aan de andere kant, toen ik weer thuis was heb ik wel even goed nagedacht over alles.’
‘O. O? Wat dan?’
‘Nou ja, eh, jij bent een serieuze jongen, ik zie jou niet zo aan een soort, eh, zomerflirt, zeg maar, beginnen. En ik ben daar ook geen fan van, het past gewoon niet bij me. En vanaf oktober ga ik in Schotland werken, in een kasteel, voor minstens een half jaar, zo niet langer. Dat is dan toch ook niks, als jij en ik dan iets hebben, en ik ben de hele tijd weg?’
‘Jezus. Schotland. Een half jaar. Dus, eh, dus jij dacht: dan kunnen we maar beter niks beginnen?’
‘Ja, zoiets. Dan hebben we er ook geen verdriet van, en zo, als ik weg moet.’
‘Ik kan wel op je wachten, hoor.’
‘Serieus?’
‘Ja, wat denk je nou? Ik ben niet zo snel met mijn gedachten en mijn gevoelens, dus als ik eenmaal wat voel, dan is dat ook niet zomaar weer weg.’
‘En je voelt wat?’
‘Ja. Ik voel wat.’
‘Ik ook, eigenlijk; ik heb echt geprobeerd om het te laten zakken, want ik dacht dat dat beter zou zijn, maar, eh, ik voel dus ook wat.’
‘Oef. Godzijdank. Kom hier, Greet.’
‘Ja, wacht nou ev–’
‘...’
‘...’